Skip to main content

Full text of "Ons volksleven"

See other formats


Digitized by the Internet Archive 

in 2010 with funding from 

Indiana University 



http://www.archive.org/details/onsvolksleven14brec 



ONS VOLKSLEVEN 



ANTWERPSCH-BRABANTSCH TIJDSCHRIFT 



voor Taal en VolksJictitYeerJiglieii, voor Oude Gebruiken, Wangelootkunie, enz. 



ONDER LEIDING VAN 



J. GORNELISSEN & J. B. VERVLIET 



Onderwijzer te 

s' ^^^s^TOIs^ITJS■BI^ECIïT 



^^ITTWEI^^'EIT. 



1»'^ JAARGANG 
1889. 



« Er ie nog een rijke oogst op het veld der gewestspraken voorhandon ; 
ïile T. 'ksuitdinklingen dreigen te verdwijnen die om linnne juistheid, 
Svjïiild^-racb'ig'ieid cf oudheid verdienen in de sclirifttaal opgenomen eu 
bewaard 'ie blijven. » 

Zuid-N ederlandsche Maatschappij van Taalkunde , Wedstrijd 1874. 
« De studie der folklore heeft voor doel ons volk in zijne eigenaardige 
zeden en gewoonten, in zijn innig geloof en karakter te leeren kennen; 
in één woord, hei volk zooals hei is. » 

Vracyboek voor Vlaamsche Volkskunde. 



y 



B R E C H T. 

L. BRAECKMANS, DRUKKER-UITGEVER. 



208019 



.(5)5" 



^^aQ^<Llx, -5-\-^^ 



INHOUD. 



GEMENGDE OPSTELLEN, bl 

1. Aan onze Lezers • 1 

2. Dietsche Kianst 17 

3. Slotwoord 99 

TAAL. 

I. Bijdragen tot den Dietschen' Taalschat. 
l~'t* Woordenzange 19 
2'*'' ^Yoordenzange 33 
S**® Woordenzange 49 
4''« Woordenzange 81 
5de Woordenzange 89 

II. LTlTSPEAAK DER KlANKEN. — KlANK\VISSEL 

1. EenTOudige Klanken 

2. Tweeklanken 

III. Levende Spraakkunst. 
Geslacht der Zeltst. Naamwoorden 14, 46, 

DICHT VEERDIGHEID 

A. Kinderliedekens. 

1. Kinderliedekens uit Antwerpen 

2. Kempische Nieuwjaarsliedekens 

3. Dansliedekes 

4. Spotrijmkes 

5. Hoe de Kinderen tellen 

6. Rondedansliedekes uit Antwerpen 

7. Zwierebalkliedekes 

B. Vertelsels. 

1. Het Vertelselke van Lompen Jan 

2. De Zegge van den Dommen Knecht 

3. Het Vertelsel van den man die op 

[zoek ging naar de Rechtveerdigheid 23 

4. Het Vertelsel van de twee Spinuekoppen 41 

5. Hoe de Schelvisch dien naam kreeg 55 

6. ^Yaarom de Pladijs 'uen krommen snuit 

[heeft 56 



6, 36, 



7. "SVaarom de Uilen 's nachts vliegen 

8. De Maker van de Bloemen 

9. Het Manneke van Hippelipip 

10. Het Vertelsel van Merten met den Vos 

C. Grappigheid . 

1. De Merkt van Sichem 

2. De Boeren van Ooien 61, 62,72 

3. Van den H. Antonius en het Verken 62 
D. Weersvoorspellingen en Boeeespreuk- 

[SKES 10 



57 
57 
78 
93 
96 

75 

86 



8, 29, 44. 



E. Kwelspreuken 

F. Stafrijmen 

G. Raadsels 
H Schippekesspel. 

I. De Taal DER Vogelen. 

H. Liederen. 

1. De Maker van de Bloemen 

2. Drinkliedeke 

WANGELOOF. 

I. Verschillige Bijgeloovighedeu, 

J. Sagen. 

De DuiA'elsschuur 43 

Een Soldaat-Heksenmeester 65 

Van den Misdiener 66 

Met den Duivel gedanst ! 66 

Van den Duivel en de Kaartspelers 66 

De Kaboutermannekes 66 

Alvermannekes en Hussen 67 

De JuÖrouw en de Peerdekop 90 

Van den Verdoemden Herder 90 

. De Brandende Scheper 91 

. De Grenspaal 91 
VOLKSGENEESKUNST. 9 
OUDE GEBRUIKEN. 

Verschillige Gebruiken 9 

Kruisgebruiken 32, 35, 88 

De " Looi V 64 

Het Hanekappen 77 

5. Het inhalen van de leste Boekweit 97 

KINDERSPELEN. 

1. Kaartspel 41 

2 . Namen geven - 30 

3. Haar en klein beestjes 31 

4. Klare, klare, mosselare . 87 

5. Ziege zage manneke... 87 



11 


2. 


45 


3. 




4. 


72 


5. 




6. 




7. 


2 


8. 


25 


9. 


38 


10, 


51 


11 


58 




68 




70 


1. 




2. 


5 


3. 


21 


4. 



6. Blinde Margeriet 88 

BOEK- EN BOEKSTAFWEZEN. 

De Ou'lste Schepenbrief van Brecht 63 

BOEKBESPREKINGEN . 

61 1. Jfan Xicoïa'ides. — Livi-es de diviuation, 

tra'duits sur un manuscrit turc , 94 

2. Reebrecht Schrijvers. — Verduitsching 

onzer meest geljruikte doopnamen, 95 

UIT BOEKEN, BRIEVEN EN 
BLADEN 98 



DRUKFOUTEN. 





Bladzijd 


'e 




Fout 


Verbeterd 


5, 


in 't midden 




weg 


eweg 


7 


(/« uitgaaf)yan boven 




stopt 


sopt 


8 


{i« tiiig.) 


b. 




stjedje 


stjetje 


15 


(2« uitg.) 


m. 




Fortuin V. | m. 


Fortuin v. | o. 


21 




b. 




uotteux 


motteux 


25 




b. 




brandde 


brande 


26 




m. 




Vijfhonderd Christenen 


Vijf wonden Christi 


43 




b. 




vlem 


vlam 


43 




0. 




was bedrogen de boar 


was bedrogen en de boer 


50 




m. 




Deezekespeerd 


DeezeTiespeerd 


57 




m. 




hooter de poot 


hooter de foot 


62 




m. 




lekkebaart 


lekkebaardt 


62 




m. 




notenboeén 


notenboeëm 


62 




0. 




ieërder 


ieërda 


70 




0. 




Te roepen 


Ze roepen 


72 




0. 




Mispel v.-m. | m. 


Mispel v.-m. | v. 


73 




m. 1 


staat tweemaal : sprak de maagd. 




77 




m. 




ondergeen 


ondereen 


86 




m. 




't Is olie 


't Is de olie 


Op bl. 60, ia het liedeken a, 


aan 


den voet der bladz., is het vers 


vergeten : « Negen kwam ik 


tegen. 


n 










Van 


het dansliedeke 


!n° 1, op 


.bl. 


68 is maar de tweede helft afgedrukt. De eerste helft — laps7is 


impressoris — is niet : 


in de per 


1, maar in de letterkas gebleven. Er moet dus voorkomen : 



En zij heeft haar witte kousen aangedaan, 
Om naar 't bal te marcheeren ; 
En zij heeft haar witte kousen aangedaan. 
Om naar 't bal te gaan. 



ONS VOLKSLEVEN 



ANTWERPSen -BRABANTSCH TIJDSCHRIFT 

Yöor Taal en VolMdilfeeriijlieiJ, Oufle GeörEiken, WanpIooftünJe, enz. 



God zij geloofd ! De tijd is voorbij dat de studie der folklore in onze 
Dietsche gewesten, zoo goed als verwaarloosd wierd ! 

De tijd is voorbij, dat de weinige beoefenaars van die belangrijke weten- 
schap, als dwazen uitgelachen en bespot wierden ! 

In de leste jaren immers is die studie wondersnel vooruitgegaan, en te 
allen kante zijn kloeke mannen, begeesterde minnaars van taal en volk, al 
het volksaardige uit hunne gouwen aan 't opteekeneii en in tijdschriften 
aan 't, bijeenbrengen. 

Zoo heeft West- Vlaanderen Bond den Heerd en Loqtiela; Oost-Vlaanderen, 
't kortelings gestichte Volk en Taal ; Limburg en Luik, 't oudere 't Dar/het 
in den Oosfen, terwijl VoRslmndc met algemeene, vergelijkende folklore 
bezig is. 

Antwerpen en Brabant alleen, zijn tot hiertoe blijven slapen.... 

't Is dan hoog tijd dat wij ook de handen aan 't werk slaan om de schat- 
ten, in onze streken begraven, op te delven en in 't licht te stellen. 



Ons doel is : 

1° Ten blakke brengen al wat ons volk kenmerkt in woord en lied, 
huiselijk leven en innig geloof en zeden ; 

2" Liefde verwekken voor onze levende en frissche volkstaal; 

3° Daardoor en ook door 't herinneren aan 't verleden, het onze bijdragen 
om den Dietschen volksgeest herop te beuren, die reeds zoo deerlijk aan 't 
verbasteren is; om onzen Nederduitschen stam en zijne rijke tale te ver- 
heffen; in één woord, om eigen taal en eigen zeden in eere te herstellen. 



Wij doen dus 'nen warmen oproep aan al die onze pogingen goedkeuren, 
die meewerken en ons ondersteunen willen met raad en daad. Inschrijvin- 
gen en alle meedeelingen, hoe klein of niet, zullen met den meestcn dank 
aangenomen worden. 

U vooral, Onderwijzers en Studenten, zeggen wij : Gij zijt de mannen die 
ons 't meeste helpen kunt! Gij, Onderwijzers, door uw dagelijksch verkeer 
met de kinderen en den onverbasterden volksman uwer streek ; Gij, Studen- 
ten, vurige knapen en taaie kampers, gedurende den verloftijd, rond den 
huiselijken heerd ! 

Wij hopen dan op uwe welwillende meewerking. Geve God dat zij ons 
niet ontbreke ! 



Ons VoUslevcn zal verschijnen in maandelij ksche afleveringen van acht 
bladzijden in 8° en 1,50 fr. 'sjaars kosten. Voorde Studenten is er 0,25 fr. 
alslag. 



Bijdragen en meedeelingen te zenden aan den Schrijver onzer Gilde, den 
Heer J. Cornelissen, onderwijzer te Sint-Antonius-Brecht, en aan den Heer 
J. B. Vervliet, Welvaartstraat, 01, te Antwerpen. 



ONS VOLKSLEVEN 



Antwerpsch-Brabantsch Tijdschrift 
voor Taal en Volksdichtveerdigheid , 
voor Oude Gebruiken, Wangeloof kuude, 
enz. In trvelfnommers van acht bladz, in S» 
voor 1,00 f r. ; l,25fr. voor de Heeren Stu- 
denten. 

Te Brecht, 



bij L. Braeckmans. 




« E!r is nog een rijke oogst op het veld 
der gewestspraken voorhanden ; veel 
volksuitdrakkingen dreigen te verdwij- 
nen die om hunne juistheid, schilder- 
achtigheid of' oudheid verdienen in de 
schrifttaai opgenomen en bewaard te 
blijven. » 

Zuid-Nedeelandsche Maatschappij 
VAN Taalkunde, Wedstrijd 187 A. 

« De studie der folklore heeft voor doel 
ons volk in zijne eigenaardige zeden en 
gewoonten, in zijn innig geloof en karak- 
ter te leeren kennen, in één woord, het 
volk zooals het is. » 

Vraagboek over Vlaamsche Volkskunde. 



AAN ONZE LEZERS. 

God zij geloofd ! De tijd is voorbij dat de studie der folklore in onze Diet- 
sche g-ewesten, zoo goed als verwaarloosd wierd ! 

De tijd is voorbij, dat de weinige beoefenaars van die belangrijke weten- 
schap, als dwazen uitgelachen en bespot wierden ! 

In de leste jaren immers is die studie wondersnel vooruitgegaan, en te 
allen kante zijn kloeke mannen, begeesterde minnaars van taal en volk, al 
het volksaardige uit hunne gouwen aan 't opteekenen en in tijdschriften 
aan 't bijeenbrengen. 

Zoo heeft West-Vlaanderen Rond den Heerd en Loquela; Oost- Vlaanderen, 
't kortelings gestichte Volh en Taal; Limburg en Luik, 't oudere 't Daghet in 
den Oosten, terwijl Volkskunde met algemeene, vergelijkende folklore 
bezig is. 

't Was dan hoog tijd dat wij ook de handen aan 't werk sloegen om de 
schatten, in onze gouwen begraven, op te delven en in 't licht te stellen. 

* 

Ons doel is : 

1° Ten blakke brengen al wat ons volk kenmerkt in woord en lied, hui- 
selijk leven en innig geloof en zeden ; 

2° Liefde verwekken voor onze levende en frissche volkstaal ; 

3° Daardoor en ook door 't herinneren aan 't verleden, het onze bijdragen 
om den Dietschen volksgeest herop te beuren, die reeds zoo deerlijk aan 't 
verbasteren is; om onzen Nederduitschen stam en zijne rijke tale te ver- 
heffen ; in één woord, om eigen taal en eigen zeden in eere te herstellen. 



Wij doen dus 'nen warmen oproep aan al die onze pogingen goedkeuren, 
die meewerken en ons ondersteunen willen met raad en daad. Inschrijvin- 
gen en alle meederlingen, hoe klein of niet, zullen met den meesten dank 
aangenomen worden. 



« Ons Volksleven. " 



U vooral, Onderwijzers en Studenten, zeggen wij : Gij zijt de mannen die 
ons 't meeste helpen kunt ! Gij, Onderwijzers, door uw dagelijksch verkeer 
met de kinderen en den onverbasterden volksman uwer streek; Gij, Studen- 
ten, vurige knapen en taaie kampers, gedurende den verloftijd, rond den 
huiselijken heerd ! 

Wij hopen dan op uwe welwillende meewerking. Geve God dat zij ons 

niet ontbreke ! 

DICHTVEERDIGHEID. 

Kinderliedekens uit Antwerpen. 

De eerste stap dien de verzamelaar op het gebied der folldorc waagt, 
brengt hem gewoonlijk tot de kinderen, en vooral tot de meisjes. 

Bijna geen enkel van hunne spelen, of het wordt veraangenaamd door 
een liedeken of een telsel; nemen wij b. v. Icokenefen. 

Eenige kinderen, meestal meiskens, maken een kransken en noemen eene 
moeder. Moeder zorgt voor snoeperijen of ontvangt wat Jmire hinderen mee- 
gebracht hebben. Pottekens en pannekens worden voor den dag gehaald ; 
en moeder bereidt het eten, juist gelijk zij het thuis heeft zien doen. 

Terwijl zij hiermee bezig is, zitten de kleinen geduldig te wachten ; heeft 
moeder bijna gedaan, dan wordt er een kruis gemaakt : 



Rekke 



solfer- 



-stekke(n), 



waarna men bidt 



de pekke 



Onze Vader die in d'hemelen zijt, 
Die de dikke Ijoterhammen snijdt ; 
Ons Lie(ve)vrouwken is zoo goed, 
Dat ze er een Ijeetje boter op doet. 

Is nu het eten gaar, dan roept moeder : 

Koken — , kokeneten, 
't Spinneke staat in 't eten ; 
Al die nie(t) en komt, 
Die is vergeten. 

Eten, eten, eten ! 

En nu gesmuld dat het een lust is om zien ! 

Hebben ze hun l)uiksken vol, dan maken zij (als brave kinderen), nog een 
kruis : 

Knip 

in 't keldergat, 

knap 

cn 't spel is uit. 



« Ons Volksleven. » 



Zoo strekt hunne diclitveerdigheid uit, tot alles was hun maar belang- 
oplevert, of indruk op hun jeugdig gemoed maakt. 

In de eerste plaats hebben wij de natuurverschijnsels, zooals sneeuw, 
hagel, regen, enz. 

Als het sneeuwt, dan zingen de kinderen : 

Deezeke schudt zijn beddeken uit, 

Hij laat zijn pleumekes (= pluimekes) vliegen, vliegen ! (1) 

Als 't hagelt: 

Jan hagele, Jan hagele, met zijne(n)lange(n) neus ; 

Hij heeft 'ne(n) neus gelijk een pm, 

Daar kunnen wel du(i)zend snuif kes in ; 

Jan hagele, Jan hagele, met zijne(n) lange(n) neus. 

Als 't regent en de zon schijnt, dan heet het « duvelfjes kennis ». (2) 
Voor den regen hebben de kinderen 't volgende liéken : 

En als 't te Brussele regent, 
Dan liggen de straatjes nat ; 
Dan komt er 'ne(n) arme keuteleer, 
Die krijgt al veur ze' (= zijn) g... 
Roebededoe, roebededoe, slaagt de trommel al op ze' g... 

Ge ziet, de Sinjoor is nogal spotziek; doch men zet het hem betaald 00. v, 
want men roept hem gispender wijze toe : 

Kek (kijk) Sinjoor, 'nen uil op 't dak; 
Schiet hem er af, 'ne(n) stuiver in uwe' n) zak . 

Verschillige feestdagen in 't jaar geven gelegenheid aan een liedeken of 
een telsel. 
Met Nieuwjaar zingen de kinderen : 

Nievejaarke zoete, 
't Varken hee' vier voete(n), 

Vier voeten en eene(n) steert, 
't Varken is geen (o)ordje weerd. 

Ofwel : 

Op eenen Nieuwjaarsavond, 

Den bakker sloeg ze' wijf. 

Met eenen dikken kluppel, 

Zoo deerlik op heur lijf, 
De kluppel die wou nie' breken, 
Het wijf da' wou nie' spreken. 

De kluppel die Ijrak, 

Het wijf da' sprak, 
En den bakker heet op ze' korentje g'had. 

En met Vastenavond : 

Vastenavond, Vastenavond, 

Karnaval 
Dan loopen de zotten overal. 



(1) Ook in de Kempen. 

(2) In de Kempen : 

't Rêgert en het zonneke schent (schijnt) : 
't Is kermis in de hel. 



" Ons Volksleven. « 



Als de klokken van Rome terugkomen, op Paaschavond : 

Bim, bom, beieren, 
De klokken brengen geen eieren, 

Wat brengen ze dan ? 

Spek in de pan. 
Met 'nen rijzen boterham. 

De kinderen houden veel van St. -Niklaas, en de H. Man ziet de kinderen 
ook geerne, zoo geerne dat hij het hun in 't geheel niet kwalijk neemt, dat 
ze zoo gemeenzaam tot hem durven spreken. Luistert maar : 

1<= Kind. — Sintene Klaas ! Hope de baas, 
Brenge wat in me' schoentje, 
'En appeltjen of e' lamoentje ; 
'E notjen óm te krake', 
Da' zal wa' beter smake' ; 
Greft de klein kindere' wa', 
En laat de groote loope' 
Deur Sin-Jeurres (= S* Joris) poorte'. 

2<= Kind. — De poorte' zijn geslote' ; 

1" Kind. — Loopt dan deur de go te'. 

2« Kind. — De gote' zijn te nat ; 

1'' Kind. — Loopt dan deur het varke' ze' g... 

2'^ Kind. — Het varke' ze' g... is te warm ; 

1<= Kind. — Loopt dan deur den darm. 

2« Kind. — Den darm is te rot, 

1« Kind. — Loopt dan deur het poesjenellekot ! 

Dat liêken wordt ook als telsel gebruikt en dan wordt het door één van 
de kinderen opgezeid. 

Sint-Marten is ook een welbekende heilige in de kinderwereld ; de kleine 
deugnieten vragen stoutweg : 

Sinte-Marte kruk ! 
Geft me 'nen appel , 
Ik geef euw e' stuk ; 
Geft me 'nen heele, 
Ik zal hem deele. 
Geft me 'nen halve. 
Ik zal hem dalve ;j 
Geft m' e kwartier 
Ik goei het in 't vier ! 

Ge ziet, ze durven dreigen, de kabouterniannekens; zorgt echter dat ge 
het hun niet verwijt, want ze zouden u antwoorden : 

Laat alle winden waaien ; 
Laat alle meulekes draaien ; 
Laat alleman lietijen, 
Eu moeit u met uw eigen. 

J. B. Vervliet. 



« Ons Volksleven. y> 



Het Vertelselke van Lompen Jan. 

Daor was is 'nen boerezeun en ha hiet Jan en ha was nog te lomp (i) om 
veur den duvel te dansen (2). 

Ha wonde daor ieverans (3) alleen mee' ze' moeder en daor kreeg- (h)em veul 
kijven af, omdat (h)em toch zoe lomp was en diksewijl (4) alles verkeerd dee' 
wa' z' (h)em gebooi {5). 

Daor gao-de na van hooren. 

— '. Jan, zee ze moeder is tegem hum. Jan zee ze zoo, neem' (h)et vet is van 
't vier af en giet (h)et over de kooien, maor nie' klasse' zelle' ! 

— Da's goed, moeder, zee Jan zoo, 'k zal ek ik er veuf zorgen. 

Maor as 's noenes de kooien op taofel kwaomen eh, tuns (e) waore' ze me 
zoe maoger, zoe maoger en zoe aongebrand da' ze bekanst nie' etelik en 
waoren. 

— « Waor zij-de toch mee 't vet gebleven ? « vroeg de moeder zoo aon Jan. 

— « 'k Hem (h)et over de kooien gedrest (7), « was Jannes bescheed. 

— « Over de kooien ?... 'k Zien der gen dem in. « 

— « Jao'k, moeder, over de kooien in den hof, zelle' ! ^ 

— « Over de kooien in den hof, waor góng-de 't toch verzinnen. Heer ale- 
velook ! Ge zij' nog stommer as 'nen ezel en nog zotter as 'n deur (s). 

— « Jaomaor, ik meinde da' ze dan beter zoue' wörre' wassen, moeder, « 
zee Jan mee 'en onnoozel gezicht. 

Naor den eten must Jan naor d'stad en ha zou 'en stopnaöld meebrengen. 

— « Stekt ze goed weg zelle' ! « zee moeder tegen Janne, eerdat (h)em ver- 
trok, « want as ge ze verliert, dan zul-de wete' waor 't mert is. y^ 

— « He(b)tgen nood moeder, y> zee Jan, 'k zal ek ik ze goe' genoeg gaai- 
slaogen (9). 

En Jan onderwegen aon 't dubben eh, aon 't dubben en middelen aon 't 
verzinnen, om z'n stopnaöld nie' te verlieren, maor gennen enkele dieën 
(h)em aonsting (10). 

^ Tuns zag (h)em ne' gelaaien hooiwagen veur (h)em deurrijen en ha stak 
z'n stopnaöld in 't hooi, en thuisgekomen, begost ha mij te zuken eh, te 
zuken naor z'n stopnaöld, maor niks gekort, ze was nie' meer te vijnen (11). 

Jan kreeg 'en heel hoopen kijven van ze' moeder, lijk ge wel peizen kunt. 

—" Düë stomme loer w, zee ze zoo, zij-de na toch nie' wijzer? Waoróm 
kost-de de stopnaöld óp oe' mouw nie' gesteken hemmen, zeg? « 

Jan mocht nieverans ne meer naortoe gaon, maor ennigen tijd laoter was 
ze' moeder da' weeral vergeten en ze zond (h)em naor de' smid veur 'ne' 
nieven riek. 



(1) Spreekt ó uit gelijk eene korte oe, en ö gelijk eene korte eu. — (2) a, uitspr. gelijk eene 
lange zuivere a, doch zoolang niet gerekt. — (3) leverhands = ergens. — (4) Diksterwijl = 
meestentijds. — (5) Gebood. — (6) Toen. — (7) Dressen, ook dratsen = sprinkelen. — (8) Zot, gek. 
— (9) Gaslaan = l)ewaren. — (10) Aanstond. — (11) Vinden. 



« Ons Volksleven. » 



—u Deze' keer zulle' ze me ne meer verneuken «, docht Jan in z'n eigen en 
as (h)em terugkwamp, dan had (h)em mij ómmes den riek óp z'n mouw 

steken 

_« Wel Deezes Marante ! v zee de moeder, « lómpc vlegel da' ge daor 
staot, waoróm den riek in oewe' sloef nie' gebonnen en (h)em zoo thuisge- 

Körts naodaotum gong Jan 'ne' wan leenen, want den helle (i) was ver- 
sleten en ze kosten hem nie' goed ne mer gebruiken. ^ ^.. 

Alle moeite van de' wereld gedaon om de' wan in ze'ne' sloef te bijnen (2) 
en gezweet van 't geweld, maor niks te doen : de wan was te groot. 

Tunsnamp Jan ze' mes en ha snee de' wan in klein stukskes en die bon 

(h)em in ze'ne' veurschoot. , , u u 

Ge kunt wel peizen hoeda' ze' moeder verslaoge' stmg en hoe n schabao- 
ring (3) dat Jan weeral óp ze' lijf kreeg ! 

— « Had-de na toch maor 't verstand gehad van 'ne' stok deur d oor van 
de' wan te steken ! zee ze, as z' al 'en heele uur aon e' stuk opgespannen 
had ge hadt (h)em dan gemakkelik óp oewen rug kunnen draogen ! « 

In'tgrauwen van den aoved, must Jan ze' zuster nog gaon afhaolen die 
in d' stad wonde, want 's anderendaogs was 't kêremis in 't dorp. 

Onderwegen snee' Jan 'nen eiken knuppel uit de' kant en dieë' stak (h)em 
ze' zuster deur der ooren en zoo droeg (h)em 't arm masken op ze' nen rug 

naor huis. ^ , i, • •+ 

En tuns kwamp er e' vêreken mee 'ne' lange' snuit en t vertelselken is uit. 

(Gehoord Xe S^ Antonius-Brecht, Wester-Kempen). 

J. CORNELISSEN. 



Raadsels. 



1. Ik kwam eens deur een straatje gegaan, 
Toen kwam daar een vos paterken aan ; 
't Vos paterke zee (= zei) : 

'k Zal u te nacht doen hokkelwUen, 
Dat ge van uw bed zult rollen. 

Antwoord. — Eene vlooi. — Vrglk. Am. Joos, blz. 62. 

2. Ik kwam eens deur een straatje gegaan, 
Ik zag daar 'nen grunen Arjaau staan ; 

Ik trok 
En hij trok 
En hij wou niet van mijn lijf gaan. 

Antw. —Een doren. — Vrglk. Am. Joos, blz. 78. 



I 



(1) Samengetrokken uit /(^w^^•crfer.— (2) Binden. — (3) Duchtige bekijving. Baven = slaai 
vandaar schabaven = straf slaan, een zeer kostelijk woord. 



% 



« Ons Volksleven. « 



3. Der is een dink, 

't Sopt zijn gat eer dat 't drinki. 

Antw. — Een eemer. 

4. — Dii kromme, dii lange, 
Vanwaar komt gij gegangen ? 
— Ei ! du geschoren gat. 

Waarom vraag de (= vraagt gij) mij dat ? 

Antw. — Eene beek en een beemd. Vrglk. 't Daghet, S'' j., blz. 56. 

5. Der zat 'ne giepgaap 
Op een heilig huis ; 

Eu der kwam 'ne wuulhaan 
Mee (= met) een kraltbemuis. 

Antw. — Giepgaap = kauw; heilig huis = kerk; wuulhaan = peerd; 
krabbemuis = eg. 

6. Der zat 'ne giepgaap 
Boven in 'nen gerresnaap ; 
Hij zag zoo diep Frankrijk in 

Dat hij een dingzagmeeeeneerdkrab aanzijngat, 

Antw. — Giepgaap = kraai ; gerresnaap = boom ; ding = peerd ; eerdkrab 
= eg. 

7. Gruun (= groen) zien de muren. 
Wit zien de geburen ; 

Zwert zien de papen 

Die in 't kapelleke slaptn. 

Antw. — Een appel. — Vrglk. HBaghetin den Oosten, 3^ j. blz. 57, Am. 
Jöos, blz. 69; Volh en Taal, blz. 21 ; Volkskunde, blz. 207. 

8. Der kwamen eens vier gelijken 
Uit éénen koninkrijke ; 

Ze zagen hun gewonnen goed 
Branden in 'nen koperen hoed. 

Antw. — De bieën, — Vrglk. Am. Joos, blz. 64. 

9. — Man van daar, wat doe-de gij hier ? 

— De man van hierboven die stuurt mij hier. 

— En als ik u pakte, wat had' gij deraan? 

— De man van hierboven, diezoumebijstaan. 

Antw. — De visch spreekt tegen den pier dien de visscher in 't water 
houdt. — Vrglk. Am. Joos, blz. 81. 

10. Ons Lie(ve)vrouwke van Laken 
Spert een wit laken, 

Op land en zand 

Maar niet op den waterkant. 

Antw. — De sneeuw. — Spert = spreidt. — Vrglk. Am. Joos, blz. 57 en 
't Baghciin den Oosten, 2® j., blz. 103. 

11. Daar zat 'ne wever op ze' getouw. 
Hij wist niet wat hij weven zou ; 
Hij weefde van ditenhijweefdevandat 
En hij weefde de hemdslip van ze' g .. 

Antw. — De spinnekop. — Vrglk. 't Daghet, 2^ j., blz. 159. 



« Ons Volksleven. » 



12. Holderdebolder 
Gong over den zolder 

Mee zijn bakkes vol meusehevleesch. 

Antw. — Dg kloon of holleblok. — Vrglk. H Daghef, S'^ j., blz. 8 en Am. 
Joos, blz. 51. 

13. E' stale' pjedje 
E' vlasse' stjedje : 

Hoe herder dat da' pjedje löpt 
Hoe korter da' ze' stjetje wordt. 

Antw. — Naald en draad. — Vrglk. 't Daghet, 2*^ j., blz 130, Am. Joos, 
blz. 47 en Volhen Taal, Pj., blz. 5. 

14. Tusschen hemel en eerde 
Hangen der vier geerden ; 

't Zijn geen eiken of geen esschen : 
Ge zult het niet geraaienal waar-de mee zessen. 

Antw. — De koeidemen. — Vrglk. Am. Joos, blz. 66. 

(Verzameld te S^ Anionius-Brcchi). 

J. CORNELISSEN. 



OUD WANGELOOF. 

I. Om de wratten te doen verdwijnen. — aj Gaat naar 't kerkhof als er 
iemand begraven is ; legt de hand waar de wratten op staan, op den grond 
en bedekt ze met, 7c?w^c«ecr(?e (gewijde aarde). Leest daarna negen weest- 
gegroeten en de wratten gaan weg. — Dat heeten ze de wratten begraven. 

hj Bestrijkt de wratten met een stukske spek en steekt het in den grond. 
Bidt negen dagen lang : den eersten dag negen weestgegroeten, den twee- 
den acht en lederen volgenden dag eencn min. Na verloop van negen dagen 
is het spek rot en de wratten zijn weg. 

c/ Komt ge in eene vreemde kerk, dompelt de hand waar ge de wratten 
op staan hebt, in 't wijwatervat en ze zullen ook verdwijnen. — In eene 
vreemde kerk, want thuis doet het niets at. 

II. 't Volgende gaat onder de kinderen : 

Komt ge 'nen razenden hond tegen, leest dees gebeêke en hij zal u niet 
bijten : 

Ons Lievrouwke trapt op 't zand 

Zonder stok noch stapel in heur hand, 

Met de zeven psalmen in heuren mond : 

Keert daarmee den raasdigen hond. 

Ik ben dezen mergend (morgen) vruug (vroeg) opgestaan, 

Ik hel) Sint-Huibrechts kloksken hooren gaan : 

Raasdige(n) hond sta' stil, 

Want het is Sint-Huibrechts wil. 

J. CORNELISSEN. 



« Ons Volksleven. 



OUDE GEBRUIKEN. 

I. Met Lichtmis zal men achter de horens der koeibeesten en in den hoed 
ofde klak van de huisgenooten, drij lekken van de gewijde keers laten 
druppen. 

II. Als de leste brei boekweit uitgedorschen is, houdt ineens de gemeten 
trippelslag op en de dorschers slagen te gelijk, zoo hard zij kunnen, op den 
dorschvloer. Dat is de leste slag, die de huisvrouw moet vermanen den 
beslag in de pan te gieten en de fecstkoekcii beginnen te bakken. 

Z. '/ Baghet in den Oosten, 2^ jaar, bladz. 140. 

Dat gebruik bestaat ook in Brabant en Antwerpen, o. a. in de Kempen. 

IIL Als de oogst binnen is ofde aardappelen uit zijn, dan moet de boer 
aan knechts en meisens en aan zijn werkvolk eene fooi geven, 's Avonds 
wordt er dan koek gebakken en met koffie toegediend. 

IV. Bij een sterfgeval worden de katten uit den huize gejaagd, de klok 
stilgehouden en de slagvensters gesloten. 

V. Die iemand helpen verhuizen, worden 's Zondags verzocht in 't nieuw 
huis op hiffcc met hramik en rijstpap. Dat boerenfeestje heet Irmvaa (i). 't Is 
in voege te Langdorp, Herselt en andere dorpen rond Aarschot. 

Een dergelijk gebruik bestaat ook in veel streken van de Kempen, doch 
de koffie wordt er gegeven aan de jonge vrouwliê die eenigen tijd te voren 
het huis van hunnen nieuwen gebuur hebben komen schuren. 

VI. Wanneer een Kempische boer verhuist, dan komen zijne nieuwe ge- 
buren hem met veel plechtigheid overhalen. Sommige jonge vrouwliê dra- 
gen den kleinen huisraad en andere leiden de koeibeesten, al zingende : 
« Naar Oostland zuUen ivij varen, » enz. (2). De boerin en de kinderen zitten 
in eene huifkar die rijkelijk met strikken van gekleurd papier versierd is. 

Eerdat men vertrekt, geeft de boer eten en drinken aan die hem komen 
overhalen en later zal hij nog moeten fooien oftrakteeren. 

J. CORNELISSEN. 

VOLKSGENEESKUNST. 

1. Om de wratten te verdrijven. — Men moet de kern van eene noot ne- 
men, de wrat er mee inruisclien (wrijven), daarna de kern terug in de schelp 
doen, die toebinden en in 'nen ^i<;a>«e?e»c5/ (zwaluwnest) leggen. Men moet 
echter zorgen dat de twee schalen der noot, alsook de kern, ongeschonden 
blijven. 

2. De wTat met warm bloed van flieremuizen (vleermuizen) bestrijken, is 
een krachtig middel. 

3. De wrat met warm mosselwater wasschen is ook goed. 

(1) Krawaa = krawei, korwei, krwei, Yv. corvi'e, vau 't Latijn corrogata, 

(2) Wie schrijft er mij, ieder voor zijne streek, de gedaante van dat liedeken eens op ? 



10 « Ons Volksleven. « 



4. Ook kan men ze over 't bloot lichaam van 'nen doode wrijven. 

5. Voor wratten op de hand, moet men drij verschillige kei'ken bezoeken, 
en iedermaal de hand met de wratten in 't wijwater steken. 

6. Om de sproeten te verdrijven, kan men zijn aangezicht met mosselwa- 
ter wasschen. 

7. Ook kan men daartoe 'nen halven pal at in 't gemak gooien. 

8. Om zweethanden te genezen, wassche men ze in zemelen. 

9. Ofwel men houde 'nen vorsch in de hand, totdat hij dood is. 

10. Om het bloeden uit den neus te stelpen, moet men een grauw papier- 
ken onder de tong leggen. 

11. Om van kramp in de beenen bevrijd te blijven, moet men er een pa- 
lingsvel, als eenen ring rond draaien. 

12. Om het r/rn/urt/'/sw Ie genezen, moet men eene wilde kastanie in den 
zak dragen ; het is nochtans noodig dat men ze gekregen hebbe; als de 
ziekte gedaan is, moet men de kastanie begraven, 

13. Een citroen in den zak dragen is een goede middel tegen de roos. 

14. Om de « zenuiven « te genezen, moet men een zakske klipzout op de 
borstholte dragen. 

15. De snaar van eene viool rond den hals dragen is ook goed, doch men 
mag de snaar nooit meer aflaten, of men krijgt de ziekte weer. 

Anhverpcii. J. B. Ver vliet. 

WEERSVOORSPELLINGEN EN BOERESPREUKSKES. 

1. Als de binnen schetteren of als de katten op den bessem krabben, dat 
zijn voorteekens van wind. 

2. Voorteekens van regen zijn : als de padden kwaken, of als de katten 
zich achter hunne ooren wasschen; van sneeuw, als de katten met den rug 
naar 't vier gaan zitten. 

3. Ziet gij slokken kruipen mot een strooiken op hunnen steert, 't is een 
teeken van droogte; maar hebben zij eerc?6' op hunnen steert liggen, dan 
beduidt dit dat er regen komen zal. 

4. Gaan de kiekens vroeg slapen, zijt zeker dat het 's anderendaags goed 
weer is; integendeel, blijven zij laat op, dan is er den volgenden dag slecht 
weer te verwachten. 

.5. Een vlier/slcn in de cikappels beteekent dat men door den winter vlic- 
f/en zal ; vindt ni''ii er een n-orinhen ii], dat beduidt dat men er zal moeten 
door hniipcn. In 't eerste geval staat er dus een korte, en in 't tweede, een 
lange winter te vcrwachleii. 

G. Veel eekeh.'ii ot note]i zijn een voorteeken van \\Qn harden winter. 

7. Als 't in den Advent veel waait, dan is er veel fruit. 

8. Zooals de wind met Equlnox staat, zoo slaat hij drij maanden. 

0. Als 't. uiet Siiite-Mai'gi'iet of met S*-Medai d regent, dan regent het zes 
weken lun";-. 



« Ons Volksleven. ^ ii 



10. Als met Lichtmis de zon schijnt door 't hout, 
Dan is 't nog zes weken koud. 

11. Als mt-t Lichtmis de zon schijnt op Gods altaar, 
Dan is 't eeu o^oed biejaar. 

12. Als met Lichtmis de doornboom lekt, 
Dan drinken de vetweiers wijn. 

13. Met Lichmis valt de sneeuw op 'nen warmen steen. 

1-!. Met St-Tt'unis en St-Sebastiaan 

Komen de harde koppen eerst aan. 
15. Meert 

Pakt ze met den steert 

En April 
Fakt ze met den bil. 

16. Einde van de Meertsche maan, steertje van den winter. 

17. Een groene Kerstmis, een witte Paschen. 

18. Vrijdagsweer — Zondagsweer. 

19. Loopende winden zijn staande weeren (of: hoe lossere wind,, lioe vas- 
ter weer). 

20. Een droge Meert 

Is geld weerd, 
Als 't in April 
Maar regenen 'n wil. 

JOZ. CORNELISSEN. 



UITSPRAAK DER KLANKEN. — KLANKWISSEL. 
Eenvoudige klanken. 

A, aa, — De korte a die meest overal heuren alphabetischen klank heeft, 
wordt nochtans in en omstreeks Antwerpen, alsook te Lier, scherper en 
naar de e uitgesproken. 

Is zij gevolgd van ïir/, nt, ns, dan is zij daaromtrent gelijk aan de lange 
zuivere a, doch zij wordt zoolang niet gerekt : Hand, land, Icint, dans, wan- 
delen. In 't N. der proYincïe Antwerpen Ueeh dat verlengen ook nog wel 
voor andere medeklinkers plaats. Zoo spreekt men daar b. v. acht, jacht, 
vracht hijkdins aachf, jaachf, vraacht uit. 

In de verkleinwoorden, bijzonder in die uitgaan op nd, nt en verkleind 
zijn doorx, klinkt a, in de Kempen en in Brabant, gelijk eene korte zware 
e (a) : Kantje, tandje, handje, manneke, panneJce, ^aJcsJce, tak'^ke, enz. 

A gevolgd van r met 'nen anderen medeklinker verbonden, verandert, 
volgens de streek, in lange zuivere a, in zware c of in bietenden «-klank : 
Waarm, daarm; wêêrm, dêêrm; wcerm, dcerm. 

Het verwisselen van a met e is zeer gemeen : Jierd, zwert, hert, semmelen, 
enz. 

Mep. zegi : soclit, hiochf, (jchrockt, docht, gedocht voor : zacht, bracht, ge- 



12 « Ons Volksleven. « 



bracht, dacht, gedacht, en hier en daar indeKemYtenwochfcn, voor wachten. 

De lange a klinkt bijna overal onzuiver en met o vermengd, omtrent ge- 
lijk de Fransche o in hon, ton : Vaoder, haon, tvaor, 

Aan de kanten van Mechelen spreekt mon ze uit met den bietenden 
«klank : Vcedcr is van BJcescdd; te Herselt en in andere dorpen bij Aar- 
schot, bijna gelijk de Fransche en in fleur, peur; terwijl ze Ie Antwerpen (bij 
de beschaafde standen) nagenoeg zuiver gekUmkt blijft. 

In de woorden die uitgaan op aaf, gekrompen uit ader, wordt a als oa uit- 
gesproken : Allegoar, bloaren, enz. 

In 't Z.-O., op de Limburgsche grens, b. v. te Vorst hoort mon dien klank, 
telkens dat a van r gevolgd is : Board, oard, tvodr, enz. 

Zooals alle lange klinkers, wordt a dikwijls kort uitgebrocht, Hoe is dan 
heure uitspraak ? In 't O. der provincie Antwerpen en in een gedeelte van 
Brabant, luidt zij dan als eene korte n : hnkshr, gemaJct, raJcie, voor: haakske, 
gemaakt, raakte. In 't, W. klinkt zij algemeen o of ö ; HoJcsJce, gemokt, rokte, 
vöntje (vaantje), Z^ö>i/je (baantje), enz. 

E, ee. — De korte e, algemeen uitgesproken gelijk de Fransche c in ces, 

les, mes, klinkt hier en daar met 'nen lichten zweom naar de a. Te Esschen, 

-Heist-op-den-Berg en elders spreekt men dus pen, mes ovuiYawi p<in, mas uit. 

Zij is zwaar en iet of wat verlengd wanneer zij gevolgd is van r, met eenen 
van de medeklinkers 5', /, 7v, m verbonden : ér^, kerk, sfêrf, zivêrm. — Te 
Antwerpen zegt men kcnk, varken, s'cirf, enz. 

E wissolt dikwijls met i : gilden, sprinkclen, sm'dten, vichfen, heridderen, enz. 

In menige sti'eek hoort men ^<;ölV2)«?, ^rr&örr/e;?, hörgen, enz., voor : wer- 
pen, verbergen, bergen, enz. 

De zuivere of zachtlangec is gansch gelijk aan de Fransche e in é'cmifc, 
café. Te Lier, Antwerpen en rondom klinkt zij eenigzinsc/ achtig. 

De gemengde of scherplange wordt hier irë, elders éa uitgesproken : 
Bicën, sticën; héan, sféan. 

Zij wisselt met ri in gemcin, dcilcv, iveiken, hlcilcn, sleipcv, enz. 

De zware e wordt veelvuldig gehoord. Zij klinkt gelijk de Fransche e in 
perc en, in sommige dorpstalen, ook gelijk ce, 

In de dorpstaai van S* Antonius-Drecht gaat, in sommige woorden, eene 
lichte i of /de zware c vooraf. Peerd, eerd, steert. Meert, veers, keers, 
merel, Bet'rs, Beersel en Veerle worden uitgesproken : Fjêêd, jêêr{d), sfjêêt, 
Miêêt, viêês, kjêês, miêrd, Bjêês, Bjêsd, Viêêl. In alle andere woorden hoort 
men nochtans de zware e zonder voorgevoegde i of j. 

Gelijk de Hollanders de oorspronkelijke zware 6' in a wisselden (staart, 
waard), zoo hebben wij integendeel ee?, czni, kêês, êvereehts, slêger, klêêr, 
enz. voor aas, azen, kaas, enz, 

B'ii die eigenlijk zuiver klinken moesten, blijven zwaar geklankt; b, v. 
gêêl, degen, rn/en, sclurl, (loensch), enz, 



« Ons Volksleven. » 13 



I, ie. — De korte i heeft 'nen klank, niet ong-elijk aan de Duitschc i van 
l/si en de Fransche van griff'>;. — Stil, Und luiden dus : still, Jcüncl, kort uit- 
gesproken. 

Men zeyt fei?, blek voor tin, hllk en Jochi (ó), ommers (ó) voor : licht (niet 
zwaar) imnirrs. 

In veel woorden spreekt men in de Kempen u voor i uit; b, v. Tummcren, 
fjulde, klummen, rtimpel, slum, enz. 

De Inngc ie verschilt enkel van de korte doordien zij langer aangehouden 
wordt. Zij wisselt met gemengde e in Peer, feer, pecpen. 

* 

O, 00. — De korte o heeft heuren alphabetischen klank, b. v. in God, hond, 
zonde, enz. 

Zeer dikwijls wordt zij als eene korte oe (ó) uitgespi-oken en komt dan 
overeen met de Duitsche u van dunkcl. Bom, stom, donker, hok, hlóm, enz. 

Vóór eene r heeft zij menigmanl den klank van eene korte civ (ö) : Vork, 
lör, spörk, koster. 

In de Kempen hoort men : vunt, krum grummenyoor vont, krom, grommen 
en mergen, voor morgen. 

De zuivere of zachtlangeo heeft overal heuren alphabetischen klank ge- 
lijk in sitót, beau, tenzij rond Antwerpen waar zij veel van ou weg heeft en 
te Heist-op-den-Berg, Herselt en elders, waar zij cii klinkt. 

Het wisselen van o in cu is overnl zeer gemeen ; Kcuning, zeun, deur, meu' 
gen, enz. 

De scherplaiige o spreekt men, volgens de streek, oa of oeë, ja, in Brabant 
wel een uit : Boam, loeëpen, streeupcr. In sommige Kempische dorpstalen 
worden de woorden gelooven, hoozen, droog, droom, onnoozel, schroom, 
nooselijk, oogst op Oost- Vlaamsche Mdjze, ah geluëccn, huëzen, druëg, enz. 
uitgebrocht. 

Bij 't verkorten verloopt de gemengde o in de Kempen veelal tot ö. — Ik 
loop, gij löpt, schouder, grötter (schoener, grooteri. 

* 

IT, uu. — De korte u trekt op de Duitsche ü van kussen en de Fransche u 
van une. 

In cenige woorden W(n'dt zij in de Kempen op Vlaamsche wijze, als korte 
CU [O] uitgesproken. Bunt, rund, schurk. Turk, kurk luiden : bont, rond, 
schörk, Törk, körk. 

In de drij leste voorbeelden nochtans denk ik dat er eene o in 't gedacht 
van 't volk staat, zooals in de volgende woorden die men vroeger met o spel- 
de, maar thans algemeen met u schrijft : schor ft. borger, tor f, enz. 

De lange u (overal gelijk in mur, dur) klinkt hier en daar eenigszins eu- 
achtig en ie Heist-op-den-Berg spreekt men bijna din, rig; mier, hier voor 
dun, rug; muur, huur uit. 



14 



« Ons Volksleven, r, 



U wisselt met OM in qrouwel, romv, houwelijJc, stoutv, enz. 

Wij hebben vier, stier, dier, stieven, hief, voor : vuur, stuur, duur, stuiven, 
kuit. 

In 't Z. O. van Ant\V(^rpcn en in Brabant zegt men zocr, schoercn voor zuur, 
schuren. 

Oe is gansch gelijk aan de Fransche ou van poudrc en de Duitsche u van 
du. — Hier en daar wordt zij o-achtig uitgesproken: moudrr, Jwul, terwijl 
ze elders naar de u overgaat : ninder, kuul. 

Heel Brabant en Antwerpen door hoort men : gruun, zuut, vruug, sulccn, 
vuren, muug, vugen, enz., voor : groen, zoet, enz. 

Eu =ö van ^ö««^^, wordt te Antwerpen omtrent als CMï en te Heist-op- 
den-Berg gelijk e uitgesproken; hichcl, venicJccuYoor : kneukei, verneuken. 
In 't N. der Antwerpsche gouw hoort men daarentegen veiil, zeuven, speuJen 
voor : veel, zeven, spelen. ( Vervolgt). 

JOZ, CORNELiSSEN. 



LEVENDE SPRAAKKUNST. 
Geslacht der zelfstandige naamwoorden. 

« By de hollandsche schryvers, vindt men een aental woorden in een 
ander geslacht gebruikt dan in de gesprokene tael van Nederduitsch België. 
Het dunkt ons dat men geslacht zoo als het in België gehoord wordt, zou 
moeten volgen in de woorden, welke hier te lande het geslacht behielden 
dat zij oudtyds hadden..,. Ook in woorden wier geslacht in al de provinciën 
van vlaemsch-België het zelfde is, zouden wy liever ons spraekgebruik dan 
de Hollandsche schryfwyze volgen; want het komt ons voor dat het ge- 
slachtsverloop door den invloed van uitspraek en van andere omstandighe- 
den, in Holland veel aenzienlyker dan ten onzent is geweest. ^^ 

J. Van Beers. Ncdcrduiische Spraehlecr , 3^ uitgave, blz. 45 en v. 

« Vele zelfstandige naamwoorden hebben in Vlaamsch-België, zonder van 
beteekenis Ie veranderen, een ander geslacht dan in Holland. Beide ge- 
slachten zijn goed, ofschoon het voor de Vlamingen geraadzaam is alleen 
het hunne te volgen. « 

Am. Joos. Vlaamsehe Spraalckunst , bladz. 16. 











"0 


El. 


ZKLFST. NAAMW. 


o » 

5-B 


co o 


ZKLFST. NAAMW. 


p-B 

e*- ' 


S- er 
» Cu 


A.B. 

Abberdaan 
Achteruit 


0. 
V. 
0. 


m. 
m. 
m. 


Afplel 
Afval 
Al 


0. 
0. 
0. 


m. 
m. 
m. 


Adel 
Afbraak 


o.-m. 

V. 


m. 
m. 


Alarm 
Albast 


0. 

0. 


m. 
m. 


Afrij 


V. 


m. 


Album 


0. 


m. 



« Ons Volksleven. « 



15 



Aloë 

Aluin 

Amandel 

Amen 

Andijvie 

Anker 

Arduin 

Artikel 

Autaar 

Baai 

Bagger 

Barree] 

Bas (viool) 

Beest 

Beet (plant) 

Berst 

Beslag (pap, deeg) 

Bestel 

Biest 

Bijzet 

HU 

liljart 

Bitter 

Hl aam 

Bleek, bloik 

1 liek 

Buik 

Blok 

1 ocht (kromriiing) 

Boei 

Boek 

Boekweit 

Bof 

Bokaal 

Bond 

Bons 

Boot 

Borrel 

Borstel 

Bosch 

Hot(/. a.h.) 

Boterham 

Bols 

Br aai 

Brem 

Breuk (?■« 't lichaarii) 

Brij 

Brij zei 

Broederschap 

Brok 

Bucht, bocht, 

Buil (knobbel) 

Bunder 

Bussel 

Ciborie 

Daas 

Das (haJsdoeli) 

Deeg 

Diemit 

Dienst 

J>iplooni 

Distel 

1 omiuo 

Donker 



V. 


m. 


V. 


m. 


m. 


V. 


0. 


m. 


V. 


m. 


0. 


m. 


0. 


m. 


0. 


m. 


0. 


m. 


V. 


m. 


V. 


m. 


V. 


m. 


V. 


ra. 


0. 


V. 


V. 


m. 


m. 


V. 


0. 


m. 


o. 


m. 


V. 


m. 


0. 


m. 


V. 


m. 


0, 


m. 


o. 


m. 


V. 


m. 


V. 


m. 


V. 


m. 


0. 


ra. 


0. 


m. 


V. 


m. 


V. 


m. 


0. 


ra. 


O.-V. 


m.-v. 


V. 


m. 


V. 


ra. 


o.-m. 


m. 


V. 


m. 


V. 


m. 


m. 


v.-m. 


v.-m. 


m. 


0. 


o.-m. 


V. 


ra. 


V. 


m. 


V. 


m. 


V. 


m. 


V. 


m. 


V. 


m. 


V. 


ra. 


V. 


m. 


V. 


«• 1 


in. 


V.- 1 


0. 


ra. 


V. 


m. 


o. 


V. 


m. 


V. 


0. 


V. 


V. 


m. 


V. 


m. 


o. 


m. 


0. 


ra. 


m.-v. 


ra. 


o. 


m. 


V. 


ra. 


o 


m. 


0. 


m. 



Dons 

Dood 

Dooier 

Dras 

Drift 

Duit 

Dweil 

Echel 

Eerd{e) (de stof) 

Eigendom 

Eikel, eekel 

Ekster 

Elixer 

Els(en) (priem) 

Epistel 

Erts 

Fabriek 

Fe zant 

Feest 

Fijt 

Flanel 

Fluwijn (kussensloop) 

Forket 

Fortuin 

Frak 

Fret 

üal 

Gang (gaanderij) 

Garnaal 

Gas 

Gedacht{e) 

Genster 

Gerst 

Gesp 

Gilde 

Gist 

Golf 

Gom 

Gort 

Grabbel 

Gram, enz. 

Greep 

Greppel 

Grijns 

Groep 

Groes 

Guano 

El aal 

Halt 

Handschoen 

Hars 

Hecht (steel) 

Herstel 

Hert (dier) 

Hoe 

Hoef (hoornschoen) 

Hop (plant) 

Hop [vogel) 

Horlogie 

Houvast 

Houweel 

llu'sraad 

IJzerdraad 

Inmaak 



o. 
o. 

V. 

m. 

V. 

m. 

V. 

o. 
m. 
m. 
o. 

T. 

0. 

v.-in. 

V. 

m. 
o. 

V. 

o. 
o. 
o, 

V. 
V. 

o. 

V. 



o. 

V. 

m. 

V. 

m. 
o. 

V. 
V. 
V. 
V. 
V. 
3.-V, 

m. 

V. 
V. 
V. 
V. 
V. 
V 
V. 

m. 
o. 
o. 
o. 
o. 
o. 
m. 

V. 

m. 
o. 
o. 
o. 
o. 
o. 
o. 



m. 

V. 

m. 
m. 
m. 

V. 

m. 

V. 

v.-o. 
m. 

V. 
V. 

m. 
o. 
m. 

V. 

o. 



m. 

V. 

o.-m. 
m. 

m. 

V. 

m. 
m. 
m, 

V. 

o. 

V. 

m. 

V. 
V. 

ra. 
m. 
m. 
ra. 
ra. 
m. 
v.m. 
m. 
m. 
m. 
m. 
m. 
m. 
ra. 

V. 

m. 
m. 
m. 
m. 
m. 
y 
m.-v. 

V. 
V. 

m. 

O.-V. 

m. 
m. 
m. 



16 


« Ons Volksleven. " 






Ivoor 


0. 


m. 


Krijg 


v. 


m 




.la 


0. 


m. 


Krimp 


v. 


m 




Jak 


V. 


m. 


Kruk 


V. 


Ml. 




Jammer 


0. 


m. 


Krokodil 


m. 


V 




Jas 


V. 


m 


Krol. krul 


V. 


m 




Jonever 


V. 


m. 


Krop {van voi/els) 


m. 


\. 




Kaas 


V. 


m. 


Krop {sahiad) 


V. 


m 




Kabas 


V. 


m 


Kruimel 


V. 


m. 




Kader 


V. 


m. 


Kuch 


V. 


m. 




Kalk 


m.-v. 


m. 


Kurk 


V. 


ra. 




KanitVr 


V. 


m. 


Kwakkel 


m. 


V. 




Kandij 


V. 


m. 


J jak {zegellak) 


0. 


ra. 




Kaneel 


V. 


m. 


Lak {lastering) 


m. 


V. 




Kant {ii'eefsel) 


V. 


m. 


Lantcern 


V. 


m.-v 




Kapoot 


V. 


m. 


1 .e cm 


O.-V. 


m. 




Kapruin 


V. 


m. 


Leen 


V. 


m. 




Kasuivel 


V. 


m. 


Leest 


V. 


m. 




Katoen 


O.-V. 


m. 


Lemmer 


0. 


m. 




Kazak 


V. 


m. 


Lammet 


o. 


m. 




Kemp 


V. 


m. 


Lever 


V. 


m. 




Keper 


V. 


m. 


Liclitmis 


V. 


m. 




Kerf 


V. 


m. 


Lijm 


v.-o. 


m. 




Ker {kruid) 


V. 


m. 


i.ijst 


V. 


in 




Kerstmis 


V, 


m. 


Lijsti'r 


m. 


V. 




Kervel 


V. 


m. 


Lisch 


V. 


0. 




Keting 


m. 


V. 


List 


V. 


m. 




K(in\B{flant) 


V. 


m. 


Loer 


V. 


m. 




Keur 


V. 


m. 


Lommer 


o. 


m. 




Keus 


V. 


m. 


Look 


o. 


m. 




Kiezel 


0. 


m. 


Loon 


0. 


ra. 




Klamp 


V. 


m. 


Louw 


V. 


ra. 




Klater 


V. 


m. 


Luifel 


V. 


m. 




Klaver 


V. 


m. 


Luk 


0. 


m. 




Klei 


V. 


m. 


Maak 


V. 


m. 




Kleur 


V. 


O.-V. 


Maaltijd 


m. 


V. 




Klont 


V. 


m. 


Machien 


V. 


0. 




Klos 


m. 


V. 


Marmer 


0. 


m. 




Kluister 


V. 


m. 


Marse'i 


V. 


m. 




Kluit, klot 


V, 


m. 


Marsepein 


0. 


ra. 




Kneep 


V. 


m. 


Masleluin 


0. 


ni. 




Knook 


m. 


V. 


Meekrap 


V. 


m. 




Knop 


m. 


v.-m. 


Meel 


O.-V. 


0. 




Kofïar 


m. 


0. 


Melk 


V. 


0. 




Koffie 


V. 


m. 


Meloen 


m. 


V. 




Kolf 


V. 


m. 


Merinos 


0. 


m. 




Koliek 


V. 


0. 


Merg 


0. 


m. 




Kolk 


V. 


m. 


Mergel 


V. 


m. 




Kom 


m.-v. 


V. 


Meit 


m. 


0. 




Komkommer 


V. 


m. 


^ iddel 


0. 


m. 




K omina 


V. 


m. 


Mik {ga fel) 


V. 


m. 




Kook 


V. 


m. 


Milt 


V. 


m.-v. 




Koor [m de kerk) 


0, 


V. 


Minuut 


V. 


m. 




Koord 


v.-o. 


V. 


Misbak 


0. 


m 




Koppel {band) 


m. 


V. 


Misdiuk 


0. 


ra. 




Koraal 


0. 


ra. 


Miskraam 


V, 


o. 




Korrel 


V. 


m. 


^ isluk 


0. 


m. 




Koude 


V. 


v.-m. 


Missaal 


0. 


m. 




Kraan 


V. 


0. 


Misval 


0. 


m. 




Krab {krauw) 


V. 


m. 


Miswas 


0. 


m. 




Krauw 


V. 


m. 


Modder 


O.-V. 


m. 




Kreeft 


m. 


V. 


Moer 


V. 


m. 




Kreng 


0. 


V. 


Moeras 


o. 


o.-m. 




Kreukel 


V. 


m. 


Moet 


V. 


m. 




Kriel 


0. 


m. 


Moord 


m. 


V. 




(Vervolfft). 






J. CÜRI 


'^ELISS 


3EN. 





ONS VOLKSLEVEN. 



Antwerpscli-Brabaiitsch Tijdschrift 
voor Taal eu Volksdichtvecrdigheid , 
voor Oude Gebruiken, Wangcloof kunde, 
euT.. In tn-el^nom Diers van achtbladz,in S« 
voor t,öOfr. ; l,2öfr. voor de Heeren Stu- 
if eti ten. 

Te BuBCHT, 

bij L. Braeckmaks. 




" Er is uog een rijke oogst op het veld 
der gcwestspraken voorhanden; veel 
volksuiidrakkiiigen dreigen te verdwij- 
nen die om liuinie juistheid, schilder- 
achtiu'heid of oudheid verdienen in de 
sclirifttaal opgenomen en bewaard te 
blijven. » 

2uid-Nederlandsche Maatschappij 
VAN Taalkunde, Weihtrijd 187 1. 

"De studie der folklore heeft voor doel 
ons volk in zijne eigenaardige zeden eu 
gewoonten, in zijn innig geloof en karak- 
ter te leeren kennen, in één «oord, het 
volk zooals het is. n 

Vraagboek over Vlaanische Volkskunde. 



DIETSCHE KUNST. 

Er zijn, in zake van allerhande kunsten, meesterstukken van Dietsche 
kunstenaars en Dietsche meesterstukken. 

Ei ! dat wilt den wijsgeer spelen ! 

Meesterstukken van zekere Dietsche meesters kosten even goed een 
vreemd volk toebehooren, omdat ze niets volksaardigs en bevatten en ze 
zullen bijgevolg ons volk, op geene bijzondere wijze treffen, noch aanstaan. 

Dat belet niet dat zulke kunstgewrochten heel schoon, ja heerlijk kunnen 
zijn, bijzonderlijk voor de meer geletterden. Vinden wij ook de meester- 
stukken der andere volkeren niet prachtig? 

Maar Dietsche meesterstukken, dat zijn deze, die recht volgens den aard 
en den smaak van het Dietsche volk geschapen zijn, die ons toehooren en 
geen vreemd volk. 

't Zijn deze leste, en deze leste alleen die onze Dietsche kunstscholen toe- 
hooren, die ons eene eigene Dietsche kunst waarborgen. 

't Zijn deze alleen, die door het gansche Dietsche volk zullen geschat wor- 
den, die ons volk zijnen kunstzin kunnen verheffen en veredelen en die on- 
ze jongere kunstenaars, in hunne opleiding, als eerste en bijzonderste voor- 
beelden moesten voorgelegd worden. 

Wilt ge weten hoedat onze echte Dietsche kunst geboren is, luistert : 
't Volk had al lang gedicht en verdichtselen uitgevonden, al lang ge- 
bouwd, geteekend, gebeiteld, enz., eerdat de meesters der kunst opstonden. 
Het had al lang, zonder het zelf te weten, de verschillige kunsten beoefend, 
er zijn gedacht en gevoelen, er zijnen eigenaard in gelegd, en alzoo den 
grond geleid van onze nationale, van onze Dietsche kunsten. 

Dan kwamen er vernuften ; dichters gevormd door de volksdichten; toon- 
zetters, door de volksduintjes; beeldende kunstenaars, door de kinderlijke 
volkskunsten, en zij sloegen hunne vleugelen open en namen eene hooge 
vlucht. De mcesterkunsten wierden uit de volkskunsten geboren, over- 



18 « Ons Volksleven. " 



vleugelden ze, vonden nieuwe vergezichten maar ze bleven den eigenaard 
(alhoewel verheerlijkt) behouden, en maakten alzoo de nationale, de Diet- 
sche letterkunde, schilder- en muziekscholen, enz. 

Van hoeveel grootsche heldendichten, van hoeveel liefelijke lierdichten 
lag de stof al niet sedert eeuwen op de volkstong ! Hooveel spreuken, dich- 
terlijke vergelijkenissen had reeds het volk de meesters vóórgedicht ! In 
alle geval, hoeveel eigenaardige veerdigheden had het volk hun reeds niet 
voorgespiegeld in zijne kinderlijke gewrochten! 

Zij hebben voortgewerkt,zij hebben hun volk weten te behagen door hun- 
ne nationale kunst en hebben alzoo 't volk zelf omhoog weten te heften en 
tot 'nen hoogeren trap van ontwikkeling weten te brengen. 

Ongelukkig! Alle meesters en zijn bij ons geene echte TfietscJu; kunste- 
naars geweest. 

Heeft de Bcnaissancc... de Hergeboorte der oude Heidensche, Grieksche, 
Latijnsche kunsten, — heeft de Benaissame, zeg ik, niet al te lang onze 
eigene kunst als beuzelwerk aanzien? «Waarom hebben onze gothische 
bouwwerken onder eene laag kalk, onze eigenaardige middeleeuwsche ge- 
dichten onder eene laag stof begraven geweest? 

Gelukkig is de middeleeuwsche barbaarschheid (?) sedert lang weer in het 
licht gesteld ; gelukkig hebben onze hedendaagsche meesters hunnen scha- 
kel van de kunstketing — schoone figuur ! — weer aan dien der middel- 
eeuwen vastgehecht. 

Onze oude Dietsche kunst herleeft weer in eene nieuwen dos. 

En nu moet de Dietsche kunst door onze jongelingen bestudeerd worden ! 
Doch waar aangevat ? 

Eerstens, voorzeker, de middeleeuwen dienen bestudeerd; niet nageaapt, 
maar voortgebouwd te worden. 

Tweedons, onze meesterwerken, sedert de Hergeboorte geschapen, moe- 
ten onderzocht worden. Immers, tusschen deze gewrochten zal men menig 
volksaardig stukske tegenkomen, dat aan onze meesters ontsnapt is. Ten 
andere voor de meergevorderde Dietschers zal de studie dezer meesters ten 
minste zoo voordeeligzijn als het ontleden der vreemde kunstwerken. 

Maar, wat bijzonder dient in acht genomen te worden, dat is de folklore 
of de volkskunst met de overblijfsels (tusschen ons ongeletterd volk) der 
vroegere volksbeschaving. 

Daar kan de beoefenaar der schoone kunsten den volksaard en den volks- 
smaak leeren om dien te verzuiveren en in zijne eigene M-erken te laten 
doortrekken. 

Welim, Ons VoUsleven zal trachten zijne lezers te verdietschen door hun 
gedurig, in al zijn doen en laten, den echten, ouden volksgeest voor te spie- 
gelen. 



« Ons Volksleven. » 19 



Het zal pogen de Dietsche leeraars te bekwamen om, ten bate hunner 
leerlingen, den Dietschen uit den vreemden kunstsmaak te onderscheiden. 
Het zal hen leeren een echt Dietsch onderwijs te geven, met de volksge- 
schiedenis in de hand, den volksaard in het hert, de kennis onzer Dietsche 
volkszeg op de tong ! 

Het zal hen Dietschers leeren vormen die niet alleen Dietscher schijnen in 
zekere gegevene omstandigheden maar die Dietscher zijn, zelfs door hun- 
nen smaak en hunne kunst en dat, tot in 't diepste van hun hert ! 



BIJDRAGE TOT DEN DIETSCHEN TAALSCHAT. 
V Woordenzange. 

Aandoen, deed aan, heb aangedaan. — 1° Aanvallen, aanranden. Ik wierd 
door eene heele bende aangedaan. 

2° Voor het gerecht brengen, eenproces aandoen, gelijk men in Oost-Vlaan- 
deren zegt. 

Aandoen, deed mij aan, hel mij aajigedaan. — 1° Zich aankleeden. Ik ga(an) 
mij seffens wat aandoen, want ik moet naar de stad. 

Aangedaan. — 1° Gekleed. Hij was schoon, hij was vuil aangedaan. Het 
is 't verleden deelwoord, hier eigenaardig als bijv. naamwoord gebruikt van 
't werkwoord aanrfoew = een kleedingstuk aantrekken. Wij hebben inde 
Kempen ook aangcsfooten = aardig aangekleed ; ziet eens hoe dat kind aan- 
gestooten is : ze hebben hem zeker zijn vaders trouwjas aangedaan ; en aan- 
^a^eZc^ = belachelijk gekleed: ik weet niet hoe die bedelaar aangetakeld 
was, hij had alle soorten van lodders en bullen om. 

2° (overdr.) Dronken. — Hij was goed aangedaan. 

Adderspacht, de (uitspr. aaierspacJii) (vogel.) — Gemeene draaihals Yunx 
torquilla, Fr. iorcol vulgaire. 

Afhang, den. — Afdak. Tuerlinckx geeft het woord in dezelfde beteeke- 
nis en Kiliaen vertaalt het, onder andere, door apendix cedificii. 

Ba, den, — Vader in de kindertaal. Schuermans geeft het w. voor Lim- 
burg. « Ba, zegt het 't Daghet in den Oosien, is het grondwoord van Ba-ha, 
a-ha, pa-pa, haas va-d-er, enz., in alle talen des werelds tot in 't Sineesch 
toe, waar ze ha zeggen tegen vader, mu tegen moeder en ha-mu (vader-moe- 
der) tegen 't hoofd van 't dorp.»» 

Bam, den. — Boterham, in de kindertaal. — De kinderen gebruiken ook 
ha, den, hoJce het. 

Bebber, den. — Mond. Houdt mven behher = zwijgt. In Limburg zeggen ze 
ook de heb. De Bo kent aan babbel, bebbel, (1 = r) o. a. ook de beteekenis 
mond toe. 

Bieknapper, (?ew.— Vliegenknipper,vliegenvanger. Muscicapa. (Te Halle- 
Sf-Merten). Te Sint-Antonius-Brecht zegt men vlicgenpiMer. Bij De Bo heet 
dat vogeltje onder andere bietjessteMer. 



20 « Ons Volksleven. ^ 



Biter, dci}. — r Tand ; 2° luis in do kindertaal. Als de kinderen vaak 
krijgen en lastig worden, dan zegt moeder: de vaalhitcrs hijicn. Zoo ook bij 
Tuerlinckx. De Bo en Schuermans kennen het woord enkel in den eersten 
zin. 

Bijnen, hon, hch gehonnen. — Binden. Vandaar aanlijnen, afh-ijncn, aan- 
cenhijiien, opbijncn, enz. Oudemans geeft ook die oude gedaante, gelijk ook 
vipicn voor vinden. Behoort de d hier niet tot den stam en is zij zeker enkel 
achtergevoerd ? 't Is moeilijk om zeggen. In al de aanverwante talen komt 
de tandletter voor; het Gothisch, b. v. heeft hindan. Ten Kate meent dat de 
wortel 6mis en schrijft in Geregelde Afleiding: « En even gelijk de dubbele 
MM, Euph. bij ons in 't spreken en schrijven dikwijls in ND verwisselt 
wordt, als Mcndcr voor Menner, Kendcr voor Kenner zoo vind men in te- 
gendeel op het Land, daer de oudheid langst verblijt houd, nog zeer ge- 
bruikelijk de ND in NN verandert; als vinnen voor vinden, etc ; en hier boven 
ook in 't Land Friesch Binne voor ons binden. ^^ 

Bloemspacht, de. — Bonte specht. Picus major, Fr. inc épeiche. 

Boschlelieke, hei. — Meiklokske, meibloemeke, Convalaria maialus, Fr. 
muguei. 

Bosterd, den. — Bussel, schoof stroo. 't Is vast het gewone woord bussel, 
voortgekomen mihundscl ofhondstl. 

Buildebrood, z. Kramich. 

Deezekesbloem, de. — Vergeet-mij-nieteke, een hemelsblauw bloemeke 
dat veel in vochtige beemden wast. Fr. mysiohs des marais. 

Deur, drn. — Zot, gek. nar. — Hij is zoo zot als 'u deur, zeggen ze overal 
in de Kempen, 't Is door (eu=oo) dat Kiliaen opteekent nevens doorinne, zot- 
tin; doorschap, doorheid, zotheid en doorisch, zot. — 't Woord is in'tHd. ihor 
en in 't Zweedsch doare . 

Dook, den. IJzer waarmee eene deur in heur hengsel draait. 

Drazelachtig. — Zerp en brokkelachtig. Depa>atien zijn zoo drazelachfig 
dit jaar. Kiliaen geeft drezehn, omdraaien rondzwerven; drczen, (drazen) bij 
Schuermans = samenschieten, runnen; waarvan drezclen bij Tuerlinckx 
met dezelfde beteekenis. 

Dwaasvogel, den. — Nachtzwaluw, vliegende padde, geitenmelker. Ca- 
inimnhjus europoeiis. — Bij Kiliaen, nachtraaf, nycficorax. 

Hannebroek, den. — Roeterd, meerkol. Fr. gaie (Te Brecht.) Te St-Anto- 
nius en elders heet die vogel rotzalc 

Hikster, de. — Roeterd, rotzak (Te Vorst bij Wcstcrloo.\ 

Hondsmakker, den. — (Vogel) Z. Koothans (Te Brecht.) 

Kakeduut, den. — nadruk op — dimt. — Spotvogel. Hypolais ictcrlnn, Fr. 
Jti/polaïs contrefaisant . 

Koothans, den. — V Een man die met eene barak of een A:o^ jaarmerkten 
en kermissen afloopt. Kunst'^nmakers, dierentemmers, waarzeg-gcrs, viere- 



« Ons Volksleven, y* 21 



ters, poetsenmakers, giiichelaars en al zulk slach van volk noemt men 
hooihanzen. 

2° de. — Witsteertje. Saxicola csnnnthe. Fr. iraquet moitettx. 

Kramich, den, (nadruk o\)-inich.) — Kramich (bij Schuermans tarwe- 
brood) beteekent te Sint-Antonius, te Brecht en elders, brood van rogge- 
blom gebakken, anders ook nog hiilchrood, buihlchrood geheeten, omdat het 
gemaakt is van meel, waar de zemelen uit gebuild zijn. Brood van tarwe- 
blom gebakken, heet icrvehrood of icifk[n)hrood en dat van roggemeel, rug- 
gc{v)brood of ztvert hrood. De gewone kost van den Kempischen boer is nog 
doorgaans roggebrood en enkel 's Zondags of bij feestelijke gelegenheden, 
komt er wit brood en kramich op zijne tafel. Bij de burgerij en de werkliê 
is 't gebruik van zwart brood te eten grootendeels verdwenen; deze lesten 
bakken een mengsel van roggemeel en tarweblom, dat den naam van grol 
hrood draagt. 

Linnenweverke, het. — Z. Kadeduut. 

Retter, den. — Winterkoningske. Trojlodytes parvulus. Fr. roitelet, trog- 
lodyie ordwaire. 

Titje, hei. — Goudhaantje, sparresijske. Regulus Cristatus. 

Vijnen, von, heb gevonnen, — Vinden. — Vandaar hcvijnen, ondervijnen, 
enz. Z. Bijncn. 

Wietek, dcv. — Zwartkeeltje. Saxicola ruhicola. Fr. iraquet ruhicole. Dit 
vogeltje, door de Walen tvicheiral-e, wichd, tvichak geheeten, heeft zijnen 
naam naar zijn eigenaardig gezang, evenals de JcaJceduui, de ijif-ijafen an- 
dere vogels. 

Wijnen, won, heb gewonnen. — P Winden. Vandaar afwijnen, opwijnen, 
enz. 

2° Wenden, omwenden, omkeeren. — Gaat het hooi eens wijnen. Z. 
Bijnen. 

Sint- Anionius-Br echt. J. Cornelissen. 



DICHT VEERDIGHEID. 
De zegge van den dommen knecht. 

Meester Jan had 'nen knecht die danig lomp was. En dat zult ge licht 
begrijpen, als ge inziet dat Seppc zijn verstand met de vischspaan ingekre- 
gen had. 

Seppe verstond ook meestentijds alles verkeerd. Zond zijn meester hem 
om koffieboonen, dan kwam Seppe met snuif terug ; moest hij om pruimen 
gaan, dan brocht hij eksteroogenzalf mee — en omgekeerd. Gong hij... och! 
de litanie zou te lang zijn, want Seppe miste zoo dikwijls eh, zoo dikwijls, 
dat meester Jan het muug wierd, geeuwensmuug. 

« Seppe, zei meester Jan op zekeren avond, « 'nen dommerik 'lijk gij heb 
ik van mijn gronzig leven nog niet gezien. « 



22 <* Ons Volksleven. » 



—<^ Ik ook niet, meester, * zei Seppe. 

— " Seppe, dat kan zoo niet blijven duren. y> 

— « Dat is ook mijn gedacht, » zei Seppe. 

—'i 'k Zal u nog éénen keer op de proef zetten, Seppe. En gaat het niet, 
ehwel ! dan moet ge morgen met pak en zak eweg. « 

— « Zooals ge wilt, meester, zei Seppe. « Wat moet ik doen meester? » 

— u Doet uwe ooren open, Seppe. En onthoudt wel wat ik u zeggen ga(an). 
'k Zal u den naam van eenige dingen zeggen en want dat ge dat morgen 
vergeten zijt, dan moet ge de deur uit. « 

—'^ 'k Zal goed luisteren, « zei Seppe. 

— « Seppe, hoe heet hetgeen dat ge daar aan uw voeten hebt? » 

— « Dat zijn blokken, meester. r> 

— « Neen, Seppe; dat heet zoo niet; dat zijn depicpeninnen. » 

— « De piepeninnen, meester, » zei Seppe. 

— « En dat, Seppe? y> 

— « Dat is de trapleer, meester ! 

— « Neen, Seppe, dat is de trapleer niet, dat is de(n) hoJckenciifjok/ « 

— « Hoe zegt ge, meester, den liottentjot? « 

— tf De(n) hokkenentjok, Seppe. " 

— « Goed, meester. de(n) hokkenentjok heet dat. « 

— « En dat Seppe, waar ik op slaap ? » 

— « Wel meester, dat is de zolder. ?' 

— " Wat dat ge meent ! Dat is het overgczwim. » 

— « Is dat het overgezwim? Goed, meester. « 

— « En hoe heet ge die beest daar, Seppe ? y> 

— « Meester, dat is toch de(n) hond! « 

— « Wat dat ge nu zegt, Seppe ! Dat is het iaiercbaMes. « 

— « Dat is het taterebakkes. Goed, meester. » 

— « En dedie daar Seppe? " 

— « Dat is wel zeker de kat, meester. « 

— « De kat!... Waar staan uwe zinnen, Seppe? Dat is het snaterehalckcs. v 

— « Het snaterebakkes, meester, » zei Seppe. 

— « En dat Seppe? r> 

— « Dat is het vuur, geloof ik, meester. »> 

— « Het vuur!?... Dat is degloric, Seppe. » 

~« Ah ! de glorie, meester. ^ 

— « Ja, Seppe. En dat? « 

— « Me dunkt dat dat de deur is, meester. ^ 

— « Waar haalt ge dat nu uit?... De deur?... Dat is depiepmuitc. » 
— « Dan is 't de piepenuite, meester. « 

— "En dat, Seppe? » 

— « Gezoudt zeggen dat het de schuur is, meester. » 
— « Neen 't, Seppe, dat is de korenimic. » 



I 



« Ons Volksleven. » 23 



Zoo kreeg Seppe nog een heele les, dat er zijn kop waarlijk zeer af deed 
en hij droomde den ganschen nacht van innen en van uiten. 

's Morgens bij 't wakker worden, was Seppe zijn eerste gedacht voor de 
les van gisteren, Seppe stond op, maakte het vuur aan, hong den moor bo- 
ven den heerd, liet kat en hond binnen en begost den vloer iv keren. 

Maar kat en hond krijgen ruzing om 't roggekorstken dat Seppe hun toe- 
werpt, zij varen aan 't vechten bij den heerd, de kat tuimeU in 't vuur, 
de(n) hond er neven en allebei loopen ze verschrikt naar buiten en recht de 
schuur in — om brand te ontsteken, in plek van hunnen pels te blusschen. 

Seppe wierd seffens de vlam gewaar en hij naar den zoldertrap, al roe- 
pende : 

« Meester, meester, algauw de piepeninneu 

aan de voeten, 

En den overgezwim langs den hokkeuentjok afgeloopen ! 

Want, hoort eens wat historie ! 

Het taterebakkes is met het snaterebakkes 

Aan 't vichten geraakt in de glorie. 

En dan zijn ze geloopen met glorie, 

Langs de piepenuite 

ïs aar de piepeninnen ; 

En van buiten en van binnen 

Staat alles in volle glorie. » 

(Gehoord te Betecom). . Guldenvlies, 

Vrglk. 't Daglietin den Oosten, 1887 blz. 76. 



Het Vertelsel van den man die op zoek ging 
naar de Rechtveerdigheid. 

Daar was is e'ne man die nie' liever wenschte as overal de rechtveerdig- 
heid te zien heersche. (ii 

Maar da was nie zoo en daarom deod hem niks as grummen en grêven, 
dat er het end aan verlore was en ha wier van malconientement zoo mager 
as 'en graat. 

Eindelijk kost hem het nie meer uithouen, zoodat hem ten langenleste be- 
sloot er van deur te trekken, en zoo wijd te reize, totdat hem den rechtveer- 
digste van alle menschezou gevonden hemme. 

Aan dendieë zoo hem zen eige verhuren as knecht en dan zou hem wel 
tevrede zen. 

Zoo gezeed, zoo gedaan. 

Ha gink dan op reis en as hem na lank genoeg gegaan had, kwamp hem 
'nen heer tege me bókkepooten en klauwen aan zen handen, as van 'nen 
roofvogel. 

Dien heer zee hem goejen dag en vroeg hem, waardat hem naartoe ging. 

(1) De letter h wordt te Antwerpen niet uitgesproken. 



24 « Ons Volksleven. 



- Wel zcet hem zoo, ik zuuk den rechtveerdigste mensch van de wereld 
óm ze'ne knecht te wörre. » 

— « Komt dan maar mee me mij, zee den heer, ik ben den reclitveerdigste.» 

— M Ja maar zee de man, wie zij-de gij dan ? « 

— " Ik? zee den heer, 'k ben den duvel. r. 

— « Dan kun de ge mij nie diene zee de man, want alle mensche kome nie 
in d'hel ; ge zijt dus den rechtveerdigste nie. " 

Daarmee liet hem den duvel staan en ha gink er van deur. 

As hem na var genoeg gerezen had, kwamp hem 'nen heer tege en dië 
vroeg waar them óp af trok. 

« 'k Zuuk den rechtveerdigste van de mensche, » zee hem tege den heer. 

— « Da ben ek-ik, me'ne vrind, zee hem zoo, komt dan maar mee. » 

— « Wacht en bitje, zee de man, 'k moet ek-ik eerst wete wie da ge zijt. 

— « 'k Ben Onze Livven Heer, « zee hem. 

— « Zoo, zee de man, zij-de gij Onze Livven Heer, dan kan ek nie meegaan. 
— Gij zij wel is waar, de rechtveerdigheid zelf maar alle mensche gaan toch 
nie naar den hemel en da's ook nie rechlveerdig. » 

Daarmee gink hem voort, en ha liet Onze Livven Heer staan. 

As hem na lank genoeg gegaan had, kwam nem weer 'nen heer tegen en 
dië vroeg hem ook, waar hem op af trok. 

» 'k Zuuk den rechtveerdigste mensch van de wereld, v zee hem tege den 
heer. 

— « Da ben ek-ik, » zee den heer zoo. 

— « Gij ? " 

— « Ja. » 

— « Wie zij-de gij dan? « 

— « 'k Ben de dood. » 

— « Dan gaan ek me oe mce,zeet hem; want alle mensche moeten starven, 
en da's rechtveerdig. ^ 

Da was me goed en ha gink mee. Pitje de Dood gink veuraf en de man 
volgde. 

As ze na var, heel var gegaan hade,kwame z'aan nen heele groote kelder, 
en in dië kelder brandde me miljoene keskes. 

't Ee keske brandde kleer, 't ander wa minder en de sommige stonde te 
pinke. 

« Wa beteeket da? » vroeg de man. 

— « Wel, zee de Dood, da's 't léve van de mensche, en iedere keer as er ne 
mensch starft, dan gaat er e kesken uit. w 

— " Zoo, zee de man, dan zul-de nog tijd van wachten hemme, want de 
grooten hoop brandt nog goed. « 

—^ Nau heb ek weinig wai k, zee de Dood zoo, maar binne kort dan zal 't 
er stuive. — Komt maar mee. » 

Ze ginge dan in nen tweede kelder en daar stonden allegaar lampkes te 



" Ons Volksleven. » 25 



brandde, en tussche die lampkes was er een da stond te pink e dat 't derelik 
was om zien. 

« Dat hee nie veul nie-meer te vertelle, zee de man ; mag ek wete van wie 
dat da lampken is ? » 

— « Dat is het auw, » zee de dood. 

— « Git er dan gauw wat olie bij, riep de man, ot het is uit. y> 

— « Nee-e, noo-e, zee de dood, oewen tijd is uit. » 

En cerdat den arremen bloed den tijd had om de kelder uit te vluchte, 
liad de dood hom in ze'ne nek geschard en zjust ging het peerken uit. 

En daarmee kwamp er nen hond me ne lange snuit en 't vertreksel is uit. 
Antwerpen. J. B. Vervliet. 



Kempische Nieuwjaarsliedekens. 

Is er wel een gewest in onze Dietsche gouwen, dat zuiverder de eigenaar- 
dige Dieische zeden bewaart, als de Kempen ?' 

Daar bloeien nog talrijke oude gebruiken die elders reeds aan 't uitsterven 
zijn. 

Zoo is daar onder de jeugd het gebruik nog in voege van daags vóór 
Nieuwjaar een liêkc langs de huizen te gaan zingen. — Foei ! schooien langs 

de straat ! En 't zijn toch zeker de arme kindoren maar die dat doen ? 

Neen't, Mijnheer, Nieuwjaar zingen is er geene schand, en hot zoontje van 
don bogoeden pachter gaat zoowel als het dochterke van den armen werk- 
man. 

O ! 't Is oene blijde feest voor de dorpskinderen als de zoo lang verwachte 
dag eindelijk aangebroken is ! Van in den vroegen morgen ziet ge ze reeds 
in kleine hoopkes door het dorp trekken en ge hooi't de galmen van hunne 
vroolijke stemmekes. Hier krijgen de zangers 'nen koek, daar 'non gebak- 
ken nieuwjaar met krollen en een beeldekon er in, ginder eenige noppen of 
een klein geldstuk. En voortgaat het ! 

Luistert nu eens welke schoone liedekes de kinderen daar bij zingen. 

1. Rooze, roozeblómmeke, 
Glorie met Deezeke zij ! 
Wie leet daar in da' krubbeke ? 
Een klein kinneke klein. 
Wie zal da' kinneke kussen 
Met zijnen roozenmond ? 
Me waren ziek van herte, 
Me wieren weer gezond ; 
Den Hemel was gesloten 
Al over duizend jaar 
En hij wier weer opengelaten 
Met zaligen Nieuwejaar. 



20 



« Ons Volksleven. " 



2. Zoete naam Jesus uitverkoren, 

In wat stalleke zij -de gij geboren ? 

In het stalleke van Bethlehem. 

Den achtsten dag is 't kinneke besneden, 

't Bloed liep uit zijn teere jonge leden : 

Ziet eens wat de liefde doet ! 

Als de noten beginnen gaan te kraken, 

Zullen zij zuur en Ijitter smaken. 

Binnen 33 jaar, 

'k wensch u 'nen zaligen Nieuwejaar. 

3. Twelf Apostelen, 
Elf duizend Maagden, 
Tien Geboden, 

Negen kooren der Engelen, 
Acht Zaligheden, 
Zeven Sacramenten, 
Zes kannen water, veranderd in den wijn ; 
Vijfhonderd Christenen, 
Vier Evangelisten, 
Drij persoenen, 

Twee Tafelmoonen (tafelen Moyses), 
Eéne God in 't openbaar : 
Vriendelik en vrolik met dezen zaligen Nieuwejaar ! 

Vrglk. '/ Daghef, 1889, blz. 21. 

4. Sterre, sterre, ge moet zoo stil niet staan. 
Ge moet mee ons naar Bethlehem gaan ; 
Naar Bethlehem, die schoone stad 
Daar Maria mee heur kindje zat. 
't Kiudjen heeft zoolang geleefd, 
Zoo laiig dat 't hemel en aarde geschapen heeft 
Hemel en aarde altegaar 
Wenschen 'nen zaligen Nieuwejaar. 

Vrglk. '/ Daghd, 1885, l)lz. 77. 

5. Op eenenDrijkoningenavond, 
Op eenen Drijkoningendag, 
Vonden wij Maria-Magdaleua 
Al op Heer Jesus' graf. 

— Zijde gij Maria-Magdalena ? 

— Staat op van de bittere dood 

— Uw zondekes zijn u vergeven 

— Al waren ze nog zoo groot — 
Naar de kerke zullen wij treden, 
Naar de kerke zullen wij gaan. 
Als wij in de kerke kwamen, 
Wat vonden wij daar al staan ? 
Een kruiske met Jesus' name, 

Die der opgonageld stiug (= stond). 
Zijne voetjes waren gebonden, 
Zijne handjes waren ontdaan. 



« Ons Volksleven. » 27 



Ze speelden op de vierkantige orgel : 
« Glorie moet Deezeke zijn ! » 
Ofwel : 

6 

kwamen, 

Wat vonden wij daar al staan ? 
Daar vonden wij Jesus, ja Jesus 
Aan 't kruiske genageld staan. 
Ze trokken Heer Jesus den nagel 
En ze schonken Maria den wijn. 
Ze speelden op de 4 orgeltjes, ja orgeltjes : 
« Glorie moet Deezeke zijn ! n 
Daar kwam een schipke gevaren, ja gevaren 
En daar zat e'ne witteman in 
Het was Onze Lieven Heer Jesus, ja Jesus, 
Die voor ons aan 't kruiske genageld hong, enz. 
(gelijk, te voren). 

Vrgik. 7 BaqUi in den Oosfen, 1885, blz. 78, — 1886, biz. 115 on FolJc en 
Taal 1889, blz. 53. 

7. Me staön hier in de kou, 
Me schudden en me beven : 
Ons herte brekt van rouw. 
'k Hoop ge zult wa' geven ; 
Bier of brandewijn 

Maor geld zal beter zijn, 
Want met die heilige daogen, 
Ons börzeke wordt zoo klein. 

8. Op eenen Drijkeuningenaovend, 
Den bakker die sloeg ze' wijf 
Al mee 'nen eiken kluppel 
Zoo deerlik óp 'er lijf. 

Het wijf kroop in den oven, 
Den bakker heur achternaor. 
Ze waore zoe zwert bestoven : 
'k Wensch oe 'ne zalige Kievejaor. 

Vrglk. Ons Vollcsleven, 1889, blz. 3. 

9. Nievejaorken eut 't Haogeland 

't Katteken hee' ze' stjetje verbrand 
Van achter aon ze' pörtje, 
Moërke, lang m'en örtje. 
'k Heb gen örtje, 't is 'en duit : 
Smet (smijt) ze langst de venster uit. 

10. Me staön hier veur de deur 
Al mee 'en droef getreur, 

Geft ons 'ne pot 
Veur ons komi^lot, 
Daor zulle me zinge veur. 



28 « Ons Volksleven. ^ 



n. Stare, stare, 

Ossen en varen ; 
Kalver en koei : 
Al die wa' geven 
Da' zen dor goei. 

12. Anneken, Anneke witte wijn, 

Ik riek dat hier nog nopkes zijn. 

Goei of koÉi (kwade). 
Kiest er dan de beste maor uit. 

13. Kievejaorke, flikker de floo. 

Ik eet zoe gere 
Maor ik wérk zoe noo. 
Zij-de geilen (gijliê)ookzoo? 

14. Hans, Hans Nievejaor; 
'k Zal wa' krijgen, 

('k Wörret gewaor) 

Met deze zaolige Nievejaor. 

15. Hans, Hans Nievejaor, 
Twee koeken is e' paor ; 
Zen ze nie' wel gebakken 
Geft me 'ne' morgen appel ; 
Is de morgen appel nie' goed, 

Geft dan 'ne' stuiver in me 'nen hoed. 

16. E' leusken en e' vlooike, 
Ze dansten ój) e' strooike ; 
Ze danste' paor en paor 

Met deze' zaolige' Nievejaor. 



Vrj-ik. Volk en Taal, 1889, blz. 51 



17. Nievejaorke, goede gebuur, 

1 )er sta' ne vetten os in de schuur. 
Van achter aon de' koreutas : 

Wilde wa' geven, 

Spoeit oe ras. 

18. Nievejaorke zoete, 

't Verken hee' vier voete' ; 
Vier voe'en en 'ne' steert : 
't Is geen deutje ne mer weerd. 

19. Nievejaorke zoete 

't Verken hee' vier voete' ; 
Vier voeten en 'nen rug : 
'k Zen onze vlug ! 

20. Nievejaorke zoete, 
Ziet is naor m'n voete' : 



" Ons Volksleven. « 29 



'k Hem ouze vaoderes botten aon 
Om overal is rond te gaon. 

Vrg-lk. V Daglicf, 1889, biz. 5. 

21. Nievejaorkc, 'k staön te buiten, 

'k Hem e' körfke, 't wilt uie' sluiten ; 
'k Hem e' meske, 't wilt uie' snij en ; 
'k Hem e' meuleke, 't wilt nie' draaien ; 
'k Hem e' strikske, 't wilt nie' knoopen : 
Geft me 'ne' stuiver en laöt me loopen ! 

Als 't gebeurt dat ZO niets en krijgon, dan zingen of liever, dan schreeu- 
wen de kapoenen : 

Nievejaorken hoddebedod ; 
Wil-de nie' geven, 
Blijft in oe' kot ! 

Ofwel : 

Ik kwam veurbij 'en deur, 

Daor hóng 'ne zak mee zemele' veur : 

Zoo mennige zemel , zoo mennige luis : 

Daor zit 'ne gierigen duvel (of : 'en gierige pin) in huis! 

Vrglk. '/ DagJiet, 1886, blz. 115. 

\S^\>ge^Q\\YQ\Q,nlQ, Sini-Anionms-Brcchf.) J. CORNELISSEN. 



WANGELOOF. 



1. Een rechtermoUepoot in den zak dragen brengt geluk aan. 

2. Een klaverblad van vieren bij zich dragen brengt ook geluk aan. (i) 

3. Een cent met een gaatjen in, brengt den bezitter geluk bij. 

4. Als ge eene duit vindt, dan moet ge ze weggooien om meer te vinden. 

5. Als 't jeukt in den palm der recbterhand, dan zal men geld krijgen. 

6. Jeukt het integendeel in den palm der linkerhand, dan zal men slagen 
krijgen. 

7. Als uwe rechteroog jeukt, dan zult ge lachen en plezier hebben. 

8. Maar is 't uwe linkeroog, dan moogt ge u aan tegenslag verwachten en 
ge zult griJBcn. 

9. Als de centrum r/ravHutis van 'nen boer jeukt, dan zal de man een hotcr- 
jaar hebben; dat is : al M'at hij dat jaar nog onderneemt zien gedijen. 

10. Als uwe rechteroor tuit, dan zeggen ze goed van u. 

11. Is het integendeel uwe linkeroor die luit, zijt zeker dat ze kwaad van 
u aan spreken zijn. (2) 

12. Gebeurt dat tusschen vrouwen, dan moet de belasterde maar op den 
zoom van heuren voorschoot bijten en de kwaadspreekster bijt oogenblik- 
kelijk op heure tong. 

(1) In de Kempen gelooft men het ook, evenals van 'nen korenhalm met twee aren. 

(2) 10 en 11 bijna overal. 



30 « Ons Volksleven. •» 



13. Droomen. Van kopergeld droomen beteekent valschheid; van troebel 
water, verdriet; van klaar water, werk, geruste bezigheid; van peerden, in 
't algemeen vriendschap; van bruine peerden, zwart mansvolk. Van wit 
goed droomen voorspeelt een sterfgeval in de naaste omgeving; wie van 
drek droomt, mag geld verwachten. 

Antwerpen. J. B. Vervliet. 



KINDERSPELEN BESCHREVEN. 

1. Namen geven. 

Hebben eenige kinderen het gedacht opgevat van dat spel te doen, dnn 
loopen zij gearmd de speelplaats rond, al roepende : " Namen geven, namen 
geven ! Wie doet er mee ? Al die meedoet moet herres komen ! r> 

Zijn er nu een redelijk getal bijeen, dan begint het spel en welke vreug- 
de gaat er nu volgen !... Eerst is het een verward geroep en gelior : u. Ik zal 
namen geven ! — Neen, ik ! — Ik duvel ! — Ik ben de tngd. — Gij niet !.. «^ 
Eindelijk vergaat het gerucht want de grootsten hebben gezeid : ^ Tellen, 
laat ons aftellen ! w 

De kinderen gaan nu in 'nen ronde staan en één van hen zegt een telliêken 
op. üie de eerste er af is, z;il b. v. namen mogen geven ; de tweede zal engel 
en de derde duivel zijn. 

Nu gauw op eene root neveneen gaan zitten of gaan staan, levers tegen 
'nen muur tegen eene haag of een schutsel ! 

Die de namen geven moot, gaat daarna van kind tot kind en fezelt hun 
ieder 'nen naam in de oor dien zij onthouden moeten ; doch zoo stil fluistert 
hij, dat noch de engel, noch de duivel die achter hem op eenigen afstand in 
den hemel en in de hel staan, er iets van verstaan kunnen. 

Het is van te voren nochtans besproken dat de namen niet te moeilijk mo- 
gen zijn, opdat de engel en de duivel ze zouden kunnen geraden. Altijd 
voegt de gever bij lederen naam het woordje gouden; b. v. de gouden toren, 
het gouden kruis, enz. 

Als ieder kind zijnen naam ontvangen heeft, dan komen de engel en de 
duivel overhand naar de opgegevene namen raden. Heeft b. v. de engel den 
naam genoemd van een der zittende kinderen, dan neemt hij dat mee naar 
den hemel; anders kan hij lerugkeeren, zooals hij gekomen is. 

De engel zegt : Klop, Klop ! 

De namengever antwoordt : Wie is daar ? 
Engel: De(n)engelmeeze'kruis. 

Nijmengever : Wat komt 'em doen ? 

Engel : Koleuren kiezen. 

Namengever : Hoe'n koleur ? 

De engel verzint en antwoordt b. v. : « De gouden boom ! « Is er een kind 
van dien naam, de engel neemt het mee, en de beurt is aan den duivel. 



<^ Ons Volksleven. « 31 



Duivel : Klop ! klop ! 

Namengever : Wie is daar ? 

— De(n) duvel mee ze' peerd. 

— Wat komt 'em doen ? 

— Koleuren kiezen. 

— Hoe'n koleur ? 

De duivel geeft ook 'nen naam op en datzelfde wordt zoo dikwijls her- 
haald, totdat ev geene kindoren meer overschieten. 

Nu dient er gezien te worden wie het sterkste is, de engel of de duivel. 
Tusschen den hemel en de hel wordt er eene schreef getrokken: niemand 
mag daar over gaan staan. De duivelen gaan op eene rij achter hunnen 
meester staan en houden malkander onder de armen vast. 

De engeltjes doen evenzoo. De voorste engel grijpt de handen van den 
voorsten duivel vast en nu uit alle macht getrokken ! Somwijlen schijnen 
beide partijen even sterk, want geen kan den andere over de meet krijgen ; 
somwijlen ook moet zij malkander loslaten, en dan deinzen ze aciiteruit en 
totteren op den grond. En dan gelachen! Eindelijk toch bezwijkt eene van 
de partijen — engelen of duivelen, — de leste engel wordt bij de duivelen 
getrokken of omgekeerd en — de overwonnelingen moeien door de f^pits. 

Daartoe gaan de overwinnaars op twee roren staan met het aangezicht 
naar malkander gekeerd. Die het spel verloren zijn, moeten daar drijmaal 
door lüopen en krijgen ter zelfder tijd eene vracht doffen op den rug. 

2. Haar en klein beestjes. 

Eerst beginnen de kinderen om ter hardste te bieden om er aan te mogen 
zijn. Hij die aanneemt de anderen te pakken in 't minste getal keeren, die 
zal er aan zijn. 

" Ik neem ze aan in zeven keeren! r> roept er eene. — « Ik in zes! » spreekt 
een tweede. — « En ik in vijf! « zegt Frans daarachter. Daar de anderen 
niet minder durven bieden, is Frans pakker en hij zal de anderen in vijf 
keeren vangen, dat verzekert hij. 

De kinderen gaan allemaal op eene meet staan en Frans op eenigen af- 
stand vóór hen, met het gezicht naar hen gekeerd. Zij tellen: één, twee, 
drij ! » en loopon dan, zooveel ze maar rekken kunnen, naar eene tegen- 
overgestelde meet, en terwijl is Frans aan 't pakken. Hij heelt er een stuk 
of drij met de hand kunnen inken, die dan terzij in een kot gaan staan. 

« Da's ééne keer r> roepen de knapen, ^ nog vier keeien ! « Ze tellen w-eer 
tot drij en loopen naar hunne eerste meet terug, terwijl Frans er weer 
eenigen aanmaakt. 

Zoo gaat het spel voort, totdat de kinderen vijf keeren van de eene meet 
naar de andere geloopen hebben. 

Heeft Frans al de meespoJers in vijfmaal kunnen pakken, dan heeft hij het 
geluk van aan ieder 'nen dois of'nen dofte mogen geven; maar schieten er 



32 « Ons Volksleven. " 



nog" over, nadat men vijf wervcm goloopen heeft, dan moet hij, och armen ! 
drijmaa] door de spifs. 

St-Antonius-Brecht. J, Cornelissen. 



KKUISGEBRUIKEN. 

Veel hebben wij reeds verloren van de vrome overleveringen, gemoede- 
lijke gebruiken en christelijke gewoonten die onze godsdienstige voorvade- 
ren ons hadden nagelaten; en die wij hadden moeten bewaren, gaaf en on- 
geschonden, gelijk men eenen kostelij ken schat bewaart. 

De Fransche geest — dat verfoeielijk monster — is het huis van den edel- 
man enden groeten burger kom'^n binnendringen: onbeschaamd heeft hij 
daar den aiouden Dieischen volksaard van den heerd verdreven en gezeid: 
« Voortaan zal ik hier meester spelen! » En zie! spoilachend is hij het ge- 
bouw aan 't afbreken, waar onze vooroudeis eeuwen eneeuwen aan tim- 
merden; nijdig is hij den krans aan 't vaneenrukken, waar zij jai'en en jaren 
aan vlochten: den krans van siichteJijke gebruiken en dichierlijke overle- 
veringen. Weg dus met de christelijke gebruiken, waar de oude Vlaming 
zoo trouw aan hield; weg met de kuische zeden die zoo diep in zijn hert 
zalen; weg met de vertellinggen en spreuken die de gulle vreugde wekten 
aan zijnen huiselijken heerd t weg, weg daarmee! Liever Fransch getater 
en Fransche zeden, Fransch bederl en Franschen zwier en — flauwe Fransche 
complimenten ! 

Doen die woorden upijn, Christelijke en Dietschgezinde lezer?. . Welaan, 
verlaten wij dan spoedig den kring waar de Fransche wind ons tegenwaait 
en vertoeven wij eenige oogenblikken in het midden van den kleinen bur- 
ger en den eenvoudigen landman. Daar zullen wij leeren dat de oude Diet- 
sche volksaard nog niet dood en is, maar er leeft en bloeit dat het schoon 
is om zien; dat het geloof nog vast zit in het hert van den onverbasterden 
volksman; vast, gelijk de eik in de aarde geworteld zit. Daar lachen ons de 
oude gebi'uikenen geploizenhcden toe, zoo vriendelijk en zoo zoet als de ro- 
zen tusschen de groene bladerkes 

* 

Om dat zeggen te bewijzen, ga ik u uit de Kempen met eenige oude ge- 
bruiken, betrekkelijk het kruis, bekend maken. 

Als de strooidekker het d.ik geleid heeft, dan vlecht hij een kruiske van 
sirooi en zet net op den hoek van den vorst, waar het zal blijven staan. 

Naast de deuren, op den muur en boven de keldergaten, wit men met kalk 
een groot kruis. Te allen kante ziet men in de Kempen boerenwoningen 
waar witte kruisen op geschilderd s'aan. Wordt het huis gewit, dan zal 
men nooit nalaten die kruisen nog eens te overschilderen. 

[Vervolgt.) J. CORNELISSEN. 



ONS VOLKSLEVEN 



Antwerpsch-Brabantsch Tijdschrift 
voor Taal en Volksdichtveerdigheid , 
voor Oude Gebruiken, Wangeloof kunde, 
enz. 

In twelfnommers van acht bladzijden 

in 8'>, voor i,50 fr. ; t,25 voor de Heeren 

Studenten. 

Te Bkecht, 

bij L. Bbaeckmans. 



V Jaar 
1889 


Afl. 
5 & 6 



« p]r is nog een rijke oogst op het veld 
der gewestspraken voorhanden; veel 
volksuitdrakkingen dreigen te verdwij- 
nen die om hunne juistheid, schilder- 
achtieheid of oudheid verdienen in de 
schrifttaai opgenomen en bewaard te 
blijven. » 

Züid-Nederlandsche Maatschappij 
VAN Taalkunde, Wedstrijd 1874. 

«De studie der folklore heeft voor doel 
ons volk in zijne eigenaardige zeden en 
gewoonten, in zijn innig geloof en karak- 
ter te leeren kennen, in één woord, het 
volk zooals het is. » 

Vraagboek over Vlaamsche Volkskunde. 



BIJDRAGE TOT DEN DIETSCHEN TAALSOHAT. 
2de Woordenzange. 

Aansteken, staJc aan, heb aangestéken. — Ondernemen, beginnen, aanvat- 
ten. Dat werk durf ik alleen niet aansteken. 

Ang, de. — 1° Angel, straal van de bie, de wesp, enz. (Zoo ook bij 
Schuerm.) ; 2° Baard, vlim, egel van 't koren, den gerst, enz., Engelsch awn. 

Appelekok. den. — Abrikoos. Vandaar appelelcokJceboom, appelekoMehloem, 
enz. Schuerm. geett appelkoos en appelkouw. 

Appelpol, den, — appelpoUeke, het — Appelbroóke; een klein broodje 
van den overschot deeg gemaakt en met 'nen appel in gebakken. 

Ater, den. — Broedbie, hommel, manneke van de hoaingbie ; Fr. faux 
bourdon. Te Brecht heeten ze de aters merels. 

Baas. — Iemand baas kunnen. Iemand meester kunnen. 

Bekremmeld. — Bekrompen, belemmerd. Bekremmeld wonen, zitten, 
staan. Bekremmeld komt van kremmelen dat in de Kempen beteekent, door 
iets dringen dat nauw en belemmerd is; vandaar ook kremmelkot = nauwe 
en kleine woning, waar men niet dan al kremmelende binnen geraken kan. 

Bletteke, het. — Fijn en dun plaatje van metaal, been, ivoor, enz. Het 
komt van blad (plat, plaat) en bevat de klankverwisseling van a in e, die 
zeer gewoon is en bevestigd, zoowel door de geschreven als door de gespro- 
kene taal : tam en temmen, wand en uiiivendig, enz. 

Blinddaas, den. — Daas, dazerik, brems, peerde- of koeivlieg, Fr. taon. 

Bres, de. — Hoop, menigte. Daar staat eene heele bres volk voor de deur. 
Schuermans kent het w. toe aan Oost-Ylaanderen en in De Bo's Idioticon 
komt het ook voor. 

Buten, buutte, heb gebuut. Met schup of riek in den grond woelen en 
wroeten. Vandaar uitbiden = uitloteren, uitwroeten met den riek. Als gij 
alleen die puinen moet uitbu^cn, dan krijgt ge nog in geen drij weken 
gedaan. Schuerm. geeft het herhalend huttelen voor Limburg; « bouwland 
met den riek rein, klein en mul maken. » 't Is, zegt hij, verwant met 



34 « Ons Volksleven. « 



hotten; bij De Bo beteekent hut, stoot en hutten, botsen, tegen iet aanstooten. 
't Schijnt, dat men dus beter hutten ais huten schrijven zou. 

't Doei (uitspr. toef, toet.) — Uitroep die eene loochening tegenspreekt 
en 't geloochende bevestigt : in 't Fr. si-fait. Ik kost daar niet meer henen 
gaan ; 'k had geenen tijd genoeg. — 't Doet ! 't doet ! ge hadt gij zeker lijd 
genoeg ! Meer andere uitdrukkingen zijn er met doen; b. v. om te ontken- 
nen : 't en doet, en om te vragen, doet het ? = is het waar ? 

Generen, geneerde mij, heb mij geneerd (Ned. g en zware e.) — Behelpen. 
Och ! ne(n) arme mensch moet hem met alles generen / Schuerm. heeft ook 
het w., doch in 'nen anderen zin. 

Gezeeg. — Tam, gedwee, mak. Als mijn broeder met het peerd rijdt, 
dan is'tzoo gezeeg als een lammeke,en anders kunnen ze er geenen weg mee. 

Giezen. giesde, heh gegiesd. Gapend zitten of staan zien. Gij eet eieren, 
vleesch en wittebrood, en wij mogen er op staan giezen [Z. en Z. O. der 
Kempen.) 

't W. is in 't Engelsch to gaze en in Zweedsch gasa, zegt het « 't Daghet in 
den Oosten. » 

Hemelbie, de. — Gekorven dier van 't geslacht der diptera dat goed ge- 
lijkt aan de bie (vliesvleugelig, hymenoptera,) doch dat maar twee vleugels 
heeft en geene ang en draagt. 

Hemmen voor hehhen. — Mm = bb. 

Dat werkw. wordt in den teg. tijd vervoegd : ik hem; gij hèi; hij hee (of 
héct;) wij hemmen; gij het; zij hemmen. 

Onderman, den. — Ouderdomsdeken in de gilden. Vandaar de geslachts- 
naam Oudermans. 

't Zij hier aangemerkt dat ouder = ouderdom, in de Kempen van dage- 
lij ksch gebruik is. 

Ringaaneen. — Aaneenaan, aanhoudende, onafgebroken. Het heeft de- 
zen wOiOhi ring aaneen geregend. 

Staden (uitspr. stauien). — Meerv. van een ongebruikt enkelv. w. stade. 
— Stee, plek, plaats. Ik ben te vijf 5/«afew geweest. (Te Vorst bij Westerloo.) 
Het w. gestadig is er van afgeleid. 

Vroeger was stede {= stade) zeer gemeen in de beteekenis van plek, plaats. 
Zoo lezen wij in den Esopei : De Wolt en het Lam : 

« Een wolf ende .i. lam goedertieren 
Quamen drinken tere rivieren ; 
Si giiighen drinken in .ii. steden : 
Die wolf dranc boven, dlam beneden. 

Teroot. — Achtereen, achtereenvolgens. Ik heb drij dagen teroot mijnen 
zieken vriend bezocht. Vrglk. rotelings in Schuerm. Root = rij, reeks is over- 
al gekend. (Z. Schuerm.) 

St-Antonius-Brecht. Joz. CoRNELissEN. 



« Ons Volksleven. « 35 



KRUISGEBRUIKEN. 

(Vervolg van hl. 82). 

Op de plaats waar iemand schielijk gestorven of vermoord is, zal men een 
kruis planten en op den hoek van menige kruisstraat staat een Lieve-Heer 

of een Lieve- Vrouwenbeeldje. 

• 

Eerdat de Kempische huismoeder heur brood mengt, strooit zij eene 
handvol ineel op den beslag en schrijft daar een groot kruis in. 

Bakt zij wit brood of kramich, dan zal zij dikwijls er een kruis op snijden 
of printen. 

Nooit zal zij nalaten een kruis te geven over den bak, zoohaast hij in den 
oven is. 

Zij maakt een kruis over het brood, eerdat zij het aansnijden zal. 

De Kempenaar maakt een kruis, wanneer het weerlicht; — binnenshuis 
leest men den Huiszegen en steekt men de gewijde keers aan; — wanneer 

hy zijn werk begint, op reis gaat of 's morgens zijn huis uittreedt. 

* 

Sommigen maken nog een kruis als zij iemand hooren vloeken, en onge- 
leerde menschen zetten een kruiske, in plaats van hunnen naam. 

Bij 't ontvangen van de handgift, maken sommigen ook een kruis. 

* 

Overal zeggen ze : « Ieder huisken heeft zijn kruiske » — en : « Een huis 

zonder kruis is een duivelshuis, >» alsook : « Die man bezit hruis noch duit. >» 

* 

Hier en daar vindt men nog boerinnen die, op feest- en hoogdag, met een 

gouden kruis pronken. 

* 

Voor het huis waar iemand op 'tlijkstrooi ligt, plaatst men een kruis; 
ofwel twee steenen, kruisgewijs overeen geleid met een strooien kruiske 

daartusschen. 

* 

's Avonds als 't kind slapen gaat, dan zegt moeder : « Dankt Deezeke im 
eens aan 't kruis. y> En 't kindeke bidt: 

« Dauke Deezeke zoet ; 
Die ons kindeke bewaren moet, 
Van water, vier en brand 
En van den boezen vijand. » 

» Wat zeg-de nu ? — Slaapwel vader, slaapwel grootvader, slaapwel 
grootmoeder, slaapwel allemaal. — Slaapwel kind, » antwoorden al de huis- 
genooten. 

Nu gauw een wijwaterkruiske !... — En 't kind dopt zyn vingerkes diep 



36 « Ons Volksleven. « 



in 't wijwater en 't maakt een slaapkruiske. (Vrglk. 't Dagheiin den Oosten, 
1888, fclz. 92). 

De grootere kinderen zullen bij vader en moeder om een kruiskc komen. 
Dan zal vader zeggen : « God zegene en beware u, mijn kind. « 

Een van de eerste gebedekens die de Christene moeder aan heure kinde- 
ren leeren zal, is het volgende : 

Kruiske, kruiske, goed begin 

De(u) Heilige(n) Geest in mijnen zin, 

Dal ik goed mag leeren, 

Dat vraag ik Onzen Lieven Heere; 

Dit ik goed mag onthouen, 

Dat vraag ik Onze Lieve Vrouwe. 

Met Asschewoensdag zal 't kind naar do kerk een kruiske gaan halen en 
't voorzichtig bewaren, want moeder zegt : « Als gij het te Paschen nog 
hebt, dan krijgt gij een nieuw kleed. « 

Wanneer een kind de waarheid verzwijgt, dan zegt men : « Gij beuzelt, 

want er komt een kruisken op uw voorhoofd staan. » 

* 

Om hunne makkers bij 't knikkerspel te doen verlieren, maken de kinde- 
ren een kruisken op den grond en zeggen : 

Kruisken bid 

Da' g'er over Bchit (schiet). 

Zij hebben ook 'nen winlcnipser, dat is 'nen marbol, waar zij kruiskes op 
gevijld hebben. Dien bewaren zij zorgvuldig en gebruiken hem enkel als 
het moetens is. 

J. CORNELISSEN. 



NOO WAT RAADSELTJES. 

Raadsels uit Beersel stuurt ons de heer A. A. 

15. « Gij dunne, magre lange 

Van waar komt gij gegangen ? » 
— Gij kort geschoren g... 
Waarom vraag-de mij dnt? 

Antw. — Beek en beemd. — Vrglk. Ons Volksleven, 1889, blz. 7. 

16. Hol vat, 
Vol vat ; 

Drij ruggen en geen g... 

Antw. — De beukenoot of de boekweit. 

17. Er is een ding, 

't Maakt eerst zijn g.. nat 
Eerdat 't drinkt. 



« Ons Volksleven. »» 37 



Antw. — De eemer. — Vrglk. Ons Volksleven, 1889, blz. 7. In de eerste 
gedaante staat stopt misdrukt voor sopt. 

18. Rank hout 
Sprank hout, 
Ongeboren timmerhout. 

Antw. — De wijngaard. —Vrglk. 't Daghct, 1888, blz. 56. 

19. Witteken slaagt zwetteken (zwarteken) 
Tegen zijn getteken (gatteken) 

Antw. — De vlam tegen den ketel. — Vrglk. H Daghef, 1887, blz. 83. 

20. Ik kwam daar in een bosch gegaan : 

Ik zag daar eene blozende juffrouw staan. 
Zij sprak niet, maar ik sprak ; 
Ik knapte ze in mijnen knapzak. 

Antw. — De kriek. 

21. God ziet het nooit, 

De koning ziet het zelden, 

De boer ziet het alle dagen in de velden. 

Antw. — Zijns gelijke. 

33. Daar loopt iets rond het huis en 't zet maar éénen voetstap. 

Antw. — De kruiwagen. 

23. De bedelaar werpt het weg en de heer steekt het in zijne tesch. 

Antw. — De heer snuit zijnen neus in eenen zakdoek. 

24. Vijf herten, 
Vijf sterten ; 
Vijf huttekens. 
Vijf puttekens; 
Vijf steenen in één vat. 
Wat is dat ? 

Antw. — De mispel. 

Hertelijken dank aan den gedienstigen zender. 

* * 
Hier zijn er nog eenige uit de Kempen : 

25. Wat hebt ge liefst : 'nenkorf met krakelingen, 'nen oven met roven of 'nen put met zin- 
gende wijf kes ? 

Antw. — Nen oven met roven. — Krakelingen = luizen ; roven = brood ; 
zingende wijfkes = vorschen. 

26. Daar liep een dingesken over een bruggeske 

Met een fluweelen ruggeske ; 

Of: 

27 . Daar liep een dingesken over den pad 

Met een fluweelen g... 

Antw, — De mol. — Vrglk. Am, Joos, blz. 64. 

28. Helder en klaar, 
Helder en droog 

En 't wast met den wortel omhoog. 



38 « Ons Volksleven. « 



Antw. — IJspin. — Vrglk. Am. Joos, blz. 38. 

29. Van onder rond gelijk een ei, 
Van boven lijk een koele mei. 

Antw. — Eene raap. —Vrglk. Am. Joos, blz. 68. 

30. Holle moer, 
Kromme vaër ; 
Houten Michiel, 

Drij kinderen zonder ziel. 

Antw. — Ketel, heis, houten lepel en pikkeltjes. — Vrglk. Am. Joos, 
bladzijde 46. 

3L Wat doet een boer eerdat hij eet ? 

Antw. — Gapen. 

32. Ik ken een ding, 

Het valt niet pluis ; 

't Bijt met zijn scherpe tanden, 

Het eerdt in stof en gruis 

En 't gaat op zijnen rug naar huis. 

Antw. — De egge. J- C. 

DICHTVEEEDIGHEID. 
Dansliedekens. 

1. De kinderen geven malkander de hand en dansen in 'nen ronde om 
een brandend keersken, of' nen uitgesneden pronkappel waar een lichtje in 
brandt. 

Kjesken iin de lantêre 

lis Menhieër Pastoeër nie' thoüs ? 

'k ^ou 'em iis gêre spreken, 

't Aovend iin z'n hoüs. 

Ze zeggen da 'k ük 'ne voddeman zen, 

Ze zeggen da'kiik 'ne(n)bülleman zen. 

Kjesken iin de lantêre, 

De(n) dómp dië vliegt er boven oüt. 

De kat die iis de broüd, 

De(n) hond ga' mêrregen trouwen 

Mee zen beste mouwen ; 

Oep elke mouw daor kropt 'en loüs 

Schüpt den hond den biezebos oüt ! 

Te Aarschot zingen de kinderen dat liêken zoo : 

Kesken in de lanteire, 

De maskes gen zoo geire 

In een kaprisken uit. 

Ze zegge da'k ik 'ne voddeman zen, 

Ze zegge dat ik gen geld en hem ; 

Vivade Marodes, 

Is Menheer Pastoor nie thuis ? 

Ik zaat 'em geire spreke, 

T' aoved in zen huis ! 



ti Ons Volksleven. » 39 



2. Rondedansliêken op de wijze van « den Mosselman » : 

In Holland staat een huis, 

In Holland staat een huis, 

In Holland staat een singelingen huis, 

Van hoepsasa, singeiingela ! 

In Holland staat een huis ! 

En zoo wordt ieder der volgende verzen herhaald : 

— Wie wönt daar in dat huis ? enz. 

— Daar wönt al een(eD) boer ; enz. 

— Wat doet die(n) boer in huis? enz. 

— Hij houdt der al een meid ; enz. 

— Wat doet hij met die meid? enz. 

— Zij maakt der al een börs ? enz . 

— Wat doet zij met die börs ? enz. 

— Zij ste(e)kt er in heurgeld; enz. 

— Wat doe' zij met da' geld? enz. 

— Zij kopt der al een kind; enz. 

— Wat doe' zij met da' kind? enz. 

— Zij droeg 'et naar de school ; enz. 

— Wat doet da' kind in dschool? enz. 

— Het leert den A, B, C, 
Het leert den A, B, C ; 

R Het leert den singelingen A, B, C, 

Van hoepsasa singeiingela ! 
Het leert den A,B,C! 
3. Keeroome, keeroome, 
Mieke keert u eens om ! 
Mie heeft heur al omgekeerd, 
Dat heeft zij van heur zuster geleerd ; 
Keeroome, keeroome, 

Lieske keert u eens om, enz. (totdat al de meiskes zich over- 
hand met het aangezicht buitenwaarts hebben gekeerd). 

4. Eene rij meiskes en een meisken alleen staan recht overeen, doch op 
'nen zekeren afstand van malkander. Het meiske gaat heure gezellinnekes 
te gemoet en zingt : 

Kinderen, wat doe-de geile zoo laat op straat, kirremandee, dee, dee ? 

Daarop gaat de root hand aan hand vooruit en antwoordt : 

Wij zijn de meiskes van 't kasteel, kirremandee, dee, dee. 

En zoo gaat het overhand : 

Mag 'k van uwe lieve kinderen kiezen, kirremandee, dee, dee ? 

— Kiest er dan de lellikste maar uit, kirremandee, dee, dee. 
En de lellikste begeere 'k ik niet, kirremandee, dee, dee. 

— En de schönste krijg-de gij niet, kirremandee, dee, dee. 

'k Zal heur een blauwsatijnen kleêken koopen, kirremandee, dee, dee. 

— Kiest er dan de schönste maar uit, kirremandee, dee, dee. 
Dat zal ons liefste Marieke zijn, kirremandee, dee, dee. 

Dan neemt het meisje de gekozene bij de hand en danst er mee rond al 
ringende : 



40 « Ons Volksleven. " 



Weeral een kanonneke bij van Ave va, kanonneke ! 

Daarna geven de twee malkaar de hand om weer een meisje te kiezen, en 
't spel gaat voort totdat iedere rij evenveel kinderen telt. 
Vrglk. Volkskunde, 1889, blz. 58 ; 't Daghet, 1887, blz. 39. 

5. Van waar komt gij getreden, 

Masjoefeltje, Masjoefeltje ; 
Van waar komt gij getreden, 
Masjoefeltje ? 

— Wij komen getreden uit Vlaanderen, 
Masjoefeltje, Masjoefeltje; 
Wij komen getreden uit Vlaanderen, 
Masjoefeltje ! 

En zoo wordt ieder der volgende verzen overhand door elke rij herhaald: 

— Wat hed-de daar weest halen ? enz. 

— Een mandeke mee roozen ; enz. 

— Aan wie zul-de gij dat geven ? enz. 

— Aan mijn naaste geburen ; enz. 

— Wie zijn uw naaste geburen ? enz. 

— Een minneken en een muiske ; enz. 

— Wat zul-de ze te eten geven? enz. 

— Zutemelk en wittenbrood ; enz. 

— Gelijk ons minneke toebehoort, 

Masjoefeltje, Masjoefeltje ; 
Gelijk ons minneke toebehoort, 
Masjoefeltje ! 
Weg minneke ! weg ! 

Vrglk. H Daghet, 1887, blz. 19 en 1888, blz. 151. 

6. Ikkeltje-kramikkeltje kwam aangetreden ; 
Ikkeltje-kramikkeltje kwam aangegaan. 
Daar kwamen twee paar boeren, paar boeren; 
Daar kwamen twee paar boeren op mijnen regel staan : 

't Ib gedaan. 
Ze deën al van zulker, van zulker, van zulker; 
Ze deën al van zulker, op mijnen regel staan: 
't Is gedaan. 

Daar kwamen twee paar heeren ; enz. 
Daar kwamen twee paar dammen; enz. 
Daar kwamen twee paar naaisters ; enz. 
Daar kwamen twee begijnen ; enz. 
Daar kwamen twee paar nonnen ; enz. 
Daar kwamen twee paar paters ; enz. 
Daar kwamen twee paar dooden ; enz. 

De kinderen maken terwijlen gebaren en bootsen boeren, heeren, naai- 
sters... na. 

{O^^geschreYeniQ Sint- Antonius-Brecht), J. Cornblissen. 



« Ons Volksleven. » 41 



Het Vertelsel van de twee Spinnekoppen. 

Twee spinnekoppen, kennissen van over jaren en jaren, kwamen malkan- 
der eens tegen. 

De eene was dik en vet gelijk eene stalbeest; de andere mager als eene 
graat. 

Nadat ze malkander hertelijk gegroet hadden, vroeg de vette spinnekop : 
« Maar hoe komt het toch dat ge zoo mager geworden zijt ? » — 't Is bijkans 
ofdat ge de dood in uwe knoken hadt ; gij die er vroeger zoo goed uitzaagt ! « 
— « Ja, » zuchtte de magere spinnekop, « ik geloof dat ik uitteer, en als 
het zoo voortgaat, dan zal ik gauw « hapot » zijn. 
— « Waar woon-de gij tegenwoordig ? » vroeg de dikke. 
— « Bij een kwezeltje, » was het droevig antwoord, « en dat kwezeltje 
doet van den vroegen morgen tot den laten avond niets als kuischen en 
vegen en dat is juist mijne dood. — Hetgeen ik 's avonds gesponnen heb, 
wordt 's anderendaags 's morgens weggeveegd, en zoo heb ik schoon mijn 
hart uit mijn lijf te spinnen, het kort niets. Ja, er van sterven moet ik. « En 
zeliet'nen zucht, gelijk alleen eene spinnekop zuchten kan die uitteert. 

— « Bij mij is 't juist het tegendeel, ^ zei de vette spinnekop, « ik win alle 
dagen bij. » 
« Waar woon-de gij dan ? » vroeg de magere spinnekop. 
— « Bij 'nen smid, « antwoorde de dikke. « Ik heb mij daar een goed 
plaatsken uitgekozen in de smis. Sedert Deezekes tijden is er geen borstel 
meer in huis geweest en 't hangt daar zoo vol netten en stol, dat de muren 
er zwart van zien. Ook heb ik niet noodig nog te werken; ik eet op mijn 
gemak mijn buikske vol en slaap drij kwaart van den tijd. Ge moest bij mij 
komen wonen ! »» 

— « Ik zal er eens over nadenken, " zei de magere spinnekop, « en morgen 
breng ik u bescheed. » 
Daarmee ging ze naar huis om een pas begonnen net af te werken. 
Maar 's anderendaags 's morgens was 't arm spinnekoppeke.... dood ? 
Antwerpen. J. B. Vervliet. 

KAARTSPEL. 

Er zijn, gelijk men weet, yerschillige manieren om met de kaarten te 
spelen. Verkiezen de meeste mannen 'nen smousjas te doen, de jongens 
daarentegen houden meer van te « freten. » 

Als men •^ freiens r> doet, dan speelt men voor't « neusJce n of voor de « kneu- 
Titlen. 

Hoe gaat dat? 

Veronderstelt dat men met vier spelers zij. Ieder krijgt drij kaarten ; de 
overige kaarten blijven « op siek r> liggen om « gefret » te worden. 

Die niet volgen kan met eene kaart van dezelfde kleur of soort, moet van 



42 



« Ons Volksleven. » 



den boek Ireten, zoolang totdat hij kan opslagen. Heeft zijn voorganger b. 
V. schuppcn gespeeld, dan dient hij schuppen te volgen, en kan hij dat niet, 
dan moet hij van de kaarten die op stek liggen, telkens de bovenste afne- 
men, totdat hij schuppen heeft. 

Is de boek geheel « opgefrct « dan moet hij die niet volgen kan, de kaart 
van zijnen voorspeler opnemen. Zoo gaat men voort, totdat al de spelers, 
uitgenomen éen, al hunne kaarten kwijt zijn. 

Die mei de kaarten in de hand overblijft is er aan. Heeft men gespeeld 
voor 't « neusl-e, " dan slaat men hem met elke kaart die hij over had eenige 
malen tegen den neus, onder het uitspreken van zekere rijmkes of spreu- 
ken. 

Speelde men voor de « hicukelen » dan neemt men den heelen boek kaar- 
ten en men slaat er mee op de kneukels van den verliezer, onder het opzeg- 
gen der te melden spreuken of rijmkes. 

Die het eerst al zijne kaarten uitgespeeld had, kan alleen dat voorrecht 
genieten. 

Terwijl deze nu den verliezer tegen den neus of op de kneukels slaat, 
zegt hij : 

Voor eene zeven : Zeven, de boeren wouen de wacht niet geven, 

Voor eene acht : Acht, de boeren trokken de wacht. 

Voor eene neo-en : Negen, had-de wa(t) langer gezwegen, 

G' had' 'uen boterham gekregen. 



Tien : 
Boer : 

Vrouw 
Heer : 

Aas : 



Tien tien, dubbele tien, 
Drij maal vijf is vijftien. 
Boer, boer, houten bak, 
Met de handen in de(n) zak ; 
Met de pijp in de(n) mond, 
Boer, boer, smoort str... 

Vrouw, vrouw, 
Katteklanw ; 
Hondenbeet, 
Vlooiesch.... 

Heer, heer, 

Kost en kleêr, 

Hemelenrijk 

En dan nie(t) meer ; 
En dan nog e'ne' slag te meer. 
Hanske van Tichele(n) 
Da(t) schelmke da(t) dief ke, 
Da(t) zuipt alle dagen zijn buikske zoo vol. 
Dat het rolt van de trappen gelijk e'ne suikeren bol. 

En dan gaat het naar 't stadhuis, 
Eu daar piept het lijk een muis 
Eu dan saat het weer naar huis. 



Antiver pen. 



J. B. Vervliet 



« Ons Volksleven. » 43 



OUD WAlSTGELOOr. 

De Duiveissehiiar. (Sage.) 

Opeen ^-ehucht van de Neerdorpen staat eene schuur die door duivels- 
handen gebouwen is, en er is een g'at in den muur dat door geen mensch 
kan geslopt worden. Luistert, 'k zal u daar de geschiedenis eens van ver- 
tellen. 

Daar was eens een boer die zijnen oogst had gepikt staan en hij meende 
hem juist binnen te halen, toen er een leelijk donderzwart opkwam. Het 
begost te donderen en te bliksemen dat ge niet anders zoudt gedocht heb- 
ben of de wereld vergong. Opeens, kletter ! daar kwam een slag dat de 
grond beefde en wat zag de pachter ? Zijne schoone schuur stond in vier en 
vlam ! Daar viel aan geen blusschen meer te denken en in 'nen haai en 'nen 
draai was zij in 'nen rookenden puinhoop veranderd. 

Ge kunt denken hoe mismoedig de arme pachter was : 't koren gepikt 
hebben staan en geene schuur om het te bergen ! 's Avonds doolde hij droe- 
vig het veld in en daar kwam gelijk geen einde aan zijn verdriet. Ineens 
ziet hij daar 'nen heer voor hem staan met 'nen zwarten mantel om zijne 
schouders. « Goeden avond, pachter, » zegt die vreemde heer, «* ge ziet er 
gelijk zoo droevig uit. » — «Zou ik niet,» antw^oordt de boer, «mijne 
schuur is pol ver verbrand en mijn oogst staat daar ten blakke. » — « Als 
ge uwen naam hier op dat papierke wilt zetten, » zegt de zwaarte heer ver- 
der, " dan bouw ik u eene schuur eerdat de haan kraait en, is ze niet af, 
houdt dan uwe ziel. » De boer nam het accoord aan, maar thuisgekomen, 
kreeg hij rouwkoop over het verbond dat hij met den duivel gesloten had 
en hij vertelde aan zijne vrouw wat hem overkomen w^as. Den grondigen 
nacht bleven zij op en deden niets als schreien en lezen. Op klokslag van 
twelf ure begost er buiten een laweit en een leven gelijk een oordeel. Al de 
duivels uit de hel waren aan de schuur doende; en het was er een kloppen, 
een hameren en een botteren dat gij het van uw leven niet felder gehoord 
en hebt. 

De pachter en zijn wijf zagen bescheelijk de steenen uit den grond komen 
en opeen gaan liggen, maar de duivelen die kosten zij niet zien. Het dak 
lag al op de schuur en er bleef maar een eindeke muur meer te metsen. 
Toen begost de vrouw nog vieriger te bidden en opeens schoot er oen goed 
gedacht door heure hersens. Zij stak de lanteern aan en liep naar den hin- 
nenrust. Als de haan het licht zag, meende hij dat het dag was en koeke- 
loereloe ! hij begost zijn best te kraaien. Daarop kwam er een verschrikke- 
lijke slag en een schok dat de aarde daverde en er voer een afgrijselijk ge- 
huil en gegoersch door de locht; en het duivelsch verbond, door den pach- 
ter geteekend, viel voor de voeten der verschrikte vrouw neer. De duivel 
was bedrogen en de boer van de hel verlost. 

En het kot in den muur hebben ze nooit kunnen toebouwen, want de 
steenen vielen er altijd terug uit. 



44 « Ons Volksleven. » 



En ik heb die geschiedenis eigenmondig van mijnen grootvader hooren 
vertellen en die heeft de schuur met eigen oogen zien staan. 

(Wesier-Ktmpcn. ) 
Vrglk. 't Dagheti. d. O., 1889, blz. 19 en Am. Joos, Vertelsels, blz. 4. 

Van alles wat. 

1. Ik ken er die vast in 't geloof zijn, dat zij vreten kunnen of iemand die 
ver van hen verwijderd is, leeft of dood is. 

Men steekt 'nen sleutel met den tand of den klauw tusschen 'nen kerk- 
boek, juist op Sint-Jans' Evangelie. Daarna bindt men dien daar vast in, 
Eorgende de koord of het lint dat men daartoe gebruikt, verschillige keeren 
kruiswegs te leggen. Twee personen, de bezweerder en een andere, laten 
den sleutel met de oog op hunnen wijsvinger rusten, zoodat hij daar vrij op 
draaien kunne. 

Dan begint de bezweerder Sint-Jans Evangelie te bidden en, wanneer bij 
de woorden : « En het woord is vleesch geworden en het heeft onder ons 
gewoond, « de sleutel begint te draaien, dan is de bedoelde persoon in 
leven; blijft integendeel de sleutel stil, dan is de persoon dood. 

2. Te Sint-Lenaarts aan Kolkvonder (i) ligt eene klok begraven. Met 
Kerstnacht, om twelf ure, hooren ze die bescheelijk slagen. 

3. Wat de spin voorspelt : 

Een spin : 
's Morgens min, 
's Noenens druk 
En 's avonds geluk. 

4. Als een kind 'nen tand wisselt, dan moet het met den ouden tand een 
kruiske maken en hem achterwaarts over het hoofd rooien ; anders komt 
er geen nieuwe in de plaats. 

5. Moeder zegt tot de kinderen : 

a) Als ge voor den spiegel slaat en ge trekt er leelijke gezichten in, dan komt het duiveltje in 
den spiegel staan. 

b) En als ge leelijke bakkesen trekt of ge doet 'nen gebrekkelijken mensch na, dan slaagt het 
klokske van Roomen en ge blijft zoo staan voor uwe straf. 

c) Als ge Vrijdags of op 'nen anderen vastendag vleesch eet, dan krijgt ge 'nen langen, langen 
steert. 

6. Liggen mes en forket kruiswijs overeen, 't is een teeken dat er twist 
in 't huishouden komen zal. 

7. Hoort ge 's nachts 'nen hond huilen, 't is een teeken dat er een mensch 
op sterven ligt. 

8. In de Kempen Moordt algemeen geloofd dat de Pastoor de vlam kan 
keeren, als het ergens brandt. 

9. Stallichtjes zijn zieltjes van ongeborene of ook van ongedoopte kinde- 
ren, maar de groote zijn ook booze geesten. 



(1) Het volk spreekt Kalhvonder uit. 



« Ons Volksleven. « 45 



Wenkt geen dwaallicht, want 't zal u traag-, heel traag achtervolgen en 
's nachts zult ge nen bots op de deur hooren en er zal eene groote bloedplek 
op kleven, die ge nooit meer afwasschen en kunt. 

10. Men mag aan niemand eene spel geven, want « eene spel steekt de 
vriendschap af. y> 

11. Ziet ge een oud wijf voor u gaan, trapt in heur voetspoor. Ziet ze niet 
om, dan hebt ge niets te vreezen, maar kijkt ze naar u, past dan op, want 
't is eene heks. 

12. Wanneer eene heks u betooveren wilt, slaat ze altijd hooger alsdat 
ze u geraakt heeft ; dan zal zij geene macht over u hebben. 

13. In den Kerstnacht, om twelfure, gaat men naar de bieën om ze te 
hooren zingen. 

14. Als een bieman sterft, dan moet men de bieën gaan verwittigen van 
de dood huns meesters ; anders aarden zij niet meer. 

J. CORNELISSEN. 



UITSPRAAK DER KLANKEN. — KLANKWISSEL. 

[Vervolg van hl z, 14.) 
Tweeklanken. 

IJ en ei. — Alhoewel er, in 't algemeen gesproken, weinig of geen ver- 
schil gemaakt wordt tusschen ij en ei, zoo is dat verscliil nochtans hier en 
daar nog duidelijk hoorbaar. Te Vorst bij Westerloo b. v. spreekt men ij 
omtrent gelijk ee en ei bijna gelijk ai uit. 

Het ware onmogelijk al de klankschakeeringen op te geven van die twee- 
klanken in de verschillige tongslagen van Antwerpen en Brabant ; daarom 
zullen wij volstaan met er eenige van aan te stippen. 

In 't N. en 't O. der Kempen hoort men éï dï en eèi voor ij en ei. 

Te Antwerpen en rondom, omtrent ai, aai en aë. 

Te Zandhoven, Lier enz., bijna ce (bietenden klank). 

In Brabant veelal ai en zuivere a. 

Hier dient aangemerkt : r In 't grootste gedeelte van de Antwerpsche 
gouw, is de uitgang lijlc toonloos en wordt lik, lel uitgesproken. Integendeel 
meer naar 't Z. en in Brabant zegt men lijlc, lak, laaik. 

Volgens ons is het te betreuren dat men dien toonloozen uitgang, naar 't 
voorbeeld der Ouden niet meer met i verbeeldt, maar met eene letter die uit 
heuren aard weinig geschikt is om 'nen stommen klank voor te stellen. Er 
staat wel in alle spraakkunsten en uitspraakleeren te lezen dat de ij in hjh 
als eene toonloozeï moet uitgebrocht worden, doch daar wordt wat naar 
geluisterd ! Schrijft men ij, men spreekt ij uit en in de meeste scholen wordt 
niet anders gelezen. En hoe dikwijls moeten wij in redevoeringen, voor- 
drachten en sermonen van die walgelijke lijken niet hooren spreken ! 

2"" Overal zegt men : lic, iever, piek, vliem, Icpcren, tieger en nooit hij, ijver, 
enz. 



46 



« Ons Volksleven. « 



3^ In sommig'e worden is de oude f-klank bewaard gebleven. Zulke zijn : 
Biier (luis, tand), hiien, (wonden), Mlen (kijken), hzen (bijzen). 

4" Men zegt altijd eekel, scheeden, afschecd, schcenls, bescheeUjk, hescheed 
voor : eikel, scheiden, enz. en hier met zuivere, elders met zware e : hij leet, 
lêêt (ligtj, hij zeef, zèèt (zegt); ik zee, zêê (zei) ; enz. ; ik lee, Zee flei, legde), enz. 

Worden (; oH ei verkort, dan klinken zij e : De zon scheni ; gei je, feitje. 

Ui. — In 't N. en N. O. der provincie Antwerpen heeft ui denzelfden klank 
als de Duitsche en van heule, neii : Hceis, Tdceis, hceifen of: Jieuïs, Meuïs, heuïten. 

Overal elders klinkt zij oë, oü, oa en ooi : Hoes, Jioüs, hoüs, hooiien. 

In huuf, duvel, duzend en den verachtelijken uitroep naar huus f (meer uit- 
gespr. naar hoes f) hebben wij de oude uitspraak bewaard. 

Bij 't verkorten wordt ui gelijk aan eene korte eu [ö).—Rösschen (ruischen); 
ik kruip, gij hröiU (kruipt), enz. 

Au wordt algemeen aaw uitgesproken : Blaaw, gaaw. 

Oa is in 't N. ow. — Mow, votv, l-otv; elders, aw : marv, vaw, Jiaiv; te Ant- 
werpen zelfs au : mauiv, vauw, kau. — In 't Z. van de provincie Antwerpen 
en in Brabant spreekt het volk ou gelijk eene zuivere a uit. — Smaat, zaai, 
voor : smout, zout. 

Er zijn streken, b. V, te Vorst (Westerloo) en elders waar de ow-klank, 
alleen of gevolgd van w, als eene zware e uitgesproken wordt. — Vrêêw, 
Jcêêtv, Bêiccl, voor : vrouw, kou, Bouwel. 

Is hij van 'nen anderen medeklinker gevolgd, dan heeft hij daar den klank 
van eene flauwe eu zonder nadruk, gelijk het Fransch er eene laat hooren 
in fleur, peur. — Smoet, oed, Jiosd, goed voor : smout, oud, koud, goud. 

Aai. — Die klank wordt bijna overal od of ój uitgesproken. — Krod, mod; 
Icrójen, lójen voor : kraai, maai; kraaien, baaien. 

Men zegt heien, cien en meien in plaats van baaien, aaien en maaien. 

Eeu, ieu. — De ee in eeu wordt sclierp uitgesproken. Er bestaat in de 
uitspraak geen verschil tusschen eeu en ieu. 

Ooi en oei worden dikwijls met malkander verwisseld. J. C. 



LEVENDE SPRAAKKUNST. 
Geslacht der zelfstandige naamwoorden. 

[Vervolg van hlz. 16.) 





m O 






er; 

2^ 


i 

Geslacht 
Yolksta 


ZELFST. NAAMW. 


O ra 




ZELFBT. KAAUW. 












r- ' 




Mortel 


V. 


m. 


Neen 


0. 


ni. 


Mortier 


o.-m 


m. 


Neep 


V. 


m. 


Munt (plant) 


V. 


m. 


Neet 


V. 


m.-v. 


Muur (plant) 


V, 


m. 


Nest 


0. 


m. 


Muziek 


V. 


0. 


Net 


O. 


o.-v. 


'biaiu\iT(aard) 


V. 


m. 


Netel 


V. 


m. 





ii 


Ons Volksleven. « 






47 


Nieuwjaar 


0. 


m. 


Praal 


V. 


m. 




ISTommer 


0. 


m. 


Prang 


m. 


V. 




Kooddruft 


V. 


m. 


Prei 


V. 


m. 




Noorden 


0. 


o.-m. 


Program 


0. 


m. 




Offer 


0. 


m. 


Punt (uiteinde) 


V. 


m. 




Oker 


V. 


m. 


Punt (leesteeJien) 


V. 


0- 




Omnibus 


m. 


V. 


Raam 


0. 


v.-o. 




Onderhoud 


0. 


m. 


Rabarber 


v. 


m. 




Ondertrouw 


V. 


m. 


Rabauw (appel) 


V. 


m. 




Onze Vader 


0. 


m. 


Rank 


V. 


m. 




Oog 


0. 


V. 


Rat 


V. 


V.-o. 




Oogenblik 


0. 


m. 


Register 


0. 


m. 




Oor 


0. 


V. 


Reuzel 


o. 


m. 




Oorveeg 


m. 


V. 


Richel 


V. 


m. 




Oorlof 


0. 


m. 


Riool 


0. 


V. 




Oost {Oos-tindië) 


V. 


m. 


Rijst 


V. 


m. 




Oosten 


0. 


o.-m. 


Roes 


m. 


V. 




Oproer 


0. 


m. 


Roest 


m.-o. 


m. 




Cpstel 


0. 


m. 


Rol 


V. 


m. 




Orgel 


0. 


V. 


Romp 


m. 


V. 




Orkaan 


m. 


0. 


Ronde (kring) 


V. 


m. 




Ouwel 


m. 


V. 


Saai 


V. 


m. 




Overleg 


0. 


m. 


Sabel 


V. 


m. 




Overschot 


0. 


m. 


Sacristijn 


V. 


o.-T. 




Overtrok 


0. 


m. 


Saffraan 


V. 


m. 




Pad heeg) 


0. 


m. 


!;alaad 


V. 


m. 




Pak 


o.-m. 


0. 


Salpeter 


0. 


m. 




Palm {gewas) 


V. 


m. 


Samenstel. 


0. 


m. 




Pand 


0. 


m. 


Satijn 


o. 


m. 




Paschen 


V. 


m. 


Savie (jylant) 


V. 


m. 




Patrijs 


m. 


V, 


Schakel 


V. 


m. 




Patroon [voorbeeld) 


0. 


m. 


Schamp, schimp 


m. 


V. 




Pauw 


m. 


m.-v. 


Schapulier 


0. 


m. 




Pek 


o. 


m. 


Scharnier 


0. 


V. 




Pekel 


V. 


m. 


Scheld(e) 


V. 


0. 




Pels 


V. 


m. 


Schell(t) 


V. 


m. 




Peluw, peul 


V. 


m. 


Schep 


m- 


V. 




Peper 


V. 


jn. 


Scherm 


0. 


m. 




Pepermunt 


v.-o. 


m. 


Scherminkel 


V. 


0. 




Percent 


0. 


m. 


Schild 


0. 


V. 




Perel 


V. 


m. 


Schilfer 


V. 


m. 




Petercelie 


V. 


m. 


Schimmel 


V. 


m. 




Pier 


V. 


m. 


Schof 


V. 


0. 




Pijl 


v.-m. 


m. 


Schol (visch) 


V. 


m. 




Pistool 


V. 


0. 


Schoonmaak 


V. 


m. 




Plaaster [stof) 


0. 


m. 


Schotel 


m. 


V. 




Pladijs 


V. 


m. 


Schuim 


0. 


m. 




Plafond 


o. 


m. 


Schurft, schorft 


V. 


o. 




Plakkaart 


0. 


V. 


Second(e) 


V. 


m. 




Plant 


V. 


m. 


Selder(ij) 


V. 


m. 




Plavei 


V. 


m. 


Sier 


V. 


m. 




Plein 


o. 


T. 


Sinksen 


V. 


m. 




Plicht 


m. 


V. 


Siroop 


V. 


m. 




Plint 


o.-v. 


V. 


Sjaal 


V. 


m. 




Ploeg 


m. 


V. 


Sjerp 


V. 


m. 




Pluvier 


v. 


m. 


Slag (lilem, knip) 


0. 


m. 




Poeder [dï'.sTindt) 


0. 


m. 


Sleet 


V. 


m. 




Politiek 


V, 


0. 


Slof (pantofeli 


V. 


m. 




Polka 


V. 


m. 


Sloof, sloef (schort) 


V. 


m. 




l'oUevie 


V. 


m. 


Slijm 


0. 


m. 




Pompoen 


m. 


V. 


Smeer 


0. 


m.-o" 




Pool [van de aarde) 


V. 


m. 


Smeer (lap, klefs( 


m. 


V. 




Poot (■plantste'k) 


V. 


m. ; 


Sneeuw 


V. 


m. 




Post [brievenpast) 


V. 


m. 1 


Snot (de stof) 


0. 


m. 




Postelein (plant) 


V. 


m. 1 


Snuif 


V. 


m. 





48 


u 


Ons V 


Soda 


V. 


m. 


Solver 


v.-o. 


m. 


Spaan 


m.-v. 


0. 


Specht 


m. 


V. 


Spinnekop 


m. 


v.-m. 


Spoeling 


V. 


m. 


Spon 


V. 


0. 


Spreeuw 


m. 


V. 


Sprinkel, Sprenkel 


V. 


m. 


Sprot [visch) 


V. 


m. 


Spui 


0. 


V. 


Spurrie 


V. 


v.-m. 


Spijt 


V. 


0. 


Stek (spruit) 


v.-o. 


m. 


Stool 


V. 


m. 


Stoop 


V. 


m. 


Stop 


V. 


m. 


Straal 


m. 


V. 


Streek [oord) 


V. 


m. 


Strop 


m. 


V. 


Strot, stroot 


m. 


V. 


Stijfsel, stessel. 


o.-v. 


m. 


Suiker 


V. 


m. 


Tabak 


V. 


m. 


Tabernakel 


m.-o. 


0. 


Te Deum 


o. 


m. 


Teems 


V. 


m. 


Teer (pek) 


0. 


m. 


Telegraaf 


V. 


m. 


Telegram 


0. 


m. 


Telefoon 


V. 


m. 


Telloor 


0. 


V. 


Terpentijn 


V. 


m- 


Test 


V. 


m- 


Teug 


V. 


m- 


Theater 


0. 


m- 


Thee 


V. 


m. 


Tier 


V 


m. 


Tiktak 


0. 


m. 


Tin, ten 


0. 


m. 


Tob, (kuip) 


V. 


m. 


Toestel 


o.-m. 


m. 


Toewas 


0. 


m. 


Toog (priesterkleed) 


V. 


m. 


Touw 


o. 


V. 


Traan (van de oog) 


m. 


V. 



Aanmerkingen. — 1° De namen van vis- 
Bchen als verzamelwoorden of collectieven 
gebruikt, zijn v.bij De Vries en Te Winkel 
en m. in Antwerpen en Brabant. 

2° De stammen der werkwoorden, als 
zelfst. naamw. gebezigd en waarvan er veel 
V. zijn in Holland, zijn m. in onze provin- 
ciën. 

3" De bijw., voorz., voegw. en tusschen- 
werpsels, zelfstandig gebruikt, zijn m. 

4° Het w. olie is altijd v., uitgenomen in 
den zin van olie in hetH.Oleisel. De zieke 
heeft gisteren den Heiligen Olie ontvangen 
5. Gracht, kraan, kermis, zaad, zaal (ka- 
mer) en zand zijn m in 't Z. O. der prov., 
Antwerpen. — Futat (Aardappel) is er v. 
6» Doolhof dat Ie Vries en Te Winkel 
als o. opgeven, ie overal m. 



Traan (vischolie) 
Tram 
Trap 
Tras 
Tree 

Tribunaal 
Troef 
Toevlucht 
Toot 
Twijg 
Tij 
Tijk 
Uitschot 
Uitstel 
Uitvaart 
Uitvlucht 
Uitwas 
Uitzet 
Unster 
Urn- 
Vaan 
Vaas 
Vasten 

Veeg (lap, oorveeg) 
Venster 
Vest ( jas) 
Vezel 
Vink 
Vitriool 
Vlag 
Vlier 
vliet 
Vod 

Voorkeur 
Voorschoot 
Voorstel 
Voorval 
Vorst (vries) 
Vrijf 
Waarom 
Walg 
Wals 
Wan 
War 

Was (van debieën) 
Wasch 
Web 

Week, weik 
Weer (eelt, knoest) 
Weerhcht 
Weest gegroet 
Weet 
Welkom 
Wereld 
Werf 

Wijk (stadsgedeelte) 
Wezel 
Wis 
Wisch 
Wol 
Woon 
Wrong 
Zaan 

Zadel, zaal 
Zavel 







v. 


m. 






V. 


m. 






V 


m. 






0. 


m. 






V. 


m. 






0. 


m. 






V. 


m. 






V. 


m. 






V. 


m. 






V. 


m. 






0. 


V. 






V. 


m. 






0. 


m. 






0. 


m. 






V. 


v.-o. 






V. 


m. 






0. 


m. 






0. 


m. 






V. 


m. 






0. 


V. 






V. 


0. 






0. 


V. 






V. 


m. 






m. 


V. 






0. 


V. 






0. 


V. 






V. 


m. 






m. 


V. 






0. 


m. 






V. 


v.-o. 






V. 


m. 






m. 


V. 






o.-v. 


V. 


.' 




V. 


m. 






0. 


m. 






0. 


m. 






0. 


m. 






V- 


m. 






V. 


m. 






0. 


m. 






V. 


m. 






V. 


m. 






V. 


m. 






V. 


m. 






0. 


m. 






V, 


m. 






0. 


V. 






V. 


m. 






0. 


m. 






o.-v. 


m. 






o. 


m. 






V. 


m.v 






0. 


m. 






V. 


m. 






V. 


v.-na* 






V. 


v.-m. 






V. 


m. 






V. 


m. 






V. 


m. 






V. 


m. 






V. 


m. 






V. 


m. 






V. 


m. 






0. 


m. 






V. 


m. 


J 



ONS VOLKSLEVEN 



Antwerpsch-Brabantsch Tijdschrift 
voor Taal en Volksdichtveerdigheid , 
voor Oude Gebruiken, Wangeloof kunde, 
enz, In ttvelfnommers van acht bladz, in 8'^ 
voor 1,50 fr.; 1,25 ƒ r. voor de Beeren Stu- 
denten. 

Te Brecht, 

bij L. Braeckmans. 



l" Jaar 


1889 


Afl. 


7 & 8 



« Er is nog een rijke oogst op het veld 
der gewestsprakeu voorhanden; veel 
volksuitdrakkingen dreigen te verdwij- 
nen die om hunne juistheid, schilder- 
achtigheid of oudheid verdienen in de 
schrifttaai opgenomen en bewaard te 
blijven. » 

Zuid-Nederlandsche Maatschappij 
VAN Taalkunde, Wedstrijd 1874. 

«De studie der folklore heeftvoor doel 
ons volk in zijne eigenaardige zeden en 
gewoonten, in zijn inniggeloof en karak- 
ter te leereu kennen, in één woord, het 
volk zooals liet is. n 

Vraagboeh over Vlaamsche Volkskunde. 



BIJDRAGE TOT DEN DIETSCHEN TAALSCHAT. 
3de Woordenzange. 

Afblotten, bloiie af, is afqehlot. — Z. Bloi. 

Alle botten. — Alle oogenblikken, van eenen pas, keer voor keer. Hij 
komt hier alle hotten aan. In Neder-Saksen en Zwaben hoort men in denzelf- 
den zin allbot, allebof. Het w. hot beteekent wijl, poos, korte tijdruimte. 

Balluit, de. — Dwaas en halfgek vrouwmensch. Schuerm. geeft halloei 
voor de omstreken van St-Truiden ; elders, voegt hij er bij, zegt men mal- 
ïoete, malloet. — Kiliaan teekent aan : inalloote, ambubaia et insulsa muiier. 
(Z. Schuerm. i. v. halloet.) 

Blot. — Kaalhoofdig. Uw oom begint hlot te worden. Vandaar hlottekop 
(den) = kletskop, kaalhoofd ; Motten = blooten, ploten, het haar van de vellen 
doen : peerdenhlotter, vellenhlotter ; en afhlotten (z. Sch.) = afschelpen, ont- 
haren, afschorsen. Blot is hetzelfde als hloot, Hgd. hloss, Deensch hlot^ 
Zweedsch hlott. De lange klinker, gelijk dikwijls voorvalt, is in korten 
overgegaan. 

Blottekop, den. — Z. Blot. 

Blotten, hloite, heh gehlot. — Z. Blot. 

Bommel (uitspr. met korte oe), de. — Iets groots in zijne soort. B.v. eene 
hommel van eene noot is eene groote noot. Voor de mann. naamw. bezigt 
men honker (den). 

Bonken (uitspr. honken hóenken,) bonkte, heb gebonkt. — Botten, omhoog- 
kaatsen gelijk een ezelsooren pakkebol doet, als men hem op den grond 
werpt. 

Bonker, den. — 1° Z. Bommel; 2° Ezelsooren bal of steenen ket, daar de 
kinderen bij 't bikkelspel mee honken en die ook honkket [de) geheeten wordt. 
Den eerden, steenen of ijzeren bol dien zij bij 't knikkeren en bij 't bollen 
gebruiken, noemen zij holket of eenvoudig ket (de). 

Deezekespeerd, het. — Groote waterjuffrouw, lihellula dcpressa. Over vele 
jaren, vertellen de oude menschen, vlogen die insecten met groote zwermen 



50 « Ons Volksleven. » 



door de locht en ze gong-en op de korenaren rusten die onder hun gewicht 
bogen. Men hiet ze toen de ^ Ridders van MaltJia. •» 

Dogen, doogde, heb gedoogd. — Kijven, grommen, lastig zijn [Halle i. d. 
K.) Schuerm. heeft dagen in denzelfden zin . 

Doven, doofde, heb gedoofd. — Tieren, razen en kijven op iemand of op 
iets. Ge zit altijd op dien jongen te doven f Wij hebben hier een oud en kos- 
telijk w. — Hoeuft kent in 'nen anderen zin dooven en denkt dat dit ww. het 
Hgd. toben, bulderen, woeden is, bij Wachter overgezet door furere, insani- 
re; in 't Platd. is het daven,m 't Friesch datvan, dotvan en in 't Oud-Engelsch 
iaue. Kiliaen vertaalt dooven door insanire, delirare, razen, dol zijn. (Schuerm. 
i. V. dooven = mallen, liflaflfen, vroolijk zijn). 

Heetgagel, den — Steekbrem; een heideplantje van 't geslacht der vlin- 
derbloemigen, met scherpe dorens en kleine gele bloemekes {Brechi). 

Hitsgaal, den. — Z. heetgagel (St-Antonius en elders). 

Korenbijter, den. — Kleinere soort van waterjuffer, libellula vulgata. 

Peerdeke, het. — Z. Dcczelccspeerd. 

Peerdenrijder, den. — Deezekespeerd (Te 's Graventvezel.) 

Siebots, — Bottelings, plots, schielijk. Hij is daar siebots gestorven, zon- 
der biechten nog berichten. 

« De afleiding van 't eerste deel is waarschijnlijk van 't allemannisch sid, 
lOii. jiost, fr, apres vanwaar sedert, dat waarschijnlijk ook een gelijkluidend 
bijv. naamw. gevormd heeft, evenals 't Zweedsch sid, sero, evenals men in 
't Deensch sidt en sülfs heeft ; dan, bij Notker, ps. 23, v. 6, vindt men sidero 
door posterior verlatijnd. Sicbot van sidebot samengetrokken, is dan zooveel 
als ipso momento. » (Hoeuft, 541, i. v. siebot.) 

Stroesch. — Stuur, barsch, stroef. Stroesch (oe = ui) is hetzelfde woord 
als struisch, dat tegenwoordig kloek, sterk, straf bediedt. In van der 
Schuerens Theutonista komt het evel ook voor in de beteekenis « stuyr 
(stuur), stugge, drijst, suyr, onsuet, wreed, streng,... » enz. 

Stroeschkop, den. — Stroesche, sture, stroeve^ weinig aantrekkelijke 
mensch. 

XJitersgang, den. — Uitkomen, lente, voorjaar, [Esschen, Calmpthout en 
elders), "'t W.,»» zegt het H Daghct i. d. O.. « is eigentlik ontstaan uit 
uitetvcerdsgang, uitctvaardsgang, als het gezaaide, het krachteloos slapende 
gewas, weer u/7cwcrf75, uifcrds, üfersgnngt of gSLSit. In 't oud vl. vindt men 
^ ten utewaerds dragene 's jaers ^ = in 'L voorjaar. y> 

Varen, voer, gevaren, — Gaan. Hij vaart daar over de straat loopen. Hij 
voer daar staan gapen {Kempenland, in 't Z. en 't Z. O.). 

St-Antonrus-Brccht. {i) J. CoRNELlSSEN, 

(1) De \v., waarbij ik geene plaats ot geene streek aanduid, zijn uit mijne verzamelingen wier- 
den uit den volksmond opgeschreven te St-Aulonius-Precht. 'iZijn dus w. die eigenlijk inde 
Kemj^eu. on wel vooi namelijk in 't W., in 't >>'. en in 't midden ranudsgemL-en zijn, doch waarvan 
de meeste ongetwijfeld ook in andere streken thuis hooreiu Daarom verzoeken wij onze lezers 
nauwkeurig aan te leekenen, welke van de opgegevene w. ook in hun dorp of hunne stad gebruikt 
worden. J. C. 



« Ons Volksleven. » 51 



DICHT VEERDIGHEID . 

Spotrijmkes. 
A) Op sommige Steden en Dorpen. 

1. Op de Antwerpenaars : 

Sin(cl)joor, 

Mee ze g... in de voor, 
Mee ze g... in 't slijk : 
Sin(cl)joor is van alle kanten gelijk. 
[Kempen). 

2. Op eenige dorpen : 

1/ Rijke Vörsel, (1) b/ Rijke Vörsel, 

Arm Mal (Oost- of Westmalle ?) ; Arm Mal ; 

Lomp Zoersel, Zot Sint-Tennis (St-Antonius-Breclit) ; 

Mager Hal (Halle in de Kempen). Mager Hal , (2) 

c/ Rijke Vörsel, 
Woest Mal ; 

Schraal Wezel (Wuust- of 's Gravenwezel?); 
Mager Hal. 

[idem). 

3. Op Wechel-ter-Zande : 

Wechel-ter-Zande, 
Hooge landen ; 
Groote schuren, 

Weinig om m te vuren (= voeren). 
[idem). 

4. Op de inwoners van Wommelghem : 

Daar kwam e'nen boer van Ommelegóm 
Z'n broek viel af en de trommel die gong. 
En Jantje kwam geloopen 
Om de trommel te ko open ; 
't Was geen trommel : 't was eg.., 
. Dat in den boer z'n broek stak. 

[Rond Aoitwerpeii.) 

5. Op die van Mol : 

Die van Mol die zijn geschoren : 

Ze hebben een kerk en geenen toren ! (3) 

6. Op die van Balen : 

a/ Bale(n)sche brekken, b/ Die van Balen kwamen geloopen 

Beenen gelijk stekken ; Om den Molschen toren te koopen. 

Koppen gelijk bollen : Die van Balen die waren nie{t) zot 

Zoo komen ze van den Bale(n)schen toren En ze gongen er mee naar 't verkenskot. (4) 

[gerollen. (4) (Mol). 



(1) Als ge voor den oogst aan 'nen boer van Rijckevorsel vraagt vanwaar hij komt, dan zal hij 
zeggen : van Vörsel; na den oogst zal hij u antwoorden : van iBy^evorsel. 

(2) Men vertelt spotsgewijs dat er te Halle een pier aan eene ketting gebonden ligt. 

(3) Meegedeeld door E. H, S.., te Brussel. 

(4) Meegedeeld door Heer V. R., te Mol. 



52 « Ons Volksleven. « 



7. Op die van Herenthals : 

Herenthals is 'ne nest 

Die der wonen weten het best. (3) 

8. Op Herselt en Westerloo : 

Hessel de macht, 
"Westel de pracht. 

9. Op de inwoners van Niel : 

Die van Niel, 

Vlam en vier ; 

Klem en groot, 

Z'hebben hunnen eigen pastoor vermoo{r)d. (1) 

B) Mismaaktheden, Gebreken. 

10. Te St-Antonius onthalen de kwajongens 'nen rosharige op dit rijmke: 

Vosse kater, 

Drinkt wa' water ; 

Drinkt wa' wijn : 

Dan zul-de genne vosse kater ne mer zijn. 

11. Te Boom bespotten ze 'nen schele alzoo : 

Schele wip, schele wap, 
Van wa' mokte ga die pap? 
Van wa' bloem, van wa' mêêl, 
Wseaeróem zie-de gazoeschêêl? (2) 

12. Op 'nen bult : 

a/ En 't iè den bult /b Bilt kerrekas, 
Z'n eigen schuld, " Viool en bas ; 

Dat hij z'n kas moet dragen ; E kofferke mee geld, 

En 't is den bult Dseser de(n) bilt óep spe(e)lt. (2) 

Z'n eigen schuld, [Boom). 

En hij is er mee gekuld. d/ Aon de karrek lag 'en vrauw 
[St-Antonins). Met twieë króemme poeëte. 

c/ Bult karkas. Bult karrekas, 

Viool en bas ; Vioul en bas. 

Viool en fluit : En e kofferke mè geld, 

Trekt er maar uit. Daor de(n) bult ze' geld óep telt. 

{Antivet'pen). {Antwerpen). 

13. Op 'nen hakkelaar : 

Hakkelcre, 
Bommelêre, 
Stinkvisch ! (3) 

C) standen, Stielen, Ambachten. 

14. Op de boeren : 

a/ Enalsde(n)boer geen beesten was, b/ Pompoenenpap 

Hij zou geen spek verkoopen : En schellen van visch 

Gooit hem met 'nenHörf in zijnen nek Eten de boeren als 't kermis is. (3) 

En laat hem daar mee loopen, {Kempen), 



(1) Meegedeeld door L. Lehembre, Schelle. 

(2) Meegedeeld door P]. Verbruggen, Merxplas, 

(3) Meegedeeld door E. H. S., Brussel. 



« Ons Volksleven. 



53 



c/ Rotte pataten 

En scheëlle van viis 

Eejte de boeren as 't karremiis iis. 

15. Op den koster : 

a; Ora pro nobis ! 

De koster heet Jacobus, 

De{n) hond leet in de biezen dood, 

't Stetjen af en 't g...i,eke bloot. 

[St-Aiitonius) 



c/ 



Bim, boem, bei 'ren, 

De koster mag gen ei 'ren. 

— Wa mag he dan ? 
Spek in de pan. 

— De koster is 'ne lakkere Jan. (2) 

{St-Antonius{ 

Vrglk. hiermee Ons Volksleven, blz. 4. 
16. Op den smid : 

Smiidje Ver(houle(n), 
Zonder koule(n) ; 
Smiidje Ver(h)oule(n) 
Zonder broeëd : 

Smiidje Ver(b)oulen iis nog nie' doeëd. 
{Borgerhout, Antwerpen). 

18. Op de voddekruiers van Lier : 

Piet van Lier, 

De boter is dier, 

De kêês is plat : 

Piet van Lier ze' wijf is zat. 

[St-Antonius). 

20. Op 'nen bakker : 21, 

Bakker, 
Sch...lakker ; 
Sch...kóek 
In den (h)oek. 

[Antwerpen). 

D) Namen. 

23 



d/ De boeren die brokken de pap zoo dik, 
En elke lepel dat is 'ne slik. (1) 

{Borgerhout). 

b/ Ora pro nobis ! 

De koster heet Jacobus. 
Hoe heet z'n vrouw ? 

— Mieke de vuil mouw. 
Hoe heet ze kind? 

— Holleken, bolleke snotvink. 
{Antwerpen). 



17. Op den scheresliep : 

Scheresliep 

Had-de gekomen als ik u riep, 

Gfc hadt 'nen mikken boterham gekregen 

En nu niet. (3) 

{Mol). 

19 Op deGeiizen : 

Geus 

Lange neus, 

Schêrepe kiin, 

Daor wönt de i'n) duvel iin. 

{St-Antonius). 

Op hooveerdige ])oeredochters : 

Oei ! oei ! 
Schoon vrouwliê. 
Maar lellike koei ! 
{Kempen). 



Marie 
Perreplie ; 
Perreson, 
Waterton. 
{Boom) 



(4) 



Mie, Marie, Marotselgat, 
Wat hed-de van de boter g'had? 
— Zestien en halven, 
Hetkoeike staat op kalven. 
Het geitje staat op sterven 
En moeder kan geen boter derven. 
{Halle, St-Antonius enz.) 



(1) Dat dansen de Reuzen, als zij met de kermis op hunnen wapen rondrijden. 

(2) Te Brecht is het leste vers : Mee enne witten bolerham; te Turnhout : Met eenen lekkeren 
boterham; te Aarschot : O du leelike lekkere man ! 

(3) Meegedeeld door den heer V. R., Mol. 

(4) Meegedeeld door den heer E. Verbruggen, Merxplas. 



54 



« Ons Volksleven. ■» 



24. Mieke, Mieke, Maaike, 
Ik weet e'ne vogelnest, 
Al in ons moeders schapraaike ; 
Ik hem er is in gewe(e)st. 

(St-Antonius). 

26. Peer Meneer de(n) Tafelstek 

Hij at zoo geren gebraden spek, 
Gebraden spek en witte(n) brood 
En hij k.. der af in ze' moeders schoot. 
En moeder begost gaan te kijven 
En Peerke begost gaan te grijzen ; 
Peerke liep naar de noten, 
' De noten waren plat ; 
Peerke liep naar de goten, 
De goten waren nat : 
Peerke kroop in 't verken ze' g... 
{St-Antomus{. 

28. Hem ! zee Gijs, 

Hij slok 10 pond kêês in ze' lijf 

En en' koei en e' kalf 

En en' heel en en' half. 

En e' peerd en e' veulen, 

En 'nen os en 'ne meulen ; 

En en' bunder mee raopen 

En hij gong nog mee honger slaopen. 
{BrecM) 
30. Jan 

Pan 

Lepelsteert, 

Nemt den bessem 

En keert den heerd. (1) 
(Breekt). 
32. Trees 

Spörkebees ! 

Onze vader docht da'k slapen was, 

Ons moeder docht da'k lezen was. 

En 'k was bij Tante-Trees. 
[Si-Antonius). 
34. Rik 

Petik 

De(n) hanepoot, 

Hij slaagt ze' wijf nog halver dood. 
{i'den). 

36. Op malkanders voornaam 
volgenden aard : 



25. Tietam, toerlemaaike, 
Ik weet enne' vogelnest, 
Al in ons moeders schapraaike ; 
En ons Mieke we(e)t 'em best. (1) 
(Breekt). 

27. Peer 

Lange(n) Heer ; 

Korte kin 

Der zitten duveltjes in. (Halle). 

Vrglk. dit leste met n° 19 en met 
de volgende gedaante : 

Spitse neus en spitse kin, 
Weunt altijd de duuvel in. 
(Gelderland.) 
29. Anneken,Annekenekserg... 
Die zeven teilen pap uitat, 
Een en een hallef 
En koei en e' kalief 
E' piëid en e' veulen, 
Nen stallaot en 'nen meulen 
E bunder peeën en e bunder raopen 
En nog gong Anneken ekserg... mee hon- 
[ger slaopen. (2) 
(Aarschot). 
81. Jan 

Bakt eieren in de pan, 
Bakt eieren in den schoen. 
Dan herre (hebt ge) geen pan vandoen. (2) 
(Aarsekot). 
33. Sus, 

Peper in de bus ; 
Zout in 't g..., 

Wa' veur 'en aardig dink is dat ! 
(St-Antonius). 
35. TistVanLooy, 
Pakt 'en vlooi ; 
Op den pad 
Daar ze zat ; 
Onder 't lof, 

In Meneer Pastoor z'nen hof. 
(idem). 



maken de schooigasten rijmkes in den 



(1) Meegedeeld door den heer J. Michielsen, Brecht. 

(2) E. B. Voorgedragen in den Vlaamscheu Broederbond te Aarschot. 



« Ons Volksleven. y> 55 



a) Jan *) Gust 

Spillewillewan ; Pirrewust ; 

jJotsel Pirrewokselkandust. 

Kabotsel • Pirrewokselkandoksel, 

Verrumpelde Jan. Verrumpelde Gust. 

{St-A nton ius) . {Antwerpen) . 

En zoo op alle namen : 

E) Verschillige Dichtjes. 

37. Meiskeszot, 

De deur in 't slot ; 
De grengel {= grendel), er 
[veur ; 
Adju Monsieur. 

[St-Antonius). 

38. Hanneke Maon, 

Mee ze leêren broêksken aon ; 
Hanneken hee^ 'en te(i)ltje pap êutgeten, 
Hanneken hee' z'n broêkske volgesch... 
Foei ! foei ! Hanneke Maon 
Ge meugtnoeëtniemer nordekêremiisgaon. 
(idem). 

39. ABC, 40. ABC, 

De kat ga' mee De dikke pap eet ik mee 

De(nj hond blijft t'huis, De dunne laat ik staan 

Piep ! zee de muis Om naar huis te gaan. 

In 't vogelenhuis. (1) [idem). 



[idem). 



JOZ. CORNELISSEN. 



Vertelsels. Vanwaar sommige dingen komen. 
1. Hoe de Schelvisch dien naam kreeg. 

Sinte-Peeter was 'nen keer aan 't visschen. Vermits hij goede vriend met 
O. L. Heer was, haalde Petrus altijd veel visch op en nu was zijne schuit, 
gelijk gewoonte weer goed gevuld. 

De visschen sprongen en kronkelden langs alle kanten ; een vooral was 
zoo fel bezig dat hij over boord viel en in het meer vedween. 

Petrus greep wel in allerijl naar den vluchteling, maar hij kwam te laat. 

Hadde Sinte-Peeter op dien oogenblik den visch bij zijnen naam genoemd 
en hem bevolen in de schuit te blijven, zeker zou de visch niet in 't water 
gesprongen zijn ; maar ongelukkig wou die naam den apostel nu juist niet 
invallen en, spijtig over het verlies, riep hij uit : O die schelmvisch ! 

En van dien tijd af, was de visch zijnen ouden naam kwijt en hiet schelm- 
visch, maar de geleerden, die alles beter willen weten, hebben er schelvisch 
van gemaakt. 

(I) Te Brecht : In 't zomerhuis. 



56 .« Ons Volksleven. » 



2. Waarom de Pladijs 'nen krommen snuit heeft. 

Op zekeren dag dat de pladijs en de panharing veel tijd hadden, zouden 
ze eens om ter rapste zwemmen. 

De pladijs die al zijn leven heerschzuchtig geweest was, moest en zou 
winnen. 

Nauwelijks stonden beiden op het vertrekpunt gereed, of de pladijs schoot 
vooruit en liet den panharing een heel eind achter. Maar het haringske was 
slim genoeg om zijn eigen niet moede te maken en 't zwom wel snel, maar 
toch op zijn gemak vooruit, terwijl de pladijs weldra aan 't einde was van 
vermoeienis en den gewonnen weg spoedig verloren had. 

Toen nu de panharing voorbij kwam gezwommen, meende de pladijs te 
bersten van spijt en nijd. Hij zou echter beproeven met list te winnen, want 
ze waren niet verre meer van hun doel. 

De pladijs begost dan eensklaps te roepen : « Panhering ! panhering ! y> 
en hij schreeuwde zoo hard en zoo lang, dat zijn snuit er krom door getrok- 
ken was, eerdat hij zijnen zwemtoer volbrocht had. Eindelijk toch geraakte 
hij bij den panharing, die hem gerust afwachtte en hem eens hertelijk voor 
den aap hield. 

Nu had de pladijs 'nen krommen snuit en hij is altijd zoo gebleven. 

Vrglk. Am. Joos. Vertelsels' bl. 29, Van den Bot en zijn Smoelchen. 

3. Waarom de Uilen 's nachts vliegen. 

De vogelen kwamen eens bijeen om 'nen koning te kiezen. Ze hadden al 
lang gehaspeld en getwist, en op 't einde van 't spel was er nog niets beslist 
en was er nog niemand gekozen. 

De uil, die goede vriend was van het winterkoningsken en al dat ge- 
schreeuw en geschetter beu wierd, nam toen het woord en sprak : Laat ons 
dendien koning noemen, die het hoogste vliegen zal. « 

Terwijl de andere vogelen daarover aan 't beraadslagen waren, riep de uil 
het winterkoningsken aan den eenen kant en zeide hem : 

« Hoort eens hier, vriendje, gij moet koning zijn. » 

— « Maar ik en kan niet hoog genoeg vliegen, » antwoordde het kleine 
ding. 

— " Dat 's niets, n zei de uil, « ik kan ik het hoogste vliegen, maar ik en 
wil geene koning zijn. Gij versteekt u onder eenen van mijne vleugelen ; ik 
zal zoo hoog vliegen als de beste, en dan komt ge goed uitgerust voor den 
dag en ge vliegt ons allemaal boven den kop. » 

Zoo gebeurde het ook en het winterkoningske wierd natuurlijk koning 
uitgeroepen. Daarom heet het ook Jconinf/svogelfje. 

Maar de andere vogelen hadden den list van den uil ontdekt en, afgunstig 
als zij waren, kregen ze allegaar zoo 'nen danigen feilen haat tegen den 
uil, dat ze hem toevliegen en pikken, lederen keer dat zij hem in de buis 



I 



« Ons Volksleven. ^ 57 



krijgen. Ja, ze zouden de oogen uit zijnen uiienkop lialen, als zij maar en 
durfden. 

Om nu met rust gelaten te worden en om alle ongelukken te voorkomen, 
is de uil verplicht met den nacht uit te vliegen. 
Vrglk. Am. Joos, blz. 26, Van 't Koninksken en den Uil. 
Antwerpen. J. B. Vervliet. 

Kwelspreuken. 

1. Zegt tien keeren achtereen, zonder uwen asem op te halen : 

1. Tien paar klein-kinderkloontjes. 

Nu, ziet maar toe dat ge niet en spreekt van klinderkloontjes klinderkontjes 
of zoo iets dergelijks. 

2. Kramich begost 

3. Wit peerd, 
Zwertsteert. 

4. De kat die krabt de krollen van den trap. 

5. Tien kiekens op een putkuip. 

Putkuip ; maakt er maar geen puitkup of kutpuip van. 

6. In den hof op de haag hangen twee witte doeken; 
Twee witte doeken hangen der op de haag.^ 

[Si-Antonius). 

2. Spreekt uit in éénen asem : 

1. Bazin, zee ze 2. De smid, hitter de fit, 

geeft, zee ze had een kat, hatter de fat, 

gauw, zee ze en die kat, hatter de fat, 

gort, zee ze heure poot, hooter de foot, 

want, zee ze was uit 't gelid, hitter de fit. 

mijne, ze ze Nu moest de smid, hitter de fit 

man , zee ze de kat, hatter de fat, 

eet, zee ze heuren poot, hooter de foot 

zoo, zee ze weer zetten in 't lid, hitter de fit. 

geren, zee ze {Heist-op-den-Berg). 
pap, zee ze. (1) 
[BrecM). 

3. Verstaat gij Latijn ?... Verdietscht me dan dees eens : 

1. As pecavis, hanctewis = als 't spek af is, hangt de wisch. 

2. Scurolis, dacavis, ermenestis = schuur hol is — dak af is — arme nest is. 

3. Witlamalooi end swertlamatmee = (7) wit lam at hooi en 't zwart lam at wee. 

4. Vertaalt dit Fransch : 

Onze huit et quat(re) sept obscur = ons witte kat zat op {de) schuur. 

[St-Antonius). 

Stafrijmen. 

1. Botte boere beest. 

Brengt beter boter boven. 
[idetn). 



(1) Meegedeeld door den Heer J. Adriaenssens, Brecht. 



58 « Ons Volksleven. « 



2. Dei'n} .iikke:n)Dirk 3. Den(n)dikke(n) duvel Dij ver 

deed deu dunnen duvf-l dansen ; deed den |dunnen duvel Dirk 

door dik, door dun, door de dichfe drommeldreei' dansen, 

door destels, door dorens, [Antwfrpp.n). 

deed de(n) dikke(n) Dirk 
den dunnen duvel dansen. 
{\dem). 

4. Kosters kleine kromme kreupele kinderen kunnen kleine kromme keutels k... 

[St-Anfonius). 

5. Mölder, maal mij mijn meel : 

Mijn moeder moet morgen meel met melk mengen 
Met melk mengt mijn moeder morgen meel. 
{idem). 

6. Wie weet waar Willem Wouters wijf woont? 
.Willem Wouters wijf woont wijd weg, Wuust- 

[ Wezel. 
[idem). 

7. Wie wilt weven? 
Willem Wever wilt weven. 

Wat wilt Willem Wever weven? 
Willem Wever wilt wol weven. 
Welken wol wilt Willem Wever weven? 
Willem Wever wilt witten wol weven. 
Welken witten wol wilt Willem Wever weven? 
Willem Wever wilt warmen witten wol weven. 

[idem). 

J. CORNELISSEN. 

Hoe de Kinderen tellen. 

't Jonge volksken houdt niet van cijfers. Rekenen is goed voor groote 
menschen die voor den dag van morgen te zorgen hebben. Rekenen eischt 
nadenken en dat doet de jeugd niet. 

Kommer en zorg zijn haar onbekend, en het is juist dat gelukkig voor- 
recht dat haar zoo blij door het leven wandelen doet. 

«God schept den dag en wij kruipen er Aoovr>, zeggen de groeten. Ja, die 
kruipen dikwijls, maar de kinderen huppelen en spelen onbezorgd ; zij leven 
gelijk God in Frankrijk, want zij laten Gods water over Gods dijk loopen. 

Genoeg, keeren wij terug tot onze cijfers en zien wij eens, hoe de kinde- 
ren het weten aan te leggen om van het dorre en vervelende tellen, eene 
aangename uitspanning, een vroolijk spel te maken. Gelukkige jeugd ! 

1. Eén, twee, drij, 

De(n) boer — die zag — op zij, 

1 2 3 

En hij docht — dat ik — gee(n) geld en had, 

1 2 3 

En 'k had — nog meer — a(l)s hij ; 
12 3 

Eén, twee, drij. 



« Ons Volksleven, j» 59 



2. Een, twee, clrij, vier, vijf, zes, 
Olie iu de flesch, 

Olie in de lamp, (1) 

3. Eén, twee, drij, vier, vi.jf, zes zeven, 
Waar hed-de gij zoo la ng gebleven? 
Hier en daar, 

'k Weet nie(t) waar; 

'k Wensch u 'ne(n) zalige(n) nieuwejaar ! (2) 

4. Eentjen, — beentjen, — Borger — hout, 

1 2 3 4 

Is er — iemand — nog zoo — stout ; 

5 6 7 8 

Die mij — heeten — liegen — zal ? 

9 10 11 12 

Willen we eens — wedden — voor een — vaan, 

13 14 15 16, 
Dat er — twintig — krabbekes — staan? (3) 

5. Eun, — deun, — troo, 

1 2 3 

La virla, — virla, — voo ; 

4 5 6 

La virla, — virla, — virla, — virla, — virla, — virla, — voo; 

7 8 9 10 11 12 13 

De(n) boer — en kan — geen twintig — tellen, 

14 15 16 17 
De krabbekes — staan der — zoo. 

18 19 20 

6. Eén, ik brak mijn been. 

Twee, over'ne(n) krikke(n)de(n) krakke(n)de(n) kraaksieen; 

Drij, over 'ne(n) pot me(t) brij ; 

Vier, 'k trok naar Lier; 

Vijf, bij een oud wijf; 

Zes, ikke de borrel en gij de flesch ; 

Zeven, de boeren wouwen de wacht niet geven, 

Acht, de boeren trokken de wacht. 

Negen, had-de wa(t) langer gezwegen, g'hadt 'nen boterham gekregen ; 

Tien, 'k heb 'ne(n) zot me(t) bellen gezien ; 

Elf, diefke zelf; 

Twelf eene me(t) 'ne(n) grijzen baard : 

Dertien, sch... mostaard; 

(1) Zou men niet zeggen dat het einde ontbreekt? 

(2) Of : Hij is naar Amerika. — Te Rotselaar luidt het leste vers : In 't kapelleke van Wespelaar. 

(3) Te St-Antonius : 

leken, bieken, berken hout. 

Is er iemand wel zoo stout. 

Die zal zeggen dat ik lieg ? 

Willen me eens wedden voor een vlieg. 

Willen me eens wedden voor een vaan. 

Dat er vijfentwintig schrabbekes staan? 



60 « Ons Volksleven. « 



Veertien, sch... wijna(r)zijn ; 

Vijftien, 't zou beter zijn ; 

Zestien, de kopere(n) pot ; 

Zeventien, de deur in 't slot : 

Achttien, de grendel er veur 

Negentien, komt binnen, mascur {= schoonzuster) 

Twintig, de geboterde wafel : 

die de geboterde wafel nie(t) en mag, 

die moet vasten heel den dag ; 

de(n) heele(n) dag is wat te lang, 

de(n) halve(n) dag is wat te kort ; 

gaat dan mee naar moer (= moeder) Van Heurck; 

moer Van Heurck zat achter de bank. 

Ze sch... 'ne(n) str... zes elle(n) lank, 

Zes elle(n) ruim gemeten : 

al die 't leste spelleken hee(f )t, 

die mag er mee van eten. (1) 

De kinderen gebruiken ook n"" 1, 4 en 5 als telsels bij hunne spelen ; N° 3 
wordt gezongen, evenals het volgende : 

7. Een en twintig, twee en twintig ; drij-vier, -vijf-zes en twintig, 
Zeven en twintig, acht en twintig, negen en twintig, dertig, juist ; 
Toujours, rom plom plom, 
Toujours, rom plom plom. 
Wij zien u geren, 
Wij zien u geren ; 
Toujours, rom plom plom, 

Toujours, 
Wij zien u geren, tambour. 

Als 't liêken uit is, dan kan men voortgaan van 31 tot 40, van 41 tot 50 en 
zoo tot 100. 
't Gebeurt wel eens dat de kinderen in hunne liedekes ol telsels een 

(1) Van dat liedeke bestaan er verschillige gedaanten, o. a. : 

a/ Eén brak zijn been, b/ Eén brak de been. 

Twee zette 't aaneen. Twee gong medeen, 

Drij was er bij, Drij kwamp nao mij, 

Vier gong na(ar) Lier, Vier trok nao Lier, 

Vijf sloeg ze' wijf, . Vijf sloeg ze' wijf. 

Zes trok ze' mes. Zes trok ze' mes, 

Zeuven gong na(ar) Leuven, Zeven sfond te beven, 

Acht gong na(ar) Bracht (= Brecht), Acht stond op de wacht, 

Negen kwam i k tegen , Negen kwam i k tegen , 

Tien hem ik gezien, Tien hem ek gezien. 

Elf was 't manneke zelf, Ellef was 'tmenneken zellef, 

Twelf was 't manneke moe zijnen Twelf was de koeikelf. 

[grijzen bokkenbaard ( Werchter). 

(Moogedeeld door den Vlaamxrhen Broederhond, 

Verder kan ik het niet {St Antonius). [Aarschot) 

J. c. 



« Ons Volksleven, r 61 



Fransch woord bezigen, doch 't zal maar zijn om met de taal van «cliez-nous» 
te lachen 
Ziet liever maar : 

8. Ons witte kat = Onze huit et quat(re) 

11 8 4 11 8 4 =23. 

Trouwens, degroote menschen deden immers hetzelfde; wanneer Lode- 
wijk XVIII tijdelijk in Gent kwam verblijven, toen riepen Gentenaars : 

Lowie die zweet = Louis dix - huit. 
X VIII X VIII. 

Een ander liêken op eentonige wijze gezongen, dient om van 20 af aan, 
met 5 te gelijk te tellen. 

9. Rij 'e', rij 'en op een wageltje ; 
20 keeren rij 'en op een wageltje ; 
Rij'e', rij'en op een wageltje, 
25 keeren rij'en op een wageltje ; 

En zoo gaat het tot IOq. 

Moet men nu niet bekennen dat de kinderen aardig met cijfers weten om 
te gaan ? 

Anfwerpen. .1. B. Vervliet. 

GRAPPIGHEID . 

1. De Markt van Sichem. 

't Is onderbleven [oi opgeslagen) gelijk de merld van Sichem. Die vergelijkenis 
wordt niet zelden gebruikt als men van iets spreken wilt dat van te voren 
beraamd en besloten is, b. v. een huwelijk, een verkoop, enz , maar dat door 
onvoorziene omstandigheden onderblijft. Volgens dat men mij vertelt, zou 
die spreuk op het volgende zinspelen : 

De inwoners van de stad Sichem vroegen eens aan de Staten van Brabant 
de toelating van eene merkt te mogen houden. Hun verzoek luidde : 

Wij Edellieden verzoeken aan Ulieden 

Dat gij ons een merkt zoudt doen geschieden. 

Waarop hun echter geantwoord wierd : 

Als Wij zijn Lieden en gij zijt Edellieden, 
Dan zal u nooit geen merkt geschieden. 

2. De Boeren van Ooien. 

De Ooienaars staan bekend voor lompe menschen en men vertelt van hen 
menige vermakelijke grap. Iedereen kent de kluchtige geschiedenis van 
« Keizer Karel en den pot met drij ooren, « doch ik geloof niet dat het vol- 
gende zoo algemeen bekend is. 

a) 't Was gemeenteraad en de schepenen van Ooien zaten zoo dicht bij 
het vuur, dat ze de hitt9 niet meer kosten uitstaan. Ze wisten geenen raad, 
doch op den langen duur lieten zij natte rosschen halen en ten het vuur 
leggen. Zoolang de rosschen vochtig bleven gong alles redelijk, doch pas 
waren zij aan 't branden geraakt, of de hitte wierd onverdraaglijker en 



62 « Ons Volksleven. » 



onze boeren zaten weer in groote verlegenheid. Toen zagen zij dat hond 
van den burgemeester achteruit gong zitten en ze vonden het geraadzaam 
zijn voorbeeld na te volgen. 

h) De kerk van Ooien had 'nen grooten keersdomper gekocht. Hoe dien 
binnengekregen?... De boeren hielden hem keersrecht en wouen hem zoo 
binnenbrengen ; maar lederen keer moesten zij terug want de kerkdeur 
was te laag en de steel van den lomper te lang. Ze waren op het punt den 
ingang van de kerk grooter te kappen, toen zij omhoogkeken en eene musch 
bemerkten die een stroopijlke dwars in beuren bek, in een holleke van den 
muur droeg. Dan eerst was het hun duidelijk, dat ze den domper met zijn 
eind in de kerk moesten steken, 

c) Eens groeide er veel gras op het dak van de kerk een geen middel om 
het er af te krijgen ! Na veel vijven en zessen, hadden de Ooienaars eindelijk 
niets beters gevonden als eene stelling te bouwen en eene koei met een 
zeel op het dak te trekken, om beur het gers te laten afweiden. Nauwelijks 
hong de koei tusschen hemel en eerde, of de arme beest begos^ te spartelen 
tegen de strop die heur verworgde en ze liet heure tong hangen. Toen riep 
daar een boerke : *^ Zie ! ze lekkebaardt al ! » (Kempen.) 

3. Van den H. Antonius en het Verken. 

Daor was iis e waëf (= wijf) en dat had ne schoeëne notenboeëm iin örren 
hof staon, maor der kwamp van ze leven gen enkel noot oêp. Dat had al zoê 
lank geduurd da z'et oêp 't leste böj (= beu) wier en de notenboeëm dee öt- 
kappen. Van de stam liet z' e scheeën beid maoke vör den H. Antonius en 
ze zette dad iin de kêrek en van de stökblok mokte ze 'nen bak vör ör vêre- 
ken. Da was na goed, mor oêp zekere kieër wier da vêreke ziek eh, en 't 
wow oêmmcs gen bakkes ne mer frêten. Tüns goêng ze nao de kêrek, daor 
dat den H, Antonius stiing (= stond) en ze begost te biidden : « Hailigen An- 
tonius, ge wet toch wel da ge den bruur van menne vêrekesbak zaët (=zijt); 
me vêreken iis ziek en 't wiilt niiks ne mer frêten. As ge 't löt (= laat) gene- 
zen, dan belovek oe da ge nog iis wel mee maë (= mij) zult zën, » Mor 't vê- 
reken da wier al zieker en zieker en oêp ne zekere mêreged (= morgen) lag 
et kiiksdoeëd iin ze kot, 

Tüns liep et waëf mee en Franse colère nor de kêrek en ze begost den H. 
Antonius öt te schelle vör al da gemain iis, — « Ziet em daor nau iis staon, » 
zee de heks, « gelak ieëne die gen draë tellen en kan ! — 'k Hem et wel ge- 
doêcht da ge me vêreke zodt laote stêreven 1 Ge hèt van ze léven nie gedeu- 
gen : as g'iin mennen hof stiingt, tün waor-de vör niiks goed en na zèd-de 
nog veule miinder wêêrd, doeën deugeniet da ge daor staot. 

En ieërda ze nor hoüs goêng, gaf ze den H. Antonius zoeë nen daonige 
slag dat he van ze voetstuk toümelde, (i) 

St- Antonius- Breclii . J. CORNELISSEN, 

(1) Om aan sommige stukken de plaatselijke kleur te geven, schrijven wij nu en dan een vertel- 
sel of een liêkeu in den eencn of' den anderen tongslag neer, J. C. 



« Ons Volksleven. " 63 



ONS BOEK- EN BOEKSTAFWEZEN. 

Is het niet te betreuren dat de hedendaagsche geschrevene taal of gelijk 
men ze noemt : de letterkundige taal, zoover afwijkt van de levende taal die 
zoo vrij en zoo los van de lippen des volks vloeit? Ofschoon het tegenwoor- 
dig aan de groote geleerden, op weinige uitzonderingen na, onmogelijk 
schijnt die droeve doodschheid, die koude eenvormigheid uit hun schrijven 
te bannen en de geschrevene taal overeen te brengen met het levend oor- 
beeld : de zuivere Dietsche volksspraak ; zoo staat het nochtans vast, dat er 
vroeger tusschen beiden een nauw verband, ja weinig of geen verschil moet 
bestaan hebben. 

Om hiervan het bewijs te vinden, moet men kennis maken met de oudste 
stukken die in de Dietsche taal opgesteld zijn. Zulks zijn grootendeels al de 
openbare akten die in menigte in de archieven onder het stof verborgen 
liggen. Toch zijn die stukken van voor de XV^ eeuw tamelijk zeldzaam, 
eerstens, omdat zij veelal verloren geraakt zijn en tweedons, omdat men de 
oorkonden, vóór dien tijd, meest in 't Latijn geschreven vindt. 

Wij willen in Ons VoJhdcven van tijd tot tijd, eenige dier oude Dietsche 
akten meedeelen, omdat wij denken onze lezers hierdoor aangenaam te zijn. 

Wij zullen geven wat wij hebben en twijfelen niet, of er zal, hier en daar 
nog menig oud geschrift uit den hoek komen, dat weerd is bekend gemaakt 
te worden en dat al onze aandacht en onze studie verdient, zooals b. v. : 

De Oudste Schepenbrief van Brecht (7t'April 1421.) 

« Wij Jan Nouts van d(e) Putkuypen Godevaert van d(er) Tijd Willem van 
Zantvliet Wout(er) Heylen Wout(er) Aerde Henrix van Tighelt en(de) Gheert 
van d(er; Heyden schepen(en) bi(n)ne(n) Brecht doen cont en (de) kenlyc allen 
lieden die dese(n) brief sellen zien of hore(n) lesen dat voer ons come(n) is 
Wille(m) de Knodder kende en(de) lyde dat hi wittelyc en(de) wel v(er)cocht 
heeft Lysbette(n) Peet(ers') tsgreve(n; docht(er) een v(eer)tel rogs erfelyc en 
jaerlycx pachts te hebbe(n) en(de) te heffen der voerscr(even) Lysbet(ten) of 
hae(re)n witteghe(n) oor of nacomelinghe(n) van Wille(m) den Knodder of 
van sine(n) witteghe(n) oer of nacomelinghe(n) tot alle(n) ons(er) Vrouwe(n) 
daghe Purifiicatio) in cusbare(n) rogghe ghelevert mett(en) rogmate(n) des 
dorps van Brecht op hae(re)n pant. En(de) van des(en) v(eer)tele(n) rogs erfe- 
lyc voorscr(even) so heeft Willem voerscr(even) bewijst zekere pande een goet 
gheheete(n) Zax goet d(aer) Lysb(etten van de(r) Meo(ren) plach te wone(n) 
gheleghe(n) 't Eindove(n) aan die een zide des hee(ren) strate,'die ander zide 
Landuyts goed houdende o(m)trent drie vier(e)ndeel buend(er)s vuyt welke(nj 
goede en ghene(n) voerlderen) co(m)mer vuyt en ghoet dan de(n) Heyle- 
ghe n geest van Brecht een halst(er) rogs erfelyc, den selve(n) eene(n 
halve(n) rynsche(n) gulde(n) er.(deMj- oude gr. erfelyc. Voert alle(n) van 
de(n) twee landshee(ren) van Brecht j. cys d. erfelyc. En(de) w(aer)t dat zake 
dat aan^dezen pant yet ghebrake so heeft gheloeft Jan des voerscr(even) 



« Ons Volksleven. » 64 



Wille(m) Knodders sono der voerscr(even) Lysbet(ten) dat hi dat volvoere(n) 
sal met hem selve(n) en(de) met sine(n) goede dat hi nu heeft of crighe(n) 
mach, hier is altoe gesciet datter mette(n) vo(n)nisse en(de) met rechte scul- 
dich was toe te gescie(de)ne. Arghelist in alle(n) stucken vuytghesproken. 
In ke(n)nisse(n) de(r) w(aer)heyt en(de) om bede(n) wille(n) Wille(m) Knodders 
en(de) Jan sey(n)s zoens iu die een zide en(de) Lysbette(n) Peeters tGsreve(n) 
dochl(er) in die ander zide so hetbe^n) wy Schepen(en) bove(n) ghenoe(m)t 
dese(n) brief ope(n) bezeghelt met onse(n) p(ro)pere(n) ghemeyne(n) zeghele 
vuyihanghende Ghegheve(n) int jaer ons Heer(en) CCCCen(de) XXI op te{n) 
dagh in April. « 

Dat oorspronkelijk stuk d) is op perkament geschreven en ligt in de ar- 
chieven der kerk van Brecht. Het is omtrent o™ 25 lang en o'" 20 breed ; 
onderaan hangt de schepenzegel van Brecht in groen was (Hierover later). 
Uit dezen akt blijkt dat Brecht toen (iu 1421) eene eigene rogge- of koren- 
maat had, om de granen te meten. Ook zien wij er uit dat het dorp onder 
twee landheeren stond die de heerlijkheid bezaten. Bovendien nog is er het 
bestaan van eene Schepenbank van 7 Schepenen en van eene H. Geesttafel 
door vastgesteld. 

Brecht. J. MiCHIELSEN. 

OUDE GEBRUIKEN". 

In vele dorpen der Kempen, o. a. te Brecht, is het de gewoonte dat de ge- 
buren malkander aan de boekweitdorsch komen helpen. 

Aan het huis wordt eene droge plaats gekozen en zuiver gemaakt en 
daarop dorscht men dan de boekweit in de opene lucht. 

's Avonds, bij 't eindigen van 't werk, wordteen der dorschers looi ge- 
maakt. Dat bestaat hierin : Als de leste brei boekweit omgelegd is, pakt 
iedere dorscher naar zijnen vlegel, men begint te dorschen en die de leste 
slag op het strooi slaat, is looi. 

Middelerwij 1 heeft de boerin pannekoeken gebakken en zoodra het dor- 
schen afgeloopen is, brengt de koeiwachter 'nen koekebak naar den zooge- 
naamden looi, die dan de held van den dag is. 

De grootste kunst nu bestaat hierin dat hij den koek geheel opeten kun- 
ne, terwijl zijne gezellen al doen dat mogelijk is om hem zulks te beletten. 
Hij kan niet beter doen als gaan loopen en dan den koekebak gauw opeten, 
in den eenen of den anderen hoek. Geraakt hij den pannekoek kwijt, zooals 
het meermaals gebeurt, dan wordt onze looi geheel den avond als 'nen suk- 
kelaar of 'nen trulleman uitgelachen. 

's Avonds is het fooi en dan zitten al de dorschers rond de tafel aan de 
boekweitkoeken te smullen. 

(Meegedeeld door den heer J. Adriaenssen, Brecht.) 

(1) Al wat tusschen haakjes slaat hebben wij tot verklaring bij tien tekst gevoegd; — in den 
akt zelve is dit door verkortingsteekens aangeduid. 



I 



ONS VOLKSLEVEN. 



Antwerpscli-Brabantsch Tijdschrift 
voor Taal en Volksdichtveerdif^heid , 
voor Oude Gebruiken, Wangeloof kunde, 
enz. In twelfnommers van acM bladz.in 8" 
voor I,ö0 fr. ; 1,25 voor de Heeren Stu- 
denten. 

Te Brecht, 

bij L, Braeckmans. 




« Er is nog een rijke oogst op het veld 
der gewestsprakeu voorhanden; veel 
volksuitdrdkkingen dreigen te verdwij- 
nen die om hunne juistheid, schilder- 
achtigheid of oudheid verdienen in de 
schrifttaai opgenomen en bewaard te 
blijven, u 

Zuid-Nederlandsche Maatschappij 
VAN Taalkunde, Wedstrijd 1874. 

«De studie der folklore heeft voor doel 
ons volk in zijne eigenaardige zeden en 
gewoonten, in zijn innig geloof en karak- 
ter te leeren kennen, in één woord, hei 
volk zooals het is. n 

Yraagboeh over Vlaamsche Volkskunde. 



OUD WANGELOOF. — SAGEN. 
2. Een Soldaat-Heksenmeester. 

Dao was ens ne mensch en dee zen heel huishave was behekst. Na waore 
zen koei ziek, dan stond ze peed kreupel, dan waoren et de kiekes die stie- 
reven of de kindere die de kots kregen ; allo, dao haoperden altijd iet. En 
dat ha zoo nen heelen tijd geduurd en dan zeit de vent : « Ik gen doa toch 
ens en enden aon stelle, kost wa kost ! " Jao, ha liep dao zeker wel bij al de 
toovereers die der zeven uren in de ronde te vinne waore. « Stekt gewed 
zaat (= zout) onder oeven dölleper (= dorpel), » zee den eene.... « haolt 
doodsbeenen oêp 't kerkhof en graoft die kruiswijs onder oe poot (=poort),'» 
zee den andere ;.... da kotten allegaor niks af: de heks die hekste en ze 
bleef heksen. Maor óep e'ne kee kwaome der bij dee boer twee saldaote ligge 
en dao was er zjust eene bij, die zeker wel van gennen duvel zou loopen 
gegaon hemme, zoo kloek was 'em ! Ehwel, dee saldaot dee kreeg ook ken- 
nis van die hekserij. Kermindeschee ! » zeit em, «'k zal dao ne kee ne 
gank mee gaon ! » En ha dee de boer en kees (= keers) koope van ne eens of 
tien en ha kneepte dee med en koor in de scha. « Na sè, » zeit em, «na zel- 
de bedeene wel gaon zien waffer dat de tooveres es ! Let óep ! » En ha stak 
de kees in brand en ha begost er mee en spel in te steke, da ge zodt gezeed 
hemme : allo, wat es't ? — Jaomao, dat duurde nie lank, of dao kwamp e'ne 
vent uit de gebure buiten aosem den huizen in geschoten : « gauw, gauw !•» 
riep em, « want Mie T.. leet oêp störreve ! Ze huilt en ze gaot te wêrek nog 
erger al was ze van den duvel bezete ! >» — « Goed, » zei de saldaot (en ha 
fóempte zen spel nog ens tot aon de kop in de kees), elk óep toer ! Ze heet de 
menschen hie al zoolang geplaogd, ik zal ek ik heur na ewat deuneme. En 
ha moest ze goed deugenomen hemmen, want swend dee kee was ze toch 
óep de boer ze geleg nie mee gekomen, (i) 

Jos. Branders. 
(Meegedeeld in den Ylaamschen Broederbond, te Aarschot). 

(1) IJ en ei = aa — Ui = oa — Scherpl. e = ieë, — Scherpl. o = oeè'. 



66 « Ons Volksleven. » 



3. Van den Misdiener. 

Een kleine misdiener had de gewoonte van zicii onder de mis gedurig 
naar het volk te keeren, om te zien wat er in de kerk achter hem gebeurde. 
Eens dat hij zich weer omdraaide, zag hij op den dorpel van de venster 'nen 
zwarten man zitten die hem eerst kwaadaardig bezag en dan iets in 'nen 
boek schreef. Na de mis vroeg de verschrikte koorknaap uitleg aan den 
Pastoor. Deze gong terug in de kerk en zag den zwarten man ook zitten. 
Hij bevool hem nader te komen en te zeggen wie hij was en wat hij daar 
deed. Dan bekende de man dat hij de duivel was die de zonden van den 
kleine opteekende om later in het oordeel de ziel van den misdiener bij God 
te kunnen beschuldigen. De kleine door die schrikkelijke les geleerd, was 
gansch van zijn gebrek genezen. [Hevcr bij Mechelen). 

4. Met den Duivel gedanst ! 

Te Berchem toont men een huis waar de duivel in persoon geweest is. 
Het was eene groote danszaal. Een meisken had beloofd nooit meer te dan- 
sen. Op zekeren dag wordt zij fel bekoord... zij treedt binnen.... eenzwarte 
heer vraagt heur ten dans... zij danst... Maar als hij gong betalen, zag zij 
dat hij handen had met lang, ruig haar bewassen. De duivel verdwijnt op 
denzelfden oogenblik. 't Meisken is uitgeteerd. 

5. Van den Duivel en de Kaartspelers. 

Te Lubbeek zat er eens in eene herberg een man die fel vloekte, 't Was 
Zondagavond en men speelde met de kaart. Eensklaps komt er een onbe- 
kende binnen, hij speelt mee en vloekt nog harder als de anderen. Opeens 
valt er eene kaart, de vloeker bukt zich onder de tafel om ze op te rapen, 
doch hij laat eenen luiden schreeuw en springt verschrikt recht. Wat had 
hij gezien ?... De vreemdeling die zooeven binnengekomen was, had peerde- 
voeten. Terzelfder tijd zag men iets zwart door de schouw vluchten. De dui- 
vel was weg, maar 't huis bleef vol solferstank, (i) 

6. De Kaboutsrmannekes. 

Sedert lang zijn de Kabouters tot allemans vreugde uit de Kempen 

verhuisd. 

't Was een aardig volkske, die Kaboutermannekes ; ze waren maar 'nen 
duim of twee hoog, ze woonden in 'nen berg in vossenholen en konijnen- 
pijpen en ze kosten tooveren, too veren, dat ge er stom van zoudt gestaan 
hebben. 

Die berg was van binnen heel en gaar hol en sloot langs den eenen kant 
met eene groote poort. Langs die poort brochten zij alles binnen wat zij 
's nachts gongen stelen : kiekens, konijnen, kalver, ja zelfs koeien en ossen. 
Als 't hjn donker wierd, kwamen ze uit hunnen berg en trokken naar eene 
hoef, waar zij alles roofden en plunderden wat onder hunne handen viel. 



(l) Dat staat ook in Welters Limb. Legenden. 
(1) K" 3, 4 eu 5 gezonden door E. H. G. J. 



« Ons Volksleven. " 67 



Het voorzichtigste was ze maar stillekes te laten betijen, warA dorst gij er ii 
tegen verzetten en hadt gij liet hert van ze te willen verjagen, dan kwamen 
die kleine duiveltjes met honderden bijeengekooid,ze klampten zich overal 
aan u vast en ze gaven u zoo'n geweldige taffeling, dat ge u niet meer ver- 
roeren en kost. 

Somwijlen alevel waren zij edelmoedig, want haddet gij de stoutheid van 
hun uwen nood te gaan klagen en hun medelijden in te roepen, nadat ze u 
uitgeplunderd hadden, ze zouden u het gestolene teruggegeven hebben en 
u daarenboven nog eene beurs geld hebben geschonken. 

Nu zijn de Kabouters weg, maar hoe zijn ze verdwenen ? Sommigen ge- 
looven dat de tranen en de klachten van de uitgeplunderden hen ten lan- 
genleste begosten te vervelen en dat zij, om daarvan ontslagen te zijn, 
liever hunne klikken en klakken bijeenscharden en zich elders gongen ves- 
tigen ; anderen meenen dat ze vertrokken zijn, omdat men toen overal de 
beeklok is beginnen te luiden. TurnJwiitsche Kempen. 

7. Alvermannekes en Hussen. 

Te Lubbeek bij Leuven bestaat de Alverherg, waar de zoogenoemde Alver- 
mnnnclccs woonden. Het waren kleine pagadderkes, maar slim !... En too- 
veraars waren zij allen. Als men levers pensen bakte, dan moest men er 
kruisen over maken, of ze vlogen uit de pan recht naar den Alverberg. De 
dwergen deden nochtans niemand kwaad ; als men het een of het ander te 
maken had, dan droeg men het naar hunnen berg en 's anderendaags stond 
het gemaakt op dezelfde plaats terug en 't ging daar nooit meer kapot. Met 
hun daarvoor een brood of zoo iets te geven, waren zij tevreden. Gaf men 
hun voor het maken niets, dan viel het ding seffens in gruizelementen vaneen. 

Bij hen woonden de Hiisscn, kleine vrouwkes die alles voor het huishou- 
den deden, lijk de mannekcs voor het mansgerief. De vrouwkes waren veel 
kwader als de mannen. Wanneer de Hussen 80 jaar oud waren, wierden zij 
levend begraven met een broodje van 5 stuivers. Terwijl men ze in 't graf 
lei, zeide men : « Vertrekt, oud moederke, ge zult in uwe jonkheid weder- 
keeren. r> 

Te Lubbeek zal het kleinste kind u den Alverberg wijzen. Hij is nog altijd 
hol op vele plaatsen, (i) 

Aanmerkingen. Over dat wonder volkske wordt in Limburg het volgende verteld, dat men met 
het bovengemelde gelieve te vergelijken : 

« Tot de dwergen rekent men de aard-, heuvel- of auvermannetjes, ook kabouters, tevens ge- 
noemd klabbers en roodmutsjes, Jan met de roode muts,.... kunstige smeden en mijnwerkers. » 
(Welters Limb. Legenden, 2^^ deel, bl, 25,) 

« In Limburg bewoonden zij de zoogenaamde haagten, d. i. onderaardsche gangen. Zulke be- 
stonden te Geleen, Stein, Echt, Reuver, Brunsum, Hoensbroek, waar men nog een Auverberg en 
Auvermoerbeek heeft, enz. » (Ibid.) 

« In Limburg aan de Maas liggen de bouwvallen van het oude slot Stein. Onder dit slot zijn vele 
gangen die door de aardmannetjes worden bewoond. Zij slapen bij dag en waken bij nacht. 

(1) Opgezonden door E. H, G. J. 



68 « Ons Volksleven. 



Dan loopen zij rond in de huizen om keukengereedschappen te leenen. Zij melken ook de koeien 
en stichten twist onder de dienstboden. Wanneer deze elkander duchtig afranselen, staan zij van 
verre te lachen en verdwijnen weldra in hunne schuilplaatsen (Ecrevisse.) n 

« Te Roggel op den Krekelsberg woonden zij ook.... en kwamen des nachts potten en pannen 
leenen, welke zij vóór den morgen blank geschuurd terugbezorgden. Zij deden niet het minste 
kwaad, als men hen slechts stil liet begaan ; zij hadden niet graag dat men hen aankeek. Men ge- 
looft dat ze verdwenen zijn omdat zij het klokkengelui niet konden verdragen. « 

« Ook zoude het kleine volkje gewoond hebben op den « Pijpersberg » te Halen en bij den 
Bisschop n tusschen Nunhem en Heithuizen. » 

Vroeger vertelde men te Venloo dat de auvermannetjes om 12 ure, wanneer het Angelus geluid 
werd, op het fort Beerendonk ten oosten der stad, achter de groote kerk, uit den grond kwamen 
en dansten. » (Ibid.) 

Men vergelijke nog 'i Daghet in den Oosten, l'' j., bl. 12 ook Volkskunde, 2* j., bl. 89-90. 

JOS. CORNELLISSEN. 



DICHTVEERDIGHEID. 
Rondedansliedekes uit Antwerpen. 

1. En och, wat kan zij dansen, 

En och, wat kan zij schudden met heur g..; 
En och, wat kan zij dansen. 
Gelijk de meisjes van de stad. (1) 

2. Als Jonas in ze'ne walvisch zai 

Van een, twee, drie {of: van eun, deun, drie) ; 
Marchand de parapluies. 

3. Drij boeren, Liske loeren, 
Drij boeren die dansen ; 

Nog e'nen boer, van Liske loer. 
Nog e'nen boer die danste. 

4. Juffrouw zal u leeren. 
Met haar witte kleeren ; 

's Avonds als gij slapen gaat 
En 's morgens als gij opstaat. 

Danst eens, springt eens. 

Juffrouw gaat eens rond 
En kust eens. 

5. Ik heb 'nen meiboom in mijn hand, 
Aan wie zal ik hem geven ? 

Aan mijn dochter Engelengeland, 
Engeland van Leuven. 

Danst eens, 

Springt eens ; 
Juffrouw gaat eens rond 

En kust eens. 

6. Morgen rijdt de reuzewagen, 

reuzewagen, kinderen blij ; 
En dan dragen wij kanten kragen, 

kanten kragen, kleeren van zij ! 



(1) Ook in de Kempen, o. a. te St-Autonius, waar het begint : 

Mieken heef t heur wille kouskes aangedaan... 



« Ons Volksleven. " 69 



Keert u eens om, reuske, reuske, 
Keert u eens om, reuzeblom ! 

Moeder, zet de pap op 't vier, 

de pap op 't vier, de(n) reus is hier ; 
Keert u eens om, reuske, reuske ; 
Keert u eens om, reuzeblom. 

Moeder, steekt den tap in 't vat, 

den tap in 't vat, de(n) reus is zat ; 
Keert u eens om, reuske, reuske ; 
Keert u eens om, reuzeblom. 

7. Mie Katoen, 
Komt morgen noen. 

Me zullen 'nen kaffee koken ; 

Mie Katoen, 
Komt morgen noen. 
Me zullen 'nen kaffee doen. 

En ik de kaffee 
En gij den thee ; 
En die niet komt, 
Die doet niet mee. 

8. Achter de groene boomen, 

Daar leet (= ligt) een Engelsch schip ; 

De Franschman is gekomen, 

Hij is zoo groot als ik ; 

Hij draagt 'nen hoed van pluimen, 

'Nen hoed van perkament ; 

Die d'heele stad zal ruimen 

Van zoo 'nen grooten vent. 

Vergelijkt 'iJDaghef, blz. 80, P j. en bl. 114, 2« j. 

9. Klein, klein kleulergat, 

Wat doe-de gij in mijnen hof? 
Gij plukt er al de bloemekes af, 
Gij maakt het veel te grof. 
Mamake die zal kijven, 
Papake die zal slaan ; 
Klein, klein kleutergat. 
Laat al die bloemekes staan. (1) 

10. Krollenbol ging wandelen, 
Met Mieken op de baan ; 

Hij kocht een pond amandelen, 
Dat stond ons Mieken aan. 
Wat zal ons Mieke geven, 
Voor haren nieuwejaar ? 
Een schoon rond hoedeken 
Op zijn gekroezeld haar. 

J. R. Vervliet. 

(1) Dat hedeken is overal gekend. 



70 « Ons Volksleven. » 



Z-wierebakliedekes. 

1. De klokken die luien mee vieren, mee vijven, 
Al over Liezebeth Lijzen. 
Liezebeth Lijzen was nie' thuis. 
Waar was ze dan ? -- In 't zomerhuis. 
Wa' was ze daar aan 't doen ? — 

— Der haarken ontwaren met twee ivooren kammekes. 
Wat dee' ze met die kammekes? 

— Der haarken ontwaren. 
"Wat dee' ze met die haarkes ? 

— Toomekes vluchten. 

- Wat dee' ze met die toomekes ? 

— 't Pjêreke leien. 

Wat dee' ze met da' pjêreke ? 

— 't Landeken omrijen. 
Wat dee' ze met da' landeke ? 

— Haverken op zaaien. 
Wat dee' ze met dat haverke ? 

— Aan de tikskes geven. 
Wat dee' ze met die tikskes ? 

— Eikes laten leggen. 
Wat dee' ze met die eikes ? 

— Aan 'nen armen man geven. 
Wat heeft die(n) arme man gedaan? 

— 't Schaapke te diep in 't koreke laten gaan. 
Zoo diep gelijk een piep, 

Zoo lang gelijk een plank. 

Geef 'et schaapke 'nen herten (= harden) deurstoot 

Mee kêês en brood, 
En laat het daar mee loopen. 

St-Antonius-Brecht.) 
Men vergelijke dat liêke met H Dagheti. d. O., blz. 158, 2*j. en blz. 11 en 
12, 5" j., alsook met Aarschotsche gedaante : 

Te Rijsel loeien (= luiden) ze al mee vijvenen, 
Ze roepen op uffraa Rijselen. 
Uffraa Rijselen en es nie thoas, 
Wao es ze dan ? Van achter in heur bakhoas. 
Wat doe' ze dao ? 

— Heur haoreken ontwaoren met twee lavooren kammekes. 
Wat doe' ze met dat haoreke ? 

— Korekes (= koordekes) van droa (= draaien). 
Wat doe' ze met da' koreke ? 

— Piëireken inspannen. 
Wat doe' ze met da' piëireke ? 

— Lanneken ómrij . 

Wat doe' ze met da' lanneke ? 

— Koreke óp zoa (= zaaien). 
Wat doe' ze met da' koreke ? 

— Brooikes (= broodjes) van bakken. 
Wat doe' ze met da' brooike ? 

— In sneêkes snij . 



« Ons Volksleven. » 71 



Wat doe' ze met die sneêkes ? 

— In brokskes brokken. 
Wat doe' ze met die bx-okskes ? 

— Aon de tikskes geven. 
Wat doe' ze met dij tikskes ? 

— Laoten eikes leeën. 
Wat dee' ze met die eikes ? 

— Verkoopen, 

Wa' krijgt ze daovan ? 

— Gelleken. 

Wat doe' ze mpt da' gelleke ? 

— Kleekes van koopen. 
Wat doe' ze met dij kleekes ? 

— Draogen totdat ze versleten zèu en dan 

Nao Jan de Voddeman. 
Nog 'nen hètten (= harden) zwikzwak, 
Mee 'nen lesten tiktak. 
Nog 'nen hètten mee 'nen stillen, 
Laöt 'etpiëireke danmaor oatbrillen. 

E. B. 

Voorgedragen in den Vlaamschen Broederhond te Aarschot. 

2. Onder eenen grunen boom 
Daar lag een aardig schip. 
De Franschman was gekomen 
En hij wier(d) zoo geren gezien. 
Hij droeg 'nen hoed vol pluimen, 
Nen hoed vol berkemei. 
De heele stad aan 't ruimen, 
Is dat geen vieze vent ? (1) 

En dan voegen de kinderen daar achter : 

Op eenen Zaterdag, 

De klok sloeg halvertien 

Het Heintjen hief z'n rokskes omhoog 

En 't liet z'n billekes zien. 

Tien, twintig, enz. 

Si-Antonkis-Brecht. 
3. Is het spel bijna ten einde, dan zingen ze : 

Tien of ellef uren, 

't Spelleke zal nie' lang- mer duren. 

Janneke de Keizer, 

Tien pond ijzer 

Tien pond lood : 

Janneke de Keizer is nog nie' dood. 

{md.) 

JOZ. CORNELISSEN. 



(1) Vrglk. met n" 8, bl. 69. 

i 



72 



« Ons Volksleven. * 



GRAPPIGHEID. 
Nog iets over de Boeren van Ooien. 

't Gemeentehuis vati Ooien stond gebouwd, maar er was nog geene deur 
aan. Men belastte iemand naar den timmerman te loopen, opdat deze de 
maat zou komen nemen. Om zeker niet te vergeten wat hij te bestellen had, 
herhaalde onze man onderwege wel duizend keeren : deur, deur, deur. On- 
gelukkig moest hij over eene beek springen en pas stond hij aan den over- 
kant, of hij was het woord vergeten en hij riep spijtig uit : « O ! nu ben ik 
het kwijt ! » — « Zij-de gij iet verloren, -^ vroeg een boer, die daar juist, met 
schup en riek op zijne schouders, kwam aangewandeld. « Wel ja'k » ant- 
woordde onze man, <^ daar seffens had ik het nog en nu ben ik het kwijt ! « 

— « Dan moet het in de beek gevallen zijn, « zeide de boer, « kom, laat ons 
zoeken. » 

Onze twee mannen schieten klonen en zokken uit, plonsen in 't water 
rond en beginnen in het zand te wroeten, de boer met zijne schup en onze 
held met den riek dien de boer hem gegeven had. 't Eerste was natuurlijk 
zooveel gekort als 't leste, totdat eindelijk de lomperik den boer in zijnen 
voet stak. « Ai mai ! « riep deze, schreeuwend van de pijn, ^ 't is er deur ! » 

— « Deur, deur, deur ! « riep de andere juichend uit, «dat is het, dat is het!» 
en hij weg gelijk een pijl uit 'nen boog, terwijl de boer hem met verwon- 
derde oogen stond na te gapen. Joz. Cornelissen. 



LEVENDE SPRAAKKUNST. 
Geslacht der zelfstandige naamwoorden. 



ZELPST. NAAMW. 



CTQ 

t5 td 








'-' (B 


pr'g 


tri- 


CO o 

. CD 


• 


1-1 



ZELFST. NAAMW. 



ocj 




O) 


w 







*-~' 


CD 




PT' 


Cl 


a> 


P-B 1 


c^ 


1 



■<(I> 
o Ei, 



£,0- 



Avontuur, 

Blank {oude munt) 

Bult 

Doolhof 

Getuigenis 

Gordijn 

Haarlok 

Keutel 

Loover 

Mispel 

Mos 

Pantoffel 

Pis 

Scherf 

Schouder 



0. 


V. 


m. 


V. 


m.-v. 


m. 


0. 


m. 


o.-v. 


V. 


o.-v. 


V. 


m. 


V. 


V. 


m. 


v.-o. 


0. 


v.-m. 


V. 


0. 


o.-m. 


V. 


m. 


V. 


m. 


V. 


0. 


m. 


m.-v. 



Sleur 

Splin(s)ter 

Zeever 

Zegel 

Zerk 

Zier 

Zijde (5^00 

Zink 

Zit 

Zool 

Zwaan 

Zwaard (ijan "'t speTi) 

Zwaluw 

Zwavel 

Zweer 



V. 

m, 

V. 

o. 

V. 
V. 
V. 

o. 

V. 
V. 

m. 
o. 

V. 

o. 

V. 



m. 

V. 



m. 



ni. 

m.-o. 
m. 
m. 
m. 
m. 

V. 
V. 

m. 
m. 
m. 



Aanmerkingen. — 1. Bijl en hoor, bijna overal v., zijn o. in Brabant en in 't Z. O. der Ant- 
w^erpsche gouw. Bijstpap is m. op sommige plaatsen, o. a. te Brecht, 

2. Kapruin is v. in de beteekenis 1" van kap, hoofddeksel ; 2'' van bienet (een net dat men voor 
't aangezicht draagt, wanneer men de bieën rooft). Het is in m. in den zin van kroon eens booms, 
of van de afgekapte takken die tot mutserd moeten gebonden worden. J. C. 



ONS VOLKSLEVEN. 



Antwerpsch-Brabantsch Tijdschrift 
voor Taal en Volksdichtveerdigheid , 
voor Oude Gebruiken, Waugeloof kunde, 
enz. In twelfnomniers van acht bladz.in 8° 
voor 1 ,50 fr. ; 1,25 voor de Heeren Stu- 
denten. 

Te B RECHT, 

bij L. Braeckmans. 




« VjT is nogf een rijke oogst op het veld 
der gewestspraken voorhanden; veel 
volksuiidrakkiugen dreigen te verdwij- 
nen die ora hunne juistheid, schilder- 
achtigheid of oudheid verdienen in de 
schrifttaai opgenomen en bewaard te 
blijven. » 

Zuid-Nederlandsche Maatschappij 
VAN Taalkunde. Wedstrijd 1874. 

«De studie der folklore heeftvoor doel 
ons volk in zijne eigenaardige zeden en 
gewoonten, in zijn inniggeloof en karak- 
ter te leeren kennen, in één woord, het 
volk zooals het is. « 

Vraagboeh over Vlaamsche Volkskunde. 



DICHTVEERDIGHEID. 
De Maker van de Bloemen. 

Een rijke Heidensche koning- iiad een eenig dochterke, een lief en bevallig 
maagdeke. 

Op zekeren dag wandelde zij in den hof, en terwijl ze de fijne bloerabla- 
derkes bezag en verrukt bleef staan voor de schoone kleuren die overal 
heure oogen streelden, sprak zij tot heur zelven : 

« Ei ! wat lieve bloemekes, wat schoone kleuren, wat aangename reuk ! 
Wie mag dat toch allemaal gemaakt hebben ?... 't Moet zeker een groote 
kunstenaar, een machtige heer zijn. Mocht ik hem eens kennen ! Ik verliete 
sefifens mijns vaders paleis en 'k volgde hem overal, waar hij ook henen- 
gonge. >..... 

Omtrent middernacht wierd zij gewekt door eene stem, en die stem klonk 
oh ! zoo zoet, zoo zoet als muziek uit den Hemel. « Ik ben de maker van de 
bloemen, « zeide de stem. 

Sefifens stond het koningskind op, deed de venster open en zie ! daar be- 
neden stond een jongeling, schitterende gekleed en glansende van licht. 

« Schoone jongeling » sprak do maagd, « sprak de maagd, « wie zijt gij en 
van waar komt gij ? « 

— i* Schoone maagd, ik ben een koningszoon en ik kom u halen om u als 
mijne bruid in mijns vaders rijk te leiden. « 

— « Zijt gij de maker van de bloemen, schoone jongeling?... Dan geef ik u 
mijn hert en mijne hand, want ik heb u al lang bemind. » 

" Dan moet gij, » zeide de jongeling, « uw vaders rijk verlaten om mij te 
volgen. « 

— " Ik volg u overal waar gij gaan zult, antwoordde het maagdeke. 

En zij gongen verre, heel verre, wel duizend uren wijd. 

— « Nu zegt mij eens, lieve vriend, » sprak de koningsdochter, «waar is 
uw vader zijn koninkrijk ? » 

— « Mijn vaders rijk is hoog hoog boven de eerde; mijn vader is een rijke 



74 « Ons Volksleven, w 



en machtige man : de zon, de maan, de sterren, den al heeft hij gemaakt. » 

— " Is uw vader zoo groot en machtig, wie is dan uwe moeder ? •» 

— « Mijne moeder is eone zuivere maagd en zij is schoener en machtiger 
als al de koninginnen van den heelen wereld. « 

— ii Zegt mij nu ook, lieve vriend, hoe is tocli uwe naam ? » 

— « Mijn naam is Jesus van Nazareth. v 

En ze gongen en ze bleven gaan totdat zij eindelijk aan een klooster 
kwamen. 

— « Hier moet ik afscheod van u nemen, zeide Jesus, « ik ga hier binnen. » 

— « Ach ! begeeft mij toch niet, -^ sprak zij, « of ik zal sterven van verdriet. 
Laat mij hier toch niet alleen. « 

En ze begost droevig te weenen. 

— « Weent niet, lieve maagd, » zeide Jesus, « wacht mij hier. Na korten 
tijd kom ik terug en dan reizen wij voort naar het koninkrijk van mijnen 
vader. « 

Daarop gong hij binnen en 't maagdeke schreide nog menige bittere 
traan. 

De avond viel in en nog was Jesus niet terug. Heur hert sloeg van angst, 
want heur bruidegom was weg en bleef weg. 

Toen klopte zij op de kloosterpoort en riep al weenende : Doet open, 
doet open : mijn bruidegom die is hier binnen, « 

De portiersier kwam voor en vroeg verwonderd : Edele juffrouw, wat is 
er van uwe beliefte en waarom schreit gij zoo bitter ? r, 

— « Acli ! zegt toch aan mijnen bruidegom dat hij terugkome ; \k wacht 
hem al zoo lang ! » 

— « Uw, bruidegom ?... Maar hier is niemand binnen geweest ! » 

— ^ Ach ! hoe kunt gij toch zoo spreken ! Het lesto woord dat hij tot mij 
zeide, was : \k ga hier binnen ; wacht mij hier terug. ^ 

— « Zegt mij, lieve maagd, hoe heet uw bruidegom ? « 

— « Eilaas ! dat en weet ik niet moer ; zijn naam is mij ontvlogen. Mijn 
bruidegom die is zoo sclioon : zijn gezicht blinkt gelijk de zon, zijne oogen 
zijn zoo blauw als de lucht, hij lacht zoo vriendelijk en zoo zoet en zijne stem 
klinkt gelijk muziek in de ooren ■» 

— « Dat de Heer Jesus met u zij, edel maagdeke, uw bruidegom en is hier 
niet binnengekomen. ^ 

— « Ei ! Jesus heet mijn biuidegom ; hij is het dien ik hier verwacht, en 
die mij Ix'loofd heeft mij mijne bruid te maken en in zijn rijk te l)rengen. ^ 

— « Heet hij zoo, dan kan ik hem wel wijzen. Hij is hier goed bekend en 
wij ;illen hebben hem lot buidogom gekozen. Gij behoeft dus niet verder te 
reizen en ge kunt hem hier afwachten, v 

De koningsdochter, verrukt van blijdschap, wierd in het klooster opge- 
nomen ; zij wierd er gedoopt en onlvong er het kloosteikleed. Ze leefde 
maar r(M)ige jaien, want heur herteke vertrandde louter van liefde tot 



« Ons Volksleven. » 75 



beuren goddelijken biiiidegom. 

Toen zij op sterven lag, kwam Jesus terug met eene gansche schaar En- 
gelen en nam heure schoono ziel mee naar den Hemel. 

*■ 

Dezo liefelijke logende, die als eene geurige en kleurige bloem aan den 
aiouden dichterki'ans van ors Dietsch volk prijkt en die zoo luide getuigt 
van den diepen godsdienstzin, het kinderlijk geloof en het trissche dichter- 
lijke gevoel onzer vrome voorvaderen, is zonder twijfel een van de oudste 
christelijke voortbrcn,i^selen onzer h'rische poëzie. 

Een mijner vrienden schreef ze te Turnhout op uit den mond eener oude 
vrouw, die ze in hare jeugd gehoord had van heure moeder, die ook eene 
Turnhoutsche was. 

Dezelfde legende komt voor in Vertelsels van het Vlaanische Volk, door 
Am. Joos, bl. 84, alsook in W. Everts' Geschiedenis der Nedcrlandsche Lette- 
ren. « Zij werd, « zegt de schrijver van lestgenoemd werk, door Tonis Har- 
mansz . van Weslevhoef, in Noord-Holland, wel is waar eerst in de tweede 
helft der XVP eeuw bewerkt; maar zij draagt zoo duidelijk het kenmerk 
der middeleeuwsche poëzie, dat wij ze uiterst geschikt achten om, op dit 
keeipunt onzer geschiedenis en onzer lel teren, als laatste nagalm van die 
dichterlijke tijden te doen dienen. » 

De lezing uit Evens schrijven wij hier letterlijk af: 

" Die Soudaen badde een dochterkyn, Sy sach den jougelingk minnelijck aen, 

Sy was vroech op-ghestandeu, Sy neigde neder ter eerden ; 

Al om te plukken bloemekens Sy boot hem vriendelijck goeden dach, 

In hares vaders waranden Met alsoo grooter eerweerden. 

Sy sach de schoone bloemen aen, « Mijnalderliefste jongelinck schoon, 
Sy dachte in haren sinnen : Van waer komt ghy gheganghen ? 

« Wie mach de maker der bloemen sijn? Een uws gelijck en sach ick noyt 
Dien soudick geerne kinnen. Jn al mijn vaders lauden, n 

« liet moeteen abel kuustenaer sijn, — « Schoon maghet, ick hebbeu lanck bemint, 

Een heer van grooter weerden, Ick wil mijn bruid u noemen : 

l)ie sooveel schoone bloemkes fijn Ick kome al uyt mijn Vaders Rijck ; 

1 'oet spruyten uytter eerden. Ik ben de maker der bloemen. » 

« Ik hebbe hem in mijn herte soo lief. — « Sijt ghy dat, mijn alderliefste lief, 
Mocht ik hem eens aenschouwen ! Kaer u stout mijn verlangheu, 

]k soude laten mijn vaders Rijck, Ick volgh u waer gij henen wilt, 
En geven hem mijn trouwe ! n Soet lief, ik volgh u ganghen. r, 

Des nachts, omtrent der middernacht — « Schoon maghet, soo ghy met mij wilt gaen 

Haer quam een stem te voren ; - Dit lant so moet ghy laten, 

Heer Jesus sijne soete stem Ick kome al uyt mijn Vaders Rijck, 

Haer in den nacht liet hooren. En 't is tot uwer baten. 

Die maghet stont op soo haestelijck, — « M ijn alderliefste jonglinck schoon, 

Sy heeft haer vensterken open gbedaen : U eigene wil ick leven ; 

Sy sach eenen schoonen jongelinck Ick volgh u uyt mijn vaders Rijck ; 

Wel blinckend voor haer staen. Mijn trouwe sal ick u gheven. n 



76 



« Ons Volksleven. « 



Hy nam het maegdelijn byder handt, 

Hy leidese al soe verre, 
Wel seven duysent mijlen lanck, 

Al over dal en berghen. 
Sy spraken soo menich vriendelijck woort, 

Al reisende voort te samen. 
« Nu secht my, edel jongelinck schoon, 

Hoe is doch uwen name ? » 

— « Mijn naem die is soo wonderlijck 

En wonderlijck ghegeven : 
Al in mijn Vaders Koninckrijck 

Staet hy seer hoogh gheschreven. 

« Schoon maghet, dient my met herten reyn 

Gheeft my u trouwe alleene — 
Soo sy mijn naem u dan bekent : 

Jesus van Nasarene. « 

Sy spraken zoo menich vriendelijck woort 

Al reisende voort te samen. 
« Nu secht my, edel jongelinck schoon, 

Hoe is u vaders name ? » 

— « M}jn vader is soo rijcken man, 

Sijn macht gaet al soo verre ; 
Hemel en aerde heeft hy gemaeckt 

De son, de maen, de sterren. 
« Hemel en aerde en alle goet 

Van Hem is 't al ghekomen ; 
Tien hondert duysent Engelen schoon 

Staen altijt lot sijnen loven, n 
— « Sijtghy een Koninckskint, mijn lief, 

Ende al soo rijck van goederen, 
En secht my, edel jongelinck schoon. 

Wie isser uw^e moeder ? « 
— « Mijn Moeder is soo reine maeght : 

Van haer soo staet gheschreven, 
Dat sy my op de werelt bracht. 

En toch is maeght ghebleven. ^ 
— « O alderliefste jongelinck schoon, 

Ie heb soo groot verlanghen 
Na uwes Vaders Koninckrijck ! 

Laet ons daer binnen gangen ! « 

— « Schoon maghet, dient my met herten reyn, 

Dat rijck zal ick u gheven, 
Ghy sult daer eeuwich by my zijn, 

In groote vreugde leven, n 

Sy ginghen eenen zoo langhen wegh 

Al over die groene heyden, 
Sy quamen aen een kloosterken 

En Jesus woude toen scheyden. 



Hy nam de maghet byder handt, 

En sprack met soeten sinnen : 
Oorloff, schoon maghet, verbeyt my hier, 

Ick moet nu gaen hier binnen. 
Heer Jesus is van haer ghegaen : 

Die maghet hem verbeyde ; 
Sy weende zoo menigen natten traen 

Dat Jesus was gescheiden. 

En toen dien dagh ten avont quam, 

Sy hadde so groot verlanghen. 
Om weer haer lief te mogheu sien : 

Hy bleef enwech soo langhe. 

Sy clopte doen aen de clooster poort, 

Sy clopte met droeven sinnen : 
— « Doet op, doet op, doet op de poort. 

Mijn lief, die is hier binnen, n 

Die poorte werd haer openghedaen ; 

De portier quam daer voren ; 
Hy sach die maghet voor hem staen, 

Soo schoon en hooggheboren. 

« Secht my, schoon maghet, wat ghy begeert ; 

Hoe komt ghy hier alleene ? 
Secht my, schoon maghet, wat ghy begeert, 

Waerom soo meught ghy weeuen? « 
— « Och Vader, mijn lief die ick bemin. 

Die is my hier ontganghen ; 
Gaet, secht hem dat hy weder komt !... 

Ick beyde hem al soo langhe ! n 
— « Schoon maghet, u lief en is hier niet 

'k En hebbe hem niet vernomen ; 
Voorwaer, hy is hier niet bekent, 

Hy en is hier niet ghekomen ! » 

— « Och Vader, hoe meugt ghy seggen dat ? 
Mijn lief dien ick beminne. 

Dat laatste woort dat hy my sprack... 

Hy seide, hy ginck hier binnen. « 
— « Seght my, schoon maghet, hoe hiet u lief, 

Daer ghy my komt van spreken? » 

— « Eilaeschen, dat en weet ick niet : 
Sijn naem is my vergheten. 

»« Hy is soo wonderlycken schoon, 

Sijn Rijck staet alsoo verre, 
Hy is gekleet met blauw lazuer, 
Beset met gulden sterren ; 

« Syn aensicht blinckt van 't reinste wit, 

Ghelijck de lelie schoone ; 
Sijn mont, syn wanghen sijn soo roodt 

Ghelijck de roos ydoone. 



I 



« Ons Volksleven. « "^T 



« Sijn ooghen staen soo vriendelijck, « De Heere Jesus sy met u ! 

Hy is soo soet van sprake ! Soo is gheen man hier binnen. « 

Hy quam al uyt sijn vaders Rijck, — « Ja, Jesus hiet mijn soete lief, 

Om my sijn bruidt te maken. Hy is 't dien ick beminne. » 

« Sijn hayr dat blinckt van verwe schoon — « Is dat sijn naem, ghelijck ghy segt, 

Als waer het roode gouden : Dan kan ick hem u wijsen. 

Hy is mijn alderliefste lief; Hy is hier binnen wel bekent, 

Hy heeft mijn hert en trouwe ! n Ghy moet niet voorder reisen. » 

— « Schoon maghet, is u lief soo schoon, De jonckvrouw werd in 't huys ontfaen. 

En al soo hoogh ghepresen, Sy ghinck er christelijck leven ; 

Al waer hy uyt des Hemels throon Sy is gehedoopt en is een maeght 

Hy mocht niet beter wesen Om Jesus wille ghebleven. 

Een heeft dit liedeken ghedicht. 
Dien God moet gracie gheven, 
Dat hy des Soudaens dochterken 
Ontmoet in 't eeuwig leven, r, 

Dat lied wiord vroeger, en misschien nu nog, te Zoersel gezongen. Een 
vrouw, in dat dorp geboren, verzekerde mij dat zij hot in hare jeugd zeer 
goed kende, Joz. Cornelissen. 

OUDE GEBRUIKEN. 
Het Hanekappen. 

Over eenige jaren was de »• Ranekaiiiiersguld n en het hanekappen nog in 
vollen bloei te Sint-Antonius. Nu is dat gebruik, 'k en weet niet uit welke 
oorzaak, te niet gegaan. 

Met Vastenavond vergaderden de gildebroêrs, leiden ondereen wat geld 

uiten kochten 'nen haan, 

Triomphantelijk droegen zo het slachtoffer in eene kevie naar de folter- 
plaats, alwaar de heul een soort van berijmd sermoon aflas, waar ik mij den 
inhoud niet meer van herinner. Vervolgens trok hij den bek van den haan 
open en stak hem met een scherp m^esken in de keel, zoodat het arme dier 

seffens doodbloedde. 

Dan bond men den haan in 'nen smallen korf die van onder eene opening 
had waar de kop doorstak ; en men hong hem aan een zoel, tusschen twee 
boomen gespannen. 

Onder het zeel stond een karrewiel gesteld, waarover eene leer gebonden 
lag. Overhand namen twee man, gewapend met houten sabels, op de uit- 
einden van de leer plaats en kapten woedend naar den hanekop, terwijl men 
het wiel snel ronddraaien deed. 

Die den kop afkapte was Koning en kreeg in die hoedanigheid 'nen lan- 
gen mantel om zijne schouders, 'nen hoogen hoed op den kop, 'nen sabel 
aan zijne zijde en een eereteeken op de borst. 

Fier als een pauw stapte de Ëoning, omringd van de Hanekappers, eene 
herberg binnen, waar te zijner eero een feestmaal opgedischt wierd. De ge- 
slachte haan maakte natuurlijk het voornaamste gerecht uit. 

Is het hanekappen ievers nog in voege, of wordt er ergens nog de gans 
gereden ? Joz. Cornelissen. 



78 « Ons Volksleven. » 



Baadsels. 

33. Daar is iet : 'l Laken kunt ge niet vouwen, 
Den appel kunt ge niet schellen , 
En 't geld kunt ge niet tellen. 

Ant\v. — Dclocht, de maan en de sterren. - Vrglk. Am. Joos, blz. 33. 

34. Onderwege Roomen 
staan zeven boomen ; 

't Zijn geen eiken of geen esschen; 

Ge zult het niet raden, al waart ge gezessen. 

Aiitw. — Dezeven dagen der week — Vrglk. Am. Joos, blz. 34. 

35. 't Is een plank 
Van Gods dank ; 

't Is geen eiken of 't is geen esschen ; 

Ge zult het niet i'aden, al waart ge met zessen. 

Antw. — HeL ijs. — Vrglk, Am Joos, blz. 37. 

36. Op de groote mart = de grond. 

Daar staan twee staken ; = twee beenen. 

Op di? staken staat een ton = de romp. 

Op die ton daar staat een bol = het hoofd ; 

In dien bol daar zijn twee lichtjes == twee oogen ; 

Boven die lichtjes is een bosch = het haar. 

En daar loopen al de varkens inlos=de luizen. 

Anlw. — Een mensch met luizen op zijn hoofd.— Vrglk. Am. Joos, blz. 40. 

37. Daar waren twee hooge geleerden 
En die maakten daar een kapken 
Van honderd duizend lapkes. 

Antw. — Twee schaliedekkers op een dak. — Vrglk. Am. Joos, blz. 41. 

38. Daar staat een manneken in het hout, 
En het spreekt zoo stout 

Dat het niemand darft (= durft) antwoorden. 

Antw. — De predikant. — Vrglk. Am. Joos. blz. 42 

39. Er is iet : 't Drinkt zijn bloed 

En 't vreet zijn darmen. 

Aijtw. — Do lamp. — Vrglk. Am. Joos, blz. 45 en 46. 

40. Er is iet in huis, 

't Is grooter als een luis, 
En kleinder als een muis, 
En der zijn meer vensters in 
Als in het Oostersch huis. 

Antw. — Een vingeiiioed. — Vrglk. Am. Joos, blz. 46. 

4L Wat wordt er gedooi)t 
En leeft toch niet ? 

Antw. — Eene klok. — Vrglk. Am. Joos, blz. 52. 

42. Ne lange, lange zwikzwak, 
Ke korte, korten dikzak, 
Vier roozekransen 
En twee poppen die dansen. 



« Ons Volksleven. » 79 



Antw. — Een oude brouwerswagen, eeno ton, vier wielen on twee ijzeren 
bouten (met koppen onder en boven) die aan de uiteinden van den wagen, 
weerszijden in een gat, bij den minsten schok hingen te rammelen. — 

Vrglk- Volk en Taaf, 1889, blz. 75. 

43. Daar waren vier gelijken 

Ze vlogen over een koningshof 
En ze zagen hun eigen goed 
Branden in 'nen koperen hoed. 

Antw. — De bieën. —Vrglk. Ons VolMeven, blz. 7. 

44. Hieterpotieter sprong over den oven; 
Hieterpotieter kost er niet over ; 
Hieterpotieter sprong in 't riet, 
Hieterpotieter verdronk nog niet. 

Antw. — Een vorsch. - Vrglk. Am. Joos, blz. Go, 't Daghet, 1887, blz. 57. 

45. Als ik jong was en schoon, 

Droeg ik op mijn hoofd eene blauwe ki'oon ; 
Als ik ouder wierd en stijf 
Kreeg ik slagen op mijn lijf; 
'k Wierd gerukt, geplukt en geslagen, 
En verders van koningen en prinsen gedragen . 

Ant. — Het vlas. — Vi-glk. Am. Joos, blz. 67 en v. 

46. Sint Job 

Met zijnen rooien kop 
Met zijn steenen hart. 
En zijnen gruuen stjart (=steert). 

Antw. — De kers ol de kriek. — Vrglk. Am. Joos, blz. 09. 

47. Daar waren vier genichtjes, 
Ze sliepen samen in één kistje ; 
Ze sliepen paar aan paar ; 

Ge zult het met raden, al waart g'honderd jaar. 

Antw. — Eene noot. — Vrglk. 'f BagJief, 1887, 56 en Am. Joos, blz. 71. 

48. Drolleken drij 
Liep over d'hei ; 

Daar kwamen di'ij landsheeren 

En ze kosten drolleken drij niet keeren. 

Antw. — De hagel, gevolgd van sneeuw, regen en wind. — Vrglk. 7 Da- 
glict, blz. 128 en Am. Joos, blz. 76. 

49 Haar haar had haar, 
Haar haar vond haar. 
Haar haar had eenen ring 
Daar haar haar doorging. 

Antw. — De kat die do muis vindt en opeet. — Vrglk. '/ Daghcf, 1887, blz. 
8 en Am Joos, blz. 76. 

50 Worm der aarde, wat doet gij hier? 

— De heer van hierboven die zendt mij hier. 
Dat 'k u eens pakte, wat zoudt gij zeggen ? 
De Heer van hierboven die zou u wel hebben. 



80 « Ons Volksleven. ^ 



Antw. — Visch en pier. — Vrglk. Ons Volksleven, blz. 7. 

51. 't Een zei : 'k Wou dat 't dag was ; 

't Ander zei •. 'k Wou dat 't nacht was ; 

't roerde zei : 'k Moet er niet naar verlangen , 

Want ik moet toch altijd hangen. 

Aiitw. — Het bed, de stoel en de haal of schoiiwketing. (i) — Vrglk. Am. 
Joos, blz. 79; VolJcskimdc, 1888, blz. 19. 

52. « Hoop ende Vrees » zat op 'neu wagen 
En zag tweebeenen zonder-beenen 

De locht in dragen. 

Antw, — Een veroordeelde die naar de straf plaats gevoerd wiord, zag 'nen 
ooievaar met 'nen vorsch in zijnen bek omhoog vliegen. — Ook : Eene 
meeuw met een vischken in den bek. — Vrglk. Am. Joos, blz. 79. 

53. Tweebeen lei eenbeen op drijbeen ;» 

Vierbeen kwam 
Die eenbeen van drijbeen wegnam ; 

En tweebeen was gram 
Omdat vierbeen eenbeen van drijbeen wegnam. 

Antw. — Tweebeen = beenhouwer; eenbeen == ossepoot; drijbeen = kap- 
blok ; vierbeen = hond. — Vrglk. Am. Joos, blz. 80 en Volk en Taal, 1889, 
blz. 5, 

54. Een houten sleutel, 
Een waterslot ; 

De hazen er deur 
En de jagers in 't kot. 

Antw. — Mozes en zijne roede en Pharao die de Israëlieten door de Roode 
Zee vervolgt. — Vrglk. Am. Joos, blz. 74. 

55. De(n) eter heeft eten voortgebrocht 
En uit den vinnige is zoet gekomen. 

Antw. — Samson die eenen leeuw gedood had, vond later honing in den 
muil. — Vrglk. Am. Joos, blz. 74. 

56. Waar ik kwam, 

Waar ik zeven levenden uit éenen doode nam ; 
Drij waren er van vrij 
Raadt, raadt en zeg het mij. 

Antw. — Een man kwam op 't galgeveld en zag er 'nen misdadiger aan 
de galg hangen. De mond van den gehangene stond wijd o^en en de mus- 
schen hadden er hunnen nest in gemaakt. De man vong vier musschen en 
drij gingen er vliegen. — Vrglk. Am. Joos, blz. 83. 

57. Wat is er in don hemel dat van menschenhanden gemaakt is ? 
Antw. — De vijf bloedigewonden van Ons Heer. — Vrglk. ^w.Jöos, blz. 83. 

58. Reizen : Niet te voet of niet te peerd ; niet naakt of niet gekleed en op 
geenen weg. 

Antw. —Op 'nen ezel gezeten en meteen vischnet omhangen, rijdt men 
nevens den weg. — Vrglk. Am. Joos, blz, 89. 

Antwerpen. J. B. Vervliet 



(1) Elders : bed, stoel en beddegordijnen. 



i 



ONS VOLKSLEVEN 



Autwerpsch-Brabaiitsch Tijdschrift 
voor Taal en Volksdichtveerdio;heiil , 
voor Oude Gebruiken, Wangeloof kunde, 
enz. In tiL'el^'nommen van acMbladz.vi 8'^ 
voor t,iJOfr.; L2Sfi\ voor de Heeren Stu- 
denten. 

Te Brecht, 

bij Ij. Braeckmans. 




« Er is nog een rijke oogst op het veld 
der gewestspraken voorhanden; veel 
volksuitdrakkingen dreigen te verdwij- 
nen die om hunne juistheid, schilder- 
achtiofheid of oudheid verdienen in de 
schrifttaai opgenomen en bewaard te 
blijven, » 

Zuid-Nedeelandsche Maatschappij 
VAK Taalkunde, Wedstrijd 1874. 

« De studie der folklore heeft voor doel 
ons volk in zijne eigenaardige zeden en 
gewoonten, in zijn innig geloof en karak- 
ter te leeren kennen, in één woord, het 
volk zooals het is. » 

Vraagboeh over Vlaamsche Volkskunde. 



BIJDRAGE TOT DEN DIETSCHEN TAALSCHAT. 
4<ie Woordenzange. 

Batsen, hatste, lieh gehafst. — Een spel waarbij de kinderen malkander 
doffen op den rug geven. Z. JBaftercn. 

Batteren, haiterdc, hel gchuücrd. — P Botsen, botteren ; vandaar gcbaiter 
= gebots, gebotter. 2" Luidruchtig slaan : wie is daar op de deur aan 't lat- 
fcren ? 3° (Overdr.) spannen, een leven zijn : 't Zal daar niet weinig hattercn. 

Batsen en batteren zijn uitbouw van batten [=hottcn, d. i. stooten). Batteren 
is dus een echt Dietsch woord en komt geenszins van het Fr. battre. De 
Franschen integendeel maakten hun battre van ons batten. 

Bezou, het. — Besef, bewustzijn, handeling, goede manier van doen. Gij 
hebt nievers geen bezou van. Vandaar onbczoiiwiq = zonder bezou : onbezou- 
wig werken. Bij Hooft bezof; bij Schuerm. bewijs (Brab.), beivoud (Antw. stad) 
en besei (Limb.). 

Botten, botte, heb gebot. — Bonken, omhoogkaatsen. (Zoo ook bij Schuerm.) 
Bij Kiliaen heeft het den zin van stooten, evenals bij De Bo die butten 
schrijft. 

Botten is het grondwoord van botsen en van botteren. 

Botteren, botferde, heb gebotterd. — Botsen, rommelen, dof daveren. Van- 
daar gebotter = gebots, dof gedaver. 

Botteren is uitgebouwd van botten, dat hetzelfde is als batten. 

Geboerte, het. — Boeren. In dat dorp woont weinig geboerte. 

Gebrouwte, het. — Brouivsel in de M^oordenboeken ; bromvte in Vlaande- 
ren. 

Gevee, het. — Vee, al de dieren die een boer bezit, samengenomen. 

Gewijs. — Gewijs zijn (altijd ontkennend). — Gelijken. Ge zijt geenen 
mensch meer 5rew;y5. Dat is geen brood gewijs. D. i. : Gij gelijkt geenen 
mensch meer. Dat trekt op geen b^-ood. 

Hoft (uitspr. met korte ot), de.— Homp, groot stuk. Eene hoft brood, 
vleesch, enz. Hot geijkte woord is hacht. F en ch vóór de / op het einde der 



82 « Ons Volksleven. " 



stammpii, zijn wisselletters ; dus hoft = hocht, hacht. Vrg-lk. gracht = gralt 
van graven ; trechter = trefter; lucht = Hgd. Luft, enz. 

Kiebe, (Zü», kiebeke, /(e/. — Kalfken in de kindertaal. Schuerm. heeft 
luh, JcrMc = het kind dat men het liefste ziet, en denkt dat dit w. misschien 
verwant is met Jcip, hppe = kieken. 

Bij Kiliaen beteekent Jïeh, l-ehbcJce en kah, Mhbelce, jong verken, iwrcellus. 

Naarraad. — Volgens, in evenredigheid. Fr. a l/avenant. De basterdvla- 
mingen zeggen navenant. Het koren is niet lang gewassen, naarraad dat het 
hard gemest is. 

Onbezouwig. — Z. Bezou. 

Plicht, de. — Schuld. Ik heb daar geene ylicht in. 't Is een goed w. ;plich- 
tifl is er van afgeleid. 

Rouwever, r/e^?. — Een slach van fijne magere haver, die goed in de 
zandige gronden der Kempen tiert. In 't Z. O. der Antwerpsche gouw en in 
Limburg, cvie (de). 

Schorzelen (uitspr. schörseUn), schorzelde, heeft geschorzeld. — Een wei- 
nig vriezen. Het heeft dezen nacht qeschorzeld (N. der Kempen). 

Steil. — Strak, sterlings. Iemand steil bezien. Sieü zal wel hetzelfde w. 
zijn als het Westvlaamsche staal dat, volgens Schuerm. staat voor staar of 
star, wortel van staren, starling of sterlings bezien. 

^ wisselt somwijlen met e/. Vrglk. dwaal = diveil; plaaster = pleister; 
falen = feilen. 

Stenger, den. — Aankomende boereknecht. 

Uitschooten, scliootte uit, heb uitgesclioot. — Zuiveren, uitschudden, spre- 
keiide van strooi. Men neemt 'nen lossen bosterd met de aren bijeen, en men 
schudt er de geschonden pijlen en het onkruid uit. 

Gcschoot strooi is strooi dat op de voorzeide wijze gezuiverd is. 

Versutselen, versutselde, benvcrsutseld. — Oiithutst, verduizeld, uit zijn 
lood geslagen zijn. Hij stond daar zoo versutsehl, dat hij niet en wist wat hij 
deed, d. i. verlegen, betetterd, bestaan. 

St-Antünins-J!recht. Joz. CORNELISSEN. 



DICHTVEERDIGHEID. 
4. Het Manneke van Hippelipip. 

Er was eens een koning en die had drij zonen. De twee oudste waren wijs, 
maar de jongste was zot; zoo scheen het tenminste toch. Nu, die koning 
liad 'nen grooten, schoonen hof en in dien hol stonden twee kostelijke hoo- 
rnen ; op den eersten boom groeiden er gouden appels en op den andere 
gouden peren. 

De koning was er niet weinig her op, gelijk ge wel denken kunt. 

Alle dagen wandelde hij in den hof rond, en dan bezag hij ze van onder 
U)i boven. 



« Ons Volksleven. « 83 



Dat was me goed. Maar op 'nen keer dat de koning naar zijne boomen 
zien kwam, stond hij als van den donder geslagen. 

Een heel hoopen appelen en peren waren afgeplokken, en op den grond 
lagen er nog twee. 

Als hij tot zijne zinnen kwam, wierd hij zoo kwaad als een huis en hij 
ging het tegen zijne zonen vertellen. 

De oudste zei : " Dat is niets, vader; \ zal ik den dief wel pakken. " 

— En hoe gaat ge dat doen, jongen ? «vroeg de koning. — «Laat me 
maar begaan, r. zei de zoon, « niet langer als dezen nacht ga ik er op af. r, 

Dat was me goed. Als het avond wierd, nam de oudste zoon zijn zweerd 
en hij trok den hof in. 

Heelegaar ten einde stond er een huiske. Daar gong hij zich versteken 
met zijn zweerd in zijne vuist, — meer uit voorzichtigheid als voor wat 
anders — , en van daar loerde hij alles af, wat er in den hof omging. 

Als 't nu twelf ure sloeg, dan hoorde hij eene stem die riep : « Hippelipip, 
hippelipip, hippelipip ! » 

Terzelfder tijd zag hij eene schaduwe bewegen, doch eerdat hij er bij was, 
liet die schaduw 'nen zucht die hem zijnen asem afsneed, en hij viel mors- 
dood op den grond. 

Ondertusschen had de koning van den ganschen nacht geene oog kunnen 
toedoen en wanneer hij nu 's morgens, vóór dag en dauw, in den hof kwam 
zien, toen vond hij zijnen zoon daar liggen, dood gelijk een pier, en op den 
hoop toe, waren zijne boomen half kaal geplokken. 

Als hij dat zag, hadde hij wel willen grijzen gelijk een kind ; maar ge 
begrijpt, een koning mag niet doen gelijk een ander, en daarom hield hij 
zich goed struisch. 

Seffens gong hij naar huis en hij vertelde aan zijne twee zonen wat er in 
den hof gebeurd was. 

Daarop zei de tweede zoon : « Dezen nacht ga ik op wacht staan, en 'k zal 
ik den dief wel krijgen. » 

— « Ja maar, jongen, » zei de koning, « als ze u ook maar niet kapot en 
maken, want dan heb ik niemand meer als uw broer, en dat is een zot. » 

— « Geen nood, vader, » zei de zoon, " 'k zal wel goed uit mijne oogen 
zien, en als 't God belieft, zult ge morgen vroeg nieuws hebben. ^ 

Zoo gezeid, zoo gedaan, 's Avonds nam de tweede zoon zijn zweerd en hij 
ging er mee den hof in. 

Daar was geene middel om zich te verbergen als in 't huisken, en hij 
trok er binnen. Als hij lang genoeg gewacht had, sloeg het twelf ure. Toen 
hij zijne oog voor de deurspleet lei, zag hij iets bewegen dat vooruitkwam 
en te gelijker tijd hoorde hij eene stem roepen : « Hippelipip, hippelipip, 
hippelipip ! » 

" Daar is de dief, " dacht hij. 

Hij springt het huisken uit, maar eerdat hij iets doen kost, kwam er een 



84 « Ons Volksleven. » 



zucht gelijk een wind, die hem zijnen asem afsneed en roef ! hij lag dood ! 

's Anderendaags 's morgens vond de koning hem daar liggen, morsdood 
en al zoo stijf als eene plank. 

De dieven hadden weer aan 't plukken geweest, want er schoot geene 
handvol gouden fruit meer over. 

De koning was om zot te worden. Van wanhoop greep hij naar zijnen kop 
en hij zou zijn haar wel uitgetrokken hebben, hadde hij niet kaal geweest. 

Juist kwam- zijn derde zoon zien, hoedat het spel was afgeloopen, maar 
toen hij zag dat zijn andere broeder er ook hel leven bij ingeschoten had, 
zei hij tot den koning : « Vader, mag ik dezen nacht eens waken ?... 'k Ben 
zeker dat ik den dief zal klissen. « 

— « Och ! wat kun-de gij doen, m zei de koning, " gij onnoozele zot ! Is het 
al niet erg genoeg dat uwe twee broers dood zijn ? -> 

— « Zeker, r> zei de zot, « maar die u besteelt, besteelt mij ; en de gouden 
appelen en peren wil ik terughebben. » 

— « Allo dan, j' zei de koning, « doet uwe goesting maar, doch pas op dat 
ge niet vaart gelijk uwe broeders. " 

Daarmee gong de koning er van door. 

Als de zot nu alleen was, zag hij eens goed rond. « Geen middel, y> zeide 
hij, om mij te bestoppen. Doch wacht een beetje » 

Seffens riep hij den timmerman en die moest een houten huiske maken, 
zoo een kabaantje met vier glazen deuren, langs eiken kant eene. 

Eerdat het avond was, stond het huizeke klaar en 't sloot zoo dicht, dat 
er geen zucht binnenkost. 

Als 't tijd wris, kwam de zot af en hij ging in zijn huiske zitten. Hij had 
zijn zweerd meegebrocht en dat zette hij in 'nen hoek. — « 'k Zit hier goed, r, 
docht hij in zijn eigen, « warm en droog, en daarbij, ik kan al zien wat er 
in den hof omgaat. Laat ze nu maar komen. « 

Juist sloeg het twelf ure, en hij hoorde eene stem die riep : " Hippelipip, 
hippelipip, hippelipip. « 

— « Wacht een beetje r», dacht de zot, « 'k zal ik u hippelipippen ! « 

Daar ziet hij een klein manneken gfkomen, maar zoo klein eh, zoo klein 
als een kaboutermanneke. En waarachtig, het was er een ! 

" Laat dat manneke maar komen, » docht de zot. 

Nu, dat manneke droeg 'nen heelen langen baard, wel van tachtig ellen 
lang. 

Terwijl het op den boom aftrekt, heeft de zot stillekes zijn zweerd gepakt 
en roef ! hij gooit do deur open en hij kapt, met éénen slag, het manneke 
wel zeventig ellen baard af. 

Als 't manneke voelde dat zijn baard doorgekapt was, begost het te ker- 
men en 't viel op zijne knieën voor den zot en 't vroeg vergiffenis. 

Maar de zot die niet lui gevallen was, scharde het manneken in zijnen nek 
en hij gaf het eene goede schudding. 



« Ons Volksleven. ^ 85 



«• Nu heb ik u eh, dief, dobbcle dief, » zei hij tegen het manneke, « maar 
uw leven is er aan, als ge niel gauw zegr, waardat ge met mijne gouden 
appelen en mijne gouden peren gebleven zijt. ^ 

En terwijlen kreeg het manneke weeral eene schudding, dat het bloed 
langs alle kanten op den grond sprinkelde. 

^« Wat beteekent dat ? » vroeg de zot. 

— « Dat is de kracht, daar ik uwe broers mee doodgeslagen hob, -^ zei het 
manneken. En daarop viel het in onmacht. 

« 'k Zal u morgen wel vinden, ^ docht de zot in zijn eigen, en hij naar 
huis ! 's Anderendaags 's morgens ging hij al vroeg zijnen vader den koning 
wakker maken. Ge kunt denken hoe blij die was, zijnen lesten zoon levend 
te zien. De zot vertelde hem wat er gebeurd was en ze gingen samen den 
hof in. Daar vonden ze 'nen heelen grooten plas bloed aan den voet van den 
boom liggen, maar 't manneke was degateji uit. 

« Wat nu gedaan? -^ vroeg de koning; « nu is de dief wel gestraft, maar 
we hebben toch onze gouden appelen en peren nog niet terug. 

— « Zie, « zei de zot, « dat bloed gaat voort, » 'k ga het volgen, en zoo zal 
ik den dief wel terugvinden. 

Als hij nu lang genoeg gegaan had, kwam hij aan 'nen grooten kuil en 
voor de deur lag ook een groote bloedplas. 

« Hier is 't, ^ zei de zot, en hij klopte met zijn zweerd op de deur. 

't Manneke met zijnen afgekapton baard kw^am zelf voor. Ge kunt denken 
hoedat het verschoot, als het den zot zag. De zot greep het bij zijnen kraag 
en vroeg hem zijn gouden fruit terug. 

— * 'kZal het u altegaar weergeven, » kermde het manneke, « maar laat 
me toch leven, mijnheerke lief ! « 

— « Goed, « zei de zot, « brengt me dan maar in uwen provisiekelder, >» 
maar hij was toch zoo slim, het manneke niei los te laten. 

Ze kwamen in de stad van de kaboutermannekes, en dat was daar zoo 
licht, zoo licht als in 'nen hemel. Al dat ge zaagt was klaar kristal; in één 
woord, 't was een glazen berg. 

Nadat het manneken al de gouden appelen en peren teruggegeven had, 
beloofde de zot dat hij hem gerust zou laten en nooit geen kwaad zou doen. 
Alles was vergeten en vergeven. 

Als de Kaboutermaimekes dat hoorden, viel ereen pak van hun hert en 
daar ze juist hunnen koning begraven hadden, vroegen ze aan den zot of 
hij koning van 't Kabouterland wilde worden. 

De zot was tevreden en hij wierd koning over de Kabouters. 

Seffens liaalden ze 'nen wagen bij en de zot daarop ! Hij wierd rond de 
stad ojereden en op eiken hoek van de straat als koning uitgeroepen. 

Aan zijnen wagen trokken er wel zes honderd Kabouters; ge kunt denken 
hoe klein dat ze waren. 



86 



« Ons Volksleven. » 



'k Zou u nog moeten vertellen wat feesten dat de Kabouiermannekes 
gaven aan hunnen nieuwen koning; verders hoodat de zot alle jaren zes 
maanden bij zijn volk en zes maanden bij zijnen vader woonde; hoedat er 
een grootc oorlog kwam, dien de zot met zijne Kabouters gelukkig won; 
maar dat is allegaar voor 'nen anderen keer. Onthoudt het maar. 

En daarmee kwam er een verken mct'nen langen snuit en 't vertrcksel is 
uit. 

Anhverpcn. J. B. Vervliet. 



Te zamen 



Eén alleen 



Te zamen 



Drinkliedeke. 

't Is olie van den gersten 
Die de droefheid doet verbersten ; 
't Is de olie van het graan 
Die de droefheid doet vergaan. 
Zet het glaasken aan uwe lippen 
En laat het zoetjes binnenslippen ; 
Zet het glaasken aan uwen mond 
En drinkt het uit tot op den grond. 

O dat voel ik, 
O dat voel ik, 
O dat voel ik 
Aan mijn jeugdig hert ! 

O dat voelt hij, 
O dat voelt hij, 
O dat voelt hij 
Aan zijn jeugdig hert ! 



Nog 'nen keer, Suske, Suske (1) 
Nog 'nen keer, Suske ; 
Dan niet meer, Suske, Suske ; 
Dan niet meer, Suske. 

Dat liedekc wordt veel in de Kempen gestemd, vooi'namelijk bij feestelij- 
ke gelegenheden, b. v. met de kermis, als de gilde teert, enz. 

Het wordt zoo dikwijls gezongen als er personen zijn die meedrinken. 

Het gezelschap zit rond de tafel ieder met een glas bier voor zich, en heft 
het lied in koor aan. Iedereen staat op zijne beurt recht, doet bescheed en 
zii.gi het refrein : « O dat voel ik, enz. y^ 

JOZ. CORNELISSEN. 



( 1 ) Hier noemt men den naam van die lest gedronken heeft. 



« Ons Volksleven. » 87 



KINDERSPELEN. 
3. Klare, klare, mosselare. 

De kinderen tellen af om te weten wie eerst zal mogen rondloopen, on 
plaatsen zich daarna in 'nen grooten ronde. Die door 't lot aangeduid is en 
dien wij Jozef zullen heeten, neemt zijnen zakdoeken loopt rond den kring, 
al ziiigende : 

" Klare, klare 

Mosselare ! 

Al die omziet, 

Krijgt 'nen dare (d. i. slag). » (1) 

Om des te beter zijne makkers te verschalken, sluipt de slimme Jozef eerst 
heel tiaag voort; achter Jan gekomen, dien hij zoekt beet te nemen, doet hij 
een gebaar alsof hij den neusdoek liete valleii en loopt dan uit al zijne macht 
weg. Jan meent den zakdoek op te rapen, maar hij ligt er niet. Doch zie ! 
op den oogenblik dat Jozef weer achter Jan komt, laat hij den zakdoek wer- 
kelijk los en gaal iieel stillekes door, opdat Jan niets zou gewaar worden. 
De onnoozele sukkelaar heeft goon erg, doch Jozef komt eensklaps bijge- 
sprongcn en... Jan is er aan. Hij wordt gestraft voor zijne onoplettendheid 
en moet binnen den ring komen slaan. 

Jozef gaat voort en legt zijnen zakdoek achter een ander kind dat wij b. v. 
Nelis zullen doopen. Maar Nelis is den duivel te slim. Hij raapt gauw den 
zakdoek op en loopt achter Jozef, die echter te rap is en in 'nen omzien 
Nelis zijne plaats heeft ingenomen. Daar is iiij vrij, maar hadde Nelis hem 
'nen slag met den neusdoek kunnen geven, eerdat hij daar was, hij hadde 
binnen den ronde gemoelen. 

De beurt van rond te loopen is nu aan Nelis en 't spel vervolgt totdat er 
een zoo groot getal kinderen in den kring staan, dat de over blij venden maar 
kwalijk meer 'nen ronde kunnen uitmaken. 

De gestraften worden dan verlost en 't spel herbegint. 
4. Ziege zage manneke... 

Eene rij kinderen houden malkander hand aan hand vast. Het kind dat 
op ecne der hoeken slaat, steekt de hand tegen den muur. Dat op den ande- 
ren hoek geplaatst is, loopt onder die hand door, gevoigd door de gansche 
rij die zingt : 

« Een haoske 

Deur ons Iroske. 

Zoo schieten wij onzen TOgel, 

Zoo schieten wij ons konijn. 

Onze vogel is geschoten, 

Ons konijn 

Leet (= ligt) op de plein. » 

(1) Dat w. hel) ik anders nooit gehoord. In Schuorm. staat : Tare, oorvecg : hij kreeg eene tare 
(Gent.) 



88 " Ons Volksleven. •• 



Nu draait het kind dat de hand tegen den muur hield, zich om en gaat 
met den rug tegen den muur staan. De rij loopt onder de handen door, die 
het eersteen het tweede kind malkander geven ; daarna onder de }ianden 
van het tweede en het derde, enz., totdat de keling iicel en gansch Opge- 
wonden is, on de kinderen tegeneen gepakt staan. Dan geven de twee uiter- 
sten elkander de hand, de anderen kruipen daar door en, terwijl dat ze allen 
de armen kruisens overeen bewegen, klinkt het eenstemmig : 

« Ziege zage manneke, 

Boter in e panne ke, 

Kêês in e potteke, 

Dan is ons Mieke nog nie(t) sotteke (d. i. zat, verzadigd), n 

5. Blinde Margeriet. 

Een meiske wordt geblinddoekt. Een ander vraagtheur : Hoeveel vingers" 
staan hier ? 
Daarna zegt men : « Zoekt spellen. y> 
Zij antwoordt : 

— « Ik vind er geen. » 

— « Zoekt naalden. >, 

— « Ik vind er geen. » 

— " Zoekt menschenvleesoh ! » 

Daarop stuift de heele bende gillend uiteen en zingt gedurig : 

« Blinde Margeriet, 
Pakt die ge ziet, 
Maar mij toch niet ! n 

Als ^ Blinde Margeriet « na lang rondtaslen er in gelukt eene dei- spot- 
sters vast te grijpen, en te raden wie het is, dan wordt zij weer ziende ge- 
maakt en de andere krijgt den blinddoek voor deoogen. (i) 

St-AnfoniuS'Brecht. Joz. Cornelissen. 



KRUISGEBRUIKEN. 

(Z. hl 35). 
In de omstreken van Mechelen steekt men, wanneer er iemand gestorven 
is, een klein houten kruisken in den grond, of men nagelt het tegen 'nen 
boom. Dit kruisken wordt altijd tegen den weg geplaatst, die naar het sterf- 
huis leidt. (2) 

Te Brecht en omstreken zeilen de boeren een strooien kruis op hunne 
graanmijten. 

Eerdat men een brood aansnijdt, maakt men Ie Antwerpen met den punt 
van het mes, drij kruisen over den onderkant. (3) Joz. Cornelissen. 

(1) Dikwijls geven de kinderen malkander de hand, en loopen in 'nen ring rondde geblinddoekte. 

(2) Meegedeeld door E. II. G. J. 

(3) Meegedeeld door M' J. B. Vervliet. 



ONS VOLKSLEVEN. 



Autwerpsch-Brabautsch Tijdschrift 
voor Taal en Volksdichlveerdigheid , 
voor Oude Gebruiken, Waugeloof kuude, 
enz. In twel-^nommers van acht bladz, in 8<^ 
voor l.öOJ'r.; l,Söfr. voor de Ileeren Stu- 
denten. 

Tc Bkkcht, 

bij L. Braeckmans. 



P Jaar 
1889 




'< P^r is uog een rijke oogst op het veld 
der gewestsprakeu voorhanden; veel 
volksuitdrakkiugen dreigen te verdwij- 
nen die om hunne juistheid, schilder- 
achtitrheid of oudheid verdienen in de 
schrifttaai opgenomen en bewaard te 
blijven. » 

Zuid-Nederlandsche Maatschappij 
VAN Taalkunde, Wedstrijd 1S74. 

«De studie der folklore heeft voor doel 
ons volk iii zijne eigenaardige zuden en 
gewoonten, in zijn innig geloof en karak- 
ter te leereu kennen, in één woord, het 
volk zooals het is. n 

Vraagboeh over Vlaamsche Volkskunde. 



BIJDRAGE TOT DEN DIETSCHEN TAALSCHAT. 

5de "Woordenzange. 

Amer, den. — 1° Plaats waar de ambachtslieden hunne grondstoffen 
leggen. 2" Losplaats, kaai [Beerscl, Heist-icn-Bcrg). Kiliaen vertaalt amer 
door acta, d. i, kaai, zeeoever. 

Aschkater, den. — Broóken dat op de heete steenen van den heerd 
gebakken wordt. [Ibid.) 

Aschploddeken, hei. — Z. Aschkater. (Ibid.) 

Bast, den. — Het leder waarmee de vlegel aan den staf gebonden isi.'.loid.) 

Belmerkt, de. — Ketelmuziek. Voor iemand bchnerlt houden is lietzelfdc 
als in Klein-Bvahanischraminkel jagen, Fr. faire iin charivari. (Ibid,) 

Daggelen, daggelde, heb gedaggeld. — Snijden, kerven* Vandaar bcdaggc- 
Jen = bekerven, bekertelen : Ziet eens, wie heelt dat brood zoo bedaggekH 
{Jucxschoi, anders geheeten St-Anionius-Brechi). Daggelen is verwant met 
degen, met dngge (= moordpriem) en met degger, welk leste in Schuerm. als 
Kempensch w., met de beteekenis mes voorkomt. 

Danger, den. — Ang, angel van de bie, de wesp, enz. {Schelde- en liiipel- 
boorden, o. a. Schelle). 

Kottinneke, het. — Blinkend zwart keverke dat bij schoon weder allerlei 
krinkels op het water beschrijft, waarom men het ook schrijverJcen heet. 
Lat. gyrinns, cyrinus natans. (Jucxschot). 

Meerlhoren (uitspr. melhoren), den. — Merelhaan, manneke der merel 
{Brechl). Het enkele horen beteekent in de Noord-Kempen duiver, kebber, 
kopper. 

Moek, de. — 1° Dikke vrouw. 2° Dikke luis {Schelle). 3Ioéh is eigenlijk 
buik, balg te zeggen. 

Snaar, de. — De steel der zeisen {St-Antonius, Beerscl). 

Steenpad, den. — De gekasseide of met baksteenen belegde ^^eg nevens 
de huizen, Fr. trottoir, Schuerm. steendam. (St-Antonius). 



90 « Ons Volksleven. « 



Stein, het. — Soort van grof en steenhard wit eerdewerk. B. v. Een 
sfeincn pot, deze boterpot is van stein. (Ibid). 
Jucxschoi-Brecht. (M Joz. Cornelissen. 



SAGEN. 

8. De Juffrouw en de Peerdekop. 

Een schatrijke polderboer had een dozijn schoone peerden die hij alle 
nachten in eene weide, diclit bij een water gelegen, liet grazen. Hoe stond 
hij verwonderd, toen op zekeren morgen de peerden uitermate vermoeid 
schenen, alsof zij 'nen buitengewoon zwaren arbeid verricht hadden. «Ik 
wil weten wat er van is, « zei de boer, en den volgenden nacht ging hij naar 
de weide en hield de wacht bij zijne peerden. Op klokslag van twelf uren 
hoort hij eensklaps een w^onderschoon gezang en ter zelfdertijd ziet hij een 
heel klein schuitje over het water naar de Moeide komen gevaren. Als het 
schuitje aan den kant gekomen was, stapte er eene schoone juffrouw uit. 
Zij lei iets neer op den grond, gong vervolgens naar de peerden en begost 
er mee rond te rijden. In den beginne wist de pachter niet, waar hij het 
had van verbaasdheid en schrik, doch eindelijk schepte hij moed en gong 
naar de plaats waar de juffrouw iets neergeleid had, en wat vond hij mij 
daar ?... Het geraamte van 'nen peerdekop ! De boer nam het geraamte op 
en wou ermede heengaan, toen de juffrouw ijlings kwam toegeloopen en 
hem op hertverscheurenden toon bad en smeekte, toch den peerdekop lerug 
te geven. « Indien gij iiem niet weergeeft, » zeide zij, « dan kan ik van liier 
niet meer weg, en ik ben veroordeeld om hier eeuwig te blijven. ^ 

De boer schonk het geraamte terug, op voorwaarde dat zij nooit meer in 
de weide weerkeeren zou. Zij beloofde het hem, en nadien hoorde men nooit 
meer van die wondere juffrouw spreken. (2) 

Breekt. Naar de opgave van den Heer J. Adriaenssens. 

9. Van den Verdoemden Herder. 

Te Westmalle, in de heide, leefde een scheper die den naam van God ver- 
vloekte en nooit of nooit naar de kerk gong. 

De rampzalige stierf gelijk hij geleefd had en zijne zwarte ziel voer recht 
naar de hel. 

Omtrent middernacht, verre in de heide, ziet ge somwijlen rond een ven 
'nen gloeienden bol zweven, en ge hoort ter zelfdertijd een pijnlijk gekerm. 

Dat is de verdoemde scheper : zoolang als de heide bestaan zal, moot hij 
onder de gedaante van 'nen vurigen bol, zijne schapen hoeden. Kempen. 



(1) Jucxschot is de oude naam vau het dorpke, thans meer gekend onder de benaming van Sint- 
Antnnius, patroon der kerk. 

(2) Dezelfde sage k(,mt voorin ^^'elters, Z//;//;. Lefjciuh'n, doih de peerdekop is er vervangen 
door eene keksenzeef. 



1 



« Ons Volksleven. « 91 



10, De Brandende Scheper. 

't Is jaren en jaren geleden. In de heide tusschen Oostmalle en Vlimmeren 
kwam traag een karken aangeschokkeld. 't Was een Geldersche boer die 
van eene verre reis heimwaarts keerde. Achter zijn rijtuig hong een houten 
bakske, waar hij eene groote som gouden geld in gesloten had. 

O Hemel ! daar bemerkt opeens de boer dat het bakske verdwenen is. Hij 
houdt zijn peerd staan en begint te zoeken. Vruchtelooze moeite : het kof- 
ferken is niet te vinden ! 

Vol droefheid keert hij terug langs den weg dien hij door de heide ge- 
volgd heeft, en ontwaart in de verte 'nen herder met zijne schapen. Hij gaat 
er naartoe en : « Herder, » zegt hij, « hebt gij geen houten kaske gevonden ?« 

De herder schijnt verwonderd over die vraag en antwoordt : «< neen, w 
kortaf. 

't Is aardig, « zegt de boer, y^ gij zoudt het nochtans moeten gevonden 
hebben, vermits gij 't eemgste levend wezen zijt dat hier op de baan ge- 
weest is.... Kom, geeft mij het bakske terug, en ik schenk u eene rijke be- 
looning. y> 

— « Het u teruggeven ?... Gij spot met mij, pachter! Hoe kan ik u iets 
geven, dat ik nooit gehad heb ? r> 

— « En evel hebt gij het kistje opgeraapt, « zeide de boer met nadruk, « 
en niemand anders als gij hebt het in uw bezit. « 

Driftig schoot daarop de scheper uit. « Zotte boer, » riep hij, «gij wilt 
mij voor 'nen dief uitmaken ! Welnu, ik zweer bij God dat ik uw koflferke 
niet gevonden en heb en als ik lieg, dan wil ik hier eeuwig branden ! ?» 

Pas had hij die verschrikkelijke woorden uitgesproken, of hij stond ge- 
lijk een mutsaard te branden : gansch zijn lichaam, van het hoofd tot de 
voeten, was maar ééne vlam ! 

De verschrikte boer wou op de vlucht gaan, doch de schaapherder zeide : 
« Vlucht niet, ik ben gestraft voor mijne zonde; ginder, achter dat bergske, 
zult gij uw geld onder 'nen doornstruik verborgen vinden, j» 

Meer dood als levend gong de boer naar de aangeduide plek en vond er 
inderdaad zijnen schat terug. 

Lange jaren nadien bleef de scheper branden.... En 's nachts zag men een 
vlammend spook door de heide dwalen en men hoorde een schrikkelijk ge- 
huil en gekerm : het was de verdoemde ziel van den herder. Wee den reizi- 
ger die den brandenden scheper gewaar wierd ! Het bloed verstolde in 
zijne aderen en vol vrees gong hij op de vlucht. Niet zelden verloor hij den 
rechten pad, en verdronk in een ven of versmachtte in een moeras. 

Lang bleef de goddelijke vervloeking op die plaats rusten, totdat einde- 
lijk een godvreczende kloosterling, door zijne vurige gebeden, het spook 
verbande. " Kempenland. 

11. De Grenspaal. 

Tegen de baan van Sint-Lenaerts naar Loenhout, ligt eene hoeve, « De 



92 « Ons Volksleven. " 



Griet -^ gehceten. Op die plaats hoorde men eertijds eene klagende stem, die 
vroeg : « Waar moet ik dezon paal laten ? " Dat was de geest van 'nen man 
die alle nachten ronddoolde met 'nen grenspaal op zijne schouders. Hij was 
allange jaren dood, en hij had in zijn leven cenen paal, die tusschen zijn 
land en dat van zijnen gebuur stond, onrechiveerdig verplaatst. O. L. Heer 
zond hem voor zijne straf op de aarde, totdat hij den paal op zijne vorige 
plaats zou gezet hebben. 

Zekeren nacht kwam een dronkaard den geest tegen die hem smeekend 
vroeg : « Waar moet ik dezen paal laten ? « « Draagt hem waar gij hem ge- 
haald hebt ! ^ antwoordde dezaiterik. 's Anderdaags stond de grenspaal op 
zijne eerste plaats terug, en sedert dien tijd hoorde men het spook nooit 
meer roepen. Joz. Cornellssen. 

VERTELSELS. 

10. Het Vertelsel van Merten met den Vos. 

Merten was een vieze snaak ; werken deed hij noode, maar op j;icht gaan, 
dat was zijne liefste bezigheid. En het geluk diende hem altijd op eene won- 
dere wijze; hij kost dan ook gansche avonden over zijne heldendaden ver- 
tellen . 

Ik kwam eens van de jacht, zeido Merten, en daar zag ik twee hazen af- 
komen, achtervolgd door 'nen hond. Ik trok algauw mijn hing scheemes 
uit en 'k stak het met den punt in den grond. De hazen liepen van weers- 
kanten voorbij het mes, niaar du hond liep er in volle vaart bof op, zoodat 
hij letterlijk in twee stukken sneed. Doch 't aardigste van al, de eene helft 
van den hond pakte den eenen haas, terwijl de andore halve hond den twee- 
den haas vastgreep. 

Op 'nen anderen keer, zei Merten, dat ik weer op de jacht was, had ik 
lang gegaan, zonder een enkel stuk wild te kuinien schieten. Eindelijk zie 
ik 'nen haas tegen 'nen boom zitten. O wee ! daar bemerk ik dat ik al mijn 
lood verschoten heb. Wat gedaan ? Ik tast in mijnen buil en 'k vind er 'nen 
hoefnagel in. Ik laad hem op mijn geweer en schiet. Paf! daar stond de 
haas aan den boom genageld, en hoe hij trok of sleurde, nij kost niet meer 
weg. De nagel was dwars door zijne ooren in den boom gevlogen ! 

Op 'nen anderen tijd dat ik in het bosch heel gerust mijnen knapzak zat 
op te eten, zien ik mij daar immers, op eenige stappen van mij, eene heelo 
kooi patrijzen liggen. Ik voel rond of ik geenen si een en vind, en juist ach- 
ter mijnen rug grijp ik iets vast, en 'k gooi er uit al mijne krachten mee 
naar de patrijzen. Ge kunl. denken hoedat ik lachte : de haas waar ik mee 
geworpen had— want 't was een haas die achter mijnen rug lag te slapen 
— de haas, zeg ik, was kiksdood, en bijkans al de patrijzen lagen dood op 
den grond. 

Mei'tcn was nochians alle dagen niet even gelukkig. Eens moest hij naar 



« Ons Volksleven, r, 93 



eene hoeve in de geburen eene boodschap gacan afleggen. En zie ! dicht bij 
de hoeve kwam hem een groote, loelijke hond te gemoet geloopen, en Mer- 
ten rijlde van schrik. Hij tast in zijnen zak, om er iets in te vinden, waar- 
mee hij den hond zou kunnen werpen. Fcr geluk vindt hij 'nen vuurkei, 
dien hij naarden hond gooit. Metdat die leelijke beest beuren muil open 
had, zoo vloog de kei krek tegen heure tanden, en zoo hevig was de schok 
dat het vuur uit den kei sprong en dat de hond seff"ens in brand vloog. Hij 
liep al brandende de schuur in, en heel de hoeve brandde af. 

Als Merten de vlammen zag, gong hij loopen, zoo hard hij maar kost, en 
hij liep zoolang, totdat hij in een groot bosch uitkwam. Als hij daar nu zoo 
al 'nen heelen tijd in rondgedweept heeft, valt hij mij in eene bende roo- 
vers, die op hun gemak van hunnen gestolen buut aan 't smullen zijn. « Kom 
maar bij, mijne vriend, » zeiden de roevers tegen Merten, en Merten liet het 
hem geene twee keeren zeggen, want hij had in lange niet meer geëten 
of gedronken. Als de roevers lang genoeg gesmuld hadden, toen begosten 
ze te overleggen wat ze met Merten zouden aanvangen. "Kom, we zullen 
hem in deze ledige ton steken, r. zei er een. De andere roovers waren tevre- 
den, en aanstonds deden ze de ton uiteen en zetten Merten er in. Dan sloe- 
gen zij er de roepen weer om, en ze lieten Merten zitten. Als Merten daar 
zoo al 'nen heelen tijd in gezeten had, kwam er bijgeval een vos aan de ton 
rieken. Merten, niet lui gevallen, stak gauw zijne hand door het bomgat, 
en pakte den vos bij zijnen steert. De vos verschoot en liep met ton en al het 
bosch in. Merten hield den steert maar goed vast, en hoe harder dat Mer- 
ten neep, hoe harder dat de vos liep, totdat eindelijk de ton tegen de boo- 
men in stukken sloeg. Nu was Merten vrij. Hij pakte den steert met beide 
handen vast en sloeg den vos tegen 'nen boom bood. Merten nam den doe- 
den vos op zijne schouders en hij gong er mee van deur tot deur. En de 
menschen kwamen toegeloopen en ze riepen : « Daar is Merten met den Vos, 
welken naam hij heeft blijven houden. 

Brechf. Meegedeeld door den Heer J. Adriaenssens. 

J. C. 



SCHIPPEKESSPEL. 

Een scheepke laadt niet minder als 50 kilo, of 't slaat om ; ook niet meer 
als 100 kilo, of het zinkt; en het moet 2 zakken, ieder van 100 kilo, en 2 
zakken, elk van 50 kilo, van den eenen oever eener rivier naar den anderen 
overbrengen . 

Hoe dat zonder zinken of omslaan gedaan gekregen ? 

Het schipke neemt eerst tweemaal 50 kilos in en brengt die over ; het zet 
50 kilos af en komt met 50 terug. 

Het zet de 50 die teruggebracht zijn, aan wal en neemt 100 in ; vaart er 
mee over, zet ze af en neemt de eerste 50 terug in, die naar de eerste stapel- 
plaats weerkomen. 



94 « Ons Volksleven. -^ 



Er zijn dus al 100 kilos overgezet. 

Dezelfde bewerking begint opnieuw, om de tweede 100 kilos over te bren- 
gen. 

Zijn die op hunne beurt overgebracht, dan ligt het schipken aan de eerste 
stapelplaats, waar het de twee zakken van 50 kilos inneemt en er mee over- 
vaart. 

Dan staat alles aan den overkant, en het overschepen is gelukt. 
Aniwerpen. J. B. Vervliet. 



BOEKBESPKEKING. 

Jean Nicolaïdes. — Les livres de divination, traduits sur un ma- 
nuscrit turc inédit. (Collection internationale de la Tradition, Vol. II). — 
Parijs. Bureelen van « La Tradition «. 1889. 

De sterre wichel arij of sterrekijkerij — niet te verwarren met de sterrekunde — 
is eene wetenschap, bijna zoo oud als de wereld; immers Mozes verbood aan de 
kinderen van Israël er geloof aan te slaan, en hiet haar zoo zondig als de tooverij. 

De bijgeloovige kunst van in de sterren te lezen wierd allengs over gansch de 
wereld verspreid; van bet Oosten, waar zij haren oorsprong had gevonden, toog 
zij naar het Westen, stond er in hooge eere bij vele vorsten en groeten, en tot in 
de XVIP eeuw vond men nog in de meest beschaafde landen van Europa, sterre- 
wichelaars die het volk uitbuitten en bijgeloovige lieden die zich voor schoon geld 
door hen lieten bedodden. 

Sedertdien is die valsche wetenschap langzamerhand ten onder gegaan en bij- 
kans geheel verdwenen, gelijk het met alles gaat dat geene waarheid is. 

In 't Mor.2;enland daarentegen, schijnt men nog algemeen geloof te hechten 
aan soortgelijke voorzeggingen, te meer omdat de Oosterling een vriend is van 
het wonderbare en geheimzinnige. 

Geen wonder dan ook, dat men er over de sterrekijkerij handschriften vindt, 
waarvan de inhoud door de aanhangers van den Islam met heiHge overtuiging 
geloofd wordt. 

Het boekske, waarvan wij hooger den titel afschreven, bevat de gedeeltelijke 
vertaling van zulk een handschrift. 

In eene korte maar belangrijke voorrede, door den Heer H. Caruoy, worden 
er enkele werken der Oostersche sterrewichelaars besproken; wij lezen er ook dat 
het handschrift door den vertaler, Jan Nicolaïdes, te Constantinopel ontdekt, met 
Grieksche letters in het Turksch en het Araabsch geschreven is. 

Na die inleiding volgt eene lijst werken die over de sterrekijkerij kunnen ge- 
raadpleegd worden. 

Het werk zelf is verdeeld als volgt : 

Het 1", 2^ en 5® hoelc des donders. — Het boeJc der gesternten, met de tafel der 
sterreheelden. — Het hoeJc des hliJcsems. — Het 1^ en 2^ hoeJc der aardbevingen. 
— Het jf", ^^ en 5" bock der geboorten. — Het boclc der sclioonheidsteehenen. — 



i 



« Ons Volksleven. « 95 



HeihoeJc des regenhoogs. — Het hoeJc des draaJcs (eene sier), en eindelijk : Het 
hoek der Kerstfeest. 

Niet al de boeken door don vertaler meegedeeld, zijn van zuiver Turkschen 
oorsprong. 

Veel plaatsen verraden den Grieksch-Ciiristenen invloed, zooals b. v. het 3' 
boek der geboorten, de boeken des draaks en der Kerstfeest, die heel v^^aarschijn- 
lijk door eenen Griek opgesteld zijn. 

Als studie van de ongerijmdheden, waardoor de menschelijke gees', door 
bijgeloof beneveld, soms medegesleept wordt, is het boekske belangrijk en de 
moeite weerd om lezen. 

Bij ons echter is de eenmaal zoo beruchte kunst der sterrekijkers gansch ten 
onder gegaan, en die zijnen « Jioroscoop » wil laten trekken, is verplicht eone 
kaartzienster op te zoeken, of tijdens de " foor h een e kleine barak binnen te 
gaan, waar men hem voor eenige centiemen, al de geheimen ontsluieren zal, die 
hij maar verlangt te weten. 

Het werkske, op geel getint papier gedrukt, is een lief boekske van ruim 100 
bl. ; slechts een beperkt getal afdruksels, ten prijze van fr, 3,50, zijn voor den 
handel bestemd ; voor de inschrijvers van Xa Tradiiion ia de prijs maar fr. 2. — 

J. B. Vervliet. 

Verduitsching onzer meest gebruikte doopnamen, door Reebkecht 
Schrijvers. — St-Truiden, Jos. Leeuen. 

Waar worden de Dietscbe kiudei'en nog gedoopt met de schoone en zinrijke 
namen die onze voorouders droegen?... Waar hoort ge b. v. Adelberge, Godfried, 
Diederik, Godevaart en andere namen nog bezigen?,.. Eilaas! ze zijn meesten- 
deels uitgestorven en niemand dnrft ze nog gebruiken. Wonderlijk ! wij hebben 
eigenaardige, eeuwenoude namen, schoon in vorm en beteekenis, wij verachten 
ze en kiezen er vreemde in hunne plaats ! En bezigen wij er nog van Germaan- 
schen oorsprong, dan hebben wij ze, dom en belachelijk genoeg, in een uithecmsch 
kleed gesteken en met een Fransch vernis besmeerd, zoodat ze haast niet meer te 
herkennen zijn. 't Is waarlijk jammer. 

Een warme Vlaming, de Heer R. Schrijvers, heeft gepoogd onze oude doopna- 
men in eere te herstellen, en weer in aanzien te brengen. Zijn werkske, 191 bl., 
dat de verdietscbing bevat van niet min als 481 vorschillige doopnamen volgens 
den A B gerangschikt en verklaard, verdient aanbevolen te worden. Het is geene 
dorre opsomming van ver-üetschte eigenamen met hunne verschillige Nederduit- 
sche en vreemde gedaanten ; geene bloote opeenstapeling van dorre betoogen, 
maar eene bondige en beredeneerde verhandeling over den oorsprong en de betee- 
kenis onzer doopnamen ; eene klare en duidelijke nnamoplossing, gestaafd door 
bewijzen, uit de werken van voorname taalgeleerden getrokken, of in oude en 
nieuwe ralen opgezocht. Als proeve van bewerking moge het volgende dienen : 
" Adclrijl-, AJatic, ülrili, JJlrkli, üdnlrie, JJaricus, ^f/r/A;. Rijk, Hoog-Duitsch 
reich, Otfried richo, Zweedsch rik Engelsch rich, Duitsch-Fransch riche, betee- 



96 « Ons Volksleven. " 

kent overvloed van iets bebbeud, machtig, vetlvormogeud. Van daar kreog het 
ook de beteekeuis van koning, rex, en komt met de die voor in ganzerik, duiverik 
en eeuderik. — Adelrijk = adele en rijke, machtige koning. » 

Wilt dat zeggen dat wij op de « Verduitsching » niets aan te merken hebben ?... 
Onze taalwetendheid strekt niet verre genoeg om over do wetenschappelijke weer- 
de des boeks te oordeelen. 

Ik en "vreet dus niet of de Hoer Schrijvers hot goed voorheeft de oude namei te 
willen hervormen, met volgens de taalwetten die het volk gebruikt en die de na- 
men regeeren (anders schreve hij b. v. liever Hendrik, Henrih als Heemrijk, liever 
Lodewijk als Luidewijg en Bohhert als Beehrecht), maar volgens de wetten die de 
gewone woorden beheerschen. 

Ik en weet ook niet waarom dat Hród eerder van radhjan. (~ spreken) zou ko- 
men, als b. V. van hrodh (= zang) of van hrodreighs (ei — i), overwinnaar, glorie- 
rijk. 

Op bl. 41 staat : Beerwolf = weerwolf. Is dat vast en zeker ? Beerwolf ^*rtn weer- 
wolf zijn, maar zou het niet even goed heerjong mogen beteekenen ? In vroegere 
tijden immers stond de naam der dieren nog niet vast gelijk tegenwoordig en b. v. 
wolf = Lat. vulpus (vos); duur (Limb.) = sti(!r == dier (Fr. animal); ors (ros, 
peerd) = Lat. ursus (beer) ; vigge = Lat. vacca (vache), enz. Deze namen die 
allereerst een dierenjong, eene beest bediedden, zijn later op afzonderlijke dieren 
toegepast geworden). Daarvan ons tvolf = welp. Dus Beerwolf = Beerwelp, Beer- 
jong. 

Bl. 32. Adelwijl = adel wijf. Zou het ook de naam niet kunnen wezen van de 
vrouw van 'nen heer Adel ? 

Bl. 53. Bruinwolf^ bruine wolf. Of misschien : wolf (welp), zoon van Bruin ? 

Bl. 85. Gijzelijn =■ kleene mensch die gijzel is. Zou het ook niet mogen b stee- 
ken, gelijk b. V. bij ons Gijsken, eenen mensch die Gijzel heet en dien men, om 
zijne kleine gestalte met een verkleinwoord bestempelt ? 

De schrijver heeft gelijk hij in het nawoord zegt, zooveel doenlijk gewezen op 
den knnstigen woordenbouw, het rijke teelvermogen en de groote zeggingskracht 
onzer tale ; en hij heeft geene bespeurde gelegenheid laten voorbijgaan, zonder te 
toonen de schamele naaktheid en armoede harer dreigendste verdringster, het 
Fransch. Daarom alleen reeds verdient zijn werk eene warme aanbeveling bij al 
de minnaars onzer schoone Dietsche taal. Wij raden dus onze lezers aan het boek- 
ske te koopen : zij zullen het met smaak lezen en er veel vrucht uit trekken. 

JOZ. CORNELISSEN. 



DE TAAL. DER VOGELEN. 

1 . Lied van den zwolm (zwaluw) als hij terugkomt : 

ïoeii ik nog' hier was, 
Voud ik nog' 'ueu korentas ; 
Maar nu is hij al verteerd^ 



I 



« Ons Volksleven. » 97 



VersmeerJ 
Verfirlef êêrd , 
Fêêrd, fêêrd, fêêrd ! 

(Zoersel.) 

2. Te Brecht meent men van het winterkoninkske te verstaan : 

In ous land daar stoken ze vieren ! 
Half houten zoo dik als mijn been 
En die gekloven in vieren, 
En daar nog veel dun hout bij ! 

3. Als de Iccun-crlc (leeuwerik) omhoog-stijgt, dan bidt hij smeekend : 



Lieve(u) Heerke laat mij eens drinken, 
'k Zal van ze leven niet meer vloeken ! 

Nederdalendc, herhaalt hij duizend keeren : 

Sakkerdit ! Sakkerdit ! Sakkerdit ! 
(Sint-Antonms.) 

4. De kcesmecs zingt : 

Koek en kécs, koek en kêês, koek en kéés ! 

En somwijlen ook : 

Tien pintjes ! tien pintjes ! tien pintjes ! 

[idem) 

5. De merel en de biemees : 

Drinkt het uit 
En tapt nog eens ! 

[idem) 



G. De papegaai 



7. De vink: 



Papegaaike, zoete lief, 
Hed-de gestolen, dan zij-de 'ne(n) dief ! 

{idem) 



'k Zing, 'k zing, 'k zing van buskewiet ! 

{ideiu) 

8. Dat de musch : dief! dief ! roept, weet alleman. 



JOZ. CORNELISSEN. 



OUDE GEBRUIKEN. 

5. Het inhalen van de leste Boekweit. 

Een gebruik te Heist nog in zwang, is voor de kinderen een waar feestje, 
dat hun veel vreugde verschaft. Wanneer de voerman naar 't veld rijdt om 
de leste boekweit te halen, dan mogen de kleinen meerijden om te kraaien. 
Als de kar geladen is, dan steekt men er eenen haan (mei) op, waar boven 
eene handvol boekweit in gebonden is. Rondom dezen haan nemen de 
kinderen plaats en terwijl ze huiswaarts rijden, zingen ze. zooveel ze maar 
kunnen, het volgende liedcke : 



98 " Ons Volksleven. « 



Koekeloeren haan, 

De leste boekweitkar is op de baan, 

Al voor naar huis te gaan ; 

Hanneke Maan, 

Met zijn leêren broeksken aan, 

Ge moet de pannen smeren, 

Of de koeken branden aan. 

Meegedeeld door den Heer A. Aerts. 



UIT BOEKEN, BRIEVEN EN BLADEN. 

«De Friesenen de Vlamingen spreken het geijkt nederlandsche woord 
^aaró! verkeerdelik als 2^eer(^ uit; maar de Hollanders spreken goed, juist 
zoo als geschreven staat, rn Zoo meent men algemeen. Ja, maar zoo is het 
niet. Het zijn niet aleen maar de Friesen en de Vlamingen QÏiQpeerd zeggen, 
al de Nederlanders spreken dit woord zoo uit; allen, behalven de Hollan- 
ders, Groningerlanders, Drenten, Overijsselaars, Gelderschen, Stichtschen, 
Zceuen, alle Brabanders en Limburgers, allen spreken peerd, wel 
met een gering onderscheid, dezen als peerd, genen als pcecerd (met 
blatenden klank), anderen weer als perd, sommigen zelfs met eenen 
korten voorslag van i ai\s pièrd, pjerd, ook door uitslyting der r a,\s pièd (in 
zuid-ncderlandsch Limburg) en als péèd in Friesland — maar niemand zegt 
paard, behalven de Hollander. En geenszins nog alle Hollanders spreken 
zoo. Daar is in Holland menige gou waar men ten platten lande dit woord 
ook ülspcecerd, met den blatenden klank uitspreekt. In de aanzienlike krin- 
gen der samenleving in Holland, vooral onder hen die «salontaai»» spreken, 
zijn er ook velen die pcecerd zeggen. De meeste Hollanders die in 't byzonder 
met peei den omgaan, allerlei ruiters by voorbeeld, cavallerie-ofRcieren, hoe- 
ren die in allerlei Y^eerde-sport hunne liefhebbery vinden, peerde-kooplui, 
enz., die allen zeggen in den vogel p<:ecerd. Voor honderd jaren was dit zelfs 
nog de algcmeeno uitspraak in Holland. Een echt oud- Amsterdammer ge- 
lijk weinigen, de Hoogleeiaar J. A. Alberdingk Thijm, verzekerde my dat 
in zyne jeugd, eene halve ceu geleden, de deftige oude Amsterdammers nog 
steeds 2 öPöP)f7 uitspraken, gelijk ook pcet^rs, pcerel, enz. Wie zijn het dan die 
het cei'st deze zonder twyfel leelike uitspraak van paard in zwang brachten? 
De Amstcrdammeis van den geringen sland, voornamelik die in de geringe 
buurten van het Westen der stad woonden, in den omtrek van den Haarlem- 
merdijk, die dus het in alle onze niet hollandsche gewesten zoo welberuchte 
« Haarkmmeidijksche Hollai:dsch » spraken en nog spreken. Deze leelike 



« Ons Volksleven. » 99 



uitspraak, oorspronkelik nog niet aan één Nederlander op de tien-duizend 
eigen, en al is ze de geijkte uitspraak geworden, en al wint ze daar door al 
meer en meer veld in de Nederlanden by allen die hollandsche boeketaal 
achten als het Nederlandsch by uitnemendheid, deze uitspraak is heden 
hoochstens nog slechts eigen aan één Nederlander op de honderd. En toch 
zouden al die negen-en-negentig andere Nederlanders hunne penne moeten 
richten naar de tonge van dien eenen; zouden zy ten onrechte hunne alge- 
meene uitspraak moeten laten varen voor de zeer byzondere van eene enke- 
le amsterdamsche buurt! Kom — die met my, te recht, het algemeen oud- 
nederlandsche i?eer^ spreekt, schryve ook zóó, en niet ten onrechte het by- 
zonder hoog-haarlemmerdijksche paard, dat buitendien zoo plat klinkt, en 
zoo grof. En even zooperei in plaats van parel, peers in plaats van paars, enz. 
enz., al wil de nieuerwetsch-hollandsche schoolmeester het ook anders.» 

Zoo schrijft Johan Winkler in zijnen opstel : Spreektaal en Schrijftaal, die 
deelmaakt van zijnen schoenen boek: Oud Nederland. 



SLOTWOORD. 

Hier eindigen wij den eersten jaargang van Ons Volksleven. 

Als wij rekening houden van de moeielijkheden die aan de uitgave van 
een tijdschrift gelijk het onze verbonden zijn, dan mogen wij, Goddank! 
'nen tevreden blik werpen op de afgelegde baan. 

Niet dat wij onze kleine verdiensten hooger willen schatten als zij weerd 
zijn : dat zij verre van ons ! Deze onze narede geeft ons de gelegenheid van 
eene heilige pliclit te vervullei:i ; namelijk onzen innigen dank te betuigen 
aan al die het wel met ons meenden, aan al die ons door goeden raad, in- 
schrijvingen of bijdragen ondersteunden, en ons alzoo in staat stelden om 
de onderneming voort te zetten, die wij met jeugdigen iever, maar met 
zwakke krachten begosten. 

Hertelijken dank dus aan onze ieverige medeschrijvers en medewerkers, 
aan onze inschrijvers en aan de nieuwsbladen en tijdschriften die ons voor- 
stonden en verdedigden ! 

Doch, eilaas ! geene rozen zonder doornen ! » 

Kregen wij van den eenen kant veel aanmoediging, dikwijls zelfs van 
mannen die 'non grooten naam dragen in het Vlaamsche kamp; van den 
anderen kant stieten wij meer nis eens op kleingeestige beknibbelingen, 
die men ons schijnbaar als goeden raad aanbood. 

Eenigen ook trokken hun woord in en weigerden ons de ondersteuning 



100 « Ons Volksleven. » 

die. zij ons toegezcid liadden. Doch een kruis doorover ! 

Op ééne aanmerking' denken wij dat het noodig is in het kort te ant- 
woorden. 

Men heeft ons meermaals gevraagd — en die vraag is een teeken dat men 
belang stelt in ons volksleven — het getal onzer bladzijden te vermeerde- 
ren. Dat zou ons in staat stollen, stukken van grooteren omvang op te ne- 
men, zonder daardoor de verscheidenheid der stofte breken. 

Gcerne voldeden wij aan dien wensch, maar zouden wij dan den inschrij- 
vingsprijs niet moeten verhoogen ? Om de nieuwe onkosten te dekken, ver- 
oorzaakt door het vergrooten van ons blad, bestaat er, buiten het opslaan 
van den prijs, geen anderen middel als het aanwinnen van een ruim getal 
nieuwe inschrijvers. 
Bezorgt ons die, en de zaak is geklonken. 

Hoe gemakkelijk kan iedereen van onze lezers niet den eenen of den an- 
deren vriend overhalen om in te schrijven ! Beproeft het dan, en zoogauw 
het getal nieuwe bijtredingen hoog genoeg loopt, zullen wij alle maanden 
vier, later misschien adit bladzijden meer geyen. 

Om onze lezers behulpzaam te zijn in het bereiken van dat doel, voegen 
wij hier een inschrijf briefke bij, dat, zoo wij hopen, ingevuld zal terugko- 
men. 

Men denke niet dat wij een tijdschrift tot stand brochten om er geldelijk 
voordeel uit te trekken. Het doel dat wij betrachten, hebben wij in de voor- 
rede reeds doen kennen. 

Wat wij willen is in de maat onzer zwakke krachten bijdragen, om ons 
Dietsch te doen hoogachten en beminnen, door de onuitputtelijke mijn der 
volksspraak neerstig te doorgraven en te doorwroeten ; door de frissche 
bloemen die in 's volks taaihof groeien en bloeien, tot geurige en kleurige 
ruikers samen te binden. 

Wat wij willen is medewerken om onze aloude zeden te bewaren, die het 
behoud zijn van onze zelfstandigheid als vrij volk; om onze schoone en 
goede gebruiken, de glans en de luister van ons voorgeslacht, terug in 
voege te brengen, waar zij mochten vergeten ot uitgestorven zijn. 

Vooruit dus, met onbezweke:i moed, gij allen die met ons den kamp strijdt, 
den heiligen kamp voor het behoud van Moedertaal en Volksaard ; vooruit 
gij allen die de wapens draagt tegen bastaardij en ontaarding; vooruiten 
samen voortgestreden met de hulp van God ! Joz. Cornelissen. 

J. B. Ver vliet. 



i 



ONS VOLKSLEVEN. 



ONS VOLKSLEVEN 



ANTWERPSGH'BRABANTSCH TIJDSCHRIFT 

voor Taal en YolksMclitveerfliolieiil, yoof Oude Getiroikeo, Wanploofkünfle, enz. 



ONDER LEIDING VAN 



J. CORNELISSEN & J. B. VERVLIET 



Onderwijzer te 
St .^iSTTOZSriXJS-BÏ£ECH:T 



Letterkundige te 



2"' JAARGANG 
1890. 



« Er is uog een rijke oogst op het veld der gewestspraken Toorhanden; 
vele volksuitdrukkiiigei) dreigen te verdwijnen die om hunne juistheid, 
schilderachtigheid of oudheid verdienen in de schrifttaai opgenomen en 
bewaard te blijven. » 

Zuid-Nedevlandsche Maatschappij van Taalkunde, Weditrijd 1874. 
n De studie der folklore heeft voor doel ons volk in zijne eigenaardige 
zeden en gewoonten, in zijn innig geloof en karaMer te leeren kennen; 
in één woord, hei volk tooah het is. » 

Vruughoek voor Yluumtche Volkskunde. 



Èl 



TE BRECHT. 

BIJ L. BRAECKMANS, DRUKKER-UITGEVER. 



ONS VOLKSLEVEN. 



Aiitwerpsch-Brabantsch Tijdschrift 
voor Taal eu Volksdicht vccrdigheid , 
voor Oude Gebruiken, Waiigcloof kunde, 
enz. 

In tn-elfnommers van tn-elf bladzijden 
in 8'^. 

Te Brecht, 

bij L. Bbaeckmans. 




" ICr is nofj een rijke oogst op het veld 
der gewestsprakeu voorhauden; veel 
volksuiidrakkingen dreigen te verdwij- 
nen die om hunne juistheid, schilde'r- 
achti'jheid of oudheid verdienen in de 
Rchriftlaal opgenomen en bewaard te 
blijven. « 

Züid-Nederlandsche Maatschappij 
VAN Taalkunde. Wedstrijd 1874. 

«De studie der folklore hei-ftvoor doel 
ons volk iu zijne eigenaardige zeden en 
gewoonten, in zijn innig geloof en karak- 
ter te leeren kennen, in één woord, het 
volk zooals het is. « 

Vraagboeh over Vlaamsche Volkskunde. 



VOLKSGEBRUIKEN. 
1. (10) Vier Mannen met vier Mutsen. 

Wie kont er de spreuk niet : v/er mannen mei vier mutsen of Opsignorl-en 
doen ? Bij de leste uitdrukking denkt men reeds aan OpsignorJïen van Meche- 
len, doch daarvan is er voor den oogenbiik geene spraak. 
_ Wat minder bekend is, is liet ontstaan van hoogergemeld gebruik. 

Ziehier wat men diesaangaande vertelt. 

In den ouden tijd moest het hier nogal de gewoonte zijn, dat de man zijne 
vrouw van tijd tot tijd het vel eens uitklopte, zeker als bewijs van oprechte 
genegenheid, want de Franschman zegt immers : qui aimc hien, chdtie bien. 

W^anneor dat nu in alle eer en deugd gebeurt, is 't juist zoo erg niet ; maar 
het schijnt dat er toen velen misbruik van maakten, zoodanig zelts dat Jan 
I, hertog van Brabant, in 1292 genoodzaakt was eene verordening uit te 
vecrdigen, waarbij hij voorschreef dat al die binnen der goede stad van Ant- 
werpen, zijne vrouw nog dorst afranselen, op eone sargie gelegd, en zoo door 
vier sterke mannen, eenige malen in de hoogte zou geworpen worden. 

Die siraf in 't openbaar uitgevoerd, was voorwaar geene kleine schand, en 
zal menigen vrouwenslager, wiens handen te licht hongen, weerhouden 
hebben van zijne kunst uitte oefenen. 

Nu, 't gebeurde toch van tijd tot tijd, dat er een op de sargie vloog en, 
gelijk later Opsignorlen in den Mcchelschen Ommegang, onder de luide 
vreugdekreten der samengestroomde menigte, allerlei koddige luchtspron- 
gen maakte. 

Hoelang die straf hier in voege bleef, weet ik niet met zekerheid te zeg- 
gen. Men verhaalt dat op zekeren dag een dronkaard, terwijl men hem op- 
wierp, zoodanig wild te werk ging, dat hij eindelijk nevens de sargie viel 
en met het hcofd op 'non paal te Jiauwe kwam, zoodat men den zatterik 
morsdood opraapte. 

Dat was eene ernstige les, die het gemeentebestuur zich te nutte maakte 



« Ons Volksleven. » 



om de straf te wijzigen. Voortaan zou de schuldige enkel in afbeeldsel in 
één woord " en efflgie « op de sargie. 

Men maakte dan eene strooien pop, met houten kop, kleedde ze wel aan, 
en wanneer een vrouwenbeul veroordeeld wierd om opgeworpen te worden, 
kwamen er « vier mannen met vier mutsen, » en lieten de pop vóór zijn huis, 
eens ferm op de sargie buitelen. 

Dat gebeurde onder andere met zekeren edelman, Don Antonio de Riveral 
y Prato geheeten, die de gewoonte had van zijne vrouw nu en dan eene felle 
botering te geven, waarvoor hij, gelijk de minste «Sinjoor» veroordeeld 
wierd. 

Nu wierd de pop in het gewaad eens edelmans gesteken en eenige koeren 
opgewipt voor de woning des Spanjaards. 

Allengskens echter moet die straf in onbruik geraakt, en zelfs tot eene 
volksverniakelijkheid verloopen zijn, want wij vinden het gebruik weer tot 
over een veertigtal jaren, waarna het geheel verdween. 

Alleen zeer zelden wierd er nog » Opsignorken » gedaan, en dan enkel op 
den /oer van Vastenavond. 

Het is ook rond dat tijdstip, — de jaren '40 tot '50 — dat de « parochie- 
kermissen yi uit de mode gingen en met hen tal van oude gewoonten, waar- 
onder « vier mannen met vier mutsen » doen, eene voorname plaats innam. 

Het is hier de plaats om een w^oord over de « parochiekermissen » te rep- 
pen. 

Zij waren ten getalle van vijf: St-Jacobs — , de Augustijnen — , de Preek- 
heeren — , Peeter Pot's — en Pekenskermis. 

Die van St-Jacobs wierd vooral gevierd op St-Jacobsmerkt, den Molen- 
berg en de omliggende straten. 

Op St-Jacobsmerkt klom men op den staak, en niet zelden was het ge- 
drang, daar en aan de Kipperpoort zoo groot, dat men voor ongelukken 
vreesde. 

Do Augustijnenkermis lokte eene menigte volk naar de Oude Vaartplaats, 
anders gezeid Vuilrui of Vogelmerkt; daar stond de staak, aan wiens top 
in eenen reep, een rok, eene broek, eene horlogie, eene hesp, enz., hongen 
te bengelen. 

De Preekheerenkermis vierde men in den omtrek der Veemerkt, waar nog- 
maals de onmisbare staakklimming plaats had. 

Pceter-Potskermis deed het volk naar den kant der Suikerrui en Peeter- 
Potslraten stroomen, en bracht verder heel het kwartier van den waterkant 
in beweging. 

Eindelijk had men nog Pekenskermis die gansch het St-Andrieskwartier 
door, maar het lui(h'ucluigste van al, op het Schelleken gevierd werd. 

Al die feestelijklicden wierden vervroolijkt door de « vier mannen met 
vier mutsen. » 

Eenige sterke kerels, voorzien van eenen voddeman en eenegroote sargie 



« Ons Volksleven. » 



of een zeil, gingen het kwartier rond, waar 't kermis was en lieten, onder 
het zingen van een liedeke, aan al de hoeken van de straten waar zij door- 
trokken, hunne pop luchtsprongen maken. 

Dat er veel volk op de been en oneindig veel vermaak was, hoeft niet ge- 
zeid. Na de vertooning wierd er rondgegaan, gelijk nu nog de orgeldraaiers 
met kermis doen. 

Het liedeke, op eentonige, ofschoon niet onbehaaglijke wijze gezongen, 
luidde als volgt : 

Vier mannen met vier mutsen 

Die kwamen aangegaan ; 

Zij vroegen om te rusten, 

Aan 't Schelleke bleven zij staan. 

't Is van Schelleke de(n) Ommegang, 

De{n) eene kreupel, de(n) andere mank ; 

Sa gelijk, sa gelijk. 
En laat hem toch niet vallen, 
Met zijnen neus in 't slijk. 
Ah een, ah twee, ah drij ! 

En de pop vloog in de hoogte, om onder het gejuich der menigte, al draai- 
ende en zwaaiende, op het zeil neer te vallen. 

Dat opwerpen wierd drijmaal herhaald op dezelfde plaats. 

Het waren vooral bewoners van het Schelleken die «vier mannen met vier 
mutsen »» deden. 

In het liêke dat wij aanhaalden, wordt er van « Schellekes Ommegang r 
gesproken. 

Die woorden doelen op de volgende gebeurtenis. 

Den 6" Juli 1653 reed de jaarlijksche Ommegang te Mechelen uit. Eenige 
voerlieden van 't Schelleken, die er met hun bijltje bij geweest waren, had- 
den het zeker ginder wat bont gemaakt, en kwamen van eene kale reis 
thuis, gelijk het volk zegt. 

Om zien hierover te wreken, besloten zij den volgenden Zondag eene pot- 
sierlijke nabootsing van den Mechelschen Ommegang door Antwerpens 
straten te laten trekken. 

Dat kwam echter aan de ooren der Mechelaars, die eene klacht indienden 
bij onze Schepenbank; zoodat de bewoners van 't Schelleken, van stadswege 
het verbod kregen, hunnen stoet te laten uitgaan. 

Niettegenstaande dat, kwam hij toch gedeeltelijk op straat. 

De gevolgen bleven echter niet uit, want de Schoutet liet de bijzonderste 
aanleggers, bij nacht en ontij, van hun bed halen en in de gevangenis wer- 
pen. 

De feest was wel is waar mislukt, doch de herinnering daarvan, zou nog 
zoo gauw niet verloren gaan, want zij gaf gelegenheid tot het volgende 
spreekwoord, dat tot heden niet geheel vergeten is : 

't Is Schellekes Omiaeganck 
Groot gerucht en cleynen danck. 



« Ons Volksleven. « 



Dat de stoet kluchtig moost zijn en dat de Mechelaars dus reden hadden 
om de spotzieke Sinjoren niet te vertrouwen, zegt ons hetliêke : 

• 't Is vau 't Schelleke de(n) Ommegang, 
Dc(n) cene kreupel, de(n) andere mank. 

Of de inwoners van het Schelleken het bij die enkele poging gelaten heb- 
ben, weet ik niet; zeker is het, dat zij niet vergaten bij elke feestelijke gele- 
genheid, « vier mannen met vier mutsen » te doen. 

Anhverpen. J. B. Vervliet. 



BIJDRAGE TOT DEN DIETSCHBN TAALSCHAT. 
gde "Woorden zange. 

Alevel (nadruk op de middelste lettergreep). — Nochtans, echter, toch. 
Samengesteld uit rtZ en eve/, oudtijds afer, Hoogd. nher. Dezelfde gedaante 
staat in Schuerm, voor Vlaanderen en Brabant. 

Alevelook (nadruk op -ey-)- — Alevel, nochtans, echter, toch. 't W. be- 
staat uit alevel en ooTc, Limb. evelooJc, Hoogd. ahcr auch. 

Avel (nadruk op -eZ). — Gekrompen uit erew/re/ of uit alcvcnwel. — Toch, 
desniettemin, desniettegenstaande. 

Bak, den. — jBfi^.scMn de woordenboeken ; hahle, haksfe in Vlaanderen. 
Schuerm. zegt : hier en daar gebruikt voor baksel, gebak, 't W. is in de 
Kempen overal ge.kend. 

Ei<3rbloem, de. — Sleutelbloem, Primula veris, Fr. primevere. Z. verder 
Schuerm. die het w. opgeeft voor Leuven. 

Evel. — Nochtans, toch, echter. 

« jE've? en ever staan in Pastoor Schuermans zijn Idioticon, als Limburg- 
sche en Brabantsche gedaanten van 't oud w aver, dat in Vanderschuerens 
Theutonista staar,, bladzijde 8, onder 't w. anderwerf. Dit evel, ever luidt in 't 
hoogduitsch abcr. Jacob Grimm zegt, in zijnen woordenboek, dat er bij de 
Neêrlanders geen spoor van 't hoogduitsche aher te vinden is. Wij Limburg- 
sche, Luiksche en Brabantsche Neêrlanders gebruiken ever, evel, alevcr, 
alevel, evelook (i) dageliks. w {'t Daghet in den Oosten, P jaar, bl. 22). 

GemuUig. — Los, licht, mullig. Gemulli ge gror.d, gemulliqe eerde. Gemul, 
fiemuïïig komen van mul, dat nu nog, hier en daar in de Kempen en elders, 
stof, eorde, zand bediedt. 

Nopens het w. mul (mol, moude) vinden M'ij het volgende in het diepge- 
leei-dc Loquela (Oostermaand 1886) : 

« Het w. malle, molde, moude is een van onze oudst veroorkonde en ge 
boekte woorden. De West-Gothicche Bisschop Ulfllas gebruikt het in zijne 
bybolvertalinge, A. D. 311-377, en hij spelt hr^t mulda; in 't angelsassensch 
is 't molde, 'm 't ijslandsch mold, in 't deensch muld, in 't zweedsch muil, in 
't middeleeuwsch engelsch molde, in 't nieuw engelsch mould, in 't vlaamsch 



(1) Vax nlerelook. 



« Ons Volksleven. » 



molle, molde, moude (i). Kramers zelve heeft het, w. : « Moude, y zeg-t hij, « f. 
iprovinc.) fcrre fine. f. » ?». 

Heislinder, den. — Grijze artis ot hagedis, zoo geheeten omdat zij tus- 
schen de heide slindert of slingert. 

Heiteek, de. — Een M'oekerinsect, zoo groot als eene kleine erwt, dat 
zich in de huid van sommige dieren, voornamelijk van katten en. honden 
vastzet, en zich zoo vol zuigt, dat men het er moeilijk kan uitkrijgen. 

Mul, het. — Z. Gemullig. 

Onderhand. Achtereen, seffens, binnenkort. Wij gaan onderhand ver- 
trekken. iBrejht.) 

Patappel, den. — Gekrompen \x\i patatappel voor : eerdappel [Halle in de 
Kempen en elders. j 

Rondring. — Rondom, rond ende om. Hij ging rondring het huis. [Vorst:] 
Vrgik. rinJirond in 't Daghet. 

Van langerhand. — Langzamerhand, allengskos; allengerhandm Vlaan- 
deren. 

St-Antonms-Breclü. Joz. Cornelissen. 

WEERSVOORSPELLINGEN EN BOERESPREUKSKES. 

(Vervolg van hl. 10, V jaargang) 
Regen. 

Voorteekens van regen zijn : 1° Als do ketels en de ijzeren potten vierigen; 
2" als de zwaluwen laag over den grond scheren; 3° als de pauw roept; 4° 
als de bieën bij hunnen korf blijven {Vrglk. l^jrg., hl. 10, n"" 1 en 2.) 

Vorst. 
Blauwe vlammen in het vuur voorspellen vriezend weder. 

Natte Zomer. 
Veelmierenhoopkes opliet land zijn oen voorteeken van'nen natten zomer. 

Schoon Weder. 

Vliegen de bieën 's morgens wijd van hunnen korf, 't is een teekea dat het 
overdag schoon weder zijn zal. 

Morgen- Avond . 

1. Als de dag scliijnt rood, 
Dat is water in de sloot. 

2. 's Morgens rood, 

's Avonds water in de sloot. ■ 

3. Zonneke rood, 
Waterken in de sloot. 

4. 's Avonds rood, 

's Morgens water in de sloot. 

(1) li^nimtl. 



«Ons Volksleven. " 



5. Mistige morgen — schoon e dag. 

Kerstmis. 

1. Een warme Kerstmis, een koude Paschen [Vrglh. Vjrg.,!)!. 11, n" 17. 

2. Vorst vóór Kerstmis geeft geenen afslag. 

3. Als 't Kindeken is geboren, 

Hebben de rapen hunnen smaak verloren . 

Sint-Sebastiaan (20® van Lauwmaand). 

Siut-Hastje 

Is een hard gastje ( Vrgik. l^ jrg., bl. tl, n° H) 

Sint-Paulus' Bekeering (25* van Lauwmaand). 

Met Sint-Paulus hek(eeri'>ig), 

Legt de ekster heuren eersten stek. 

Lichtmis (2^ Sprokkele). 

1. Lichtmis schoon en klaar. 
Geeft een vruchtbaar roggejaar. 

2. Lichtmis donker 
Maakt de boeren jonker. 

3. Lichtmis klaar 

Maakt de boeren bedelaar. 

4. Als met Lichtmis de boomen likken, 
Dan zullen de korenkerren kwikken. 

{Z. over Lichtmis, den ]"" jrg. bl. II, h" 10, II, 12. IS). 

Sint-Matthijs (24® Sprokkele). 

1. Sinte-Matthijs 
Breekt het ijs. 

2. Sinte-Matthijs 
Maakt of breekt het ijs. 

3. Sinte-Matthijs 

Gooit 'nen heeten steen op 't ijs. 

Sprokkelmaand. 

Al is de Sprokkel nog zoo fel, 

Hij levert toch zijne drij zomersche dagen wel. 

Meert- April-Mei. 

\. Half Meert 

't Spinnewiel uit den heerd. 

2. Half Meert 

Vier en licht uit den heerd. 

• 3. Half Meert 

De grispotten van den heerd. 

4. Meertsch gers — Aprilsch hooi. 

5. Een droge Meert 
Isgeldweerd, 
En een natte April 
Is den boer zijne wil. 



« Ons Volksleven. « 



(VrglJc. rjrg., hl. 11, n° 20). 

6. April moet de aren leveren, en Mei het bloeisel. 

7. Te Mei 

Heeft ieder vogel een neslje of een ei, 
Behalve de kwakkel en de spriet, 
Die timmeren te Mei nog niet. 

Sint-Job (10* Mei). 

L Sint-Job 

Zet booneu en houdt niet meer op. 

2. Sint-Job is de boonenzetter. 

Paschen. 

Late Paschen, 
Late zomer ; 
Vroege Paschen, 
Vroege zomer. 

Sinte-Margeriet (10^ Juni) — Sint- Jan (24« Juni). 

Met Sinte-Margeriet, 
Pikt men koren, rijp of niet; 
Eu met Sint- Jan, 
Pikt alleman. 

Sinte-Amelberga (10* van de Hooimaand). 
Met Sinte-Amelberga gaat de honingdeur open. 

Sint-Vincent (19" Juli) — Sinte-Anna (26' Juli). 

Met Sint-Vincent pikt die kan. 
En met Sint-An pikt alleman. 

Sint-Cathrien (25^ van Slachtmaand). 
Vriest het met Sinte Cathrien, dan vriest het zes weken. 
Sint-Andries (30^ van Slachtmaand). 

Sint-Andries, 
Spurrieke piep ; 
Vandaag zien ik u nog. 
Maar morgen niet {meer). (1) 

Over 't lengen en 't korten der dagen. 

1 . Sint-Jan (i4« van Weimaand) 
Is de langste dag 
En de kortste nacht. 

2. Met ürijkoningen (6* van Lauwmaand) lengen de dagen 'nen hanen- 
schrèe. 

3. Portionkel (i* Oogst) 
Te acht uren donker. 



4. Sint-Thomas (2/ December] 
Is (Ie kortste dag 
En de langste nacht. 



(1) Dan sneeuwt de spurrie dikwijls ouder. 



« Ons Volksleven. « 



5. Met Kerstmis lengen de dagen zooverre, alsdat ge eene teil pap kunt 
omstooten. 

Nog eenige Boerespreuken. 

L Boonen van genuchteu (zekere groote boonen), 
Veel bloemen maar weinig vruchten. 

2. De velden geschoren, 
De winter geboren. 

3. Droog gezaaid 
Nat gemaaid. 

4. Veel (h)ijzellochten in den winter, 
Veel koren in den oogst. 

5. Als de dagen beginnen gaan te lengen, 
Beginnen de nachten gaan te strengen. 

6. Koude dooi 

Is behouden dooi. 

(Verzameld in de Kempen). Joz. Cornelissen. 



SAGEN. 

1. (13) Muziekmakende Heksen. 

Een jonkman ging op zekeren avond zijne verloolde bezoeken. Onderweg 
hoort liij eensklaps boven hem een schoon muziek door de lucht varen. Hij 
neemt zijn pistool en schiet in de richting waar hij het muziek verneemt. 
Dadelijk hoort hij iets al rammelende naar beneden komen, en rondzoeken- 
de, vindt hij eene heele handvol sleutels. Hij steekt ze in zijnen zak en ver- 
volgt zijnen weg. Als hij in het huis van zijne verloofde kwam, toen was zij 
niet thuis, en de vader kon de sleutels van de kamers niet vinden. « Ik heb 
onderwege eene heele handvol sleutels opgeraapt, » zei de jonkman, « ziet 
eens of het de uM^e niet zijn. « De sleutels wierden nagezien en djanters ! 
het waren die van den boer. Daarmee wist de jonkman dat zijn lief eene 
heks was, en hij liet de verkeering voor goed staan. (Omstreeks Leuven). 
2. (14) Spoken te Lubbeek. 

Te Lubbeek is een huis, waar al langen tijd van jaren spoken kwamen, 
die met den nacht in vuurbollen veranderden. Men zegt dat die spoken nu 
al voor de derde maal verzonden zijn naar den oever der zee, waar zij moe- 
ten ronddolen. Na 36 jaar is de tijd om, en dan is het niet meer mogelijk de 
spoken te verzenden. Dan zullen ze zoo afgrijseUjk verschijnen, dat men het 
huis zal moeten afbreken. Wat er verder van is, weet ik niet. 

3. (15) Een Kattendans. 

Te Zoersel moest, over vele jaren, de meestergast van den brouwer eens 
'nen ganschen nacht werken. Rond middernacht ziet hij een twintigtal 
zwarte en grijze katten in de brouwerij verschijnen, die alle in eene ronde 



« Ons Volksleven, w 



om hem beginnen te dansen. De brouwersgast vult eene schep met kokend 
biersop en hoost dat onder de katten, die met een verveerlijk gehuil en 
geniauw wegvluchten. 

's Anderendaags lag de brouwerin met een verbrand been te bed. 

4. (16) De Tilkesjacht. 

Een oude bedelaar die tegen den avond door het veld kwam, hoorde in 
de locht een schoon muziek. Omhoog ziende, wierd hij een groot getal men- 
schelijke gedaanten gewaar die boven hem zweefden. Niet wetende wat 
doen van schrik, wierp de bedelaar zijnen stok omhoog. De stok bleef eeni- 
gen tijd boven, maar viel daarna terug op den grond, heel en gansch over- 
dekt met krabben en schrammen. De bodelaar hoorde eene stem die riep : 
« Als gij zoo'n goede kameraad van mij niet en waart, ge kreegt zooveel 
krabben in uw gezicht, alsdat er uw stok nu heeft.. " 

Dat was de TUl-esjacht die door de locht voer. (Omstreeks Leuven). 

AANMERKING. — Het geloof aan de Wilde Jacht (Helsche Jacht, Tilkcs-, Tiirkusjacht, enz.) is 
tegenwoordig nog zeer verspreid. Dikwijls heb ik eenvoudige lieden hooren beweren, dat zij som- 
wijlen 's avonds en 's nachts, Itijzonder bij onweer of stormwind, in de locht wonderlijke geluiden 
gehoord hebben. Meestal worden die geluiden als muziek, doch dikwijls ook als menschen- en 
dierenstemmen oj^gevat. Men weet niet juist te zeggen wat de Wilde Jacht eigenlijk is : de meesten 
nemen nochtans aan dat het heksen zijn die door de locht rijden. ( Vrglh. 't Daghet in den Oosten, 
2^ j)'g. bl. 167 en 191). Joz. Cornelissen. 



BOEKBESPREKING. 

Henry Carnoy. —Les Contes d'Animaux dans les Romans du Renard. 

(Collection internationale de la Tradition, Vol. Ij. — Parijs, Bure.ileu van « La 
Tradition », 1889. 

Er zal wel geen letterkundig voortbrengsel der Middeleeuwen bostam, dat zoo- 
zeer besproken en beschreven geweest is, als de Reinaert de Fos. Jong en oud 
kent hen, en menig sprookske leeft nog in den mond des volks voort, ontleend 
aan, of juister gezeid, vo'U'komende in den Beinaert, die eigentlijk eene verzirae- 
ling is van dierensprookskes, met wonderlijk vernuft en talent samengevoegd, en 
tot een geheel verwerkt. 

Dat de Reinaert zeer oud is, weet raen en eischt hier geen betoog. Alleen zij 
terloops gezeid dat de diersagen tot de oudste gesprokene letterkunde van alle 
volkeren bebooren, en niet het minste die sagen, welke de rampspoeden van vos 
en wolf vermelden. De oudst bekende schrijver die zich met de lotgevallen van 
den vos en den wolf bezighield, is As-scha' bi, die in 72.3 stierf. Andere Arabische 
schrijvers vertelden na hem, de guitenstreken en deugnieterijen van Rein en 
Isegrira, en Ibno'1 Djauzi — nogmaals een Arabisch schriftsteller, die in 't jaar 
1200 overleed — verzamelde al de spreuken en spreekwoorden die in 't Morgen- 
land, op de oneenigheden tusschen wolf en vos toegepast wierden. 

Hier en elders waren gemelde sagen bij overlevering bekend, en toen de opstel- 
lers van Isengrimus, Reinardus, Reinaert de Vos, Roman de Renart, enz., hun- 



10 « Ons Volksleven. » 



ne werken dichtten, waren deze maar in zooverre oorspronkelijk, voor wat de 
inkleeding, het rijm, enz. betrof: het onderwerp, namelijk de Reinaertsagen, was 
gemeengoed. Dis sprookjes, van allen opsmuk ontdaan, en in hunnen eenvoudig- 
sten vorm weergegeven, ziju voor al die de volkskunde beoefenen, van groot be- 
lang en dikwijls van zeer veel nut. 

't Is juist die reden, die den H'' Carnoy aanspoorde om zijn boekske te schrijven. 
Niet dat het gedacht nu juist van hem uitging, want A. Röthe, in het belangrijk 
en reeds zeldzaam geworden werk. Les Romans du Renard analyses {Parijs, 
1845), wees den H"" Carnoy den weg, en was hem zeer nuttig bij het opstellen 
van 't boekske, dat wij hier bespreken. 

Na eene korte, maar zakelijke inleiding, geeft de schrijver zijne « Notes sur les 
Romans du Renard, » Reinardus, Reineke, Roman de Renart, Ie Couronnemant 
de Renard, Renart Ie Nouvel en Renart Ie Contrefait. Elke dezer takken levert 
een zeker aantal sprookskes; de derde of Fransche tak is de volledigste en bevat 
er 84. 

Het werk van den H"^ Carnoy, een fraai boekdeeltje van 108 bl., is het eerste 
van eene reeks volkskundige schriften, die later eene belangrijke verzameling 
zullen uitmaken. J. B. Veevliet. 



NIEUWSKES. 
« Folklore wallon. » 



Het is een verblijdend verschijnsel voor den beoefenaar der volkskunde, dat de 
studie dezer belangrijke wetenschap meer en meer toeneemt in ons vaderland. 

Reeds hebben wij verscheidene tijdschriften voor volkskunst, die wel is waar 
DOg niet aan al de eischen voldoen, maar toch langzamerhand den weg bereiden, 
voorraad aanbrengen, en de liefde tot de volkswetendheid aanwakkeren en uit- 
breiden. Wij vernemen dan ook met groot genoegen, dat op het gebied der volks- 
kunde eene nieuwe onderneming tot stand kwam, die de beste vruchten zal afwer- 
pen. 

Wij bedoelen het stichten der « fi'oa'eïe dfe /b?A;Zoye «<;aZïow, » te Luik, de stad 
der folkloristen bij uitnemendheid. 

Die bond, gesticht onder het eerevoorzitterschap der HH. Godfriea Kurth, de 
beroemde geschiedschrijver en Aug. Hoek, schrijver der Croyances et remedes 
populaires au Pays de Liege, « telt tuaschen zijne leden al die als volkskundige 
naam heeft, in 't Waalsch gedeelte van ons land. 

Het doel der vereeniging is het volledig verzamelen van al wat tot de gesproke- 
ne letterkunde of dichtveerdigheid des volks, tot zijne gewoonten, gebruiken, zijn 
wangeloof, enz. behoort. 

Om dat doel te bereiken, zendt de maatschappij « Questionnaires n rond, met 
vragen, aanteekeningen en voorbeelden, ten einde den lezer in zijne opzoekingen 
te leiden en iiem het werk te vergemakkelijken. 

Later zal de voorraad der aanteekeningen en meedeelingen benuttigd worden 



« Ons Volksleven. » 11 



tot het uitgeven van werken die ons zoo volledig mogelijk, de volkswetendheid 
van 't Walenland zullen doen kennen. 

Die inlichtingen te geven of te vragen heeft, kan zich wenden tot den H' Jos. 
Defrecheux (90, Rue Bonne Nouvelle, Luik), denieverigen medestichter der nieu- 
we vereeniging. J. B. Vervliet. 

VRAGEN EN AANTEEKENINGEN. 

1. In Vlaanderen treft men waters, vijvers, poelen aan, die de schrik der bui- 
tenlieden zijn, en waarover men sagen en legendea vertelt. Deze waters, die eer- 
tijds plaatsen van vereering waren, hebben naderhand den naam gekregen van 
KloJcpuiten, NeJcJcerspiif ten (NeJikers, Nikkers = watergeesten), enz. Dat is de 
oorsprong van de menip^vuldige Duivelskolken, die men bijna overal vindt. Het 
ware belangrijk en nuttig te onderzoeken, of dit waogeloof ook in Antwerpen eu 
Brabant bestaat of er vroeger bestaan heeft, gelijk het overigens te denken is. Dat 
onderzoek kan geschieden bij middel van de plaatsnamen die eenige overeenkomst 
met de hoogergemelde vertoonen. 

2. Kan geen onzer lezers ons Reuzeliêkes, Sint-Niklaas-, Greef- en Sint-Mer- 
tenliêkes meedeeleu? 

3. Zou geen welwillend lezer genegen zijn om een of meer liêkes op te schrijven, 
die bij verhuizingen fcezongen worden en die begintien : Naar Oostland (of: 7iaar 
JRooseland) zullen wij rijden'^ Joz. Coenelissen. 

INHOUD VAN TIJDSCHRIFTEN. 

1. 't Daghet in den Oosten, Limburgsch Tijdschrift voor alle liefhebbers van Taal- en andere We- 
tensn-eerdigheden ; intnelf ajl., van acht bl , in 8°. — Hasselt, M.Ceysens, Bemer straat, II. — 
Prijs 1,25 /r. — l/r. voor de Studenten. — 5<*® jaargang. 

N" 10. — Limburgsch Kederlandsch : 10* Woordenzange. — Limburgsche Dichtveerdigheid. — 
De Koevermoete en de Kaaskop. — Bijgeloovig Gebed. — Natuurlik Middel en Bijgeloof. — Uit 
Boeken, Brieven en Bladeren. — Observatorium of Weèrbake. 

2. Volk en Taal, Maandschrift over Gebruiken, Geschiedenis, Taalkunde, enz., uitgegeven door 
de Zantersgilde van Zuid- Vlaanderen. — Ronse, A. Courtin, Statie-Straat, 199. — Prijs : ifr. 
'sjaars; — 1,50 fr. voor de Studenten. — 2'^'' jaargang. 

N° 6. — Over de Zuid-Ylaamsche uitgangen ie en ies, hie en hieds (F. de Vos). — Bijdrage tot 
den Kederlandschen taalschat (A. van Heuverswyn). — Sint-xsiklaasliedjes. (T. v. H.) — 
Spotzegsels (P. B.) — Raadsels (A. v. H.) — Jaakske met zijn fluitje (E. van Cauwenberghe). — 
Van Smidje Smee (T. van Heuverswyn). — Kapittel van Sint-Elooi te Eine. — Fransche tijd te 
Oudenaarde. Soldaten-Knevelarijen (K. van Caeneghem). — Spotrijmkes (T. van Heuverswyn). — 
Van alles (A. v. H.) 

3. Biekorf, dat is een leer- en leesblad, voor alle verstandige Vlamingen, verschijnende 24 maal 
's jaars, ten prijze van 4/r. — Brugge, Gebr. de Plancke, Sinte Clarastrate, I. — 1« Jaargang. 

N° 1. — Voorboodschap. — Bietjes (Seraphijn Dequidt). — Per nosto lengo mespresado. Lou 
mège de Cucugnan (Guido Gezelle). — Sint Eewouds en nog Sint Eewouds capelle te Sint-Andries 
bij Brugge (Aug. Van Speybrouck). — Sinte-Kathrine- blommen (Ed. G.). — Mingelmaren. 

N° 2. Lou mège de Cucugnan (Guido Gezelle). — Voetbrugge (Jan Craeynest). -- Sint Eewouds 
en nog Sint Eewouds capelle te Sint-Andries bij iTUgge (Aug. Van Speybrouck.). Voorbood- 
schap. — Roste Maue (Edw. Van Robays). — Mingelmaren. 

4. Volkskunde, Tijdschrift voor Nederlandsche folklore, onder redactie van Pol. de Munt en Aug. 
Gittée. — Gent, Ad. Hoste, Veldstraat, 44. — Prijs: 3fr. — Tweede jaargang. 

K" 1. De Slapende Jongeling, door D'' Edm. Veckenstedt. — Vertelsels: 1. Jan Martin de Wil- 
deman (A. Vermast). 2. Vertelsel om te doen schrikken. De Spookhand (Pol. de Mont). — Onze 



12 « Ons Volksleven. « 



Oude Liederen: 1. Meiplanting (P. d. M.). — Boekbeoordeelingen, door de Mont en Aug. Gittée. 

— Vragen en Aanteekeningen. — Boersche Grappigheid (P. d. M.). 

5. Hel Belfort, Tijdschrift toegewijd aan Letteren, Wetenschap en Kunst. — Prijs 6 fr. Gent, 
A . SiJ'er, Hoogpoort, ö2 en ó'4. — Vijfde jaargang. 

N"^ 1. — Hoogleeraar Jan David (H. Claeys.). —De Encycliek Libertas Proestantissimum (Mgr 
Kutten.) — Louis Veuillot(E. Pauwels). — Atmosferoscopen (J. V. Helvoort). — De bespreking 
van het wetsontwerp over het hooger onderwijs (A. De Ceuleneer). — Twee Friesen te Brussel 
(Johan Winklt^r). — Een oud gelukzalig nieuwjaar (D"" Guido Gezelle), — Zesmaandelijksch over- 
zicht (S. P.). — Vreugde en leed ([lilda Ram). — De aanbidding der Wijzen (Karel Quaedvlieg). 
Boekennieuws en Kronijk. 

6. Het Davidsfonds, Letter'kvMdig en WetenschappeJijk Maandschrift Prijs : t,2Sfr. — Antwer 
pen, A. De Koninckx Lombaardevest 8K — Tweede jaargang. 

K^o 12. — Frans-Xavier de Feller, door Mathot. — Boekbeoordeelingen : De Dood van Karel 
den Goede, door J.F. De Herdt. — Verstooten Geluk door Folkert. — Maria Almanak door K. I.. 

— Scheurkalander. — Inhoudstafel. 

7. De Student, Tijdschrift voor het Ylaamsche StudentenvolTi. — Prijs : Ifr. — Leuven, Alf. 
Meulemans-de Preter, Muntstraat, 25. — 10" Jaargang. 

j^o 1, — Vlaamsche Drukpers. — Oud Liedeken. — Aan onzen vriend De Beucker. — Aan een 
jongen Dichter. — Mane, Thekel, Phares. — Aan V. v. H. — Is Rodenbach de stichter der Stu- 
dentenbeweging. ? — Mengelingen. 

8. Folklore wallon — (Liége, Impr. H. Vaillant-Carmanne). — 

Proefnummer. — Aux Wallons. — Specimens de notre questionnaire : Jeux des mères avec 
les petits enfants. — Rondes. — Chant des trois Rois. — Contes populaires. 

N° 1. — La Société du Folklore wallon. — Remerciements et conseils. — Notre questionnaire : 
I. Sorciers et Sorcières.— Commeut on les reconnait. — Les sorciers qui se changent en bêtes. — 
Cauchemar. — Sabbat. — Pacte. — Tours des Sorciers. — Sorts et sortiléges. — Nouveaux adhe- 
rents. — A nos Collaborateurs éventuels ! 

La Tradilion, Revue générale des Contes, Légendes, Chants, Usages et Arts populaires, paraissant Ie 
ia de chaque mois. Direction : M.M. Emile Blémont et Henry Carnoy. — Paris, aux bureaux de la 
Tradition, 33, Rue Vavin. — Prijs : ISfr. — 3" Jaargang. 

N" 12. — La légende de Persée, par Henry Carnoy. — Le mois de mai (suite), par Joseph De- 
frechenx et D"" Guiseppe Pitré. — Chansons grecques III, par Antonin Proust, — Contes popu- 
laires de Ijorraine de M. Emmanuel Cosquin. — Docteur Stanislas Prato. — Fonction sociale de 
la tradilion, IV et fin, par Emile Blémont. — Le branie du paradis, par Charles de Sivry. — Les 
empreintes merveifleusses, IV, par Angustin Chaboseau, — The blue fairy-book, par Andrew 
Lang. — Marinette, poésie, par Gabriël Vicaire. — Contes populaires de 1 'Egypte ancienne, par 
Judith Gautiër. — Les Rosières, I par Joannès Plantadis. — Poésies semi-populaires, serenade, 
par A.-L. Ortoli. — Livres de divinatiou, par Jean Nicolaïdes, Emile Blémont. — Bibliographie, 
par Henry Carnoy, Raoul Gineste et Charles de Goffic. — Table des matières du Tomé III de la 

Tradition. 

The Journal of American Folk-Lore, edited by Franz Boas, T. Frederick Crane, J. Owen Dorsey, 
W. W. Newell, General Editor. — Boston and New- York, published for the American Folk-Lore 
Society by Houghton, Mifflin and C'y. — Annual subscription S. 3,00 (= 3 dollars). 

Vol. II July-September 1889, N° VI. — 1. Notes on the Cosmogony and Theogony of the Mojave 
Indians of the Rio-Colorado,Arizona (John G. Bourke.) — 2. Omaha Folk-Lore notes (J. Owen 
Dorsey). — 3 Folk-Lore ol the Pennsylvania Germans. — III. Tales and Proverbs. (W, J. Hoff- 
man). — 4. Current Superstitions.— III. Weather-Lore (Fanny D. Bergen and W. W. Newell). — 
5. The house that Jack built. (H. Pomeroy Brewster). — 6. Euglish Folk-tales in America. — 7. 
l.eaves from my Omaha noie-book. (Alice C. Fletcher). — 8. Arab legend of a buried monastery. 
(IL C. Polton). — 9. A Mohawk legend of Adam and Eve (A. F. Chamberlain). — 10. Waste-bas- 
ket of words. — II. Folk-Lore scrap-book. — 12. Notes and queries. 13. Notes on the Folk-Lore 
of other continents. — 14. Bibliographical Notes : 1. Books. — 2. Journals. 



ONS VOLKSLEVEN 



Antwerpscli-Brabantsch Tijdschrift 
voor Taal eu Volksdichtveerdigheid , 
voor Oude Gebruiken, Wangeloof kunde, 
enz, 

In twelfnonimen van twelf bladzijden 

in 8<'. 

Te Br ECHT, 



Lij L. Braeckmans. 




« Er is nog een rijke oogst op het veld 
der gewestsprakeu voorhanden; veel 
volksuitdrukkiugen dreigen te verdwij- 
nen die ora hunne juistheid, schilder- 
achtigheid of oudheid verdienen in de 
schrifttaai opgenomen en bewaard te 
blijven. » 

/tJID-^"EDERLA^'DSCHE MAATSCHAPPIJ 

VAN Taalkunde, Wedstrijd 1874. 

"De studie der folklore heeft voor doel 
ons volk in zijne eigenaardige zeden en 
gewoonten, in zijn innig geloof en karak- 
ter te leeren kennen, in één woord, het 
volk 20oaIs het is. » 

Vraagboek over Vlaamsche Voïkshunde. 



VERTELSELS. 

1. (11) Van drij Gebroers en hunne vijf Knechts. 

De koning moest binnen vijf dagen ten oorlog varen, maar 't koninklijk 
schip was versleten en kapot. 

Daar waren drij gebroers in dat land en die kosten danig goed schepen 
maken. De koning zond er 'nen bode naartoe om een schip te doen bouwen, 
en hij liet aan de timmerliê zeggen : «Als ge binnen de drij dagen een schip 
gereed hebt voor den koning, dan krijgt gij zooveel geld als éen van uliê 
dragen kan. " En de drij gebroers die vielen seffens te accoord met den 
bode. » Zoo gezeid, zoo gedaan ! » zeiden ze, en ze gongen er eene pint op 
zetten. 

En 's anderendaags begosten ze al vroeg te werken, en tegen den noen, 
terwijl twee van de gebroers om berd waren, kwam er een oud wijf bij den 
andere, die nog aan zijn werk was. 

*. Timmerman, » zei het wijf, - geeft mij als 't u belieft uwen boterham ! » 
« Neen, dien krijgt gij niet, oude " zwosh, » zei de timmerman. 

— « Ah ! ik krijg hem niet !.... Ehwel, eerdat er eene uur verloopen is, 
kapt ge in uw been ! « 

— « Loopt naar de maan ! n 

Het wijfke gong en, eerdat er eene uur verloopen was, kapte hij zijn been 
halt over. 

's Anderendaags kwam het wijfke tegen denzelfden tijd terug, en 't vroeg 
aan den tweeden broer, die ook alleen aan zijn werk was : 

« Meester, geeft mij uwen boterham ! » 

— « Neen, du leelijke tooverheks, maakt maar dat ge weg komt ! Gij 
zijt het, die mijn broer in zijn been doen kappen hebt ! » 

— « Ehwel, als ge mij uwen boterham niet en geeft, dan zult ge juist 
varen gelijk hij. » 

— «Loopt naar den duivel als ge goesting hebt! Ge moet niet peinzen dat ik 



14 « Ons Volksleven. ■» 



bang ben van al die hekserij,want als ge eene hand naar mij durft uitsteken, 
dan kap ik ze rad af ! « 

En 't wijfke stak zijne hand uit en de andere wou kappen, maar hij kapte 
zijn been half over. 

Daags daarop was de derde broer alleen op den werf aan 't timmeren, 
en daar ziet hij mij ook datzelfde scherminkel van een wijfken afkomen. 

— « Geeft mij als 't u belieft uwen boterham, ^ zei het, « ik heb zoo 'nen 
honger ! » 

— « Daar vrouwke, « zei de timmerman, « speelt hem maar binnen, en 
neemt ook wat van de eetwarijen die er bij liggen. « 

En 't wijfke nam en at smakelijk. En als het zijne bekomste geëten en 
« danke " gezeid had, toen sprak het : « Voordat het avond is, zult ge met 
uw schip klaar zijn, n 

En het werk gong vanzelf en de stukken, houten en berderen kwamen 
bijeen, ofdat ze gedragen wierden, en de timmerman docht niet anders of 
de kaboutermannekes werkten m.et hem mede. En eerdat het donker wierd, 
lag het schip in de reede gansch gereed, toegetakeld en geballast. 

's Anderdaags 's morgens voeren de drij gebroers naar den koning zijn 
kasteel. Toen ze pas aan 't varen waren, kregen ze 'nen man in de oog, die 
op den oever 'nen stannaat (i) aan 't wringen was voor 'nen band. 

« Kunt gij dat ? » vroegen de drij gebroers. — " Zooals gij ziet, » antwoor- 
de de man. — ^ Als ge met ons meegaat, dan krijgt ge zestien en halven en 
den kost. « « Ja 'k, » zei de man, en hij voer mee. 

Wat verder zagen ze er eenen met zijne oor tegen den grond liggen. 

« Wat doet gij daar? w vroegen de drij. — w Luisteren, ofdat mijn koren 
nog niet aan 't schieten en is. " — « Kunt gij dat hooren ? »» — «Ja, maar ik 
hoor dat het nog maar begint te kiemen. y> — ^^ Wilt ge met ons mee ?... Ge 
krijgt zestien en halven en den kost. w — « Ja ik, « zei de man, en hij voer 
mee. 

Toen zagen ze 'nen jager die zijne beenen aan 't bijeenbinden was. 

« Waarom doet gij dat ? r> vroegen de drij gebroers. — « Wel, r, zei de 
jager, « deed ik dat niet, ik liepe al de hazen en reebokken voorbij. » En hij 
voer ook mee voor zestien en halven en den kost. 

Wat verder zagen zij 'nen man met eene pijp in zijnen mond, op den wa- 
terkant zitten. 

" Wat doet gij daar ? » — «Ik ben aan 't smoren. » — « Jamaar, wij zien 
geenen i'ook uit uwen mond komcii ! « — "Ik smoor al zeven jaar, en nie- 
mand lioeft ooiL rook van mij gezien. « — « Wilt ge met ons meevaren ?.... 
Ge krijgt zosti(M en halven en den kost. r: — « Ja ik, » zei de smoorder. 

Toen zagen zij 'nen man die de muggen van 'nen toren schoot. Hij had al 

(1) stannaat is de verbasterde ui<si)raak van Standaart, Standaard, d. i. meulenstander, meu- 
Icuboom, meuleuas, bij Kiliaen. L. aivis molaris. J. C. 



« Ons Volksleven. » 15 



zijne tesschen reeds vol muggen zitten en nog 'nen groeten zak daarbij. 

« Wat doet gij daarmee ? « wiord er hem gevraagd. — « Later laat ik die 
allemaal ineens vliegen,» antwoordde de schutter. Zij boden hem ook zestien 
en halven en den kost en hij voer mee. 

Nu hadden ze volk genoeg, en ze kwamen bij den koning om hunnen 
loon, maar de koning had hun schip niet meer vandoen, want 't was weer 
vrede. 

« Jamaar, dat gaat er alzoo niet, » zeiden de broeders, « we hebben wij 
ons geld eerlijk verdiend, n — « Ehwel, n zei de koning daarop, « die van 
uliê het beste loopen kan, die moet tegen mijnen knecht oploopen ; en als ge 
wint, dan krijgt ge 't geld. « 

« Jager, « zeiden de gebroers, « doet gij den knecht van den koning eens 
verlieren ! » 

En de jager en den koning zijne knecht tegeneen aan 't loopen !... Ze 
waren al 'k weet niet hoelang weg, en ze bleven weg. De drij gebroers kre- 
gen er kranke zinnen op en ze zeiden ondereen : « Onze man zal verspelen, 
want hij blijft te lang achter. » 

« Ik zal eens luisteren, » zei de luisteraar, « ofdat hij nog niet af en komt » 
En hij lei hem met zijne oor tegen den grond. " Ehwel, hoort gij iets van 
hem ? n vroegen de drij. — « Hij ligt op den weg op 'nen ezel te slapen. Hoe 
hem nu wakker gekregen ? » 

« Da 's minder as niks, » zei die de muggen van den toren schieten kost, 
« 'k zal ek-ik hem wel wakker schieten ! « 

Hij nam zijnen boog, schoot en pang !... de looper tuimelde van den ezel 
af. Hij sprong op en liep uit al zijne kracht voort om den verloren weg in te 
halen, en hij weerde hem zoo dapper, dat hij lang vóór den knecht van den 
koning aankwam. 

De prijs was gewonnen. Zij gongen dan het geld in zakken doen, en ze 
mochten er zooveel van meenemen, als de sterkste dragen kost. 

Die 'nen stannaat voor 'nen band wringen kost, lei 'nen zak op zijnen kop 
en twee op zijne schouders, en toen nam hij er nog twee voor handstokken. 
Zoo geladen gong hij het schip op, dat zij ook houden mochten. 

« Maar dat gaat een beetje over zijn hout ! « riep de koning, en hij deed al 
zijne soldaten bijeenkomen. " Achtervolgt ze, » riep hij, « en pakt al hun 
geld af! » 

En de soldaten liepen naar den oeverkant, maar als ze daar stonden, 
schietensgereed, toen deed de muggenschieter al zijne tesschen en zijnen 
groeten zak open, en de muggen vlogen met millioenen naar de soldaten en 
staken ze half doof en blind. En de smoorder liet den rook vliegen, dien hij 
al zeven jaar bewaard had, en daar kwam eene groote, heel groote wolk 
smoor uit zijnen mond, en de soldaten versmachtten er allemaal af. 



16 « Ons Volksleven. » 



En de drij gebroers voeren mot hunne mannen weg on, als ze niet uitge- 
scheeden zijn met varen, dan varon ze nog. 

Gehoord te B er/ij nendij Je. Guldenvlies. 

AANMERKINGEN. — Van dat met-kweerdig vertelsel lazen wij twee varianten in Volk en Taal, 1«° 
jaarg., céne in Am. Joos' F(?;'^f^5efc en ééne, getiteld Van de zeven Winnaars der Koninginne van 
Missisipi, in VollsMnde, 2^" jaargang. 

1. In de eerste lezing in Volk en Taal is er spraak van vier broeders die één voor één op reis 
gaan om 'nen grooten diamant te winnen. De oudste broeder ontmoet een oud ventje, en wordt 
er door verslagen. De twee volgende varen evenzoo, maar de jongste, een onnoozele, krijgt van 
het oud manneken een schip, waar hij zijne reis mee voortzet. Hij komt tegen : 1° eenen man die 
met zijne beenen bijeengebonden ligt; 2° eenen die zeer verre hooren kan; 3° eenen die door zijn 
een neusgat blaast en 'nen meulen draaien doet die 300 uren wijd staat ; 4° eenen reus die groot e 
boomen uit den grond rukt en er een hevig vuur van stookt. Hier worden door de koning twee 
proeven gesteld, eerdat hij den schat afgeeft: 1'^ tegen zijnen hardlooper winnen, 2" drij dagen 
in 'nen heeten oven zitten. De reus gaat in den oven, en die met zijne beenen bijeengebonden lag, 
wordt tegen 's konings looper gezet. De luisteraar hoort dat hij onderwege in^slaap gevallen is, 
doch de blazer blaast hem wakker. Door den koning achtervolgd, die spijt heeft den diamant af- 
gestaan te hebben, blaast de man met de sterke longen al de soldaten in 't water. 

2° In de tweede lezing maakt het oud manneke geen schip, maar wijst den kortsten weg aan den 
jongste, nadat hij beurtelings diens drij broeders verslagen heeft. De onnoozele huurt de volgende 
knechten : 1" eenen hardlooper ; 2" eenen luisteraar ; 3^ eenen schutter die eene vlieg heure vleu- 
gels afschiet op 300 uren afstand, 4» eenen smoorder, die den rook bewaart, 5° eenen jongen kerel 
die aan 't bollen is met meulensteenen. — Dezelfde proef als in de variante van Begijnendijk. 

3. De variante in Am. Joos' Yertelsels spreekt van zeven wondere mannen: 1" van 'nen man, ge- 
laden met twee zware eiken ; 2° van eenen de schudt en beeft van de koude en zeven winters in 
zijnen zak heeft zitten; 3° van 'nen luisteraar die 50 uren verre hoort ; 4" van 'nen looper, wiens 
beenen bijeengebonden zijn ; 5° van 'nen scherpschutter met 'nen boog van 5 meters lang ; 6° van 
eenen die met zijne tanden grachten en slooten graaft, en eindelijk, 7° van 'nen man die, met eens te 
drinken, de zee 'nen meter zakken doet. — Dezelfde proef. De luisteraar hoort dat de looper op 
den grond te slapen ligt, met zijn hoofd op een stuk hout ; de scherpschutter schiet het hout weg. 
De koning achtervolgt hen met zijn leger. De graver delft met zijne tanden eene groote diepte, 
de drinker spuwt ze vol met het water dat hij uit 'nen naasten stroom gedronken heeft ; het leger 
baadt door het water, doch de vriezer laat eenen winter uit zijnen zak, en de koning zit met zijne 
soldaten in 't ijs vast. 

4. In het vertelsel, meegedeeld door Yolkskunde is er geene spraak van 'nen schat, maar van de 
koningin te winnen. Behalve de schepschutter, de luisteraar, de hardlooper, de sterke reus en 
de drinker, die wij reeds in de andere varianten aantroffen, zien wij hier nog een ander person- 
naadje optreden, namelijk een eter die door onverzadelijken honger gedreven, genoodzaaktjis eer- 
de te vreten. — Di'ij proeven : 1" tegen 'nen dienaar der koningin eten ; 2" tegen 'nen anderen die- 
naar drinken, 3" tegen de dienaresse der koningin loopen.. De proeven gelukken en daar de koning 
de koningin niet wilt afstaan, neemt de reus het paleis met koningin en al op zijne schouders en 
men gaat er mee op de vlucht. Het vertelsel eindigt met de dood van den koning, die door den 
reus verslagen wordt, en., de koningin is gewonnen. 

Joz. Cornelissen. 



Dierenverlelsels. 

2. (12) De twee Honden. 

Een pachter had nen hond gekocht, en hij lei hem aan den band. Dat stond 



I 



« Ons Volksleven. » 17 



de arme beest niet wel aan. Zij zou veel liever los en vrij geloopen hebben, 
als den heelen tijd, met band of keting rond den nek, in of voor haar kot 
liggende, het erf van den meester te bewaken. 

De hond was 't spel beu, al eer het begost; hij wrong, trok en beet dan 
ook zoolang en zoo hard, dat hij eindelijk losgeraakte, en reep ! hij was de 
gaien uit. 

Nu was hij vrij, vrij als de vogel in de lucht! Hij liep, sprong en baste, 
en was ja zoo gelukkig als hij 't maar wenschen kost. Maar ziet, na eenigen 
tijd wierd hij ruig van pels, vuil en verwilderd van uitzicht en op den duur 
zoo mager als eone graat. Dat gaf me ook geen wonder, want hij gong zoo 
dikwijls slapen, zonder dat hij zijnen dansenden beer had kunnen siillen ! 

't Gebeurde eens dat hij al snuffelende aan eene hoeve kwam, waar een 
schoone bandhond lag. Hij ging er bij en had er spoedig kennis mee. Hij 
vertelde dan zijne lotgevallen en prees zijne vrij- on blijheid; maar hij liet 
toch 'nen diepen zucht, als hij de welgevulde schotel nevens het kot van zij- 
nen makker zag staan. 

De band hond had geene woorden genoeg om zijn gerust en zorgeloos leven 
te beschrijven. Drijmaal daags wierd zijne schotel gevuld, en 'l was geen 
arme-menschenkost zulle ! Verder niets te doen als daar maar liggen luie- 
rikken; als de meester kwam, met den steert kwispelen en vriendelijk blaf- 
fen; kwam er nochtans een vreemde, dan moest hij zijne tanden laten zien 
en bassen, om de huisgenooten te verwittigen. Voorwaar, beter leven kost 
hij niet wenschen, en hij ried zijnen makker aan het ook maar eens te be- 
proeven. Dan zou hij ook vet worden, 'nen fijnen pels krijgen, en er wat 
fatsoenlijker worden uitzien. 

Onze vluchteling was bijna omgeklapt, maar daar viel zijne oog op den 
nek van zijnen kameraad. « Wat is dat daar voor eene kale plek aan uwen 
hals ? n vroeg hij hein. — « Och ! dat is niets, n zei de andere, " dat komt van 
den band dien ik rond mijnen hals draag. In den beginne voer mij dat ge- 
weldig, maar nu ben ik er aan gewoon. » — « Zoodat gij voor uwe volle 
schotel uwe vrijheid verruild, en 'nen kalen nek gekregen hebt n, zei de ma- 
gere hond, " neen, neen, 

« Liever vrij en geen eten, 
Als 'nen volieu buik en eene ijzeren keten ! » 

En op één, twee drij was hij den werf af en aan 't ioopen zoo hard hij kost! 
En als hij niet opgehouden heeft, dan loopt hij nog. 

Antwerpen. J. B. Vervliet 



KWELVERTELSELKES. 

1. (13.) Een Vertelsel zonder einde. 

Daar was eens een schaapherder die veel, o zooveel schapen had. Hun ge- 
tal was zoo groot, zoo groot, dat hij er zeker wel 100,000 tellen kost. 



« Ons Volksleven. « 



Om aan al die schapen voedsel te geven, was er veel weiland noodig, maar 
iederen keer wierd het op korten tijd kaal gefret. 

De schaapherder begost dan voor hongersnood te vreezen, want hij wist 
niet meer waarlienen. 

Daar schoot hem eensklaps te binnen, dat hij in zijnen jongen tijd, nog in 
destreek geweest had, waar hij nu zijne schapen hoedde. Niet verre van 
daar moest hij eene lange, smalle brug, over een heel diep waterke vinden, 
en daarachter onafzienbare weiden, waar het malschte en sappigste gras bij- 
kans tot eene manshoogte opschoot. 

Hij trok dan met zijne schapen verder, en cerdat de avond begost te val- 
len, had hij de brug bereikt. 

Dat was me goed, maar de brug was zeker eene halve uur lang, en daar- 
bij zoo smal en zoo dun, dat er maar één schaap seffens overkost. 

Daar het nog al 'non heelen tijd zal lijden, eerdat de herder met al zijne 
schapen over de brug zal zijn, zoo moet ge voor den oogenhlih maar wat ge- 
duld hebben ; als ze er allemaal over zijn, zal ik voortvertellen. 

[Antwerpen.) 

2 Daar kwam een verkeii en een hin, 3. Daar kwam een boer met een kind, 

Mijn vertclselken is in 't begin ; En 't vertelselke begint; 

Daar kwam een verken en een kalf, Daar kwam een boer met een kalf, 

Mijn vertelselken is half; En 't vertelselken is half; 

Daar kwam een verken met 'nen langen 1 aar kwam 'nen boer met een fluit 

[snuit, En 't vertelielken is al uit. (2) 

En mijn vertelselken is uit. (1) 

(Aarschot.) (Leuven. 

4. Ik ga(arj) u iet vertellen 
Van Peeternellen. 
Ge moogt het niet verklappen, 
Of ik zal op uw neuske lappen. 
Daar zat 'ne pier in 't gers 
En hij zong, en hij zong, 
Dat de zeever uit zijn bakkes sprong. 
Was dat geene kwade pier, 
Dat hij zijn bakkes niet toe en hiel(d) ? (3) 

[St-A ntoniuS'Bircht.) 

J. B. VERVLIET. 



KEEST- EN NIEUWJAARSLIEDEKENS. 

(Vervolg van bl. 25, V^"" jaargang.) 

1. Xoewejaorke lente 2. iSoewejaarke zoete, 

liakt 'iie(n) koek van kreiite(u), 't Verken heeft vier voeten, 

Bakt 'ne(n) koek van buildenbrood Vier voeten en 'nen steert : 

En gooit hem mer in miinc(n) schoot. (4) Ik zijn nog wel 'nen nocwejaar weerd. (4) 

■ (Breekt.) (JBrecht.) 

(1) Meegedeeld door den \laamschcn Broederbond . 

2) id. door den Heer Is. V. d. V. 

3) id. door den Heer Joz. Cornelissen. 

4) id. door den Heer J. Michielsen, Brecht. 



« Ons Volksleven. » 



19 



Met dezen Nievejaore 

Tapt e pin(t)kG ve(r)sch, 

Mijn koei die en gestorven, 

Me pièid (= peerd) staol op de baon, 

I)ao(r)mee ben ik bedorven 

Met dezen Nievejaor. (1) 

{Aarsekot.) 

a) Devote ziel die God mint bovenal, 
Komt en ziet wie dat hier leit in dezen stal. 
Het is de Zoon al van den grooten God, 
Geboren bij de beesten in een kot. 
Ja, en al zonder deur of alot. 

b) De Allerhoogste leit hier op het strooi, 
l»e Zoon deSjMenschen op een bussel hooi. 



Ja, en zoo vrordt er zijn rijk aanzet. 



? (2; 



Met deze slechte tijden, 
Wij komen om nieuwejaar. 
En is er wat te krijgen ? 
Wij zingen al hier en daar. 
En al die niet gaan zingen, 
Die pei(n)zen op andere dingen, 
De meisjes principaal, 
Pei(n)zen op geenen nieuwejaar. 

{Omstreken van Haacht.) 

Liene Moeike, ik koom klagen, 

Mijne moeder laat mij thuis alleen; 

Zij is ook naar Bethleem dragen, 

In tranen en geween. 

't Is klaar, 

Voorwaar, 

't Is met dezer tijden 

Om te verblijden, 

Al in het zalig Nieuwejaar. 

Pee de Pinter zal bij een riviere, 

Met zijn klein keteltje op zijnen schoot; 

Hij wou ook gaan feestdag vieren : 

In zijn schapraaiken en was geen brood. 

't Is klaar, 

Voorwaar, enz. 

{Rotselaar.) 



4. Zoete naam Jezus uitverkoren, 
In 'i stalleken is hij geboren 
(Van) eene zuivere maged klaar; 
Opdat wij zouden leeren 
Van zonden tot deugden te keeren, 
Al met dezen zaligen Nieuwejaar. 
{Rotselaar.) 

c) Maria, moeder ende maagd, 
Aan heur borst het kindje Jesus laaft. 
Zij laat het zuigen van haar hertebloed. 
Zij zingt een liêke met een rein gemoed : 
Nij) nij, nij, nij, nij, nij, nij, kindje zoet. 

d) Daarbij slaat Jozef, de heilige man. 
Hij dient de Moedermaagd alwaar hij kan; 
Hij klieft het hout, hij roert de pap, hij legt 

[een vuurken aan. 
Ja, het wordt al door hem gedaan 
Ja, in het schijnen al van de maan. 

{Botselaar.) 
7. Oudejaar, 

Sukkeljaar, 
Lam en krom, 
Doof en stom. 
Jaag wat meer, je luie klok, 
Eerst 'en borrel, eerst 'en slok; 
Zeg, weet gij 't al, 
Wat het nieuwe u brengen zal? (3) 

{Gelderland.) 

9. Rooze — roozeblommeken 

Wie ligt daar in dat kommeken ? 
Een klein kinneken klein. 
Wie zal dat kinneken kussen, 
Met zijnen roozemond ? 
De Hemel is gesloten 
Van over vijf duizend jaar. 
Hij moet er wederom open 
Met dezen zaligen Nieuwejaar. 

{Lang dorp.) 

10. Op het veld daar stond 'nen herder, 
En daar kwam 'nen engel aan, 

En hij kwam allengs al bij der 

En tot op dezelfde baan. 

En Maria met al heure schapen {sic) 

Kwam er vreugd en blijdschap rapen, 

Blijdschap in 't openbaar 

Een zalige Nieuwejaar. {Langdorp.) 



(1) Meegedeeld door den N laamschen Broederbond van Aarschot. 

(2) Welk is het derde en het vierde vers ? 

(3) Meegedeeld door den Heer Alf. Harou, Antwerpen. 



20 



« Ons Volksleven. » 



11, 't Was op eenen nieujaaravond, 12- 

Den bakker sloeg zijn wijf, 
Al met de heete pale 
Zoo deerlik op beur lijf. 
Wat ga me den bakker geven 
Al voor zijn nieuejaar ? 
— Eenkinnekenin de wiege, 
Met schoon gekrinkeld haar, 
Hoe ga me dat kinneken heeten ? 
— Jan Battiste, 

Suiker in de kiste, 
Vleesch in de pot ; 
Jan Battiste is toppezot. (1) 

(Oostcamp, nevens Brugge.) 

N° 11 en 12 te vergelijken met bl. 3 
en met n° 8 bl. 27 van den eersten jaar- 
gang. 



Op eenen ouj aarsavond, 
Den bakker sloeg ze' wijf. 
Al met de heete pale 
Zoo deerlijk op haar lijf. 
Wat zullen we den bakker geven. 
Al voor zijn nieuwejaar ? 
Een kindjen in de wiege 
Met schoon gekreukeld haar. 
Hoe zal men dat kindje heeten ? 
Joosje uit de keete, 
Joosje uit den roggenentrog, 
Wil je gaan kijken, 
Het zit er nog. 
Het zat er aan de tafel 
En kreeg een stukje wafel, 
Het zat er in een hoekje 
En kreeg een stukje koekje, 
Het zat daar op den zoldertrap 
En 't kreeg een grooten schop onder ze gat. (2) 
{Aardenburg , Zeeland.) 



13. 1) Eén is er, één in Jesum-Christum, 
In het openbaar 
Met Jesus zullen wij vroolijk zijn, 
Met dezen zaligen Nieuwejaar. 

2) Twee zijn er, twee tafelen Moyses 
En ééne Jesum-Christum 

In 't openbaar. 
Met Jesus, enz. 

3) Drij zijn er drij, de drij Patriarken, 

De twee tafelen Moyses 
En éene Jesum-Christum 

In 't openbaar. 
Met Jesus, enz. 

4j Vier zijn er, vier, de vier Evangelisten, 
De drij Patriarken, enz. 

5) Vijf zijn er, vijf, de vijf wonden Christi, 

enz. — 

6) Zes zijn er zes, de zes kruiken water eu wijn. 
Die van den Heer geschonken zijn. 

Vijf wonden Christi, enz. 

1) Zeven zijn er, de zeven Sacramenten, 
De zes kruiken water en wijn, enz. 



8) Acht Zaligheden. 

9) Negen Koren der Engelen. 

10) Tien Geboden Gods. 

11) Elf duizend Maagdekes. 

12) Twelf Apostelen, enz. 

{Rotselaar.) 

14. Herderkes van buiten, 
Lustig op de been ! 

Met trommels en met fluiten, 

Trokken we recht naar Bethlehem, 

Te Bethlehem is geboren 

De groote God van al, 

Die het leven heeft genomen 

In eenen armen stal. 

Ik heb hier nog drij eikens. 

Warm in den nest ; 

Ik heb hier nog een schaapken. 

Het is zoowel gemest ; 

Ik heb hier nog een vlaaiken 

In mijn korf ken staan, 

Om u te vereeren, 

Kindeken teere. 

Laat ons gaan. 

( Vroeger te Aarschot ) 

15. Herderkes van buiten, 
Spoedt u op de been. 

Met trommels en met fluiten. 



(1) Opgenomen door A.-J. Witteryck. 

(2) Meegedeeld door den Heer A. D. C, Geut. 



« Ons Volksleven. » 



21 



16. 



Keeht naar Eethlehem. 

Want daar is geboren 

De God van al, 

Die ons het leren 

Heeft gegeven 

In den stal. [St- Antonius.) 

O sterre, gij moet er zoo stille niet staan, 

Gij moet er met ons naar Bethlehem gaan : 

Naar Bethlehem, die schoone stad, 

Daar Maria met heur klein kindeke zat. 



Het klein kindeken had er zoolang geleefd, 
Als 't Hemel en aarde geschapen heeft. 
Wij kwamen al voor Herodes zijn deur, 
Ilerodes de Kon'ng kwam zelverveur. 
Hij sprak met een valscher hert : 
Waarom ziet er de jongste van drijen zoo 

[zwert ? 
— Hij is er wel zwert, maar hij is er bekend, 
Het is er de Koning van 't Moorenland. 
Joz. CORNELISSEN. 



WANGELOOF, VERZAMELD TE ANTWERPEN. 

1. Wanneer ge eene ster ziet rijzen, dan moet ge eono belofte doen ; laat 
ge dat na, dan zal u ongeluk overkomen. 

2. Vrijdags onder eene leer doorgaan, brengt ongeluk aan ; gaat gij er op 
'nen anderen dag ond^r door, dan moet ge eene belofte doen. 

3. Die den lesten boterham van de tafel neemt, zal ongetrouwd blijven. 

4. Het ongeluk dat u op Nieuwjaarsdag overkomt, zal u heel het jaar 
bijblijven. 

5. Zijne schoenen op de tafel zetten is eene oorzaak van twist in het huis- 
houden. 

6. Eenen spiegel breken veroorzaakt zeven jaar ongeluk. 

7. Een dubbel huwelijk in ééne familie brengt ongeluk aan een der twee 
huisgezinnen. 

8. Die van een koppel jonggetrouwden het eerst in het bed treedt, zal 
onfeilbaar eerst sterven. 

9. 's Nachts !nen haan hooren kraaien is een slecht voorteeken. 

10. Aan een meisje, wiens vrijer onstandvastig is, geeft men den volgen- 
den raad : « Doet eene keei'S ef eene bougie branden en steekt er met spelden 
in; de onstandvastige minnaar zal onophoudelijk gefolterd woorden, en hij 
zal niet nalaten tot u terug te keeren. » 

11. Het dwaal- of stallicht is de dolende ziel van een kind dat zonder 
Doopsel gestorven is. Indien het u 's nachts achtervolgt, zegt dan : « Ik 
doop u in den naam des Vaders, en des Zoons en des H. Geestes, « en het 
zal oogenblikkelijk verdwijnen. {Vrglk. if 9, Uz. 44, V jaarg.) 

(Wordt voortgezet.) 
Alf. Harou. 



1, (3. 
1. 

Als ik een frissche jonkman was, 
Trouwde ik een stokoud wijf. 

Ik had ze nauw drie dagen, 
Di, da, dagen, 

Of ik haatte 'tleelijk wijf (è«). 



LIEDEREN. 
De Dood van BazeL 



bis, 



Toen ging ik naar het kerkhof toe 
En 'k bad de lieve dood : 
« Ah ! lieve doon van Bazel, 
Bi, ba, bazel, 
Ik ben mijne oude moê [bis], n 



bis. 



22 « Ons Volksleven. » 



3. 5. 

En als ik weer naar huis toe kwam, ( , . Dekt toe, dekt toe, dekt immer toe, ( , . 

Vond ik mijn oude dood ; ( * Mijn oude, booze wijf ; ( 

Ik nam mijn peerd en wagen, Zij heeft haar levensdagen, 

Wi, wa, wagen, Di, da, dagen, 

En 'k voer mijn oude voort (bis). Geplaagd mijn jonge lijf (öis). 

4. 6. 

En als ik aan het kerkhof kwam, | . . En als ik weer naar huis toe kwam, (,. 

Was daar een graf gemaakt. ( ' Vond ik mijn huis in rouw ; ( 

O dragers, draagt ze zachtjes. Ik wachtte geen drie dagen, 

Zi, za, zachtjes, Di, da, dagen. 

Opdat ze niet ontwaakt [bis). Of ik koos een ander vrouw (bis), 

7. 
Het jonge wijf dat ik verkoos, (^. 
Dat sloeg mij iedren dag. ( 

Ach ! lieve dood van Bazel, 
Bi, ba, bazel, 
Hadde ik mijne oude nog ! {bis). (1) 

(Antwerpen, Herenthals). 



GRAFSCHRIFTEN . 

Op den grafsteen van Willem van der Marck, het beruchte " Everzwijn 
der Ardennen, » stond, vertelt men, het volgende opschrift : 

Hier ligt van der Mareken. 

Hij leefde als de beest 

En storf gelijk een varken. 

Op het graf van 'nen koster die doodbleef onder den klepel der klok, kon 
njen vroeger lezen : 

Hier ligt Jan Lepel 
Hij leefde van de klok 
En stierf van den klepel. 

Grafschrift op den zerk van eene oude jonge dochter aan de kanten van 
Meerbeek (?) : 

Dat ik niet ben getrouwd, 
Dat heeft mij nooit gespeten ; 
Maar dat men 'tmij nooitheeftgevraagd 
Dat zal ik nooit vergeten. 

Op den zerk eener grafelijke familie las men : 

Hier ligt de helft van zesse. 
De comte en zijn comtesse ; 
Nog een klein comtje daarbij, 
Hier liggen de comten alle drij . 

Een man die lange jaren met eene booze vrouw geplaagd was geweest, 
liet na hare dood het volgende schrift op heur graf zetten : 

(1) VITie deelt ons dewijze mee? 



I 



« Ons Volksleven, j» 23 



Hier ligt begraven mijn vrouw Margriet, 
Voor haar bidden en doen ik niet : 
Is ze in den Hemel, dan hoeft het niet ; 
Is ze in de hel, dan baat het niet ; 
Wordt ze in 't vagevuur wat gevaagd, 
Z'heeft me in dit leven genoeg geplaagd. 

Meegedeeld door verschilligen. J. C. 



SPOTQEDICHTEN . 
Jodenlled. 

Eén is onze God, Keldergat en laptiti, 

Robbedobbedob. Robbedobbedob. 

Twee tafelen Moyses, Zeven zijn ons neven, 

Robbedobbedob. Samson, Heli, Gederederon, 

Drij zijn onze vaderen, Robbedobbedob. 

Abraham, Isaac, Zwavelstok, Acht zijn onze koningen, 

Robbedobbedob. Saül, David, roodkoolzak. 

Vier zijn onze moederen, Robbedobbedob. 

Sara, bika, baka, bina. Negen zijn ons priesteren, 

Robbedobbedob. Pirruwit en mirotti. 

Vijf zijn Moyses knechtjes, Robbedobbedob. 

Budelbos en bilderidderon, Tien zijn ons profeten, 

Robbedobbedob. Daniël en knakkersvel. 

Zes zijn Sara's buren, Robbedobbedob. 

[Hoogstraeten). J. MICHIELSEN. 



VRAGEN EN AANTEEKENINGEN. 

4. In de omstreken van Ronse laten de boeren met Lichtmis eene koers 
wijden, stoken ze aan en laten eenige druppels was in eene kom water lek- 
ken. Nemen deze druppels den vorm aan van tarwegranen, van rogge- of 
van haverkorrels, dan is dit een teeken dat het jaar gunstig zal zijn voor 
het aankweeken van de plant, waarvan de granen de meeste gelijkenis met 
de wasdruppels vertoonen. — Is ieis dergelijks in Oud-Brabant bekend ? 

5. Legt men in de Kempen, in geval van ziekte, ook een bundeltje strooi 
aan den voet van eenen boom, waar een l-apelltJccn of een heiligenbeeldje aan 
hangt ? 

6. Inhalen m.» den oogst. Welke gebruiken en vermakelijkheden zijn u 
daar omtrent bekend ? — Kent gij geene oogstliederen ? 

7. Loting. Welke bijgeloovige middelen zijn u bekend om bij de loting 
een gelukkigen nummer te trekken ? 



INHOUD VAN TIJDSCHRIFTEN. 

1. 't Daghet in den Oosten. — 5" Jaargang. — No 11. — Limburgsch Ni derlandsch : 11* Woor- 
denzange. — Over «Het Roermondsch Dialect ». — Uit Boekeu, Brieven en Bladeren : Li piou 
ei 1' pouce. — Observatorium of Weêrbake. 



24 « Ons Volksleven. 



N° 12. — Limburgsch Nederlandsch : 12^ Woordenzange. — Limburgsche Uichtveerdigheid : 
a) Spotrijmkens; b) Zegselkens; c) Gebedekens. — Spotzegsels : De bchcpeueu van Eis. — 
Onze kopereu llruilol't. — 't Jaargebed voor 't jaar O. H. 1889. 

2. Volk en Taal. — 2^ Jaargang. — is° 7. — Kersttijd-gebruik (R. ühcquière). — bijdrage tot 
den algemceiien Nederlandsclien laalscliat. (A. Van Heuverswyn). — Koekebak (E van der 
Stookt). — Nieuwjaarhederen (J. Hraiiders en A"). — Drij Kouingüii (P. Deinard). — Sterre- 
liedje (K. van Cacneghcm). — Van den Vos en den Beer (K. van Damme). — Waarom de Walen 
geen Vlaambch en willen leeren (R, Ervinck). — Een aardige lessenaar (E. de Vos). — Na den 
veldslag van 1708 (X.). — Veroordeeling eens tooveraars in de XVll" eeuv?. — Kruisgebruiken 
(A. V. H.). — Van alles. 

3. B'iekorf. — 1^ Jaargang, -^'i^'' Z. — Doodsbericht. — Het schuimwoord Medaille (Gaido 
Gezelle). — Van Vlaenderen (Jan Craeynest). — Schrijftalc (Biekorf ). — De Bietjes. — Ver- 
dietsching van een Italiaansch Dichtselkc (Guido Gezelle). — De Rake en de Vorke (V. 1). M.) — 
De Valia Capitan. — Oorkondschap. De zerk van Staas De Lauoy. — Muigelmaren. 

N" i. Contilie-de-Greyn (Joseph Samyn). — Kruikoeke (Guido Gezelle). — De verlatene kerke 
(Seraphijn Dequidt). — Eransch Vlanderen (Johan Winkler). — Mingelmaren. 

4. Volkskunde — B^ Jaargang. — N" 2. — Onze Vlaamsche « Componisten » ofte Liedjeszan- 
gers, door Pol de Mont. — 1 en II. — Kinderspelen :llet spel van Kanonike (Aug. Gittée). — 
Boekbeoordeeling (Bespreking o\eT Les livres de Divinatmi, van Jean Nicolaïdes, door Aug. 
Gittée). Vragen en Aanteekeningen. 

h. Het Belfort. — Jaargang. — N" 2. — 1. Iloogleeraar Jan David. Vervolg (II. Claeys). — 
IJ. Van (Ie Taal en de Letterkunde der Noordmannen (V. Van de Kerckhove). — III. Do En- 
cycliek Liberlas Prsestantissimura. Vervolg (Mgr Rutten). — IV. Het Ylaamsch in de Kamers 
(A. De Ceulencer). V. De eeregraven van Jan-I''ran8 W'illems en van Karel-i odcwijk Ledeganck 
te Sint-Amandsbcrg (D.K — VJ. Eerweerde Heer ie Monie. — VII. Het Wijdingsfeest (1)'' H. 
Claeys, pr.). — VllJ. Winter (E. -H. B.). — IX. Boekennieuws en Kronijk. 

6. Het Davidsfonds. — 5» Jaargang. — K" 1. — De Kasten in Indië (K. Lecouterc). — Po kbe- 
oordeelingen, door Herman Druyts, D. V., D. H. en D. K. — Letteruieuws (Eolkert). — öterf- 
gevallen (Folkert). 

7. Folklore wallon. — Proef nu^nmer {ü» 3). — La société du Folklore wallon. — Avis. — Pro- 
ctiaine assemblee et souper. — iS'ouveaux adherents. — Notre questionnaire. — J. Sorciers et 
sorcières (z. N» 2). — 11. Chansons d'amour. Louison. — 111. Contes. Le roi et ses trois lilles. — 
La belle aux cheveux d'or. — Marèy è Jankè (Marie et Jeanquet). 

8. La Tradition. — 4" Jaargang. — No 1. — Le Folklore en Angleterre I. (Thomas Davidson). 

— Notes de voyages en Uriciit. 1. (René Stiébel). — Le mois de mai. XII. (Dr Giuseppe Pitré). 

— Unlivrc d'oraisoiis manuserit (Antoni Delaunoy). — Les empreintcs merveilleuses. \'. (Au- 
gustin Chal)Oscau). — La-haut sur la montagne, ciiansoii et melodie (Charles de Sivry). — Les 
Rosières. II. (Joanues Plantadi ). — Les guerrières de Elandre. II (A, Desrousscaux). -^ Les 
demons de Bourg Saint-Fierre en Valais (Heury Correvon). — Ln tradition frangaise en Alle- 
magne. II (A. Eschenauer) — Lacomplainte de Sainte Cathérine (Noel ^^elter). — Les enrhu- 
més qui vont a Saint-GueurI chon (Achille Millien et Armand Beaüvais). — Ballade. (Poésie de 
Auguslin Nico') — Contes populaires du Ilainaut. VI. (Jules Lemoine) — La iête de Noël. 
XVllI et XIX. (Henry Carnoy). Taprata, deviuette proveiiQale (Dr. Bércnger-Eéraud). — La 
fille tière, récit oerrichon (Gabriel Echaupre). — Bibliographie (Besprekingen over werken van 
V. Franco, A. Rolland de Denus, ? Armand Sinval, Aicius iiedieu, door Henry Carnoy). — Mou- 
vement traditionniste. 

9. The Journal of American Folk-Lore. --Vol. II. üctober-necember, 1889. N^ VIL — 1. Huron 
Folk-Lore. II. The Story of Tijaiha, the Sorcerer (Horatio Hale). — 2. The' Story of the bear 
and his Indiaii wife. (James neans). — 3. Onondaga tales. — II. 0-kwen-chaj or Red Paint. 
(W. :M. Heauchamp). — 4. Ponka and Omaha soi.gs.{J. Owen oorsey). — 5. Additional notes 
on Onondaga Witchcraft and Ho"-do-i. (W. M. Bcauchamp). — 6. Onondaga superstitions (oe 
Cost Smith). — 7. The great Mosquito. (W. x\l. Beauchamp). — 8. Tsimshian proverbs. (Mis 
O. Morison). — 9. Legends of lowa (S. W. Weippiert). — 10. Contributions to the Folk Lore 
of New-Fngland. (John Mc. Nab Cuftier). — II. On the Eastern shorc (Ms Fanny d. Ber- 
gen). ~ 12 Some words on thieftalk. (William Cumming Wilde). — 13. ^otes and queries. — 
14. Record of Amirican ï"olk-Lore — 15. lübliographioal Noles. — I. Books. — 2. Journals. 
— JG. Officcrs and members of the American Folk-Lore society. — 17. Index. 



ONS VOLKSLEVEN. 



Antwerpsch-Brabantsch Tijdschrift 
voor Taal en Volksdichtveerdigheid , 
voor Oude Gebruiken, Wangeloof kunde, 



7w twelf nommersvan tw elf bladzijden 



in 80. 



Te Brecht, 
bij L. Bbaeckmans. 




« Er is nog een rijke oogst op het veld 
der gewestspraken voorhanden; veel 
volksuitdrdkkiogen dreigen te verdwij- 
nen die ora hunne juistheid, schilder- 
achtigheid of oudheid verdienen in de 
schrifttaai opgenomen en bewaard te 
blijven. » 

Zuid-Nederlandsche Maatschappij 
VAN Taalkunde. Wedstrijd 1874. 

"De studie der folklore heeftvoor doel 
ons volk in zijne eigenaardige zeden en 
gewoonten, in zijn inniggeloof en karak- 
ter te leeren kennen, in één woord, het 
volk zooals het is. n 

Vraagboek over Vlaamsche Volkskunde. 



VOLKSGEBRUIKEN. 
2. (11.) Het Overhalen van 'nen Boer. 

Onder de oude gebruiken die in de Kempen stand gehouden hebben, is 
het overhalen van den boer zeker een der merkweerdigste. 

De huur of de pacht der hoeven en boerderijen eindigt te Brecht en in 
het omliggende met Kerstmis, (i) Wie dan eene andere hoeve gehuurd 
heeft, verlaat de zijne rond dien tijd. Is de dag van het vertrek daar, dan 
komen zijne nieuwe geburen roet kar en peerd om den boer over te halen, 
met zijn huisgezin en al wat hij bezit. Op voorhand hebben de meiskes van 
de gebuurte eene huifkar versierd met bloemen, strikken, linten en vaantjes 
van gekleurd papier. Dat alles steekt geweldig af op de sneeuwwitte huif der 
sclioonkdr, zooals men die noemt. Deze huifkar is bestemd voor de vrouw 
van den boei' en hare kleinste kinderen. De stoet bestaat gewoonlijk uit 
tien, ja somwijlen wel uit twintig karren. Daar waar de zaak haar volle be- 
slag heeft, zijn ook de peerden versierd met vaantjes en strikken en heeft 
elke voerman eene roos op klak of hoed. De huifkar of liever de « schoonkar» 
rijdt voorop, gevolgd door al de meiskes uit de buurt die onderweg, al dan- 
sende en springende, het volgende gelegenheidslied zingen : 

Zoo 'ne(n) boer is geld weerd, Brandewijn met suiker, 

Zoete lieve gareltjes (?) ; Zoete lieve gareltjês ; 

Zoo 'ne(n) boer is geld weerd, Brandewijn met suiker. 

Zoete lieve meid. Zoete lieve meid. 

Wat zullen wij daar drinken, Wat zullen wij daar eten. 

Zoete lieve gareltjes ; Zoete lieve gareltjes ; 

Wat zullen wij daar drinken, Wat zullen wij daar eten ? 

Zoete lieve meid ? Zoete lieve meid ? ^ 

Zoo 'ne(n) boer is geld weerd. 

Zoete lieve gareltjes •, 

Zoo ne(n) boer is geld weerd, 

Zoete lieve meid. 



(1) Elders met Bamis of Half-Meert. 



26 '' Ons Volksleven. » 



Op de hoeve gekomen, worden de peerden gevoederd, waarna al de gas- 
ten zich in huis aan tafel zetten. De maaltijd is gewoonlijk zeer eenvoudig — 
natuurlijk, want heel het huishouden is in den war, immers men moet aan- 
stonds vertrekken —toch is de rijstpap, dat « traditionneel " gerecht, zelden 
vergeten. Nadat de hongerige magen vergast zijn, stelt iedereen zich aan 
't werk ; al wat de boer bezit wordt ingepakt en op de karren geladen. Is 
dat alles in regel, dan wordt er gewoonlijk nog eeneflesch geledigd, de ba- 
zin gaat in de schoonkar met heur klein gevolg, en achter deze volgen de 
karren met meubelen, huisraad, hooi, strooi, turf en allerhande gerief ge- 
laden. Daarna maakt men het vee los, de meiskes leiden het, en de stoet 
komt in beweging, onder het zingen van het afscheidlied : 

Geburen, geburen wij scheiden, 

"Wij nemen uw buurvrouw mee : 

Wij zullen ze nu varen 

Al naar een ander stee 

Bij uliê wil ze niet blijven, 

Hier zijn de wijven te kwaad ; 

Bij ons wil ze wo(o)nen, 

Daar zij ze beter van aard , 

Ze zit er hoog en droog, 

Ze zal der niet verdrinken. 

Tira la la la la ! 

Ze hoort er den koekoek roepen, 

De vogeltjes uit het land. 

En zoo 'n(en) boer is geld weerd, 
Zoete lieve gareltjes ; 
En zoo 'n(en) boer is geld weerd, 
Zoete lieve meid. 

Of er vreugde gemaakt wordt onderweg ! Overal komt het volk buiten de 
deur om den stoet te zien, en de vroolijke jeugd zingt dat het deunt : 

Een pintje daar wat bier in is Zoo 'n(en) boer is geld weerd , 

En daar wat suiker bij ; Zoete lieve gareltjes ; 

Een boerke daar wat zwier in is, Zoo 'n(en) l)oer is geld weerd, 

Daar ^.ijn ik geren bij. Zoete lieve meid. 

Wat zullen wij daar drinken, Brandewiju met suiker. 

Zoete lieve gareltjes : Zoete lieve gareltjes ; 

Wat zullen wij daar drinken. Brandewijn met suiker, 

Zoete lieve meid ? Zoete lieve meid. 

Zoo 'u(en) boer is geld weerd, en:. (1) 

Onderweg wordt er menig pintje en borreltje gedronken, en brengen de 
geburen hunnen nieuM^cn buurman op zijne pachthoeve. Meestentijds is het 

(1) Kan niemand ons andere lezingen van dat lied bezorgen? Wie deelt ons liederen mee die 
gezongen worden bij 't verhuizen van 'nen knecht of van eene meid, met Sint-Jan of met Sinte- 
Peeter? Joz C. 



«< Ons Volksleven. » 27 



hoog avond, vooraleer alles gelost, en ten naastenbij op zijne plaats ge- 
bracht is. 

En uit dankbaarheid, en om den dienst te vergelden dien zijne nieuwe ge- 
buren hem bewezen hebben tijdens het overhalen, geeft de boer nog een 
feestmaal, eene fooi, waarop al die geholpen hadden, weer tegenwoordig zijn, 
waar lustig geëten en gedronken wordt, en zeker de rijstpap en de kofSe 
met krenten boterhammen niet vergeten en zijn. 

Breekt. J. MiCHiELSEN. 



BIJDRAGE TOT DEN DIETSCHEN TAALSCHAT. 
2(ie (7ste) Woordenzange. 

ïamen van Kruiden en Bloemen. 

Borsteltjes, o. mrv. — Deze plant heeft langwerpige breede bladeren, 
zwartgroen van kleur, aan beide zijden doorsneden en met haarkes bezet. 
De stelen, met veel bladeren bewassen, zijn rond, hard en rouw, en in vele 
takken verdeeld, die elk een rond getopt bolleke dragen, met vele schub- 
bekes, zooals de koornbloem. De bloem gelijkt wonderwel aan een borstel- 
tje en is purperrood van kleur. Zij wordt in beemden en weiden aangetrof- 
fen. Dodoens (Crwy^^JoeZ;) geeft ze de namen van Zivarte Jacea, Materftlon 
oiAphylanihes, Latijn, Laeca nigra. 

Christusoogen, vr. mrv. — Dodoens : Lychnis eoronaria, Tamme Lychnis, 
Fr. o^ilhf, ceilJet Dieu. Langwerpige, witgroene en w^ollige bladeren ; wollige, 
geknoopte stelen, roode vijfbladerige bloemen, hard zaadhuiske. 
• Hanepootjes, o. mrv. — Deze bloem, die men in weiden en beemden 
vindt, heeft dunne geknoopte steeltjes, eene span hoog; uit elk knoopke 
spruiten twee bladeren, klein en spits. Rleekroode gevederde of gesnippelde 
bloemekes. Dodoens heet ze CraeyenbloemJïes, Lat. Armerius filnestris. 

Hazenklaver, den. — Dat onkruid is hier overvloedig in de hoven te 
vinden. Het heeft dunne takken die op den wortel uitschieten ; aan de top- 
pen dier takskes staan drij hertvormige lichtgroene blakes, zuur van smaak. 
De bloemekes, groeiende aan fijne steeltjes, zijn klein en lichtgeel van kleur. 
Dodoens geeft aan dat kruid den naam van CocclioecTcs hroot mei geeJe bloemen, 
Lat., Trifolium aceiosum flore luieo. 

Hazensulker, den. — • Z. Hazenklaver. 
SulJcer is zttrkel, in Holland zuring. 

Judaspenningen, m. mrv. — Groene en breede, aan de kanten geker- 
telde bladeren, ronde stelen met aanwassende zijtakskes. De bloemen gelij- 
ken aan violieren en zijn purpel of bleekpeersch. De hauwkes die het zaad 
bevatten, gelijken niet slecht aan zilveren penningen. Dodoens heet die 
hof bloem : Bulhonac, Bolbonac, PennincJcbloemen, Lat., Viola latifolia, Viola 
peregrina. 

Peerdsknoppen, v. mrv. — Z. Borsieltjes. 



28 « Ons Volksleven. » 



Schêpersgeld; het, — Waterkruid, door Dodoens Water-Hancnvoet, Lat. 
Banunculus aquatal'is geheeten. De bladeren zijn tweederlei : die onder wa- 
ter groeien, zijn haarfijn en gesnippeld; de andere, op het water liggende, 
zijn rond en aan de kanten uitgesneden. Het kruid draagt menigvuldige 
witte bloemen, en groeit in beken, vijvers en grachten. 

Schoteltjes, o. mrv. — Dunne voortloopende takskes of stelen, blinken- 
de, ronde, uitgesneden bladeren, donkergroen van kleur. Die bladeren zijn 
een weing hol in 't midden en aan den bovenkant en gelijken door hun 
maaksel aan kleine schoteltjes. Zij dragen van onder in 't midden van 't blad 
een fijn steeltje. Men vindt dit kruid op vochtige plaatsen, aan de oevers 
der beken, enz. 

In Dodoens Crmjclthoeh heet het : Water-Navelcruyt, Lat. Cotyledon palus- 
tris. 

Zondauw, den. — Plantje van het geslacht der kruipmossen. Kleine 
rondachtige en op lepels gelijkende bladerkes,vleezig, roodachtig van kleur 
en met haarkes bezet. De plant, op vochtige heideplaatsen groeiende, is 
altijd nattig, als ware hij met dauw besproeid. Bij Dodoens : Sondauw of 
Loopig Cruyt, Lat. Ros solis, Hoogd. Sonthau, Sinthau. 

(Verzameld te St-Antonius-Brecht.) Joz. Cornelissen. 



VERTELSELS. 

4. (14) Van den Knecht die sterk was van onthouden. 

Daar was eens een boer en die had geerne 'nen knecht gehuurd die goed 
onthouden kost. Op zekeren dag kwam er eene bij hem, en de boer vroeg 
seffens ofdat hij sterk was van onthouden. 

« Jawel, » zei de knecht. 

« Ehwel, vriendschap, » zei de boer, « dan zal ik u eens leeren, hoedat de 
dingen bij mij zooal heeten. » 

Hij trok eerst zijnen zip (i) aan en vroeg dan : « Wat is dat ? » 

« Dat is uwe zip, » zei de knecht. 

— « Neen, dat is mijne sleuraan ! » 

— " Zoo, is dat uwe sleuraan ? » 

Toen kwamen ze in den stal en daar lag een hond. 

— « Wat voor eene beest is dat ? » vroeg de boer. 

— « Dat is een hond ! » 

— « Wat, een hond ! ?... Dat is Mijnheer L.... y> 

— " Is dat Mijnheer L... ? 't Is goed baas, 'k zal 't onthouden. 

Toen kwamen ze in huis, en daar zat eene kat aan 't vier en spon. 

— « Hoe heet ge dedie daar ? r> vroeg de boer. 

— « Baas, dat is toch zeker de kat wel ? y> 

— « De kat ? !... Waar zijn uwe gedachten ? Dat is Juffrouzv Kaierhosschen 

(1) Jas, vest, van het Fr. Juj)e. 



« Ons Volksleven. ^ 29 



— « Ah ! Juffrouw Katerbosschen ! 'k Zal niet vergeten, baas. » 

—«En hoe heet dat ? « vroeg de boer verder. 

— « Ik geloof dat het het vier is, baas. y^ 

— « Neen't, jongen, neen't, dat is de Glorie de celsis. (i) 

— « Is dat de Glorie de celsis ?.... Goed baas. « 

Toen kwamen ze aan de schuur en de boer vroeg : " Wat is dat ? » 

— « Dat is de schuur, « zei de knecht. 

— « Mis ! dat zijn de Koerinnen. En hoe heeten die gaten daarin ? » 

— « Ja! gaten ... of kotten, of... of... » 

— « Dat zijn de Kijkuiten. » 

En toen zei de boer dat het genoeg was voor die dag, en hij liet zijnen 
nieuwen knecht slapen gaan. 

's Anderendaags 's morgens was de knecht al vroeg te been. Hij stak het 
vier aan, liet de kat binnen die aan de deur stond te mauwen en begost den 
vloer te keren. Toen kwam de hond binnen, hij zocht ruzie tegen de kat en 
stiet ze in 't vier. De kat liep met heuren pels in volle vlam de schuur in en 
stak ze in brand. 

En de knecht naar den boer, al roepende : 

« Baas, baas, slaat toch op ! 
Mijnheer L... is in huis gekomen 
En hij heeft juffrouw Katerbosschen 
In de Glorie de celcis gestooten ; 
En toen is ze gesprongen vol glorie 
Langs de kijkuiten 
In de koerinnen ! 
Trekt gauw uwen sleuraan aan 
Want de koerinnen 
Staan van buiten 
En van binnen 
In de Glorie de celsis. (2) 

Brecht. 
Aanmerkingen. — Dat vertelsel schijnt zeer verspreid in onze Vlaam- 
sche gewesten; men vergelijke Ons Volksleven, 1" jaargang, bl. 21, en '^ 
Daghet in den Oosten, II, bl. 76 en 108, 

Er is te Brecht nog eene andere gedaante van dat zegsel bekend, waarvan 
het slotrijm luidt : 

Weledele Heer Zoete, 

Trekt aan uw Gesyen-voeten 

En brengt mee 07ize Edele Vrouwe Zoete ; 

Want onze groote Bluffer- Blaffer 

Heeft den Kalen Jonker 

In de Santegetiuchten gestooten ; 

En hij is geloopen 

Van de Kier innen 



(1) Gloria in excelsis. 

(2) Meegedeeld door den Heer J. Adriaensen 



30 « Ons Volksleven. » 



In de Klorinnen 
En nu staan de Kierinnen, 
Van buiten en van binnen, 
Volop in Santegenuckten. (1) 

Het doet ons genoegen aan onze lezers nog eene vierde gedaante te kun- 
nen meedeelen, ons bezorgd door den Heer E. van C. te Mechelen. Ziehier 
den korten inhoud : « Er woonde buiten de poort een aardige vent. Hij 
wou dat zijne dienstboden eene bijzondere taal spraken, die door den ge- 
meinen man niet kost verstaan worden. Een kreeg hij 'nen nieuwen knecht 
en seffens begost hij met den jongen zijne manier van spreken uit te leggen. 
De kat hiet Mevrouw Snatterhoscli, de hond, Mijnheer Tatterhos ; de plaveien 
waren Koreninnen, de ruiten Kijkuiien, het vuur, de Gloria in exceJsis, de 
deur de Draaiom, de trap, de Loopop, het bed de Legamus en eindelijk de 
kamerrok van den heer, zijn Sleuranus. De kat, zooals de vorige lezingen, 
wordt door den hond in 't vuur gestooten en steekt het huis in brand, ter- 
wijl de knecht zijnen meester gaat verwittigen in deze voege : 

Mijnheer ! Mijnheer ! 
Komt uit uwen Legamus, 
Trekt aan un-en Sleuranus ; 
Komt van den Loopop 
Door de7t Draaiom. 
Want Mijnheer Tatterbosch 
Heeft gegooid Mevrouw Snatterbosch 

In de Gloria in excelsis ! 
Zij is gesprongen door de Kijhuiten 
Op de Koreninnen, 
En Y brandt van buiten 
En van binnen ! 

JOZ. CORNELISSEN, 

GEZELSCHAPSSPELEN. 
1. Kaartspel. 

Een boek jaskaarten bevat 32 stuks : 8 ruiten, 8 klaveren, 8 herten. 

Men spreidt de kaarten op de tafel uiteen, men neemt er 8 en legt ze in 
de volgende orde op een hoopke, zorgende dat de eerstgenoemde kaart de 
bovenste ligt, met den rug omhoog : Vrouw, schuppen, ruiten, herten, boer, 
heer, aas en klaveren. 

Waar enkel de kleur der kaarten aangegeven is, neemt men onverschillig 
eene 7, eene 8, eene 9 of eene 10. 

Dan begint men te vertellen, terwijl men telkens bij het toepasselijk 
woord de bovenste kaart blikkert en omslaat : 

« Eene vrouw, neemt eene schup, om te werken op het veld (ruiten) ; zij was 
van /ier/e blij. De ftöcre/?, die dat zagen, waren daar ontevreden over; zij 

(1) Meegedeeld door den Heer Hendr. Gysen . — Uitleg: Weledele Heer Zoete = de meester; 
gespen-voeten = schoenen ; Edele Vrouwe Zoete = de vrouw ; Bluf er-Blaf er = de hond ; Kale 
Jonker ^= de kat ; Santegenuchten = het vuur ; Kierinnen = de stal ; Korinnen = de schuur. 



« Ons Volksleven. « 31 



gingen het aan de hccrcn klagen. De heeren zeiden : wij kunnen er niets aan 
doen ; we moeten eerst het opperhoofd (aas) spreken. Het opperhoofd vond 
er niets kwaads in en zeide : laat de vrouw maar in de klaveren werken. r> 

Zoo doet men achtereenvolgens met de 4 reeksen van 8 kaarten, en 't spel 
is uit. [Ardiverpeyi.) 

Aanmerking. — Dat kunstje is, in miu of meer gewijzigden vorm, bijna overal gekend. Te St- 
Antonius-Brecht doet men het omtrent op dezelfde manier. Men volgt dezelfde orde in het opne- 
men der kaarten, doch in plaats van 4 reeksen te maken, neemt men al de kaarten bijeen, en legt 
ze daarna in 8 hoopkes, zoodanig dat de 4 vrouwen, de 4 ongeschilderde schuppen, enz., opeen lig- 
gen. Daarna begint de volgende vertelling, terwijl men de kaarten omblekt : 

" Daar waren eens vier edelvromven die door hun verkwistend leven al hun geld en goed ver- 
speeld hadden. Niet meer wetende van wat hout pijlen maken, besloten ze naar een verafgelegen 
land te reizen, om goud te graven. Zij gongen dan op weg. w^el voorzien van schuppen en ander 
gereedschap. In 't goudland gekomen, begosten ze te graven, te graven, en o wonder ! in plaats 
van goud, kwamen er allemaal koekske^ (ruiten) uit den grond. Ze waren van her(e blij, en in hun- 
ne blijdschap gongen zij hunne gevarendheid aan de boeren vertellen. De boeren kosten het niet 
zwijgen, en zoo kwam het gerucht van dien voorval aan de ooren van de heeren. De heeren zeiden: 
Dat is eene zaak, daar wij de ff(froSfli?en (azen) moeten over spreken. De advokaten kwamen om 
te beslissen, en zij zeiden : 't zijn niets als droevige kruisen (klaveren) en ellenden. » (1) 

J. B. Vervliet. 

2. Lutteke leeft nog ! 

Het gezin zit rond de tafel of rond den heerd. Men steekt 'nen solferstek 
aan, dien men al brandende aan zijnen gebuur geeft, zeggende : <^ Lutteke 
leeft nog ! « De solferstek gaat rond van hand tot hand, totdat hij eindelijk 
uitdooft. Deze, in wiens hand Lutteke sterft, moet eene kleine boet betalen. 

Daarna ontsteekt men 'nen nieuwen solferstek en 't spel herbegint, onder 
den herhaalden roep van « Lutteke leeft nog ! » en het juichen, lachen en 
kwetteren der meespelers, die alle moeite van de wereld doen, om Lutte- 
ken in 't leven te houden. 

Dat spel kent men ook in Vlaanderen, onder den naam van « Gilleke leeft 
nog. " (Z. Katholich Ondenvijs, lO^jaarg., bl. 90 en VoVc en Taal, 1* jaarg., 
bl. 60.) 

Joz. Cornelissen. 



GESCHIEDENIS. 
Volkstelling te Westmalle in 1526. 

De juiste bevolking onzer dorpen in de vorige eeuwen is mof^ilijkte be- 
palen. 

Men zal dat gemakkelijk aannemen, als men weec dat er vóórdeFran- 
sche Omwenteling noch bevolkingsregisters, noch registers van den Bur- 
gerstand gehouden wierden. 

De kerkelijke doop- trouw- en doodboeken, — de eenigste en dus ook de 
kostelijkste bevolkingsakten, die wij bezitten — zijn cok maar begonnen, 



ï 



(1) Meegedeeld door den lieer Joz. Cornelissen. 



32 « Ons Volksleven, v 



sedert het afkondigen van het ConciHe van Trente ; dus maar op het einde 
der XIV® eeuw. Op de dorpen beginnen zelfs de parochiale registers meestal 
maar van onder de regeering van Albert en Isabella. 

Vroeger wierd de bevolking geschat naar het getal der communicanten, 
die jaarlijks hunne paaschplicht volbrachten. 

In plaatsen waar geene andere eerediensten als de Roorasch-Katholieke 
bestonden, kan men aan het cijfer der paaschcommuniën van vroeger tijd, 
het naaste getal inwoners weten, vermits elkeen toen zijne chi'istelijke 
plichten onderhield. De kinderen onder de twelt jaar wierden, vooral op de 
dorpen, nagenoeg voor eén derde der bevolking gehouden. 

Men kan de oude bevolking der dorpen ook eenigzins berekenen naar de 
opgaven der vroegere heerd tellingen. Die heerdtellingen wierden meestal 
gedaan in het hertogdom Brabant, om de verdeeling der lasten te kunnen 
regelen. Het aandeel van ieder dorp wierd da« volgens het getal heerdste- 
den berekend. Gewoonlijk schat men gemiddeld zeven personen voor iedere 
heerdstede. 

Zulk eene volkstelling, te Westmalle en Zoersel in 1526 gedaan, vinden 
wij in de Schepenbrieven der oude heerlijkheid beschreven. Wij laten ze 
hier letterlijk volgen : 

ü Notitie van der Heerdtellingen van Westmalle en Zoersel. v (i) 

« Den 26*''' dagh July in den jare 1526, soe hebben die gedeputeerde van 
« den Vier Hoedsteden van Brabant, met sommighen anderen Heeren uytten 
* rade van Brabant ghetelt selver in heur persoenen met beuren dienaers 
« de herdsteden ende huysen van Westmalle, cleyn ende groot soe wel de 
« hoeven mijns Heeren van der Moeien (2) ende syn hoff (3), St.Bernaerts 
« hoeve (4), ende priesteragie (5) als ander gemeyn huysen, wantsy seyden, 
« dat al moest in ons genadigen Heeren (e) beden gelden ende daar niemand 
« affvry sijn, soe dat sy binnen Westmalle bevonden Hondert ende seven- 
« thien woeninghen, al mede gerekent ryck en erme. — Ende op ten selven 
« dach tot Zoersele oock gestelt ende daar bevonden soe ons geseyt waert 
« LXXXIII oft LXXXIIII huysen tsamen soe ryck ende erme (7). — Ende 
« die van Zoersele gaven ter stont over VIII heyligeesthuysen (s). 

(1) De parochiën Zoersel en Westmalle maakten vroeger maarééne heerlijkheid uit. 

(2) Heer Peeter van der Moeien, de toenmalige Heer van Westmalle en Zoersel. 

(3) Het oud kasteel van Westmalle, thans de eigendom van den Weledelen Heer Baron de Turck 
van Kersbeek, Burgemeester van Westmalle. 

(4) De abdij van St-Bernaerts had vroeger vele goederen en heerlijke rechten te Westmalle. 

(5) De pastorij. 

(6) De Hertog van Brabant en datwag toen Karel V, Keizer van Duitschland, enz. 

(7) In de heerdtelling van 1435, de eerste die in het hertogdom Brabant gedaan wierd, komt 
Westmalle met Zoersel voor, met 226 heerdstedcn en 80 armen. In eene andere opstelling, in 1521 
gedaan, zien wij Westmalle met 162 heerdsteden. Volgens deze leste opgave, zou Westmalle als- 
dan eene bevolking van ongeveer 1134 inwoners gehad hebben 

(8) De H.-Geesttafel was een openbare liefdadige instelling, zooals onze hedendaagsche Armbe- 
slieren met dat verschil allèèn, dat zij gansch van godsdienstzin doordrongen was. 

J. MiCHIELSBN. 



« Ons Volksleven. « 33 



« Item die van Westmalle, want sy de heyligeesthuysen niet en wisten, 
« doen de commissarissen daer waren, soe sonden sy die na te Lier op ten 
« lesten dach Augusti A° 1536, met Heer Lauryse van der Lynden, priester, 
« Janne de Lange en Janne Sebrechts, schepenen ende gaven over XIX hey- 
« ligeesthuysen, maar en weten niet oft ons die affslach doen sellen oft niet.»» 

JOZ. MiCHIELSEN. 



BOEKBESPREKING. 

Amaat Joos. Raadsels van het Vlaamsche Volk, gerangschikt, verge- 
leken en verklaard. — Gent, S. Leliaert, A. Siffer & C'°, Hoogpoort. Prijs fr. 0,80. 

Een boekske dat de moiite weerd is om te lezen ! Ge vindt er ruim 500 volks- 
raadsels in verzameld, waaronder vele met varianten; 500 raadsels, zooveel 
mogelijk tot hunne schoonste en volledigste gedaante teruggebrocht en volgens 
hunne soort gerangschikt. 

't Is een rijke schat dien de icverige en geleerde professor in dat werkske ge- 
borgen heeft ! 

Eerst komen de hesclirijvende raadsels, verreüit do oudste en de kostbaarste 
onder die soort van volksdichten. Zij handelen achtereenvolgens over de natuur- 
verschijnselen, den raensch en zijn gerief, de dieren, de boomen ende planten. Ik 
schrijf er hier een paar af : 

(13) Verre boven de drieschen (78) Mie maai mok 

Hoorde ik een peerdeken brieschen ; Met haren witten rok, 

Daar is noch wijf noch man Hoe langer dat zij staat, 

Die dat peerdeken breidelen kan. Hoe meer dat zij vergaat. 

[De donder). [Eenekeers). 

Dan de verlialende, waaronder sommige tot de hoogste oudheid schijnen op te 
klimmen. Waneer men die oude en eerbiedvveerdige voortbrengselen van den 
volksgeest nagaat, dan is men geneigd om ze te aanzien als overblijfsels van nu 
vergeten sagen en legenden. Van dat slach heeft de Heer Joos er zeer schoone 
opgenomen. Ik kan mij het genoegen niet ontzeggen, den nummer 315 hier mee 
te deelen : 

« Keizer Karel kwam bij 'nen boer die bezig was met spitten. Kunt ge mij aan- 
« stonds een raadsel geven dat ik niet oplossen kan, zei de Keizer, dan krijgt ge 
« al de goudstukken die ik hier in mijne hand hsb. 

« En de boer zei : Eerde keert eerde. 

« Acht en twintig is maar twee meer, en zwart is wit geworden, n 

Ziehier de oplossing : « Ik die van eerde gemaakt ben, keer, al spittende, de 
« eerde; van mijne 28 tanden blijven er maar twee meer over en mijn haar dat 
« vroeger zwart was, is nu wit. « De Keizer kost het niet raden en de boer kreeg 
het beloofde goud. 

Ten slotte komen de vragende raadsels of de kwelvragen, die over 't algemeen 
zeer geestig zijn en, gelijk M' Joos zegt, « den lezer verschalken door hunne alge- 
" meene bew^oordingen, duor listig bijgevoegde gedachten, of door eene verrassen- 
« de zinspeling. » 



34 « Ons Volksleven. » 



Een voorbeeld of twee : Waarom pikt de haaa ia de pan ? — Antw. : Omdat 
hij niet lekken en kan. — Wat doet een boer eerdat hij eet? — Antw. : Gapen. 

Het doel dat de Eerw. Heer Joos betracht, is den familiegeest op te beuren, 
dien wij tegenwoordig zoo deerlijk zien verslappen, en daarom liet hij zijnen boek 
voorafgaan door 'uen flii'k geschreven opstel over den huiselijken heerd. Loffelijk 
doel voorivaar ! Moge zijn werk in ruime mate bijdragen, om het te verwezenlij- 
ken ! JOZ. COKNELISSEN. 

Vertelsels van het Vlaamsche Volk, naverhaald door Amaat Joos. — 
Gent, S. Leliaert, A. Siffer & C'% Hoogpoort. Prijs fr. 0,80. 

Dat is de titel van een tweede werk door den volksminnenden geleerde, hetwelk 
even aantrekkelijk, even belangwekkend als het voorgaande mag genoemd worden. 
Het bevat eenen rijken keus van vertelsels, sprookskes, sagen en legenden, zeer 
verscheiden van inlioud. 

De Fer/eZse^5 zijn in zeven afdeelingen geschikt : Van waar sommige dingen 
Icomen (28), Hoe de Duivel bedrogen werd (6j, Van God en zijne Heiligen (21), 
Treurig en wreed (9), Van DuiniJcen en andere wondere Mnderen (11), In den tijd 
dat de heesten spralten (11), Van wondere menschen en ivondere dingen (12). 

Bij het lozen van die schoouc verzameling troffen wij varianten aan van verha- 
len die reeds in dit tijdschrift meegedeeld wierden; b. v (N° 2), Van de Spin en 
de Koorts, (7) Van den Bot en zijn SmoeleJcen, (5) Van 't KoninJcsken en den Uil, 
(29) Van de Duivelschuur, (55) Van den BloemenmaJcer, (98) Van zeven wondere 
Mannen, enz. ; en andere die wij voor den eersten keer tegenkwamen. Zulke zijn 
o. a. : (G) Van 't Manneken uit de Maan, (26) Van Beersel, (51) Van den wei- 
doenden Begen, (62) Van den Hellewagen, (47) Van de Weenende Moeder, (89) 
Van een wonder Huis, (94) Van drij Bedelaars, enz. 

De Vertelsels zijn een blinkend snoer van glansende poreltjes, met veel kunst 
en geduld aaneengeregen ; en de maker verdient er den dank voor van eiken wa- 
ren Dietscher. 

Eerw. Heer Joos zegt dat zijn voorraad nog niet uitgeput en is, en hij belooft 
binnenkort een tweede deeltje in 't licht te geven. Des te beter ! 

De Baadsels en de Vertelsels zijn alleszins aan te bevelen als prijsboeken voor 
de Lagere School. Joz. Coenelissen. 



VRAGEN EN AANTEEKENINQEN. 

8. Stuk van een geestelijk liedeke. Wie be^.orgt er ons den volledigeu 
tekst van het volgende lied : 

Op eenen Witten Donderdag, 
't Was 's nachts na(ar) elf uren 
Dat de Heer Jesus gevangen was, 
De bittere dood moest gaan bezuren. 
Hij nam zijn kruisken op zijnen hals, 
Hij trok den droevigen kruisweg binnen, 
Totdat hij op den berg van Calvarie kwam, 



« Ons Volksleven. y> 35 



Al met zijn kruiske zwaar geladen. 

Hij zette zijn hoedjen (?) op eenen steen, (1) 

Hij liet zijn handekes ter eerde zinken, 

Dat al zijn ledekes berstten in twee 

En 't dierbaar bloed daar henenvloeide. 

? 

Zegt dat ze nu komen eten. 

Waneer in Jesus' vieesch 

Het vijfde wondeke zal ontsteken ; 

Zegt dat ze komen drinken, 

Waneer Jesus bloed 

"^ JOZ, CORNELISSEN. 

9. Nachtmare. Welke namen geeft bet volk er aan? Hoe stelt het zich de 
nachtmaar voor, en waarom komt zij de slapenden kwellen? Welke middelen 
wendt het aan om van de maar bevrijd te blijven : a) gewijde; b) ongewijde? Wat 
doet men om de peerdeu, de koeien, enz. van de maar te bevrijden? Hebt gij 
nooit sagen gehoord die betrek hebben op de nachtmare? J. B. Vebvliet. 

10. Japneus, uitdrukking door het gemeene volk gebruikt, om de leden der 
katholieke ol bewarende partij aan te duiden. 

Men beweert dat de oorsrpong van dien naam de volgende is : 
Over ongeveer twintig jaar kwam een troep Japoneezen te Antwerpen eene 
vertooning geven. Het volk vond de gelaatstrekkeu en het uitzicht van die Asiaten 
zoo wonderlijk, dat men het bij iedere gelegenheid hoorde zeggen : « Japoneezen- 
hop, Japoneezenncus, Japneus. n 

Eenigen tijd later had eene wetgevende kiezing plaats, en de buiteukiezers kre- 
gen dien spotnaam naar het hoofd, die heden nog te Antwerpen, die van gansch 
de katholieke partij is. Alf. Haboxt. 

INHOUD VAN TIJDSCHRIFTEN. 

1. 't Daghet in den Oosten. — 6'* Jaargang. — N° 1 (25). — Limburgsch Nederlandsch : 13^ 
Woordenzange. — Limburgsch. — Een Hasseisch Kruisbeeld. — De Langeman. — Spotzegsels : 
Op de heide bij Zonhoven. — Een nieuw Kristusbeeld voor Hasselt. — Van 't Prinske van Luik. 

— De Molworp van Hasselt, enz. 

2. Volk en Taal. — 2"^ Jaargang. - N^S. — O. L. V. Lichtmis (K. v. C ) — Bijdrage tot den 
Nederlandschen Taalschat (A. van Heuverswyn). — « Zei » spreuken, I, (Emiel Huys). — Ditjes 
en Datjes (P, van den Broeck). — Gemengeld (L. d. C). — Lied ter eere van Sint-Amelberga. Slot. 
(F. van Cauwenberghe). — Van Magriendelke en Magreindelke (T. van Heuverswyn). — Na den 
veldslag van 1708. — Fransche tijd te Oudenaarde : Besluit van 15 December (K. van Caeneghem) 
VV eersvoorzeggingen (P. Bernard). — Yan alles. 

3. Biekorf. — /^ Jaargang. — N° 5. — De Ylaamsche Biekorf (Leopold Nobels). — Heidendom. 

— Stêe-strate- en dagmerken (Jan CraejTiest). — Ter zaliger gedachtenisse van Eerweerden Heer 
Emile de Monie (G. G.). — Sint Maartens zomerke (Edw. van Robays).— Muurschilderinge (Alf. 
Naert). — Brieven. — Mingelmaren. 

N° 6. — Hoe onze ouders spraken (Guido Gezelle). — Ïoogen-Toonen (Alfons Dassonville). 

— Bartholomeüs Engelsman (Joseph Samyn). — Aan de eerweerde Zuster Dominica (Guido Ge- 
zelle). — Brieven. — David. — Mingelmaren. 

(1) Ongetwijfeld is de zin : Hij /et zijn itoafdje op eenen steen. 



36 « Ons Volksleven. » 



4. Volkskunde. — 5« Jaargang. — N" 3. — Het Heidenwerpen (Aug. Gitteé). — Liederen : De 
Lotelingen (PoL de Mont). — Boekbeoordeeling (Pol. de Mont). — Kroniek (id). Vragen en Aan- 
leekeningen (idem). 

5- Het Belfort — 6''^« Jaargang. — N" 3. — Van de VII Vroeden binnen Rome (K. Stallaert). — 
II. Dr. Van Oye's « Vonken en Stralen « (O. L. S. J.). — III Zielekamp (Gustaaf de Roey). — IV 
Vlaamsche Hoogeschool (J. Van Campen). — V. Langstlevendheid (S. Plancke). — VI. Uit ons 
dagboek te Parijs (Th. J. Welvaerts, prior). — VIL Het Wijdingsfeest (H. Claeys, pr..). — VIII 
Boekennieuws en Kronijk. 

6. Hel Davidsfonds. — 3^ Jaargang. — N°2. Het Davidsfonds en zijne werkzaamheden (Juridi- 
cus). — Boekbeoordeeling (L. M.). — Letternieuws (Folkert). — Sterfgevallen (Folkert). 

7. Kempisch Museum, Maandschrift gewijd aan Oeschiedenis en Oudheden, — Turnhout, Joseph 
Splichal, uitgever. Prijs 6 frank — /« Jaargang. 

N° 1. — I. De Heerlijkheden van het Land van Mechelen. — Duffel, Gheel en hunne heeren. 
(J. Theod. De Raadt). — II. Geschiedkundige Bijdragen over de voogdij van Molle (Th. Ign. VVel- 
vaarts) — Ilt. Eene rekening van Turnhoutsche tijken in 1452 (X.). — VI Petrus van Emmerick 
(Fr. Waltmanvan Spilbeeck). — V. De Boerenlitanie (E. T.) 

N" 2. — I. Het Turnhoutsch Heybloeniken op het feest de Violieren te Antwerpen. 1561. (E.T.). 
— II. De Heerlijkheden van het land van Mechelen. — Duffel, Gheel en hunne heeren (vervolg). 
(J. Theod. De Raadt). — HL Petrus van Emmerick (vervolg). (Fr Waltman van Spilbeeck). --IV. 
Geschiedkundige bijdragen over de voogdij van Molle (vervolg). (Th. Ign. Welvaarts). 

8. La Tradition. — 4® Jaargang. — N» 2. — Le Folklore en Angleterre, II. (Thomas Davidson). 
— La Complainte de Saint Nicolas en Lorraine (Noel Selter). — Le Folklore polonais 1. (Michel de 
Zmigrodzki). — Ballade du roi de Savoye (Joanne Magdelaine), — Le mois de mai. XII. Le mois 
de Mai en Italië. (Dr. Giuseppe Pitré). — Le traditionnisme en Finlande. I. (Kaarle Krohn). Les 
formulettes enfantines. IIL (Vicomte de Colleville). — La fète des Rois. I. (Georges Carnoy). — 
Notes de voyage en Oriënt. II. (René Stiébel). — Puisque chacune asonchacun. (Poésie de Ga- 
briel Vicaire). — La p'tit' Tata, chanson et melodie (Charles de Sivry). — Les Rosières. 111. (Jo- 
annès Plantadis). — Les Russes chez eux. VI. (Armand Sinval). — Chanson de Saintonge (Gabriel 
Echaupre.) — Bibliographie (Bespreking over werken van G. Finamore. J. — F. Bladé, Dott, M. 
la Via — Bonelli, Ed. Chanal en Henri Menu) — Mouvement traditionniste (Henry Carnoy). 

9. Revue des Traditions populaires. — Directeur : Paul Sébillot. — Paris, A. Certeux, 24, rue 
Gay-Lussac. — Prijs 17 fr. — 4« Jaargang. 

N. 1. — De formes iconographiques de la légende de Théophile (Ernest Faligan). — Les noces 
du coucou et de 1'allouette, version des Dombes (Claude Perraud). Les noces du papilion, pays de 
Caux (Ang. Bernard). — Les noces de 1'allouette et du pinson, version du Poitou (Léo Desaivre). — 
Les noces de la bécasse et de la perdrix, version de la Haute -Br etagne (M""^ Paul Sébillot). — Le 
diable et 1'enfer dans 1'iconographie. 111 (Paul Sébillot). — La fète des Rois, VI. La quête des Rois 
en Bourgogne (Morel — Retz,Stop). — XII. En Champagne (Henri Céard), — XIII. I.a cérémonie 
de la fève a la cour de France en 1706 (A. Tausserat). — Rien qu 'une, conté de jour des Rois (Dé- 
saugiers). — Proverbes et dictons de Marins (Raoul Bayon). — L'inventaire des conles. UI. Ana- 
lyse, classification et tabulation des contes populaires (Loys Bruyère). — L'influenza, 1 Au XV"^ 
siècle (Raoul Rosières). — II. Au XVI" siècle (Paul Sébillot). — Coutumes scolaires, IV. En 
Allemagne (Raphael Blanchard). — Le pays des Chiens, conté populaire sicilien (G. Pitré) — 
AHettes de folk-lore parisien (Napoléon Ney). — Le folk-lore du pays de Liége (A. Desrousseaux). 
— Extraits et lectures, 1. Audition de Noëls frangais au cercle Saint-Simon (Julien Tiersot). — IL 
Les asiles de nuiten Chine (A, Certeux). — Necrologie. — Maurice Jametel (Henri Cordier). — 
Bibliographie : A. Roland de Deuus. Dictionnaire des appellations etniques. — Wratislaw. Sixty 
Fulh-talesfrom Slavonic sources. — Sahib. La Marine, croquis humoristiques. Périodiques et jour- 
naux. — Notes et enquêtes. 



ONS VOLKSLEVEN. 



Antwerpsch-Brabautscli Tijdschrift 
voor Taal eu Volksdichtveerdigheid , 
voor Oude Gebruiken, Wangeloof kuode, 



In iwelfnommers van t welf bladzijden 



in 80. 



Te Beecht, 
bij L. Braeckmans. 




« Er is nog een rijke oogst op liet veld 
der gevvestspraken voorhanden; veel 
volksuiidrakkingen dreigen te verdwij- 
nen die om liuune juistheid, schilder- 
achtigheid of oudheid verdienen in de 
schi-ifttaal opgenomen en bewaard te 
blijven. » 

Zuid-Nederlandsche Maatschappij 
VAN Taalkunde, Wedstrijd 1874. 

"De studie der folklore heeft voor doel 
ons volk in zijne eigenaardige zeden en 
gewoonten, in zijn innig geloof en karak- 
ter te leeren kennen, in één woord, het 
volk zooals hel is. n 

Vraagboeh over Vlaamscke Volkskunde. 



BOUWSTOFFEN GEBRUIKT BIJ HET STICHTEN VAN 

KERKEN, KASTEELEN, ENZ. 

I. 

Er bestond eertijds te Wondelgliem (in West-Vlaanderen) een prachtig 
kasteel, in 1369 begonnen en het « Paviljoen y> geheeten. 

Eene volksoverlevering wilt dat men bij het bouwen tarwe gebruikte, in 
plaats van kalk. (Z. Acad. cl'arch. de Belgique, t. XVII, hl. 221). 

II. 
In de Kempen verhaalt men dat de kerk van Sint-Lenaarts (bij Brecht), 
begonnen in de XVP eeuw, met roggemeel, in stede van met kalk gebouwd is. 

III. 
Dezelfde overlevering is vast aan 't bouwen van het raadshuis van Hoog- 
straten. 

IV. 

De lieden uit de omstreken van Villers-bij-Orval (Luxemburg) beweren 
dat de grondvesten der beroemde abdij van Orval, verwoest en in brand ge- 
steken door de Fransche Omwentelaars, met eenen mortel van gansch bij- 
zonder maaksel zou gebouwd geweest zijn. Die mortel was samengesteld 
uit een mengsel van kalk en rogge. 

V. 
Men beweert ook dat de prachtige hoofdkerk van Antwerpen op ossen- 
huiden gebouwd is. 

VI. 

Eertijds moet het gebruik bestaan hebben, desteenen der grondvestingen 
met bloed te besproeien. Daarbij komt het dat in 1843 nog, waaneer men 
eene nieuwe brug legde te Halle in Saksen, het gerucht onder het volk 
rondging, dat men een kind zocht, om het onder de eerste laag steenen te 
begraven. Gelukkig dat hier enkel siirvivance bestond in eene bloote overle- 
vering. (Z. Bevtie de Belt/iqnc, hl. 222, Les smvivancca dans la civilisation). 



38 « Ons Volksleven. " 



VII. 

Over eenige jaren kondigden de dagbladen aan dat de koning van Daho- 
mey (Westkust van Afrika) een aantal jonge meisjes had doen verworgen, 
om hun bloed te mengen met den mortel die dienen moest omzijn paleis te 
bouwen. 

't Is dezelfde overlevering die de zee overgesteken is om in Afrika te gaan 
vastgroeien. 

VIII. 

Ziehier nog eenige volksoverleveringen die ook min of meer reclitstreeks 
betrek hebben op die oude traditie : 

In 1178-1180 veroorzaakte de doorbraak van 'nen grooten dijk ecne ge- 
weldige overstrooming, die de kantons bonoorden Brugge, onder water 
zette. Van alle zijden riep men eerdwerkers bij om den dijk ten spoedigste 
te herstellen. Hun getal was zoo aanzienlijk dat men, om zo te kunnen huis- 
vesten, verplicht was overgroote tenten neer te slaan. Die tenten waren, 
zegt men, de oorsprong van de stad Damme (A Km. ten N.-O. van Brugge). 

De overlevering heeft het aandenken bewaard van de moeilijkheden die 
men moest overwinnen en Avaar onze oude kroniekschrijvers tal van won- 
derbare omstandigheden aan vastgeknoopt hebben. Zij verhalen dat de dijk 
hersteld was, doch dat ereene enkele scheur overbleef van geringe lengte, 
maar zoo diep dat zij de takkebossen en de zakskes eerde verzwolg, zonder 
dat er een spoor terugverscheen van al wat men er in wierp. De werklieden, 
wanhopig van niet den minsten voortgang te doen, verloren den moed en 
wisten niet meer tot welken middel hunne toevlucht neujoii. Een grootc 
zwarte hond, met opengosperden muil en vlam mende oogappels stond on- 
ophoudelijk rond hen te keeren en te draaien, en scheen te zegevieren over 
hunne machtelooze pogingen. Eensklaps zag een werkman naar het ondier, 
en, door eene plotselinge ingeving, grijpt hij het bij de keel, licht het van 
den grond op en slingert het in den afgrond, dien niets tot hiertoe had kun- 
nen vullen. 

Oogenblikkelijk verandert alles van aanzien; men zou gezeid hebben dat 
eene noodlottige betoo vering verbroken wjerd ; de homv^ifoff'en die men in de 
opening weypi, vinden grond, en binnen eenigo uren is de scheur gestopt. Dat 
wonder maakte zulken diepen indruk op de aanschouwei's, dat de nieuwe 
stad in haar wapenschild de beeltenis van oenen hond aannam. Inderdaad, 
het wapen van Damme is hot volgende : Op een rood veld een zilveren balk, 
en daarop een loopende zwarte hond. 

IX. 

Deze leste overlevering heeft betrek op het stichten van de kerk van Laken. 

Tot drijmaal toe vonden do werkliodon de muren on.'vergowoipen, die zij 
daays te vor(Mi hadden opgericht. Mannen wierdon op wacht gezet om de 
dadois van die verwoesting te ontdekken. Wat zagen zij? De H. Moeder Gods, 
vej'gezold van de H. Catharina en de H. Baibara daalde neder uit den He- 



« Ons Volksleven. » 39 



mei en wierp op eén enkel teeken, voor den vierden keer de grondvesten 
omverre. Vervolgens duidde zij liun gedaante en de grootte van do nieuwe 
kerk aan en gebood den hoogautaar, niet in het Oosten, maar in het Zuiden 
te plaatsen. Tot teeken van hare verschijning, gaf zij hun eenen draad die 
op den grond het plan van 't gebouw zou afbakenen en die dienen zou om de 
grondvesten sterJcer ie maliën.] Alf. Harou. 



BIJDRAGE TOT DEN DIETSCHEN TAALSCHAT. 

3df (gste| Woorden zange. 

Aanvaren, voer aan, hen aangevaren. — Aan iets of aan iemand aanvaren 
= met drift begiimen, met geweld aangrijpen. B. v. « Hij voer aan 't eten 
zonder een kruiske te maken. — De kat voer aan den hond, « Geh. Beersel, 
Hcisf -ten-Berg. Vrglk. het Hoogd. anfahren. 

Agger, den. — Evegeer (Brecht), groote handboor die de wagenmakers 
gebruiken om de speekgaten in de vellingen te boren. Geh. St-Antonius- 
Brecht. 

Besprek, het. — Overeenkomst, verdrag, met twee vreemde ww. con- 
tract, accoord, in Loquela (1889, n° 4) hesprah. ^ Ik heb u 30 fr. betaald : dat 
was ons besprek. — Het komt in 't besprek niet dat ik u drij maanden voorniet 
moet laten wonen ! « Geh. idem. 

Bijeenkooien, kooide bijeen, ben bijeengekooid. — Samenscholen, Fr. s''at- 
trouper, van dieren, vogelen en ook van menschen gezeid. « De zwolmen 
kooien bijeen : ze gaan vertrekken. — Wat mag er gaande zijn in die straat ?.. 
Het volk kooit er allemaal bijeen, y^ Geh. idem.- Het w. kooi beteekcnt kudde, 
troep, eene zekere hoeveelheid dieren te zamen, b. v. eene kooi schaap, eene 
A-oo» patrijzen (Z. Schuerm.) 

Borggracht (uitspr. Börggracht), de. — Hofgracht, vest, gracht rondom 
een kasteel of eene pachthoeve. Geh. Beersel, Heist-ten-Berg. Dat w. herin- 
nert ons aan de middeleeuwen, toen de borgen, de burgen, de burchten der 
edelen met breede diepe slooten omringd waren. 

Dranger, den. — Valleke van ijzerdraad aan 'nen duivenkijker, langs 
waar de duiven binnen, maar niet weer buiten kunnen. Geh. KI. -Br., o. a. 
Schelle. 

Draaiwinkels, m.-mrv. — Draaierijen, kromme sprongen, uitvluchten, 
omwegen, Fr. détours, tergiversations «Ik en kan met al die draaiwinkels niet 
om ; spreekt rechtuit, zonder er doekskes om te wijnen (winden) ! « Geh. 
St-Antonius. Vrglk. het Hoogd. winkelziig, dat hetzelfde beteekent. 

Drengel, den. Z. Dranger, q. v. Geh. idem. 

Egger, den. Z. Agger, q. v. Geh. Wezemaal. 

Gillen, gol en gou, gegollcn en gegouen. — Gelden, weerd zijn. « "Wat gilt 
de rogge ? — Hoeveel heeft de boter gegouen^y^ Geh. St-Antonius, Holle, 
Zoersel en omstreken. Lulofs vermoedt dat het werkw. gelden komt van het 



40 « Ons Volksleven. » 



oude galen, galmen, klinken, ^ dat eigenlijk, « zegt hij, «hetzelfde is als 
galen, gillen, geilen, voorts door luid geraas opzien verwekken en ten gevol- 
ge daarvan zich ontzag verwerven beteekent ; gelijk wij daarom b. v. zeg- 
gen : hij heeft zich luid doen gelden. « Vrglk goud (gold) dat oorspronkelijk 
iets klinkends en terzelfder tijd iets glansends bediedde. Ik houde dus gillen, 
geilen voor de oorspronkelijke gedaante van het w., en geenszins voor gel- 
den, gilden met weggevallene d. In de Noorder- en de Wester-Kempen houdt 
d achter l altijd stand, terwijl ze elders in Antwerpen en Brabant dikwijls 
wegvalt. 

Robberen, robberde heb gerobberd. — Stelen, wegnemen, pikken. « Pinne- 
kendun wou zijne schijven nog eens natellen, maar jawel, zo waren gerob- 
berd ! " Geh. Antwerpen, Si-Anfonius. Vandaar robberaar (uitspr. robbercer) = 
dief, een die robbert. Robberen is uitbouw van het ongebruikte robben, d. i. 
rooven, stelen. Eng. io rob, Hoogd. rauben (Dietsch-)Fransch dérober, (Dietsch-) 
Spaansch robar, (Dietsch-) Italiaansch derubare. (i) 

Spoorvast. — Het sjooor kennende dat men volgen moet, van peerden ge- 
zeid. w Spant den bruine(n) in : die is spoorvast ! 7^, d. i. die kent de wegen 
die hij eens bereden heeft. Geh. Si-Antonius. 

Spoorwijs. — 1° z. Spoorvast, q.v. — 2° Overdrachtelijk gezeid van iemand 
die de eerste beginselen kent, die op weg is om ie leeren en te verstaan. 
« Dat kind is al wat spoorivijs. Geh. idnn. Vrglk. Toomitijs, in Schuerm. 
Toorn (uitspr. toren), den. — Last, moeilijkheid, dol, en in 'nen verderen 
zin, kommer, verdriet, hertzeer. « Jongen ! wat doe-de me toch toren aan 
door uw gezaag ! — Die dochter doet heure moeder veel toren aan door 
heur slecht gedrag. « Geh. idem. In den Esopei komt het w. met de tweede 
beteekenis voor : 

" Dlam sprac : « In was doeu niet gheboren, 
Twi soudicker er af hebben toren ?... n n 

(De Wolf en het Lam.) 

Vingerlinge wanten, vr.-mrv. — Wanten, handschoenen, waar iedere 
vinger in eene afzonderlijke hoos steekt. Geh. idem. Joz. Cornelissen. 



VERTELSELS. 

Van waar somniije lingen komen. 

5. (15) Hoe de Schelvisch dien naam kreeg. 

Op bl. 55 van den 1" jaargang, deelde ik onder bovenstaanden titel een 
sprookske mee. Sedertdien kreeg ik kennis van eene andere, meer volledi- 
ge lezing van dat vertelsel. 

Ik laat ze hier volgen en verzoek vriendelijk onze lezers ons de andere 
lezingen mee te deelen die zij van 't sprookske zouden kennen. 

(1) Andere voorbeelden van den stafwissel bfj = v zijn : stobhei'en van stobben = stuiven, stie- 
ven, Hoogd. xtaiiben, sticben ; — stribbelen van stribben = streven, Hoogd. streben, Eng. to strive: 
— kibbelen van kibben = kijven. Klibber is verwaTit met kleven, Hoogd. kleben. 



« Ons Volksleven. « 41 



Sinte-Peeter was 'nen keer aan'tvisschen.en de vangst was zoo groot dat 
het net meer als vol was, toen de apostel het boventrok. 

Gauw al de visschen in de schuit en het net opnieuw laten zinken, want 
nog nooit had Sinte Peeter zooveel visch gevangen. Maar op den oogenblik 
dat hij weer wou uitwerpen, zag hij 'nen visch die met de koenen (kieuwen) 
in de mazen van 't net was blijven hangen. 

De apostel greep den visch tusschen kop en rug vast en meende hem in de 
schuit te werpen, maar Sinte-Peeter was zoo rap niet als de waterbewoner, 
die door zijn gespartel aan de vingers van den visscher ontsnapte en in 
't water verdween. 

Sinte-Peeter, geërgerd, riep vertoornd uit : «O du schelm ! van nu af 
zult ge schclmvisch heeten ! 

En van toen af kenden de menschen dien visch onder den naam van 

schel(m)visch. 

* 

Tot daar het sprookske. Was de aanhoorder nu een slimmerik, dan vroeg hij : " Maar hoe kosten 
ze later den visch erkennen, die aldus door den apostel gedoopt wierd ? n — « Wel heel o-emakke- 
lijk : Siiite-Peeter had den schelvisch zoo 'nen duchtigen neep gegeven dat de twee putlekes rechts 
en links, achter den kop van iederen schelvisch nog te zien zijn. n 

* 

Daar zijn er echter die aan het sprookske geen geloof slaan en eene andere uitlegging geven. 
Die visch zou in den eerste niet schebwvisch, maar wel schelj^visch geheeten hebben. 
Wanneer men verschen schelvisch in mooken of muiken snijdt en er het vel aftrekt, dan schelpt 
de visch. Daar zou hij zijnen naam aan verschuldigd zijn, 

* 

Het volk kent nog eene andere eigenschap aan den schelvisch toe. Hij verbergt namelijk in zijnen 
kop al de werktuigen van de « passie «. Meer als eens heb ik bejaarde menschen, zonder de minste 
aarzeling en altijd dezelfde graatjes uit den kop van den schelvisch zien halen, en hen de namen 
van de werktuigen der passie van O. H., zooals lans, spons, hamer, nagels, lanteern, leer, enz. er 
op hooren toepassen. Twee witte steentjes verbeelden O. L. Vrouw en Maria-Magdalena. (1) 

Waar geleerden dikwijls enkel vuur en vlam of... graten in eenen schelvischkop zien, daar weet 
het volk blijken van kinderlijk geloof en dichtveerdigheid te geven. 

(Antwerpen.) J. B. Vervliet. 



6. (16) De Vrouw. 



Toen O. L. Heer Adam gemaakt had, wou hij ook nog eene vrouw schep- 
pen. Terwijl Adam sliep, nam hij eene ribbe uit diens zijde en legde die op 
'nen blok naast hem. Dat was me goed, maar terwijl O. L. Heer de wonde ver- 
maakte, kwam er een hond die de ribbe in zijn muil nam en er mee van door 
trok. Ons Heer, zich omkeerende, greep den dief bij den steert, maar door 
het geweld dat de hond deed om los te komen, geraakte de steert los, en de 
vluchteling op den loop, zooveel hij maar beenen kost! Daar stond O.L. Heer 

(1) Hetzelfde wordt ook verteld van den snoek, die eveneens de marteltuigen van den Zalig- 
maker in zijnen kop draagt. Daarbij komt het dat geen tooveraar of tooverheks zich in eenen 
snoek veranderen kan. (ziet Méliisine, t. IV, Col. 474). 



42 « Ons Volksleven, r, 



nu met den steort in zijne hand. " Dat is niets, -« zei hij bij zijn zelven, « 'k 
zal van den steert eene vrouw maken. Die hem met armoe weet te generen, 
is weerd dat hij leeft. « En hij nam den steert en vormde er Eva uit. 

Zoo komt het dan dat de vrouw van 'nen hondensteert gemaakt is. (i) 

(Geh. te Brecht.) 

Z. ook Volkskunde, II, bl. 87 en Eevue des Trad. pop . II, bl.485. 



7, (17.) Waarom de Haas 'nen hazemond heeft. 

De haas kloeg dikwijls dat hij de bangste beest was van den heelen we- 
reld. Eens dat de jagers met hunne honden weer op zijne hielen zaten, liep 
hij uit al zijne macht om aan zijne vervolgers te ontsnappen. Zoo kwam hij 
aan eene beek, en vlak voor zijnen neus hupte een vorsch in 't gers, en die 
vorsch verschoot zoodanig dat hij met éénen wip weer in 't water plonste. 

Daar had onze haas deugd van ! " Verdoren ! w zei hij, " ik wist niet dat 
er nog banger beesten waren als ik-ik ! r, En hij begost me daar te lachen 
eh ! te lachen en te giebelen, dat zijne lip er van openborst. Sedert dien tijd 
hebben de hazen allegaar eene gespletene lip. 

(Geh. te Sini-Antoinus.) 

Z. ook Volkshmdc, II, bl. 68, en Volk en Taal l, bl. 62. 

JOZ. CORNELISSEN. 



GRAFSCHRIFTEN TE BRECHT. 

In de hoofdkerk van den H. Michaël te Brecht liggen nog veel oude graf- 
zerken. Wat echter te betreuren is : al de middeleeuwsche grafsteenen zijn, 
door den brand der kerk in 1575, veri^.ield of geschonden. 

Een groot deel van de latere zijn ook gebroken en verdwenen, door het 
meermaals verleggen van denkerkvloer. En, spijtig genoeg, de nog bestaan- 
de grafzerken liggen zoo, dat de opschriften, door het gedurig betreden, 
binnen eenige jaren gansch onleesbaar zullen zijn. 

Om die kostbare opschriften voor de toekomst te bewaren, hebben wij ze 
zorgvuldig opgenomen en verzameld. 

Onder de grafsteenen die nog in de kerk liggen, zijn er drij waarvan wij 
hier de opschriften willen meedeelen, omdat zij niet zonder belang schijnen. 

I. 

Tegen de doopvont (vroeger in de vont) ligt een kleine steen, waar men 
op leest : 

(1) Meegedeeld door den Heer Hendr. Gysen. 



« Ons Volksleven. r> 43 



D. O. M. 

Sepulture 

van de eersame 

Jennekcn Lenaerts 

de Coninck 75 jaren 

Vroedevrouwe 

out 105 jaren sterft 

den 27 April 1694 

Bidt voor haer 

Siele. 

Zooals uit dit gralschrift blijkt, leverde Brecht vroeger ook eeuwelingen. 
Voorwaareen schoone ouder: 105jaar,en een werkzaam leven van 75 jaren! 

Deze bijzonderheid staat ook in den doodboek van dien tijd aangetee- 
kend, door Pastoor Wachmans, zooals volgt : - Joanna Leonardi de Coninck 
perannos Septuaginta quinque hujus parochie obstetrix expertissima, eta- 
tis sue centum et quinque annorum, 'obiit 27 Aprilis 1694. » 

Notaris Antoon Gerardi, die nogal veel aangeteekend heeft in den hand- 
boek der St-Jorisgilde, maakt er ook melding van in dezer voege : 

Gestvoiren vroedevrouwen. 

«Eerst Jeneken de Koninck, out 105 jaer bedint hebbende het vroede- 
vrouwschap 75 jaer, sij stierf 1694 ; sij had groote kennisse. y 

IL 

Ten jare 1651 ook, had Brecht de eer van eenen honderdjarige te tellen. 
Toen was het de alom geachie Secretaris, Heer Nicolaas Wachmans, een 
man die oneindig veel diensten aan Brecht bewezen had. In 1637 vierde 
men zijne gouden jubelfeest als Secretaris der oude heerlijkheid, en in 1651 
bereikte hij den gezegenden ouder van 100 jaren. Die tweede jubelfeest 
mocht hij echter niet lang overleven, want nog hetzelfde jaar daalde hij 
ten grave. Zijn grafzerk ligt achter in de kerk aan de noordzijde, en draagt 
het volgende opschrift : 

Sepvllvre van den Eersamen 

M'' Nicolaes Wachmans 

Secretaris der Heerlijckheyt 

van brecht bedient 64 

jaren ende ovdt 100 jaer 

sterf den 4 October 1651. 

ende 

de Eerbare Willemyne Jan 

Delien syn hvysvrov ovdt 

65 jaer sterf den 27 Meert 

1633 

Bidt voor de Sielen. 

IIL 

In den omgang der koor, achter den hoogen autaar ligt nog een schoone 
grafzerk, zeer fraai ingeleid met boorden van witten marmer. Toen die 
steen nog op zijne oude plaats lag, bedekte hij de rustplaats van de familie 
Lemmens. Ziehier het opschrift : 



44 « Ons Volksleven. " 



D. o. M. 

Hier rust 

Jan Lemmens niet zijn vrouw 

die zaem beleefden 

in de trouw, 

het plechtig 

vijftigh Jubel — jaer, 

als Jubilers en Jubilaer, 

God geeft hun 

d'haeve van den lust 

waer zaem 

hun ziel in liefde rust, 

opdat den Goddelijken troon, 

mag eeuwigh 

wesen hunnen woon, 

Jan stirf 13 Januarij 1775, 

Barbara Gerardi 

stirf 17 . . . 

Met hunne naerkomelingen. 
R. 1. P. 



JOZ. MiCHIELSEN. 



SAGEN. 

5. (17). De Betooverde Boer. 

Een boer van Brecht kwam eens op 'nen nvond van Wimst-Wezel. Orii 
zijnen weg te verkorten, nam hij eenen binnenpad, dien hij goed kende. Die 
wegliep door eenen beemd, de Nonnche^iwei geheeten. Reeds van verre 
hoorde hij dat daar iets buitengewoons gebeurde, maar, als een man die 
van gQQn klein gerucht verveerd is, vervolgde hij stout zijnen gang. Toen 
hij in den beemd kwam, stond hij niet weinig te zien. Eene uitgestrekte, 
helder verlichte feestzaal lag voor hem, daarin stonden lange rijen tafels 
met lekkere gerechten beladen, en daaraan zat een vroolijk gezelschap 
heeren en juffrouwen te feesten en te smullen. Het duurde niet lang, of men 
kreeg onzen boerin de oog. " Kom maar bij, vriendschap, ^ riep men hem 
toe, « wij zullen dezen nacht eens kermis houden ! r, De man wierd aange- 
grepen en in 'nen kostelijken zetel bij de tafel gezet. In den eerste was de 
nieuwe gast wel wat wantrouwig, maar de geurige gerechten deden hem 
watertanden. « In Gods name dan, ^ zei hij, en hij nam een mes en sneed 
voor alle verzekering een kruis over 'nen groeten tas koeken, waarvan hij 
wou gaan eten. Plotseling veranderde alles van gedaante. De vroolijke hee- 
ren en juffrouwen waren gelijk een weerlicht verdwenen, de tafels met 
lekkere spijzen waren naar de maan, en... daar zat onze boer aleen op 'nen 
mutsaard, voor eene groote koeisch... te zien ! 

Nadien plegen de Brechtsche boeren altijd een kruis te snijden over hun- 
nen koekebak, alvorens zij er van beginnen te eten. (i) [Brechi). 

(1) Meegedeeld door den Heer J. Adriaenssens. 



« Ons Volksleven. " 45 



Aanmerking. — Die sage is zeer verspreid. Zij bestaat o. a. te Wambeke (z. VoUi^hunde, 1« jrg., 
bl. 75, Jefken de Speelman) Aarschot, Leuven, Wezemaal, Tienen en Werchter (z. Yolk en Taal, 
2<Je jrg., bl. 113, Waf Pikke Blink ecm overkwam). Te Wambeke zijn het heeren en juflfrouwen die 
dansen ; zij verdwijnen op klokslag van twelf uren. Elders o. a. te Tienen en te Werchter zijn het 
heksen die verdwijnen bij de woorden : God zegene u, of : In Gods name, enz. Twee lezingen komen 
voor in Wolf, G roof moederken ; dezelfde sage is ook in Duitschland en Ierland bekend. 

JOZ. CORNELISSEN. 



GRAPPIGHEID. 
1. Voortrek, Drij draad en Kaaskop. 

Een boerken hield herberg in de hei, maar zijn bier wierd altijd zuur, 
omdat het te lang loopen moest. « 't Is groote zottigheid, » zei het manne- 
ken eens, « zooveel geld aan den brouwer uit te geven ; dat ik zelf eens aan 
't brouwen gonge ! » 

Zoo gezeid, zoo gedaan. Seffens den koeiketel met zuiver water overge- 
hangen, er gesneden strooi in gegooid, en aan 't stoken aan ! Na eene uur 
of twee kokens, was het gebrouwte veerdig en het boerke goot het heel 
voorzichtekes ai. Dat eerste brouwsel, het strafste, noemde hij voorfreJc. 
Daarna vulde hij den ketel nog twee keeren, en aan het tweede gebrouwte 
gaf hij den naam van drijdraad. Het derde kooksel hiet hij raasJco}). 

Op zekeren dag kwam er een heer binnen die een glas bier bestelde. " Wat 
bier zou Mijnheer believen ? « vroeg de dochter, « want Mijnheer moet 
weten dat wij drij soorten hebben: voortrek, drijdraad en raaskop. » — 
« Wel geeft me maar een pintje raaskop ! y^ — Pas had mijnheer 'nen slok 
geproefd, of hij begost van alle vieze gezichten te trekken, en hij spouwde 
den raaskop uit. « Donderen bliksem! » riep hij woedend, « wat voor pad- 
denvergif verkoopt ge mij hier ! y> 

— « Vader, vader ! » riep de dochter, « ge moogt het bier zoo straf niet 
meer maken, want Mijnheer wordt er zat af! » 

(St-Antonius-BrccM.) Joz. CoRNELissEN. 



BOEKBESPEEKING. 

D"^ Edm. Veckekstedt. — La Musique et la Danse dans les traditions 
des Lithauniens, des AUemands et des Grecs. (Parijs, Bureelen van La 
Tradition, 1889, — Collectiou internationale de La Tradition, Vol. III). 

Het boekske dat ter besprekinc; voor ons ligt, verdient dubbel onze aandacht, 
èn om den schrijver die bet in 't licht gaf, èu om den inhoud, die alleszins nierk- 
weerdig is. 

Inderdaad, D"" Veckenstedt is een der geleerdste schrijvers die zich tot hiertoe 
in Duitschland met de volkskunde bezighielden, 't Zijn echter niet alleen zijne 
werken die hem in zijn vaderland en verder nog, nar\m als volkskundige deden 
verkrijgen, het nieuw s.telsel dat hij huldigt en dat door een zeker getal beoefe- 
naars der volkskunde gevolgd wordt, bracht er ruimschoots het zijne toe bij. 

Wij zeiden daar nieuw stelsel en onderschrabdeu het woord; eigentlij k zouden 



46 « Ons Volksleven. » 



wij moeten zegp;cn het geschiedkundig stelsel, van vroeger tijd reeds [^'evolgd, 
hetzelfde stelsel, mits enkele wijzigingen misschien. 

Hoe het ook zij, in het onderhavige werkske heeft de schrijver gemeld stelsel 
toegepast op de overloveringen nopens den oorsprong van 't muziek en don dans 
bij de Littauwcrs en Zaraaïten, de Duitschersen de Grieken, 

De speeltuigen waarvan de oorsprong op recht dichterlijke wijze verhaald 
wordt, zijn bij de Littauwers en hunne stamgenooten, de Zamaïten, de lier, de 
gitaar of cither, de herdersfluit of rietpijp en eindelijk de fluit. 

Aan de legende der fluit is ook die van den dans verbonden. Bij de Duitschers 
zijn de overleveringen talrijk ; alle komen overeen met do sag3 van Tannhaüser 
on Vrouw Venus, elders vrouw Holda, Frene en Vrene, Frêen en Fricn, volgens 
de streek waar de sage verteld wordt ; of zijn er als h^t ware in versmolten. 

Van Tannhaüser, den ridder-minnezanger, zijn verblijf in den Venus- of Hör- 
selberg, zijne reis naar Rome en zijnen terugkeer naar de plaats van wellust en 
zinsgenot, vinden wij sporen in onze oude letterkunde, waar hij in de Nederland- 
sche liederen onder den naam Daniel'ken verschijnt, (i) 

De sagen der oude Grieken maken eveneens melding van de hooger genoemde 
muziektuigen. De uitvinding der lier wordt aan Hermes toegeschreven ; de gitaar 
of cither verdankt men Apollo ; Pan is de uitvinder der boschfiuit of veldpijp, 
terwijl de gewone fluit aan Athene toegekend wordt. 

Ook van den krijgs- of wapendans (danse pyrrhique) wordt gewag gemaakt. 

Indien men nu, na een aandachtig lezen, de meegedeelde S'igen ouderling ver- 
gelijkt, dan bevindt men, op het voetspoor des schrijvers, dat de overleveringen 
nopens de uitvinding van muziek en dans bij do Littauwers en Zim-^ïten uitmun- 
ten door reinheid van opvatting, zedelijk gevoel en dichterlijke inkleediug; dat 
de sagen der Duitschers van woeste kracht en losse vreugd, ja dartelheid getuigen; 
terwijl die der Grieken, zoo door vorm als door inhoud, blijken geven van oor- 
spronkelijkheid, vernuft en schoonheidsgevoel. 

Het werk van den H"^ Vcckenstedt is, ons dunkens, het belangrijkste dat tot 
hiertoe in de CoZ/ee^ïo« ?«/er?2a^/o«a7e verscheen. Men weze dan al of niet met 
hem eens over het stelsel dat hij volgt, toch moet men bekennen dat hij dit op 
eene behendige wijze weet toe te passen, en ons tevens het bewijs levert van zijne 
grondige geleerdheid, van veelzijdige kennissen en groote belezenheid. 

J. B. Vervliet. 



VRAGEN EN AANTEEKENINGEN. 

10. Strooibusseltjes aan den voet der kapellekes. — Op bl. 23 (N"^ 5) 
van dezen jaargang, stelt men de vraag : " Legt men, in geval van ziekte, ook 
een bundeltje strooi aan den voet van eeneu boom, waar een JcapelleJ(en of een 
heiligenbeeldje aanhangt? d 

Dat gebruik wordt enkel in acht genomen, als or een mensch overleden is. Het 

(1) Die hierover meer wilt weten, slage Kalf, J7e^ ^ï'e^ Mi de Middeleenwen, open, op bl. 4G 
en volg., waar naar de andere bronnen verwezen wordt. 



« Ons Volksleven. » 47 



bestaat in de omstreken van Antwerpen, in de Kempen en in Brabant. Waneer 
men eenen doode ter kerke heeft gevoerd, dan neemt men de s^rooibusseltjes, 
waar de kist in de kar op rustte, en men legt ze aan den voet der kapellekes, die 
men op den kerkweg voorbijrijdt. Staan er geene kapellekes of heiligenhuiskes 
omtrent, dan worden de busseltjes bezijden den weg of in eene gracht geworpen, 
zoo nochtans dat ze in iedereens gezicht liggen. Ondervraagt men onze dorpelin- 
gen over dat gebruik, dan antwoorden zij dat de strooibundeltjes daar geleid zijn 
met het inzicht om den voorbijganger te herinneren dat er een mensch gestorven 
is, en om hem tevens aan te wakkeren een gebed te storten tot lafenis van de ziel 
des aflijvigen. Te Sint-Antonius zegt men dat iedere voorbijganger, in éénen snuk 
eenige strooipijltjes uit een der busseltjes moet trekken. Zooveel pijltjes hij in 
de hand houdt, zooveel vaderonzen moet hij bidden. 

JOZ. CORNELISSEN. 

11. Noodlot of fatalisme. — Ik herinner mij eens eene sage gehoord te heb- 
ben die hierop neerkomt : Er was eens een jonkman bij wiens geboorte men voor- 
speld had dat hij door een grijs peerd zou sterven. Daarom vermeed hij zorgvuldig 
alle grijze peerden. Toen hij ongeveer 30 jaar oud was, meende hij eens eene 
herberg binnen te gaan, maar op den oogenblik dat hij den dorpel wou over- 
schrijden, viel het hangberd op zijn hoofd en hij bleef op den slag dood Op dat 
hangberd stond een grijs peerd afgebeeld ! 

Wie weet daar meer van ?.. En wie deelt ons sagen van denzelfden aard mee ? 

JOZ. CORNELISSEN. 

12. De Dood van Bazel. — In een Duitsch werkske, gQi\iQ\di Deutsches Lie- 
derlexicon, herausgegeben von Aug. Hiirtel, S*' Auflage, Leipzig, komt onder n"" 
39, zulk een lied voor. Het heet Der Tod von Basel. De Duitsche tekst, de ver- 
deeling in strophen, de versmaat, alles stemt overeen met den Vlaamschen tekst, 
zoodat wij wel in een der beide liederen — waarschijnlijk in het Vlaamsche — 
eene vertaling zoudan mogen zien. J. C. 



INHOUD VAN TIJDSCHRIFTEN. 

1. Volken Taal — f^ Jaargang. — K° 9. — Leve 't Kruis ! (A. van Heuverswyn). — Bijdrage 
tot den Nederlandschen taalschat (J. Branders). — De Gastel- of Kasteldag. — Maria die moeste 
naar Bethleëm gaan. (R. Ghequière). — Raadsels (F. van Cauwenberghe en R. Ervinck). — Hoe 
een dronkaard hem bekeerde (F. Bernard). — De Blinde en de Ziende (K. van Damme). — Van 
den reus Gravampeka(P. Waelens). — "Wit Karlientje en Zwart Karlientje (A. J. Witteryck) — 
Na den veldslag van 1708. — De Fransche tijd te Oudenaarde : Wetbesluit van 13 Dec. (K. van 
Caeneghem). 

2. Biekorf. — 1^ Jaargang. — N» 7. — Uit Indien. — Joseph Deveuster. — Eertijds en nu (Aloys 
De Yisschere) — Aan Machrietje, op den schoonen dag van zijne Eerste Communie (Guido Gezelle). 
— Uit Fransch Vlaanderen. — Mingelmaren. 

3. De Student. — 10^ Jaargang. — N^ 2. — Welke weldaden Frankrijk ons gegund heeft. — Eene 
Veronderstelling. — De natuur bij zijn ontwaken. — Is 't niet zoo? — Annibal. — De Konings- 
dochter. — Een poedermagazijn. — Christus' dood. — Dolfkens, — Ware Grootheid. — 
Mengelingen. 

4. Het Belfort. — 5" /fl-ffr^rrra^. — K» 4. — I. De vrijheid van Godsdienst en de Geuzen (P. J. 
Goctschalekx) II. D"" Van Oye's " Vonken en Ztraleu. ,-, (O. L. S. .T. — lil. Gedichten van Hilda 



48 « Ons Volksleven. " 



Ram (J. F. De Hert). — IV. Mietje euhare Meerl (Hendrik Klein) — V. Vlaamsche Hoogeschool 
(D. Ackers). — VI. Driemaandelijksch overzicht (S. P.). — VIL Eerste communie (E. P.). — VIII. 
Golgotha (Fiet Van Assche). — IX. Boekennieuws en Kronijk. 

5. Ketnpisch Museum. — 1*^ Jaargang. — N° 3. — Hoogstraeten. Attestatie van Burgemeester, 
Schepenen en gezworenen der Vrijheid van Hoogstraeten, nopens den Spaanschen oorlog tot het 
jaar 1591. (E. Adriaensen). — Rijckevorsel. (S.) — Arendonk. Eene arbitraire correctie. (E. T.) — 
's Gravenwezel en St-Job-in-'t-Goor. Vonnis, geslagen 19 Oci.ober 1620.... (ïh. Igu, VVelvaarts). — 
Petrus van Emmerick (Fr. Waltman van Spilbeeck). — Jan IV, in Augustus 1423 te Turnhout 
verwacht komt niet. (E. T.) — De heerlijkheden van het land van Mechelen. Duffel, Gheel en 
hunne heeren. (J. Theod. De Raadt). — Geschiedkundige bijdragen over de voogdij van Molle. 
(Th.Ign. Welvaarts). 

La Tradilion. — i" Jaargang. — 'ii° 'i. — Le Folklore en Angleterre (Thomas Davidsou). — 
Accousmates et chasses fantastiques I. (Abbé Ch. Braun). — Le Grillon et le Loup (Joannès Plan- 
tadis). — Palladiums et talismans des cités. I. (H. C.) — La monture du vilain (Achille Mil- 
lien). Histoire du traditiounisme en Finlande. I. (suite). (Kaarle Krohn). — Les matériaux dans 
les fondations. I. (AlfredHarou). — Saints et idóles chatiés. VIL (Joseph Defrecheux). — Une 
nouvelle revue de folklore (Henry Carnoy). — Poésies semi-populaires (A. L. Ortoli). — Le folk- 
lore polonais. d'après Oscar Colberg (Michel de Zniigrodzki). — Le palet de Samson (Dr Béranger- 
Féraud). — Les recommandations de ma pauvre Grand-la-Borgne. Roumanille, traduit par Raoul 
Gineste. — A propos du Congres des Traditious populaires (La Rédaction). — La chanson du 
charbonnier (Noël Selter). — Bibliographie (Bespreking over wei'ken van Fr. Ebeling, C W. E. 
Brauns, Julien I'elaite, Fr. Baugert, door Henry Carnoy en Aug. Gittée). 

7. Revue des Traditions populaires. — ó'« Jaargang. — K"^ 2. — La légende du chien de Montar- 
gis chez les Arabes (René Basset). — Le retour du soldat, version du Maine (M'"** Destriché). — 
Les Cynonéphales dans la légende (Henri Cordier). — Le Carnaval dans les Vosges (L. L. Sauvé). 

— Les Précurseurs de nos études. V. Enquête du premier Empire et de la Restauration (Léo 
Desaivre). — VI. Notes inédites (première moitié du siècle). (La Fontanella). — Noms, formes et 
gestes des lutins. III. Basse-Bretagne (Paul Sébillot). — La fête des Rois. XIV. ürdalies en Bour- 
gogne (L. A. Fontaine). — Les Fois de 1'ile de Ré (Daniël Bellet). — Légendes africaines sur l'o- 
rio-ine de 1'homme. IV. — VJI. (René Basset). — Chansons et danses étrangêres. IIL Musique et 
danses roumaines. III. Rapsodie cambodgienne de Bourgault-Ducoudray (Julien Tiersot). — 
Bazin de la Lune, légende du Dauphiné(A Certeux). — De quelques formes de salutation (Abel 
Hovelaque). — Assemblee générale. — Bibliographie : Japanese Fairy Tale Series (Aug. Gittée). 

— Livres reyus aux bureaux de la Revue. — Périodiques et journaux. — Notes et enquêtes. 

8. The Journal of American Folk-Lore. — \oL III. Janiiary-March, 1890. X^ YIII. — 1. First 
annual meeting of the American Folk-Lore Society. — 2. Folk-Lore of the bones (Daniël G. Brin- 
ton). — 3. Additional collection essential to correct theory in Folk-Lore and Mythology (W. W. 
Newell). — 4. The endemoniadas of Queretaro (Henry Charles Lea). — 5. Chinese secret societies 
in the United States (Stewart Culiu) — 6. Cherokee theory and practice of medicine (James 
Mooney). - - 7. Some saliva charms (Fanny D. Bergen). — 8. Primitive man in modern beliefs 
(Henry Phillips J"-). — 9 Waste-basket of woi-ds. — 10. Folk-Lore scrap-book. — 11. Notes and 
Queries. — 12. l.ocal meetings and other notices. — 13. Bibliographical notes : a/ books ; b/ jour- 
nals. — 14. List of libraries or societies, being members of the American Folk-Lore Society. 

9. Rassegna di Letteratura popolare e dialettale, diretla da M. Menghini, A. Parisotti e F. Saba- 
tini. Direzione e af/iministra:ïone Piazza PoUarola, n. 33, Ronia {Centro). Prijs '6 fr. 

i"" Jaargang, N" I. — Ai cultori del Folk-lore (La Direzione). — Credenze, usi e costumi abruz-j 
zesi raccolti da Gennaro Finamore (M. Menghini). — Le origini di maestro Pasquino per Dome- 
nico Guoli (F. Sabatini). — Canti popolari della montagna lucchese raccolti da Giovanni Giannini. 
(M. Menghini). — Bollettino bibliografico : Yifa pop. marchigiana di A. Castelli. — Les contes 
d'animaux dans les romans du Renard, H. Carnoy. — Varia : Un diario inedito del sec. XVIII. — 
Spoglio de periodici. — Annunzi. , 



ONS VOLKSLEVEN 



^ « P> is nog een rijke oogst op het veld 
Antwerpsch-Brabautsch Tijdschrift '^'^ Jaar der gewestsprakeu voorhanden; veel 

volksuitdrakkiugen dreigen te verdwij- 
voor Taal en Volksdichtveerdigheid , 1890 ""^^ ^^^ om hunne juistheid, schilder- 

achti^heid of oudheid verdienen in de 
voor Oude Gebruiken, Wangeloof kunde, schrifttaai opgenomen en bewaard te 

blijven. » 

enz.IntiPi'lfnommers van tn-elf bladzijden Zuid-Xederlandsche Maatschappij 

VAN Taalkunde, Wedstrijd 1874. 
/^;^o. j,jjg "De studie der folklore heeft voor doel 

" ons volk in zijne eigenaardige zeden en 

Te Brecht, gewoonten, in zijn innig geloof en karak- 

Afl ter te leeren kennen, in één woord, kei 

bij L. Braeckmans. * volk zooals helis. « 

Vraagboek over Vlaamsche Volksktmde. 

DE UITVINDING DER LIER. 

(EENE LITTAUWSCHE SAGE). 

In de vorige aflevering bespraken wij het werkske van Dr E. Vecken- 
stedt : La Musique et la Danse dans les iradiiions des Lifhauaiens, des A l- 
Itmands et des Grecs. 

Wij wezen er toen op hoe de sagen der Littauwers en Zamaïten uitmunten 
door dichterhjken vorm, zedelijke strekking en reinheid van gedacht en 
uitdrukking. 

Wij mesnen dan ook onze lezers geenen ondienst te bewijzen, door hun 
ecne dier sagen mede te deelen. 

De eerstvermelde is 

De üilvinöiDg fler Lier. 

Op zekeren dag trok een man, uit het land der Zamaïten, Parkenas ge- 
heeten, door een woud. 

In den beginne bewoog de wind zachijes de twijgen der boomen ; weldra 
echter stak hij meer en meer op, totdat eindelijk een woedende storm door 
de krakende takken huilde. 

Parkenas dorst zijnen weg niet meer voortzetten en hij besloot onder 
eenen van de grootste boomen des wouds eene schuilplaats te zoeken. 

De nacht viel en, door vermoeienis overmand, sliep Parkenas weldra in, 
niettegenstaande het gedruisch van het onweder. 

Daar zag hij in eenen droom, hoe de machtigste van de goden der Zamaï- 
ten, Perkunas, de god des Storms en de Donders, uit den hemel op de aarde 
nederdaalde. De goden en godinnen die hem stoetsgewijze volgden, maak- 
ten muziek, terwijl zij zich met bevallige dansen verlustigden. 

Parkenas was opgetogen ove»- netgeen hij zag en hoorde, 's Morgens 
vroeg, toen hij ontwaakte, was de wind gaan liggen, de zon glansde aan 
den hoogen hemel en liet hare gouden stralen tusschen de groene twijgen 
der boomen glijden. 



50 « Ons Volksleven. » 



Hij herinnerde zich zijnen droom en al het wonderbare dat hij gedurende 
zijnen slaap gezien had. Op dien oogenblik bemerkte hij eenen vogel, die op 
eenen lagen boomstam zat. Nooit in zijn leven had Parkenas zulken vogel 
gezien ; zijne vederen schitterden in her licht der zon, en, wat nog meer 
verwondering wekte, was dat men, aan beide zijden van den steen des vo- 
gels pluimen bemerken kon, die langer als de andere waren. Op de teenen 
sloop Parkenas naar den afhangenden tak, en hij gelukte er in den vogel 
vast te grijpen. Daar deze buitengewoon schoon was, zoo besloot Parkenas 
hem den goden en godinnen te offeren. Hij ontstak vuur, en terwijl de rook 
van den brandenden vogel ten hemel steeg, bad Parkenas de godinnen hem 
een de speeltuigen te willen schenken, waarmede zij hun muziek uitgevoerd 
hadden. 

Zijne bede wierd verhoord : Laima, godin der Fortuin, daalde uit den 
hemel neer en gaf aan Parkenas een der speeltuigen dat zij lier noemde, naar 
den naam van den vogel, door Parkenas aan de hemelbewoners ten offer ge- 
bracht. 

Sedert dien bespeelde Parkenas de lier, iedere maal dat er eene feest of 
bruiloft gehouden wierd; later leerden zijne stamgenooten het van hem af, 
en zij maakten nu zelf het speeltuig, dat dienen moest om hen door zijne 
verrukkelijke tonen te vermaken. J. B. Vervliet. 



DE VOGELEN IN HET VOLKSGELOOF EN DE 
VOLKSDICHT VEERDIGHEID . 

In dit opstel zullen wij achtereenvolgens de inheemsche- en de trekvoge- 
len der provincie Antwerpen beschouwen. 

Op deze naamlijst zullen wij de verschiüige bijgeloovigheden laten volgen, 
waarvan deze vogelen van in de oudste tijden tot op onze dagen het voor- 
werp waren. Ons Volksleven zal die aanteekeningen verrijken met er die bij 
te voegen, welke in het Vlaamsche land gangbaar zijn. 

I. De Ijsvogel, door de Ouden Alcyon geheeten. 

— Het bijgeloof plaatste den nest van den Alcyon op de vlakke zee (Z. 
Fluiarchus); het was Eolus die de winden ten voordeele van zijne jongskes 
geketend hield. {Godenleer.) 

— De Ouden geloofden dat de mannelijke Alcyons na het paren stierven. 
[Tzctzès en de ScJwliast van Aristophanes.) Die fabel komt waarschijnlijk 
voort uit de zeldzaamheid dier vogels. 

— Men zegt dat zijn vleesch nooit bederfr. {SchtvencJcfeld, bl. 197). 

— Men geeft aan dien vogel de eigenschap, dat hij, gedroogd zijnde, het 
laken en andere stoffen bewaren, en er de mot van verdrijven kan. {Buffon.) 

— De ijsvogel heeft nog het vermogen : 

P Van eenen bedolven schat te vergrooten ; 

2° Van zelfs na zijne dood, op het tijdstip van het ruiven, zijn gevederte 
te vej-nieuwen. {Buffon.) 



« Ons Volksleven. » 51 



— Eindelijk, hij deelt aan die hem bij zich draagt, schoonheid en bevallig- 
heid mede, hij brengt den vrede in het huisgezin en geeft kalmte aan de 
zee; hij trekt den visch aan, en maakt de vischvangst vruchtbaar op alle 
wateren. (Kirannides .) 

— De ijsvogels bij de Tartaren en in Siberië : 

« Men treft de ijsvogels in gansch Siberië aan, en" hunne pluimen worden 
« door de Tartaren en Ostiaken tot verscheidene bijgeloovige doeleinden 
« gebezigd. De Tartaren rukken ze uit en wei-pen ze in het water, en bewa- 
« ren zorgvuldig de pluimen die bovendrijven. Zij beweren dat, waneer zij 
« meteene dier vederen eene vrouw oi enkel hare kleederen aanraken, zij 
« dan op haar verliefd worden. 

« De Ostiaken nemen de huid, den bek en de pooten en sluiten die in eene 
« beurs. Zoolang zij dit slach van amuleüe of voorbehoedmiddel bezitten, 
« gelooven zij geen enkel ongeluk te moeten vreezen. Degene die mij dien 
« middel leerde om gelukkig te leven, kon het niet doen zonder tranen te 
« storten. Hij vertelde mij dat hij door het verlies van zulke huid, ook zijne 
« vrouw en al zijne goederen verloren had. Ik legde hem voor oogen dat 
" die vogel toch zoo zeldzaam niet moest zijn, vermits een van zijne landge- 
" nooten er mij eenen gebracht had met huid en pluimen. Hij scheen daar 
« zeer verwonderd over en zeide : Moest ik het geluk hebben van er eenen 
« te vinden, ik gave hem aan niemand weg. » [Gmelin, Voyage en Siberië, 
D. II, bl. 112.) 

— Op Taïti, Huaheine en üliétéa, wordt eene soort van ijsvogel met bij- 
geloovigen angst door de inboorlingen aanzien, volgens dat de Heer Forster 
meedeeltin de 2® reis van Kapitein Cook rond de wereld. (T. 1, bl. 425.) 

— In Taïti en de Gezelschapseilanden is een ijsvogel met witten bek en 
een soort van grijze reiger het voorwerp van eene groote vereering. De 
eilandbewoners heeten hen Catouas, een naam waarmede zij hunne goden 
aanduiden. (Voyage du Cop. Cool; bl. 265 en 345. Nouv. Billioth. des Voyagcs 
anciens et modernes .) (Vervolgt). 

Alf. Harou. 



VERTELSELS. 

Dwerpjen. 

8. (18.) Peeter de Fluitspeler. 

Zekeren dag toen een herder zijne schapen op de weide grazen liet, vond 
hij een klein kindeken in eene bussel gewikkeld. Hij droeg het naar huis en 
gaf het te verzorgen aan zijne vrouw die her Peeter noemde. De kleine Pee- 
ter wierd herder en vergezelde zijnen goeden pleegvader, van wien hij het 
fluitspelen leerde, en dien hij welhaast overtrof. Op de kermisdagen moest 
Peeter de dansen met de zoete ionen zijner fluit begeleiden. Hij was al groot 
geworden, toen door eenjaar van tegenspoed, zijne pleegouders in de bit- 



52 « Ons Volksleven. « 



terste armoede violen. « Ik ga heen, « zei Peeter, « ik eet uw brood en dien 
tot niets; M^anneer er betere dagen komen, dan zal ik wederkeeren. « En 
hij ging op weg, en hij reisde verre, heel verre, maar overal zag hij dcnzelf- 
den hongersnood. Zoo kwam hij, uitgeput van krachten, bij eenen kolen- 
brander, dien hij verzocht hem in zijnen dienst te nemen. « Laat mij hout- 
kapper worden, » zeide hij, « als ik don kost maar verdien. » De kolenbran- 
der was tevreden, en 's anderendaags trok Peeter hot bosch in om hout te 
kappen, 't Wierd avond en hij geraakte van den weg en doolde al dieper en 
dieper het bosch in. Liever dan den nek te breken, besloot hij onder den 
blooten hemel te vernachten. Hij zocht dan een goed plaatskon op den grond 
en spoedig viel hij van vermoeienis in slaap. Hij kost daar zoo oene uur of 
twee gelegen hebben, toon hij eensklaps wakker schoot door oen luid ker- 
men en schreien. Peeter zag een heel klein Kaboutermanneko, dat hem on- 
der het storten van heete tranen vertelde dat de " Pijper w der dwergen 
gestorven was. Peeter schepte moed en zei aan hot manneke, dat hij ook 
pijper offluitspeler was. Toon de dwerg dat hoorde, verzocht hij Peotor moe 
te gaan naar de krocht waar de Kabouters woonden. Onze fluitspeler ver- 
zon niet lang, maar volgde het manneke, dat hem door lange onderaard- 
sche gangen in het verblijf der Kabouters bracht. Daar vond hij met duizen- 
den on duizenden dwergen die een droevig misbaar maakten en weenden 
en zuchtten van verdriet. De Kabouter die met Peotor binnengekomen was, 
gaf dozen een teeken, en Peotor bogost op zijne fluit te spelen. Op het hooren 
van dat muziek ging er een kreet van verwondering bij de dwergen op; 
weg was hunne droefheid, weg waren hunne tranen ; zij sprongen op en 
begonnen van vreugde te dansen. Peeter wierd als koning behandeld, en 
de dwergen sloven rond, om zijne minste M^onschen te volbrengen. Hij 
leefde gelukkig onder de Kaboutermannekcs, maar toch kon hij zijne aan- 
aangeiiomon ouders niet vergeten die hom zooveel goed hadden gedaan. 
Daarom vroeg hij dikwijls te mogen vertrekken. De dwergen stemden er 
eindelijk in toe, op voorwaarde dat hij aan eenen van hen het muziek zou 
leeren. Dat was zeer moeilijk, want het manneken had niet het minste ge- 
heugen. Maar do Kabouters hielpen Pectors ouders uit den nood en brach- 
ten hun alle nachten 'non goudon dukaat, dien zij alle morgens op de tafel 
vonden liggen. Ondcrtusschon wierd Peeter al ouder en ouder, en zijn leer- 
ling trok niet het minste voordeel uit zijne lessen. Toen bad en smeekte hij 
zoolang de dwergen dal zij hem eindelijk lieten vertrekken. Ze gaven hem 
eeno menigte kostelijke geschenken mede, vooral odelsteenen. Ge kunt 
denken hoe blij dat Peeter was en hoe tevreden zijne ouders waren hun 
pleegkind weer te zien, dat zij al lang dood gewaand hadden. Zij leefden 
nog lange jaren gelukkig on vergenoegd tezamen, en Peeter meest wel 
honderd koeren zijne gevaronissen vertellen. 
(Lier). 



« Ons Volksleven, » '53 



9. (19.) Broederliefde door de dwergen beloond. 

Er was eens een klein meisken, en dat was in het bosch verdwaald, ter- 
wijl het bezen (= bezien) ging zoeken. Als het nu al lang weg end weer ge- 
loopen had, toen wierd het moe en het kost niet meer voort. Het ging dan 
onder 'nen boom liggen en viel in slaap. 

Pas had het zijne oogskes toe, of daar kwamen twee Kaboutermannekes, 
een oude en een jonge, die de wacht bij het kind hielden. Toen het meiske 
wakker wierd, zag het den ouden dwerg voor zich staan, met zijnen langen 
grijzen baard, die wel tot op zijne knieën daalde. Hij vertoonde een heel 
vriendelijk gezicht en zeide : « Lief kind, wat hebt ge schoone lange krol- 
len op uw blond kopke ! Als ge mij die lokken laat afknippen, dan geef ik 
u een gouden ringesken aan uwvingcrke. ^ 

— " Neen, » zei het meiske, « mijne lokken geef ik niet, want die heeft 
O. L. Heer mij laten groeien, en daarom durf ik ze niet weggeven. .•' 

— « Ik wil er u nog iets schooners voor geven, ^^ sprak hierop het man- 
neke ; r, als gij ze mij laat afknippen, dan geef ik u eene kleine poppenkeu- 
ken. En al detelloorkes, schoteltjes en kruikskes zijn van blinkend zilver. « 

— « Neen, daar geef ik ook de lokken niet voor, die O. L. Heer mij heeft 
laten groeien. « 

— « Dan heb ik nog wat anders voor u, dat vele meer weerd is als het rin- 
gesken en de poppenkeuken. Laat mij uwe krollen afsnijden, en ge krijgt 
een klein lief vogeltje, en dat legt alle dagen een gouden eike. Dat zal u zoo 
rijk maken, dat ge alles zult kunnen hebben dat ge maar wilt. » 

— ><■ Neen, » zei het meiske weer, » ook voor dat vogeltje krijgt ge de 
lokken niet, die O. L. Heer mij heeft laten groeien. « 

— ^ Ge zijt toch al een wonderlijk kind, » zei toen de dwerg. " Maar 
luistert nu nog eens goed : Ik weet dat ge thuis een broerken hebt dat al 
lang ziek te bed ligt en veel pijn moet uitstaan. Ik heb hier een zakske 
kruiden ; als ge die laat trekken op water en er uw broerke van te drinken 
geeft, dan is hij binnen drij dagen heel genezen. 

— " O ! geeft mij die kruiden ! « riep het kind. 

— « Eerst uwe lokken, -^ zei de dwerg, en hij lachte. 

— « O zeker ! knipt ze maar af en wijst mij dan den weg naar moeders 
huis. " 

Toen sprak het Kaboutermanneke : « Het doet mij groot genoegen, lief 
kind, dat gij uw broerke zoo geerne ziet. Hier zijn de kruiden en uwe lok- 
ken moogt gij ook houden. En nu spoedt u dat ge thuis zijt. n 

Daarop nam de dwerg het goede meiske bij der hand, leidde het door 
het bosch en wees het den weg naar huis. De kruiden wierden volgens den 
raad van den dwerg gereed gemaakt en na eenige dagen kost het broerke 
weer met zijn zusterke spelen gaan. Jani Vlunius. 

(Lier.) 



54 " Ons Volksleven. * 



SPOTZEGSEL.S. 

De" frappen van Je Boeren van Ooien. 

(Vervolg van hl. 61, 62 en 72 1^ jaargang.) 
1. (6.) De Ooienaars kunnen niet tellen. 

De Wet van Ooien was eens in eene groote weide vergaderd. De Schepe- 
nen en de Raadsleden wisten wel dat zij gezevenen waren, maar de Burge- 
meester wou toch eens nazien of er niemand ontbrak. Hij telde : " Ik ben ik 
en gij zijt 1....; 2, 3, en zoo voortwijzende, geraakte hij maar tot zes. Na 
hem begosten de andere boeren ook te tellen, maar ze kwamen nooit verder 
als tot zes. Na lang nadenken, vonden zij eindelijk de oplossing van het 
lastig raadsel. Ze staken hunnen vinger in eene koeienvlaai, en zoo vonden 

ze zeven puttekes. 

2. (7.) De Ooienaars kunnen niet onthouden. 

Een jonge boer moest naar 't dorp om 'nen iemst (teems) te koopen. ?» Zul-de 
't niet vergeten ? » vroeg de moeder. — « Hebt geen nood, moeder. Wat 
moet ik meebrengen?.... Nen wan, eh?w — « Zie-de wel dat ge niet 
onthouden en kunt ! Nen temst zeg ik u ! — " Ha ja, 'nen temst ! » En de 
jonge boer op een drafke naar 't dorp, gedurig bij zijn eigen zeggende : 
« temst, temst, temst, » om het woord niet te vergeten. Onderwege moest 
hij over eene beek springen, en toen hij aan den anderen kant stond, wist 
hij niet meer, waarvoor zijne moeder hem uitgezonden had. Terwijl hij 
daar al stond te verzinnen, kwam er een man aan met hooge waterleerzen 
aan zijne voeten, die vroeg : « Zijt gij iets verloren ? — « Ja, » antwoordde 
de andere, « ik ben het kwijt geraakt met over de beek te springen. » — 
« Dan zal 't er wel in liggen ook ; we zullen eens zoeken ! » En de man met 
de hooge leerzen ging in de beek, maar zijn schoeisel was niet dicht en 
't water kwam ervan alle kanten door. « Jandorie ! » riep hij uit, « zijn me 
dat de leerzen !... Het water komt er in, lijk door 'nen temst ! » — «Ja, ja, 
een temst, dat is het, ^ zei de boer, en zonder meer te zeggen, liep hij verder 
naar 't dorp toe. 

Men vergelijke die grap met : 't Is er deur, bl. 72, l'' jaargang. 

3. (8.) De Ooienaars stoeten hunne kerk voort. 

De kerk stond op eene slechte plaats, en men wou ze kost wat kost verzet- 
ten. Al de boeren komen bijeen en beginnen aan de kerk te stooten. De 
koster had zijnen jas uitgeschoten en hem vóór de kerk gelegd, om te zien 
welken voortgang men deed. Er komt een bedelaar voorbij die den jas op- 
neemt en er mee gaat loopen. Toen de koster terug ging zien, vond hij zijn 
kleedingstuk niet meer, en hij aan 't roepen : « Hou vast, mannen ! Wij 
gaan goed vooruit, want mijne jas zit al onder de kerk ! « (i) 

(I) Die grap wordt ook toegeschreven aan de inwoners van Balen die daarom Kerkehruiers ge- 
heeten worden. 

Vrglk. Het Boek der Opschriften door W3. Van Lennep en J. Ter Gouw, bl. 33, en Eevue des 
Trad. pop., Y, Facéties wallonnes, bl. 173. 



« Ons Volksleven. y> 55 



4. (9.) Keizer Karel en de Pot met drij ooren. 

Op zekeren dag dat Keizer Karel in de omstreken van Ooien op de jacht 
was, begon de dorst hem te kwellen. Hij zonderde zich dan van zijne ja- 
gers af en trad het dorp binnen, waar hij zich rn eene herberg eenen pot 

bier bestelde. 
De baas uit den Ztvaricn Stier, zoo hiet de herberg, bracht den Keizer, 

dien hij niet kende, eenen pot Diestersch bier, doch hield zelf de oor vast, 

zoodat Karel groote moeite had om den pot aan te nemen. Hij gaf den weerd 

een goudstuk en bevool hem eene tweede oor aan de kan te zetten, zeggende 

dat hij den volgenden keer uit denzelfden pot wou drinken. Dat gebeurde, 

maar de weerd wierd hierdoor geen haar slimmer. 

Toen Karel eenigen tijd later terugkwam, vatte de baas de pint met de 
twee ooren, zoodat de Keizer ze nog niet aannemen kost. Karel gaf nog- 
maals een goudstuk en belastte den weerd eene derde oor aan den pot te 
laten maken. Maar de herbergier bleef altijd even wijs, want toen hij den 
Keizer voor denderden keer de kan aanbood, had hij zooals vroeger de 
twee ooren vast, en hield de derde oor tegen zijn lijf gedrukt. 

Sommigen houden staan dat de Keizer, tot aandenken van dien voorval, 
het hangberd van de herberg deed veranderen en er 'nen drijoorigen pot op 
liet schilderen. Wat er ook van zij, tot op den dag van heden wordt de her- 
berg zoo geheeten, en de vreemdelingen, die zulks verlangen, kunnen er uit 
den jjot met drij ooren drinken. 

JOZ. CORNELISSEN. 



BIJDRAGE TOT DEN DIETSCHEN TAALSCHAT. 

4de ^gste) Woordenzange. 

Beerleelijk (uitspr. heerJelTx). — Zeerleelijk, leelijk als een beer : 't Is een 
heerleelijJce vent. Geh. St-Anionius. 

Biten, Hitte, hel geliii. — Snijden in de kindertaal : Blijft van dat mes 
kind, want het hiit. Geh. idem. Biten is ongetwijfeld niet anders als de 
oude uitspraak van lijten. Vrglk, liter (tand, luis). Biten = wonden staat in 
Oudemans. 

Eoogen, loogde, hel geloogd. — Doen buigen, causatief van buigen, gelijk 
b. V. zoogen van zuigen : Boogt die takken eens wat neerwaarts. Geh. idem. 
• BrievGnhoos, de. — Brievenzakske, Fr. enveloppe. Geh. idem. Z. Hoos. 

Diksterwijl. — Meestentijds, ¥v. Ie plus souvent. Geh. idem. 

Donderzwart, dondcrztvcrt, het. — Zwarte, donderdreigende wolk : Daar 
hangt een leelik donderzwert ! Geh. idem. 

Fabbe, den. — Bebbe, labbekak : den falie uithangen, de falie zijn van 
't huis. Geh. Schelle. 

Febbekak, den. — Z. Falie, q. v. Geh. St-Antonius. — De woorden 
falie, ?>et?>e, /e&&ekak, 'kmnolala hebben dezelfde beteekenis en zijn met 
elkander verwant. 



56 « Ons Volksleven. « 



Herd, hard. — Zeer, b. v. Het is hercl erg, hij is herd ziek, 't was daar een 
herd groot laweit en getier. Geli. Kempen, o. a. St-Antonius, Schilde, Holle, 
Brechi, Zocrsel, West- en Oostmalle. In die beteekenis liomt het w. menig- 
vuldig bij onze oude schrijvers voor : « Si doeghde in here hertey^ar^e groe- 
te noet.... Oec was harde droeve Ute, die edele vrouwe.... Doe was in die 
kerke harde groet bedranc... (Nevelingcnlied, Siegfrieds Uitvaart). — Dies 
herde droeve was Pyroet... [Roman der Lorreinen). — Die ghierige mensce is 
herdc onvroet... [Jan van Rivushrocc, Dat Boec van VII Trappen), — Ende (is) 
teghen die luden van buten harde fel... [Bartholomeüs Engelsman.) 

Hoos, (zachtl. o), de. — Huizeke, zakske, sloof, koker, huiveke. Vandaar 
hrWcuhoo!^, hrievenhoos, enz. Geh. Kempen, St-Anionius. 

Hikschouderen, hikschouderde, heb gehiJcschouderd. — Schokschouderen. 
Geh. Beersel, Heist-ten-Berg. 

Katteverdriet, het. — Een slach van wissen korf dien de boerin over 
de gevulde melkakers legt, terwijl ze de koeien melkt ; tot groot verdriet 
van de katten die dan aan 't melk niet kunnen. Geh. Kempen. 

Moddervet. — Zeer vet, zoo vet als modder : Ons verken is moddcrvet. 
Geh. St-Antonius.. 

Schip, het. — Wolk waaruit men eene felle regenbui of eene liagelvlaag 
verwaciit. Waneer er zulke wolk komt aangedreven, dan zegt men : Ze 
zijn weer een schip aan 't laden. Geh. idem. Vrglk. 't Daghetin den Oosten, I, 
bl. 65, i. V. AppeJscheep. 

Spachelen, spachelde, heb gespacheld. — P Spartelen (eigen en overdr.) : 
Wat zullen wij nog moeten spachelen, eerdat wij door ons werk zijn ! 2° Al 
spartelende, al schaffelende veel gerucht maken ; vandaar -gespachel = ge- 
rucht met de voeten, al spartelende, al schuivende teweeggebracht : Scheedt 
er toch uit met dat gespachel : ge maakt me doof ! Geh. Kempen, o. a. Halte, 
St-Antonius. 

Veeleweg. — Veelal, meestentijds. Geh. Kempen. Samengesteld uit veel 
en cweg. Eng. aivay de eenigste gedaante die in de Kempen gebruikt wordt 
en die dikwijls bij onze Oude schrijvers voorkomt. 

Ververven, ververfde, heb ververfd. — Verbloemen, bewimpelen : Ge moet 
dat niet ververven : we weten het genoeg. Geh. St-Antonius. 

Woei, de. — Loet, kuur, zotte streek : Hij heeft zijn zvoeien weer. Geh. 
Sclielle. 

Zegvrij. — Iemand die al zeggen mag wat hij wilt, zonder ooit door 
iemand gestruft te worden, is zegvrij : Zatte Jan was weer bezig met den 
baas over den hekel te halen, en die liet hem begaan. Zatte Jan ?... Bah ! die 
is immers zegvrij ! Geh. St-Anionius. 

Zooren, zoorde, heb gezoord. — Zuilen [St-Antonius, Antw. Kempen), dom- 
melen, dutten : Ik had zoo een half uurke gezoord.... Geh. Brecht. 

Zwart, zwerf, het. — Z. Dondcrzwart, q. v. Daar komen twee zwerten 
tegeneen op. Geh. St-Antonius. Joz. Cornelissen. 



« Ons Volksleven. » 57 



NIEUWSKES. 
Een nieuw Tijdschrift voor Volkskunde. 

Siods ons vorig N'' doelen wij den inhoud mee van een tijdschrift waarop wij de 
aandacht wenschcn te roepen van al die zich met de studie der volkskunde bezig- 
houden. 

Het bedoelde tijdschrift draaj^t voor titel : Rasscgna cli Leffcratura popolare e 
dialeitale; het verschijnt maandelijks te Ronie,Piazza Pollarola, n. 33, kost 5 fr., 
en heeft voor opstellers de H.H. Franc. Sib itini, M. Menghini en A. Parisotti. 

Het doel der uitgevers is de folkloristen den middel ter hand te stellen om op de 
hoogte te zijn van hetgene er in zike van volkskunde verschijnt, zoowel in afzon- 
derlijke werken als in tijdschriften. 

Het nut van zulke uitgave kan niet tegengesproken worden. Ai die zich op het 
wetenschappelijk beoefenen der volkskunde toelegt, weet bij ondervinding, hoeveel 
opzoeking en studie er dikwijls noodig is om het een of 't ander duister of weinig 
besproken punt der volksweteudheid toe te lichten en te beschrijven. 

Het tijdschrift van den Heer Sabatini — die zelf een der geleerdste navorschers 
op het gebied der volkskunde in Italië is — verdient dus ten zeerste aanbevolen 
en verspreid te worden. Niet alleen zal het de nieuw verschijnende werken aan- 
kondigen en den inhoud der voornaamste volkskundige tijdschriften opgeven, 
maar teveos boekbesprekingen en belangrijke artikels over folklore mededeelen. 

Indien wij eenen wensch mochten uiten, dan zouden wij het verlangen te ken- 
nen geven, ook zulk tijdschrift in ons vaderland te zien verschijnen. 

Opgevat in gemelden zin, zou het moeten bevatten : Aankondiging der nieuw 
verschenen werken, geheel of gedeeltelijk aan volkskunde gewijd; opgave van 
den inhoud der folkloristische tijdschriften ; aanduiding van alle stuk keu over 
volksweteudheid in niet- volkskundige tijdschriften uitgegeven ; eene afdeeling 
« vragen en aanteekeningen » die de volkskunde betreffen, en eindelijk, allerhande 
nieuwskes en bijdragen op het veld der volkswetenschap ingeoogst. 

Wij vreezen echter dat deze onze wensch nog niet zoo spoedig zal vervuld 
worden. 

J. B. Vervliet 



BOEKBESPREKING. 

Kommetje van den H. Franciscus van Assisiè, door Th.-Ign. Wel- 
VAARTS, Prior der Premonstratensen-Abdij te Postel-MoUe, — Te Brecht, bij L. 
Braeckmans. 

Fraai vlugschrift in 8' van 16 bladz., met getinte steendrukplaat; titel rood en 
zwart. Prijs 50 c™^". 

De geleerde schrijver der Geschiedenis van Arendoyik levert ons in deze korte 
maar alleszins merkweerdige verhandeling, de omstandige geschiedenis van een 
voorwerp, belangrijk voor den Katholiek, namelijk van het Kommeke door den 
H. Franciscus van Assisië bij het middagmaal gebruikt. 



58 « Ons Volksleven. » 



Na eene korte inleidinj^ volgen vier hoofdstukken, getiteld ; 1. Hoe het kom- 
metje in België en wel bijzonder te Mechelen kwam. Twee wonderlijke feiten. 2. 
Reden waarom het kommetje aan de Franciscanessen te Retie geschonken werd. 
3. Stof, vorm en grootte van het kommetje. 4. Bij welke gelegenheid het gebro- 
ken is. 

Hel boeksken is eene welgelukte proeve van fraaie drukkunst. 

Het is versierd meteene getinte steendrukp]aat,een zwart wapenschild en roode 
hoofdletters. De hoofdingen der kapittels zijn almede in roode letter gedrukt. 

J. B. Vervliet. 



VRAGEN EN AANTEEKENINGEN. 

13. Geestelijke Liederen. — Het lied : Op eenen Witten Donderdag (Z. bl. 
34, 8^*' nanteok.) is te vindeu bij De Coüssemaker, Chants popul. des Flamands 
de Francs, N° 42, bl. 123. Het wierd gezongen op de wijs van den Miserere, die 
bij onze oude liederen dikwijls wierd gebruikt. Een ander lied : Op het laatste 
Avondmaal, is te vinden bij Lootens & Feys, Chants pop, flamands^ N" 22, bl. 
36. Ik bezit de eerste strophe van drij geestelijke liederen, waarvan de fraaie me- 
lodiën opgeteekend wierden door Lemmens, in de Brabantsche Kempen. Zij van- 
gen aan : 

« Op eenen nacht dat Sint-Joseph lag te rusten, kwam mare Gods hem wek- 
ken uit zijnen slaep. » 

— « Mallewelleken (Emmauuël) is niet geboren in het Jodenland. » 

— « Onze Lieven Heer op een klein ezelken zat. — Naer Jerusalem,... enz. » 
Wie kan mij aan de teksten holpen ? V. 

14. Merrievrouw, Wit konijn, enz. — Bestaan erin de Kempen geene 
sagen over de Merrievrouw of Maarvrouw, het Wit Konijn, de NiMers of Wa- 
tergeesten, de Luchtgeesten, de Witte Vrouwen en Zivanejuffers enz.? 

A. H. 

15. Pagnot. — In liedereu van het einde der vorige eeuw komen de toena- 
men Pagnot, vijg en patriot voor. 

Wat is de beteekenis en de oorsprong van de eerste dier benamingen ? 

16. Spotnamen. — Om opgave van spotnamen, zooveel mogelijk met hunne 
beteekenis en hunnen oorsprong, wordt vriendelijk verzocht. 

17. Taptoe. — Van waar komt het woord taptoe en wat beteekent het ? 

18. Hannekenuiten. — Wanneer zijn de hanneJcenuiten in voege gekomen 
en wat beteekent dat woord ? 

19. Lange Wapper. — Waar wordt er voor de eerste maal melding gemaakt 
van Lange Wapper ? Wie deelt er ons van zijne grappen mee ? 

20. De Kat in het Volksgeloof. — Meedeelingen die de kat in het volks- 
geloof heiveEeu, zullen ons welkom ziju. 3. B. V. 

21. De Weerwolf. — Gelooft men nog aan den Weerwolf^ — Welke na- 
men geeft men hem (B. v. Klodde) ? — Hoe ziet hij er uit ? — Waarom moet hij 



« Ons Volksleven. » 59 



als weerwolf rondloopen ? — Wat kwaad doet hij aan degenen die hem ontmoe- 
ten ? — Hoe kan men hem verlossen ? — Wat doet de weerwolf, als men zijn vel 
verbrandt ? — Kent gij geene sagen over den weerwolf ? J. C. 

22. Mooi Hollandsch. — « Uit eenige aankondigingen geknipt : 
" « Dames, met eerste relatiën, die ten hoogen provisie eeae algemeene ageri' 
« « tuur verlangen van eene van onds gerenommeerde Noord-Brabantsche fabriek 
« « van damast, pellen, linnen, enz., worden verzocht hare refer. fr° op te ge- 
« « ven, onder motto Agentuur a/h adv hur. van eaz » 

— « « Op eene riante villa, moderne en confortable ingericht, gemakkelijk 
« « acces tot het bijgelegen station, neemt men heeren en dames in pension. De 
« « servies is er netjes ingericht. Zich te adresseeren « 

— « « Attentie.Y oor een important instituut wordt gevraagd een secondani-in- 
« « terne, vreemde talen maclitig, ^^ev preferentie het Fransch. Salaris naar be- 
« « kwaamheid. Certificaten onmisbaar. Voor de correspondentie, enz. » 

« Van zulk Nederlandscb, verlos ons, Heer ! » » (Meegedeeld in het Handels- 
blad van Antwerpen). 



INHOUD VAN TIJDSCHRIFTEN. 

1. 't Daghet in den Oosten. — 6" Jaargang. — N« 2 & 3 (14 & 15). — Uit Boeken, Brieven en 
Bladeren : Allerlei Rijmpjes uit Oost- Vlaanderen. — Kinderspelen. — Spreekoefeningen. (A. G.). 

— Limburgsche Dichtveerdigheid. — Vertelsel \an 't Wonderschip. — De zeg van Burgemeester 
Os. — Raadselkens. — Oude Gebruiken : Theelken geeselen. 

2. Volk en Taal. — 2^ Jaargang. — K° 10. — Paaschen (R. Ghesquière). — Bijdrage tot den 
Nederlandschen taalschat, (A. van Heuverswyn). — Volkswijsheid. (2« reeks.} L. d. C.) " Zei » 
spreuken (E. Huys.). — Een pak slagen (A van Heuverswyn). — Uit Ooike. (H. van Halst.) — 
Van den voerman (lied) (R. Ervinck). — Na den veldslag van 1708. — Fransche tijd te Oudenaar- 
de. — 7 hoofdzonden en 4 uitersten (K. van Caeneghem). — Van alles (A. v. H.) 

3. Biekorf. — /* Jaargang. — No 8. Aau Pieter Jaussens te gelegenheid zijner Eerste Commu- 
nie : (A. J. M. Janssens). — Handspreuken (Guido Gezelle). — Ter blijde indachtigheid der Eerste 
Communie van den Weledelen Heer Hendrik Baron van Zuylen van Nyevelt. (Guido Gezelle). 

— Rood geluw en blauw. (J. V. D.) -- Oude rechtspleginge in Vlanderen. (O. V. Sch.). — Min- 
gelmaren. (Joseph Samyn, Alf. Naert en A°.) 

N° 9. — Het kwamen drie ruiters geloopen. (Jan Craeynest). — De mane en het weder. (E. Van 
Robays). — In 't Halfweeghuizetje, bij Nobis. (Antoon Verwaetermeulen). — Lieve kind. (J. No- 
terdaenie). — Mingelmaren. 

4. Volkskunde. — 5« Jaargang. — N" 4. — Onze Vlaamsche « Componisten n ofte Liedjeszan- 
gers door Pol de Mont. — IH. (Vervolg). — Boekbeoordeelingen : D'' Wilhelm Wagner. — Un- 
sere Yorzeit. — Nordisch-Ger manische Götter und Helden. (Aug. Gittée). — Joh. Durmayer. — 
Einfiihrung in die deutsche Gutter-und Heldensage. (Aug. Gittée). — Negro Mythsfrom the Geor- 
gia Coast. (Pol de Mont). — Vragen en Aanteekeningen. 

N° 5. — Onze Vlaamsche " Componisten ofte Liedjeszangers, door Pol de Mont. IV. (Vervolg.) 

— Vertelsels : Van drie Gebroers. (A. De Cock). Boekbeoordeeling : L. J. B. Bérenger-Féraud. 
Contes pop. des Provencaux de l' Antiquité et du Moyen-Age. (Aug. Gittée). — Vragen en aanteeke- 
ningen. 

5. De Student. — /ö« Jaargang. — N^3. — Edelmoedigheid. (Pieter). — Oude Waar. (P. In. T). 

— De twee Grenadiers. (X.). — Oorsprong der Vlaamsche 1 ielgen en der Franschen. (Nelis.) — 
Herinnering. (Jozef.) — Simon Stevin. (| J. Van Wille). — Bij de dood van onzen Vriend L. D. 
(A. X.). — Mengelingen. 



60 « Ons Volksleven. " 



6. Het Belfort. — ó'« Jaargang. — N« 5. — I. Van cleu VII Vroeden binnen Rome. (F. A. Stoetl). 
— II. Van de taal- en de letterkunde der Noordmannen. (J. J. Hellemans). — III. Geschiedenis 
der abdij van Groeninge te Kortrijk. (Theodoor Sevens). — VI Een Kerstfeest in den vreemde. 
(J. E. H. Mentens). — VI. Gebed der zee. (H. Claeys), — Vil. Edg-ard Tiuel. (Paul Bellefroid). — 
VII. Aan Grootmoeder. (K. Ledeganck). — IX. Boekenuieuws en Kronijk. 

7. Het Davidsfonds. — 3" Jaargang. — N" 3. — De Taaiverbastering in Holland (W.) — 
Boekbeoordeeling : Heidehloemen. — Naar de fabriek. — Begoocheling, door Leo Ickx. (J. F. De 
Hert). — Zannekiu, liistorisch drama. I. — Letternieuws. (Folkert). — Sterfgevallen. (Folkert). 

8 Kempisch MiiseUm. — /" Jaargang. — N» 4. — Kempische Numismatiek. Eenige Loodjes 
of Merken der Kempen (C. A. Serrure). — De lieerlijkheden van het land van Mechelen. Duffel, 
Gheel en hunne heeren. (J. Theod. De Raadt). — Zoenbrieven. (Louis Houben). — Hoogstraten. 
Charters. (S.) Kaïrt van het Gilde Onzer Lieve Vrouw te Turnhout. (T. J. Welvaarts). — De 
Hertogin van Burgondië te Turnhout. (E T.). — Petrus van Emmerick. (Fr. Waltman van Spil- 
beeck). — Turnhout. Amalia van Soims, vrouw van Turnhout, lienoemt den advocaat Pieter van 
Uffelen tot haren raad en zaakwaarnemer in Brabant. 1656 (S.). — De Windmolen van Oud- 
Turnhout. (E. T.) 

9. La Tradilion. — i^ Jaargang.— 1^" i. Le Folklore en Angleterre.lV.(ThomasDavidson). — La 
Ronde du mariage (Noël Selter). — Histoire du traditionnisme en Finlande. l.Le Folklore finnois. 
(fin). (Kaarle Krohn). — Le Matériaux dans les constructious. II. (Alfred Harou.) — Le Mois de 
mai XII. (H. C). — Complainte de Saintonge. (Gabriel Echaupre). — L'Arbre de Mirabelle. 
(Cunisset-Carnot.). Berceuses des environs de Naples. (Madame de Nittis.) — Contes et Traditions 
des Esquimaux du Groenland. I. (Emile Petitot). — Les Russes chez eux. Vil (Suite) [Kvm^&nA 
Sinval). — A pi'opos d'un article de M. Henri Gaidoz. (Henry Carnoy). — Bibliographie (Bespre- 
king over werken van Gérard Devèze en Wratislaw, door H.C). — Le Mouvement traditionniste. 

10. Revue des Traditions populaires. — 5*= Jaargang. N*^ 3. — Les Mythes et les dieux de la 
pluie. (André Lefèvre). — Le Rossignolet chanson des Hautes-Alpes. (Raphaël Blanchard). Les 
Traditions populaires et les écrivains francais 111. Le Menagiana (P. S.). — Les calendriers des 
illettrés.II. L'Almanach des Bergers. (Louis Morin). Les jours d'emprunt chez les Arabes. (René 
Basset). — Amulettes et talismans VI. Amulette breton contre la fièvre. (Lionel Bonnemière). — 
Légendes et superstitions préhistoriques III. (Eure-et-Loire). (G. Fouju). — Le peuple et 1'histoire 
\. (suite). Révolution frangaise. (Paul Sébillot). — Chants héroïques du peuple russe. (Michel de 
Crouskow), — Devinettes. (P. Fertiault). — Superstitions et légendes du Cap-Sizun. (H. le Car- 
guet). — Le Prisonnier de Nantes I. Version de la Loire-lnférieure. (A. Certeux). — IL Version 
des Cótes-du-Nord. M'"" Paul Sébillot). — Facéties wallonues. (Aimé Demeuldre). — SuiDersti- 
tions basques. (B. Eygun). — A travers le Berry, lil. Superstition berrichomie. (H. Leboune). — 
Le Cierge de la Chandeleur. (F. Fertiault — Les roseaux qui chantent lil. La rosé d'or, conté du 
Maine. (Léon Pineau). — Coutumes de mariage VI. En Belgique. (Jules Lemoine). — La légende 
de Didon II. Légendes parallèles (suite). Alfred Harou). — Pélerins et pèlerinages VIll. Enfants 
malades. (Léon Pineaux). — Necrologie. (A. T.). — Bibliographie. (Bespreking overwerken van 
P. Sébillot, G. Finamore. enz., door P. S. en Jean Fleury). — Livres rcQus. — Périodiques et 
journaux. — Notes et enquêtes. — Platen. Anciennes figures de 1'Almanach des Bergers. — Une 
familie de sirenes, d'après une sculpture de la cathédrale de Lyons. 

IL Rassegna di Letteratura popoiare e dialettale. — /» Jaargang. — K" 2-3. — Diario delta citt'a 
di Roma di S. Infessura, pubblicato da O. Tommasini. (F Sabatini). — Jiacconti popolari, raccolti 
da I. Nieri. (G. Giannino). — JajMnese Fairy Talen. (M. Meughiui). — Sonetti romanescki di B. 
Micheli, pubblicati da E. Celani. (F. Sabatini). — Bollcttino bibliografico : Le Roman des Proverbes 
en action, di G. Demarteau. — Un monte di Pilato in Italia, nota di A. Graf. — Il ciarlatano, cica- 
lata di G. G. Belli. — Frunnelle 'e rosa, poesie di P. Cinquegrana. — L'innammorati sonetti di T. 
Eberspracher. — Er mago de Bborgo. — Varieta : A proposito del « Peregrinaggio di tre giovani 
figliuoli del re Sere^idippo » (G. Rua). — Spoglio de' periodici (1889). — Notizie. — Annunzi. 



ONS VOLKSLEVEN. 



Antwerpscli-Brabantsch Tijdschrift 
voor Taal eu Volksdiclitveerdigheid , 
voor Oude Gebruiken, Wangeloof kunde, 

env,, In t/celf nom/tiers van tw elf bladzijden 

in 8". 

Te Brecht, 

bij L. Braeckmans. 




" P]r is nog een rijke oogst op het veld 
der gewestspraken voorhanden; veel 
volksuitdrakkingen dreigen te verdwij- 
nen die ora hunne juistheid, schilder- 
achtiffheid of oudheid verdienen in de 
schrifttaai opgenomen en bewaard te 
blijven, n 

Zuid-Nederlandsche Maatschappij 
VAN Taalkunde, Wedstrijd 1874, 

"De studie der folklore heeft voor doel 
ons volk in zijne eigenaardige zeden en 
gewoonten, in zijn inniggeloof en karak- 
ter te leeren kennen, in één woord, het 
volk zooals het is. » 

Vraagboeh over Vlaamsche Volkskunde. 



LEVENDE SPRAAKKUNST. 

II. 

Ongelijk vloeiende en Onregelmatige Werkwoorden. 

Aanmerkingen. — I. De vormen die in de Woordenlijst van De Vries en 
Te Winkel niet voorkomen, staan in eene andere letter gedrukt. 

II. Werkwoorden, als ongeJijkvloeiend of onregelmatig door De Vries en 
Te Winkel opgegeven, nemen wij in dezen lijst niet op. 

III. Van de werkwoorden nochtans, waarvan de Woordenlijst een gelijk- 
vloeienden en een ongelijkvloeienden vorm erkent, zal men hier ook den 
ongelijkvloeienden vinden. 



ONBEPAALDE 


ONVOLMAAKT 


VERLEDEN 


AFLEIDINGEN EN 


WIJZE 


VERLEDEN TIJD 


DEELWOORD 


SAMENSTELLINGEN 


Aantijgen 


teeg aan 


aangetegen. 




Bakken 


bakte, hieJc (i) 


gebakken. 


Aan-,her-,op-,vcr-,weg-, enz. 


Bassen, 


baste 


gehassen (2) 


Aan-, enz. 


Bederven 


bedierf, hedorf, 


bedorven, hcdurven (3) 




Beginnen, 


hcgost, 


hegosf. (4) 


Her-, 


Benijden, 


heneed, 


beneden. 




Bevelen, 


berool, 


bevolen. 


Aan-. 


Blazen, 


blaasde, Uoes, 


geblazen. 


Aan-, af-, op-, weg-, enz. 


Bouwen, 


bouwde, 


gebouwd, gehouwen. 


Aan-, op-, her-, ver-, enz. 



(1) De oude vorm biek leeft nog in het Z. O. van de Antwerpsche gouw en in sommige streken 
van Brabant. (2) Dat werkw. moet vroeger ongelijkvloeiend gebruikt zijn; bij Anna Bijus vindt 
men den onv. verl. tijd. bies. (3) Bedereen, helpen, sterven, enz. hadden vroeger bedarf, halp, 
star/, enz. in 't enk. en bedorven, holpen, eaz. in meerv. Later kwam ook de o in 't enk. en daarne- 
vens ie voor de beide getallen. De vormen bedorf, Iwlpen, enz. worden nog gebruikt in de Ant- 
werpsche gouw, bijzonder in 't N. (4) Beginnen had eertijds began, begonde en begonst. Uit be- 
gonst oniitoué. begost, dat blijkens Schuerm., De Bo en Tuerlinckx, door heel Dietsch-België ge- 
bezigd wordt. 



62 



« Ons Volksleven. « 



Breiden, breed 
Breken, brak, brooJc, 
Brengen, hrocht, 
Denken, docht, 
Derven (durven) dierf, dorf, 
Deugen, dochf, 
Dorschen, dorschte. 
Douwen (duwen) douwde, docw, 
Dreigen, drceg, 
Eten at 

Gaan, ging, gong. 

Gillen {gelden) gol, gou, 



Hangen 

Heeten 

Heffen, 

Helpen 

Hijgen, 

Houden, 

Jagen, 

Klagen, 

Klieven, 

Krijschen, 

Kunnen 

Kwellen, 



hing, hang 

hiel (s) 

hief, Jiof 

hielp, ]iolp, 

lictg 

hield, hief, hoetv, 

joeg, 

Jdoeg, 

Moof, 

kreesch, 

J^ost (9) 

l'WOl, 



gebreden. (1) 

gebroken. 

gebrocht. (2) 

gedocht. 

gederven, gcdiirven. 

gedeugen. (4) 

gcdorsclien. 

gedouiven. 

gcdregen. (5) 

geëtcn. (e) 

gegaan. 

gegollen, gegouen (7) 

gehangen. 

geheeten. 

gchoffen. 

geholpen. 

gchegeii 

gehoud'^n. 

gejaagd 

geklaagd. 

geldoven. 

gekreschen. 

gekiinnen 

gcJavoUen 



St-Antoniiis-Brecht. 



Aan-, af-, op-, eMZ. 
Af-, ont-, op-, ver-, enz. 
Aan-, op-, weg-, enz. 
Be-, ver-, enz. 



Af-, enz. 

Aan-, af-, ver-, weg-, enz. 

Be-, enz. 

Af-, op-, enz 

Af-, aan-, op-, be-, ver-, enz. 

Aan-, af-, be-, ver-, enz. 

Aan-, op-, ver , enz. 
Af-, op-, ver-, enz. 

Aan-, af-, he , enz. 
Aan-, af-, be-, enz. 
Aan-, bo-, enz. 
Af-, open-, enz. 

Aan-, af-, weg-, enz. 
Af-, enz. 

(Vervolgt.) 

JOZ. CORNELISSEN. 



OVER DE BENAMING « PAGNOT. » 

In de 5® afl. stelde ik de vraag : « Pagnot. v — In liederen van het einde 
^ der vorige eeuw komen de toenamen Pagnot, Vijg en Patriot voor. Wat 
« is de beteekenis en de oorsprong van de eerste dier benamingen N 



(1) Veel werkwoorden met den stamklank eï waren oudtijds ongebjkvloeieud en ze zijn het 
nu nog in H Antwerpeusche. (2j De vormen brocht en gebrocht, docht en gedocht, komt men reeds 
bij Maerlaut en Uuü&broec trgcn. (8) Lerven. — Hel oude darren leeft nog in sommige streken 
van Antwerpen en IJrabant, onderdo vormen: darren, darde, gedard (Vorst bij Westerloo). 
deeren (teeren), tist, get/st {hea\^n), tu&t, getust (iJrussel), ^os(f ^f/05^ (West-Iirabaut.) (4) Nergeus 
kent men de gelijk vloeiende voimm van deugen. (5) Z. de aaum. op breiden. — (6) Geëlen (uit- 
spr. geten). Onze oude schrijvei'S kenden geeneii andereu vorm als geten, samengetrokken uit 
geéten.Ci) 'L.Ons Volksleven,\\,h\. 39. Het verwisselen van^ in u is c(n gewoon verschijnsel. Zoo 
Slaat goud voor gold, zou(dc) voor zolde, koud voor kold, Ilgd. kalt, Eng. cold, enz. Bij onze oude 
schrijvers vindt men somwijlen \w^\ smout, gesmoulen, voor smolt, gesmolten. — (8) Enkel gelijk- 
vl. m do beUvkims heet ',corden, heef maken — (9) Eertijds konde en konst. Vit konst ontstond 
kost door 't wegvallen der n. 



« Ons Volksleven. « 68 



Als antwoord op die vraag, schrijft de H'" E. S. mij uil Rome : « Zou dat 
« woord niet voortkomen van het Italiaansch pagtioffa, een rond broodje, te 
« Mechelen (en ook te Antwerpen) pi.s/oZègeheeten, met dit verschil, dat het 
« Vlaamsch broodje langwerpig, 't, Italiaansch daarentegen rond van vorm 
« is. Dat brood wordt maar half gebakken, en is van Spaansche tarwe (maïs) 
« gemaakt; het is dus heel zwaar en moeilijk om verteren. 

« Wat nu de beteekenis van den toenaam betreft, zou die niet zijn, wat 
«< men in 't Fransch « ennuycux et lonrdeau ^ heei, en waarvoor wij ook wel 
« plakplaaster en onbeschofterik zeggen ? 

« Men zegt hier ook nog : ^ ha mangiato unapagnotfa, » in den zin van »hij 
« is onbeleefd, slecht opgebracht, » letterlijk « hij heeft ecnc pagnotta geëten. y> 

In hoeverre die uitlegging met ons gedacht overeenstemt, zullen wij 
verder zien. 

Een tweede inschrijver meldt mij : « Men vindt ook in schriften van dien 
« tijd (einde der XVIIP eeuw) payot (wij zeggen heden p/o^). Komt vanpayen, 
« bet'dlen, })C(gare, pagnotus ^: cl. i. soudach, soudenier, soldenaer, betaald krijgs- 
« man (z. Kiliaen,. » 

De geëerde inzender sohiivii pagnot en payot te houden voor één en het- 
. zelfde woord, onder tweederlei vorm uirgedrukt. 

Ik geloof echter dat hij den bal misslaat, want wordt het eerste als 
schimpwoord gebezigd, het tweede daarentegen is de benaming van de 
bewoners van het Fayottenland, de streek gelegen tusscheii Zenne en Den- 
der, en begrensd door Brussel, Assche en Aalst ten Noorden; Denderleeuw, 
Ninove en Geeraardsbergen ten Westen; Edingen en Lembeek ten Zuiden, 
en eindelijk Halle en Ruisbroek ten Oosten. 

F.-J. De Gronckel, schrijver van " 7 Fayottenland zoo als het van onheuge- 
lyke ttjden gestaan en gelegen is, v zegt op bl III van gemeld werk over zijne 

landgenooten : « De bewooners van dit gewest ontfingen... den door- 

« luchtigsten naem waerop ooit volk zich kon beroemen : den naem van 
« Payotten of Patriotten, dat is te zeggen beschermers des vaderlands. « 
.« Hij zelf betitelt zich " Doctoor in de Philosophie, Advocaet en Payot. » 

Payot is dus in zijne oogen een eeretitel, evenals patriot, aan welk woord 
hij eene gelijke beteekenis toekent. 

Doch keeren wij terug tot de benaming pagnot, waarvan ik eene andere 
oplossing voorstel. Ik laat ze hier volgen : 

Pagnot, vervlaamscht Fransch schimpwoord, wordt gebruikt in den zin 
van lafhertigen soldaat. 

Pagnote, Fr. pagtiota, Ital. heteekent lafaard , bloodaard, bangerik. 

Volgens Aug. Scheler, Piet. d'étym. franQ. 1862, komt het woord waar- 
schijnlijk voort van het Spaansch pano (n uit te spreken als gn in seigneur), 
dat laken beteekent; vandaar panales, de doeken, ivindels, luren van een 
busselkind. 

Het Fransche woord heeft ook nog de beteekenis van gek, zot, hot, dom, 



64 



« Ons Volksleven. 



lomp; andere zinspeling op het kind dat nog in de bussel zit. 

Wanneer men met verachting van eenen dommerik of bloodaard spreekt, 
zegt men immers nog dagelijks : 't is een voddeman, of 't is een 'kc{r)stckind. 

Het zou mij dus niet vei'wonderen dat het woord pagnot, aan de Fran- 
schen ontleend, eerst als schimpwoord in den hooger aangegeven zin op 
de Fransche soldaten toegepast wierd, en later bij overdracht op overloo- 
pers uit het Patriotienleger, partijveri-aders of tweezakken. 

Torfs kende de woorden im'jnof, payof,piot niet, zooals blijkt uit zijne ver- 
hsiudeling over de Nederlandsche hrijgs- en pariijnamen (1874); daarentegen 
heeft hij vijg, patriot en mof. 

De twee leste woorden, alsook payot staan vermeld in eene rekening van 
het jaar 1790, afgedrukt op bl. 117 van het werk : VHópital St-Julien et les 
Asües de nuit d Anvers, par Ed. Gcudcns. 

Het schimpwoord ^Kfö'wo/' kwamen wij maar zelden tegen in de schriften 
van het Jest der vorige eeuw. Wij vonden het voor den eersten keer in het 
volgende liedeken. Air : Tierlie ty iy. 



'T is voor hem nu dat gy sti'yd, 
Hy zal metzyn Engel-schaeren, 
Ons versterken 't allen tyd. 
Boere-Jongers &c. 

4. 
Zonder u de Constitutie, 
Was te niet, ja heel het Land. 
Maer door u, wat Revolutie, 
'T vrydoms vaên dat word erplant ! 
Nieuwen iever en nieuw leden, 
Geeue fyg meer in ons land. 
Boere-Jongers &c. 

5. 
Tierlie ty ty tie tierlie ty. 
Eerst gevogten en dan vry, 
Tici'lie ty ty, tie tierlie ty. 
Eerst voor Religie, dan voor my, 
Tierlie ty ty tie tierlie ty, 
Jaegt den duydts en fyg daer ])y, 
Tierlie ty ty tie tierlie ty, 
Schyt in alle 't Hofs gevley, 
Tierlie ty ty tic tierlie ty, 
'T eenig woord is Dood of Vry. 



Boere-Jongers Patriotten, 
Hel)t couragie, schept maer moed, 
Geeue fygeu oipagnotten, 
Geen van all' ons vreezen doet. 
Ziet de fygen nu eens zwygen, 
Den Pagnot word Patriot. 

Boere-Jongers Patriotten, 
Hebt couragie, schept maer moed. 
Nog een wynig 't zal wel hotten, 
Alles maer in orden doet. 

2. 

Joseph Hus den meester-ketter, 
Heeft u nu zoo lang gekwelt, 
Uw gebruyken, rechten, wetten, 
Geen van al heeft hy getelt : 
Maer jan doren, 't zal hem rouwen ! 
Dat hy nu zyn ooren krouwt. 
Boero-Jongors &c. 

3. 

Bid den God der heyr-kragteu, 
Dat hy zegent uw Ijeleyd, 
Tegen d'Oostenryksche magten, 

Ook in een 

OOLOGS-LIED 

over het verlrek der kloekmoedige Nederlandsche Boeren, naer het leger, 
aengeleyd zynde door den kloekmoedigen held Mynheer Vander Noot, 

(Stemme : On doit soixante mille francs, &c.) 
waarvan de 7*' strophe luidt : 



« Ons Volksleven. » 65 



Den boer die Patriot wilt ziju, 

Moet aenstonds volgen dezen tryn, 

Dit zal hem doen erleven, 

Wilt hy niet zyn van dit complot, 

Dathy dan loopt als 'nen Panjot, 

De Vygen zullen leven, 

Als den Boer zal viier geven. 

Panjoi heeft hier wel stellig den zin, dien ik er hooger op toepaste. Dat 
het woord Pagnot bij onze Boeren mondsgemeen en de beteekenis algemeen 
gekend was, toonen ons de vermelde liederen. Hoe het hier in gebruik 
kwam, is gemakkelijk af te leiden uit de tijdsomstandigheden, die de leste 
jaren der XVIIP eeuw kenmerkten. 

Op de andere benamingen uit den Pafrioitentijd, als Pafriof, Vijg of Fijg, 
Mof, BoijaJist, enz., komen wij misschien later wel eens terug. 

J. B. Vervliet. 



DE VOGELEN IN HET VOLKSGELOOF EN DE 

VOLKSDICHTVEERDIGHEID. 

II. — De Koekoek. 

— In de oude Godenleer wordt verhaald dat Jupiter de gedaante van eenen 
koekoek aannam en op de knieën van zijne zuster Juno kwam rusten, die 
zich op den berg Diceyon of Thronax bevond. Sedertdien wierd die berg 
Coccygien of Koekoeksberg geheeten ; vandaar de oorsprong van Jupiter 
Coculus. (Gesner. Aves, bl. 368.) 

— Aan de Kaap de Goede Hoop treft men eenen vogel aan van het ge- 
slacht der koekoeken, Edulio geheeten. De inwoners van het land zijn over- 
tuigd dat de ziel van zekeren schipper, die dikwijls het woord uitsprak dat 
de vogel gedurig herhaalt, in het lichaam van dien vogel overgegaan is. 
(BuFFON Hist. nat. T. VI, bl. 93.) 

— Men zegt dat de nachtegaal en de koekoek elkander vóór den ezel den 
prijs van den zang betwistten, en dat de ezel hem aan den koekoek toeken- 
de. De nachtegaal, ontevreden over dat vonnis, ging bij den mensch in be- 
roep, en deze deed uitspraak te zijnen gunste. Sedert dien begint de nach- 
tegaal te zingen telkens hij den mensch ziet, als wou hij zijnen rechter be- 
danken en diens oordeel verrechtveerdigen. (Buffon, bl. 87, t. VI, notes.) 

— Sommige lieden beschouwen de koekoeken als onreine en onheilspel- 
lende vogelen ; anderen integendeel aanzien hen als gelukaanbrengende 
dieren en als orakels die zij in menig geval raadplegen. Anderen eindelijk 
geloofden of wilden doen gelooven, dat de aarde die onder den rechtervoet 
ligt van dengene die den eersten roep des koekoeks hoort, een zekere be- 
hoedmiddel is tegen de vlooien en ander ongedierte. (Buifon, t. VI, bl. 79.) 

— Waneer men in 't begin des jaars voor den eersten keer den koekoek 
hoort roepen, en waneer men op dien oogenblik geld bij zich heeft, dan is 
dit een teeken dat men gedurende gansch het jaar geld hebben zal. (Luikj 



L 



66 " Ons Volksleven, w 



— Linfeus zegt dat de jonge koekoek zijne voedster verslindt. 

— De Ouden zeiden, en men zeqt het nog, dat de koekoek niets anders is 
ais een kleine, van gedaante veranderde sperwer (i) ; dat die gedaantever- 
wisseling alle jaren op een vastgesteld tijdstip plaats heeft ; en dat hij in de 
lente terug komt, gezeten op eenen kiekenklamper, die hem wel tot rijdier 
dienen wilt, opdat de ruiter zijne zwakke zwingen zou kunnen sparen. 
(Buffon, A. VI, bl. 80.) 

— Men beweert ook dat hij op de planten een zeker speeksel werpt dat 
hun nadeelig is door de insecten die er uit voortkomen. (2) (Ibid.) 

— Men zegt nog dat het wijfke van den koekoek in lederen nest dien zij 
kan ontdekken, eieren legt, die dezelfde kleur hebben als de eieren van dien 
nest. (Ibid.) 

— De Luikerwalen gelooven : 

I n'est maie avri 
Si 1'coucou n'l'a dit, 

d. i. Het is maar April, waneerde Koekoek het gezeid heeft. (3) 

(Vervolgt. ) 
Alf. Harou. 



VERTELSELS. 

10. (20.^ Van Mieken en Janneke of 't Kruiske van Cecilia. 

Vader en moeder gongen naar de stad en Mieken en Janneke moesten 
aloen thuis blijven. 

ü Wat moet ik voor u meebrengen ? r> vroeg moeder aan Mieke. — «'t 
Kruiske van Cecilia ! « zei Mieke . 

— « En wat voor u ? « vroeg vader aan Janneke. — « Voor mij een nieuwe 
broek ! « riep Janneke. 

Als vader en moeder 's avonds thuis kwamen, toen kreeg Mieken een 
schoon gouden kruisken, en Janneken een spelternieuwe broek. 

Maar nu was Janneke jaloersch, want 't kruiske van Cecilia stak zijne 
oogen uit. 's Anderendaags was 't Zondag en Janneke vroeg : « Mieke, wil- 

(1) Dat geloof bestaat in de AntwerpscheRempen. Men zegt er en men houdt er staan dat de 
koekoek in den herfst in eenen roofvogel verandert, en dat hij des zomers koekoek, maar des 
winters klamper is. J. C . 

(2) Eene plant heet Koekoeksbrood, eene bloem Koekoeksbloem. 

Menigmaal ziet men in den uitkomen en in den zomer op sommige struiken en planten een wit 
schuim dat aan speeksel gelijkt. Dat schuim is het sap der planten dat door een klein dierke, de 
vlooispr inkhaan oïhei schtiimbeeslje uitgezogen en als schuim weergegeven wordt. 

Dit schuim wordt doorgaans koekoekspeeksel geheeten. J. C. 

(3) De koekoek roept van zich zelven : 

Dat zingt en fluit dat wil, 

Ik kor<t toch niet vóór Half- April. 

(St Antonius). 
J. C. 



« Ons Volksleven. » 67 



len we eens gaan wandelen ? » — «'t Kan me niet schillen, r» zei Mieke. En 
ze gongen wijd van huis het veld in. 

Onder wege kwamen ze aan een groot groot water en Janneke zei : - Mie- 
ke, geeft mij 't kruiske van Cecilia, of 'k rooi er u in ! « — « Ikke niet, r, zei 
Mieko, « want gij hebt een schoone broek ! ^ Toen pakte Janneke zijn zus- 
terke vast en hoe zij riep en schreide of niet, hij wierp ze in 't water. 

Als Janneke thuis kwam, toen vroeg moeder : ^ Waar is Mieke ? « — « Dat 
weet ik niet, -^ zei Janneke, r> ze is gaan loopen. » 

's Avonds was Mieke nog niet terug en vader en moeder gongen ze overal 
zoeken, maar ze kosten ze nicverhands niet rijnen. 

Eenigen tijd later kwam er een mulder voorbij het water en op den kant 
zag hij een schoon bloemeke staan, en dat bloemeke begost te zingen : 

Och mulderke lief, och mulderke lief ! 
En Jan heeft mij vermoord ; 
Al voor het kruiske van Ceeilii, 
En daarom ben ik dood ! 

De mulder trok het bloemeken af en brocht het naar Miekes moeder. En 
het begost weer te zingen : 

Och moederke lief, och moederke lief ! 
En Jan heeft mij vermoord ; 
Al voor het kruiske van Cecilia, 
En daarom ben ik dood ! 

De moeder gaf het bloemeken aan vader en hij had het nog niet vast, of 
't zong weer : 

Och vaderke lief, och vaderke lief ! 
En Jan heeft mij vermoord ; 
Al voor het kruiske van Cecilia, 
En daarom ben ik dood ! 

" Waar is Janneke? « vroeg vader, -= doet hem algauw herwaarts komen!» 
En als Janneke daar was, gaf vader hem 't bloemeken in de hand en 't zong : 

Weg moordenaar, weg moordenaar ! 
En gij hebt mij vermoord ; 
Al voor het kruiske van Cecilia, 
En daarom l)en ik dood ! 

En ze hebben Janneke vastgepakt en ze hebben hem doodgedaan. 
[GeJioordie Sint-Antonius.) Joz. Cornelissen. 

Vrglk. Am. Joos, Verieheh, N"" 65, bl. 107, JRevuc des Trad. pop., V, bl. 178, 
La Rose d'or, VolksJcunde, I, bl. 229 en Grimm, Kinder- und Haustnarchen, 
N"" 47, Van den Machandelboom. J. C. 

11. (21.) Nog van Mieken en Janneke. 

Mieken en Janneke moesten naar 't bosch om eene bussel hout te rapen. 
« Die de eerste met zijne bussel thuis is, « zei moeder, - krijgt 'nen witten 
boterham, r, 



68 « Ons Volksleven. 



'k Zal eTi'ili hem wel hebben, « docht Mieken in heur eigen. En ze begost 
vlijtig hout te trekken, maar Janneke speelde den luierik, en als Mieke met 
heure bussel gereed was, toen had hij nog niets bijeen. — « Trekt gij eens 
wat houtvoor mij, Mieke, ^ zei Janneke, " 'k zal terwijlen uwe bussel gaai- 
slagen. " En Mieke was zoo goed dat ze het deed. Maar als ze nu dieper het 
bosch in gong om dörze takken te trekken, nam Janneke Miekes bussel op 
en liep er mee naar huis. 

En Janneke kreeg 'nen witten boterham en Mieken, och arme ! een zwarte 
snee. Mieke vertelde wel hoedat Janneke heur had vemcuJcf, maar ze wouen 
heur niet gelooven. 

Toen gongen ze allebei wandelen en onderwege kwamen ze 'nen wagen 
tegen die vol witte engeltjes zat. En vooraan reed ons-Lievrouwke. — « Jan- 
neke, krijg ik een stukske van uwen boterham ! '• vroeg Ons-Lievrouwke. 
— « Neen gij, - zei Janneke, " want hij smaakt mij veel te goed. " — " Mie- 
ke, « vroeg zij dan, " krijg ik een stukske van den uwe ? ^' — « Ja zeker, « 
zei het meiske, " maar 't is maar 'ne zwerte. '- En ze gaf de helft aan Ons- 
Lievrouwke. 

Een beetje wijder zagen ze 'nen anderen wagen komen aangerold, en die 
zat vol zwerte duvels. En voorop reed Lucifer. — " Janneke, krijg ik een 
stukske van uwen boterham ? ■• vroeg hij, — " Neen gij, ^ zei Janneke, " want 
hij smaakt mij veel te goed. v — " Mieke, geeft gij mij dan een beetje. ^ — 
" Daar, " zei het goedhertige Mieke, '• zijt hem heelegansch maar ! « 

's Anderendaags kwamen de wagens terug. Mieke mocht met Ons-Lie- 
vrouwke en de engeltjes naar den Hemel rijden, maar Janneke wierd van 
de duivels naar de hel gevoerd. 

En daar kwam een verken met 'nen langen snuit, en 't vertelselken is uit. 
(Gehoord ie Sint-Anionius.) Joz. CoRNELissEN. 

Vrglk. Am. Joos, Vertelsels, 2"^ deel, N''27, bl. 114. 



BIJDRAGE TOT DEN DIETSCHEN TAALSCHAT. 
5de ^iQde) Woordenzange. 

Aaneenkruipen, liroop aaneen, hen aanecngelcropen. — Langzamerhand 
genezen, stillekes aan weer op zijne stekken komen, van menschen gezeid 
die kort bij de dood geweest hebben : Jans vader heeft stervensziek geweest, 
maar nu is hij toch weer aaneengeh-open. Geh. St-Anionius. 

Aanstouwen, sï'oiwwZe aan,heh aangestomvd. — 1° Aandrijven : de koei' 
aanstouwen. 2° (Overdr.) Aanzetten, aanporren, aansporen, Fr. pousser. Geh. 
St-Antonius. Het enkele stouwen = drijven is gekend. (Z. Sch.) Kiliaen ver- 
taalt aanstouwen door adigere, siimulare. 

Beel, den. — Hamer die dient om den molensteen te lillen, te scherpen. 
Geh. idem. In Limb. : de hel. Schuerm. die het w. vr. opgeeft, meent dat het 
eene verkorting is van heitel, hijtel of^ hiMcl. Zou &fc/ niet eerder het oude 



« Ons Volksleven, y 69 



hille zi^n, hetzelfde w. als ons tegenwoordig hijl? Wi^ hebben 't nog in 
't werkw. lillen dat in alle woordenboeken voorkomt : 'nen meulensteen 
lillen, d. i. scherpen. Billen, oiidt. heilan, boteekent kappen, slaan; vondaar 
heeld, halten of holten (slaan), holt (hout), fiamhceld. 

Djampelen, djampelde, heh gedjampeld. — Trappelen dappelen. Wat 
staat ge daar in 't slijk te djampelni ? Geh. idem. Schuerm. kent het w. toe 
aan Kl.-Brab. Is djampelen hetzelfde niet als dampclcn, dat bij Kiliaen en 
Bo De te vinden is, en dat volgens dezen leste komt van het oude dampen = 
stampen? — 't Gebeurt wel meer dat er eene j achter (I komt in 't begin 
van een woord ; zoo zegt men ook afdjoJd-cn, djampelen voor afdokken, 
dompelen, enz, 

Doenvrij. — Hij is doenvrij, d. i. hij mag alles doen wat hij wilt ; men 
laat hem alles toe. Geh. idem. Vrglk. zegvrij, hl. 56 4'*^ Woordenzange. 

Fadder, den. — Lafhertige mensch : Ge zijt 'ne faddcr ! Geh. Schelle. 

IJsgang, den. — Waneer de grond met ijs bedekt is, dan zegt men dat 
het ijsgangis : Opgepast van niet te vallen, want 't is ijsgang ! Geh. St-An- 
toniiis, Halle, Zoersel, Brecht, enz. 

Krots, de. — Miswas ; vernepen, verneuteld gewas : Kapt die hrotsen van 
boomen uit en plant er andere! Geh. idem. Z.Schuem. i. v. Krod. 

Pronkpeer, de. — Soort van pompoen die den vorm heeft van eene peer. 
Geh. idem. Vrglk. pronkappel, dat heel Antwerpen en Brabant door ge- 
kend is. 

Slenderen, z. Slinderen, q. v. 

Slinderén, sUnderde, heh geslinderd. — Eeiie koord van drij of vier drs.- 
den vlechten. Men zegt ook het haar slenderen. Geh. idem. De verwantschap 
tusschen nd en ng is genoegzaam gekend : slinderén is slingeren. Vrglk. het 
Hoogd. schlingen, dat o. a. ook vlechten beteekent. 

Sprant, den. — Vertakking, getakt uitspruitsel op den wortel of den 
stam van plantgewassen. Geh. idem. Z. üitspranten. 

VitspvsiJiten, sprantf e iiit, hen ui1ges])rant. — Uitlakken, uitstruiken op 
den stam of den wortel, b. v. van graangewassen gezeid : Het koren moet 
nog veel üitspranten, of 't staat te dun. Geh. idem. De verwantschap tus- 
schen t en lo is gekend ; dus vermoede ik üitspranten = uitspranlien en sprant 
= sprank, sprang. Vrglk. het Eng. to spring = spruiten, opschieten en sprig 
= takske, rijske. — Sprank beteekent bij Schuerm. de dikste takken eens 
booms. 

JOZ. CORNELISSEN. 



NIEUWSKES. 
Prijskamp voor het beschrijven van de kinderspelen. 

Prof. Am. Joos van Sint-Niklnas schr\}h in Het Katholiek Onderwijs eeneti 
prijskamp uit voor het beschrijven van de kinderspelen. 

Kinderspelen dat zijn al de eigene verlustigingen onzer kinderen, zoo jongens 
als meiskes, met of zonder speeltuig, aleeu of in gezelschap. 



70 « Ons Volkslevn. » 



Ieder spel moet in zijn peheel beschreven worden, met de verschillige toebe- 
reidselen, als het aftellen, enz , met de verscbilligo kansen die er kunnen voor- 
komen, met de verschillige wetten die het beheerschen. 

Er wordt tweehonderd frank bo;jken voor den prijskamp uitgeloofd. Alle wer- 
ken moeten vrachtvrij voor den 1" April 1891 ingezonden worden. 

* 
f- f 

Het hoeft wel geen betoog dat de kennis der volksspelen in 't algemeen en der 
kinderspelen in 't bijzonder, een belangrijke tak der Volkskunde uitmaakt en 
eene allernuttigste bijdrage vormt tot de geschiedenis van het haiselijk en gezel- 
lig leven onzes volks, ook van in vroogere eeuwen, 't Is immers geweten dat een 
goed deel van de spelen waar do kinderen zich nu mee vermaken, eertijds en ook 
wel uitsluitelijk aan de grooten tot uitspanning en verlustiging dienden. Menig 
kinderspel zelfs schijnt sporen te bewaren van het een of het ander oud gebruik 
dat uu uitgestorven en verloren geraakt is, doch dat vroeger eono voorname plaats 
in het volksleven moet bekleed hebben. Is de studie der kinderspelen dus aller- 
gewichtigst onder volkskundig oogpunt, niet geringer is het belang dat zij voor 
den taalKundige oplevert. Hoeveel eigene woorden in de taal der spelende kinde- 
ren, hoeveel eigenaardige uitdrukkingen en kenmerkende benamingen, die nog 
nooit geboekt en wierden, maar die misschien allerkosteli]kste overblijfsels zijn 
van de oude Dietsche spraak ! Hoe zeer is het den niet te wenschen al die spelen 
verzameld en beschreven te zien ! 

Van herte juichen wij dus eene zoo nuttipe onderneming toe als die van den 
Eerw. Heer Joos, en wij drukken de hoop uit dat een ruim getal mededingers 
zijnen oproep zullen beantwoorden. 

JOZ. CORNELISSEN. 



B OEKBESPREKING . 

Van Schoonbeke en Het Maagdenhuis van Antwerpen, door Ed. 
Geudens, bureeloverste. Archivaris bij de Burgerlijke Godshuizen. Antwerpen, 
1889 Fraai boekd. in kl. 4° form. van 157 blz., versierd met portretten, platen, 
muziek, enz. (Niet in den handel). 



Wanneer wij de geschiedenis onzer vaderstad doorloopen, dan treffen wij op 
menige bladzijde de bewijzen aan, dat ten allen tijde de geest van liefdadigheid, 
in Antwerpen geheerscht heeft. 

Menigvuldige instellingen ontstonden, en talrijke gestichten, ten behoeve van 
weduwe en wees, grijsaard en kind, verrozen er in den loop der tijden, zoodat 
Antwerpen met recht den naam van Siad der liefdadigheid dragen mag. 

Dat wordt eens te meer bewezen in het werk, waarvan wij hooger den titel 
afschreven. 

De inhoud des boeks is tweeledig. In het eerste gedeelte treffen wij eene menigte 
belangwekkende, meest ongekende bijzonderheden aan over Gillebert van Schoon- 
beke, onzen beroemden stadsgenoot; over zijn sterfhuis, zijne nalatenschap, zijne 
familie, zijne nakomelingen, enz. 

In de tweede plaats hebben wij de geschiedenis van het Maagdenhuis, te be- 
ginnen van zijne stichting, in lf-52, door Jan Van der Meeren, tot op den huldi- 
gen dag. 

Dit deel, dat verreweg het grootste en 't belangrijkste is, wordt voorafgegaan 
door eenige algemeene beschouwingen over den toestand der vondelingen en 



" Ons Volksleven, » 71 



weeskinderen, voor de oprichting van de gestichten, bestemd om hen op te nemen 
en te verplegen. 

Daarna volgen bijzonderheden over het middeleeuwsche beheer dier kindereu 
hier ter stede, met de opgave der oudste fondaties, sedert de instelling van het 
Armwezen te Antwerpen, te hunnen voordeela gemaakt. 

In de volgende bladzijden deelt de schrijver ons de namen mede van de eerste 
weldoeners der weesmeisjes, waartusschen Jm Van der Meeren, aU stichter en 
begiftiger van het Maagdenhuis uitblinkt. 

[)e lijst dier weldoeners is echter geene bloote opsomming vau namen en cij- 
fers. Bij eiken naam vinden wij de omstandigheden vermeld, die tot de gift aan- 
leiding gaven, alsme Ie uittreksels uit den sclientcingsbrief, het testament, enz. 

Bij don milddadigen stichter verwijlt dè schrijver langer; het is duidelijk dat 
hij dit deel van zijnen boek met bijzondere voorliefde bewerkt heeft. 

Behalve eene menigte bijzonderheden over Jan Van der Meeren en zijne bezit- 
tingen, vinden wij hier nog den fondaiiehrief gedagteekend van den 27" April 
1552, eenen stamboom der familie Van der Meeren, een fac-simile van eeü proces- 
verbaal door genoemden stichter over zijn testament opgesteld, uittreksels van 
dit testament, verschillende opschriften ter eere van Van der Meeren, enz. 

Om te vermijden dat de opsomming der talrijke weldoeners en begiftigers, met 
de aanhalingen uit do oorspronkelijke bescheeden getrokken, soms wat al te 
langdradig zou kunnen schijnen, geeft de schrijver ter bekwamer plaatse een 
kort overzicht van 'Ie tijdsomstandigheden; hij onderzoekt liuunen invloed op 
den bloei, den welstund of den achteruitgang van het gesticht; legt de oorzaken 
uit van de tijdelijke vermeerdering der inkomsten; bespreekt het inwendig bestuur 
van het Maagdenhuis, de rechten en plicliten der Aalmoezeniers, de kleedij der 
kinderen, hunne uitspanningen, enz. 

Een ander belangrijk gedeelte van het werk is dat, hetwelk handelt over de 
nalati nschap van Van Schoonbske. 

Het vereffenen daarvan ging met groote moeilijkheden gepaard, gaf aanleiding 
tot talrijke gedingen, doch was tevens van het grootste gevolg voor het Maagdon- 
huis, dat door Van Schoonbeke's erfgenamen niet alleen met geschenken en be- 
zettingen rijkelijk begiftigd, maar ook door verbouwing nog belangrijk vergroot 
werd. 

Het zou ons te verre leiden, wilden wij al liet merlcweerdige opsommen, dat 
wij in het werk des H" Geudens gevonden hebben. 

Door hetgene wij hooger aanhaalden, zal de lezer zich gereedelijk een gedacht 
kunnen maken van het belang dat zulk een boek voor de geschiedenis der Ant- 
werpsche liefdadigheid, instellingen, zeden en gebruiken oplevert, en het den 
schrijver, met ons, dank weten, dat hij zich de langdurige en moeielijke opzoe- 
kingen f:;etroost heeft, die onvermijdelijk aan zulk een werk verbonden zijn. 

Hij zette zijne geduldige nasporingen, voort in de archieven die aan zijne be- 
leidvolle zorgen toevertrouwd zijn, en levere ons nog menige eervolle bladzijde 
uit de geschiedenis onzer dierbare vaderstad. Dat is onze en aller wensch. 



J. B. Vervliet. 



INHOUD VAN TIJDSCHRIFTEN. 

^ 1. Volk en Taal. — 2'^"- Jaargang. — X" 11. — De üil in het volksgedacht. — Bijdrage tot den 
Nederlandschen taalschat. (A. van Heuverswyn). — Meiavond. (P. Bernard). — Vereuken. (K. 
van Caeneghem). — Uit de beestenwereld : a| de Vos en de Wolf. (P. Waelens). 1)/ het Kind "en 
de Wolf. (F. van Cauwenberghe). — Van 't Meetje en Sitiksenavond. (T. van iieiiverswyn). — De 
Jongen en zijn Boone. (R. Ervinck). —Naden veldslag van 1708. (s/o^). — De Fransche tijd te 



72 « Ons Volksleven. » 



Oudenaarde : Terugkeer der Oostenrijkers. (K. van Caenegheui). — Van alles : Kwade ijraktij- 
ken. (idem). 

2. Biekorf. — l^ Jaargang. — N" 10. — Aan Moeder Vincentia. (Guido Gezelle). — Vijvoudere. 
(AlfonsDassouville). — Transvaalsch lied. — Wie zou ze ginder gaan zoeken? (C. 1). L.). — 
Heer Jan-Baptiste Corne. (li . Claeys) ~ 't Wilt zomer zijn. (Guido (rezelle). — Mingelmaren. 

N° 11. — Jantje van Sluis. (A. v;tn Speybrouck). Vijvoudere. (Allbns Dassouville). — Jan Van 
De Poele. (E. V.R.) — De ploeg. (Guido Gezelle). — Vier tapijtwerken in de Potterie te Brugge. 
(Alfons Naert). — Drie kerkhofblommen. (Zaliger Deken De Bo) — Mingelmaren. 

3. Volkskunde. — 5'' Jaargang. — N*^ 6. — Over de Stadie van het Volkslied. (Aug. Gittée). — 
Sprookjes : Jan de Roi,ter. (Aug. Gittée). — Vragen en Aauteekeningen : Volksbenamingen van 
muntstukken. — Huwelijksgebruik. — Verklaringen van natuurverschijnseleu. — Toedrinken. 

4. Het Belfort. — 6'* Jaargang. — N" 6. — I. Wiskundige vrouwen. (A. Milcamps, S. J.). — II, 
Nog over den aard, de lengte en den samenhang d3r scheppingsdagen. (J, Adriaansen). — Hl. 
Indische letterkunde. (K. Lecoutere). — IV. De Fransche strekkiug van het libei-alism ter gele- 
genheid van eenen brief van Em. de Laveleye. (J. Brabantsen). — Y. Hoogleeraar Jan David en 
dichter Prudens Van Duyse. (D^'R. Moroy). — VI. Leutezang. (Karel Quaedvlieg). — Vil. Boe- 
kennieuws in Kronijk. 

5. Het Davidsfonds. — 3« Jaargang. — N'^ 4. — De Kasten in Indië. (K. Lecoutere). — Boekbe- 
oordeeling : De Belgische zending van West-Bengalen. — Het Bargoensch van Roeselare, door H. 
De Seyn-Verhougstraete. (Folkert). — Letternieuws. (Folkert). — Sterfgevallen. (Folkert). 

6. Kempisch Museum. — 1^ Jaargang. — N^'f). —I. Brechl. Kleine kronijk getrokken uit het 
handboek van 't StJoriFgilde. (J. Michiclsen). — II. De schilderij van het hoogaltaar in de kerk 
van Minderhout. (Pieter d'Houdt). — Hl. Westmalle en Zoersel Zoeuakte tusschen Jan Wouters, 
Marcxzono en Lucas de Meyere, ingevolge den doodslag, door Jan U outers op Arnold de .\kyere, 
1551. (.1. Michielscn). — IV. Grobbendouck tijdene de Fransche Omwenteling. (Goetsclialckx). — 
V. Hoogstraten. Attestatie.... (E. Adriaeusen). — VI. Hoogstraten. (6) Charters. (S.). — Vil. De 
heerlijkheden van het land vauMechelen, Dufiel, Gheel en hunue heeren, (J.-Theod. Do Raadt). 
-- Vlil. Geschiedkundige bijdragen over de Voogdij vanMolle. (T.-I. Welvaarts). 

7 La Tradition — A^ Jaargang. — ^"?). — Le Folklore de Ia Belgique 1. (All'red Harou). — 
Hymne antique. (Emile Blcmont) — L'Ane dans les proverbes proven^aux, I. (Jean Brunet). — 
Le Folklore en Angleterre, V. (Thomas Davidson). — La Fuite en Egypte. Chanson picarde. 
(Georges Carnoy). — Le sabre de Roland. (Joannés Plantadis). — Les Rites du mariage, I. (Henry 
Carnoy). — Palladiums et talismans des cités, II. (Jean Nicolaïdes). ^- L'Auseralhe e lou Coucou. 
(Isidore Salles). — Le Folklore polonais, II. (1'''^ partie). (Michel Zmigrodzki). — Acousmates et 
chasses fantastiques, II. (C. de Warloy). — Les Conciles et les Synodes de M. Frédéric Ortoli. 
(E Blémont). — Futura et ]a légende de Faust, de M. Auguste Vacquerie. — L'heure enchantée, 
de M. Gabriël Vicaire. — Bibliographie. (Bespreking over werken van MM. Paul Hugounet, 
JulienTiersot, Francesco Sabatini, M'-^^Tola Dorian, MM. LeGoffie etThieulin, Octave Lacroix, 
door Charles Lancelin, Henry Carnoy en Emile Blémont). 

8. Revue des Traditions populaires. — .ï« Jaargang. — N^ 4. — Exiraits d'anciens ouvrages 
anglais ralatii's au Folk-Lore. I. Antiquité de la littérature des nourrices. (Loys Brueyere). — 
Devinettes : Auvergne. (Antoinette Bon; . — Le Rossignolet II. Version du Morvan. (Julien Tier- 
sot). — Les calendriers des lUettrés. III- ( A. Certeux). — Les coquillages de nier III. (Paul Sébil- 
lot). — Le seigneur loup-garou, légende de 1'Auvergne. (Antoinette Bod). — Amulettes et talis- 
mans VII. Amulettes, d'Italie. (Raoul Bayon). — Coutumes de mariage VI. Une noce en Béarn. 
(Daniël Bourchenin). — Superstitions de la Nièvre. (M™^ Paul SébiUot). — Légendes et supersti- 
tions préhistortques. IV. La hotte du diable. (René Stébel). — V. En Belgique. (Alfred Harou). — 
La mort d'Adèle, chanson de la llaute-Bretagne. (M"^^ Paul Sébillot). — Un album eskimo. (Ch. 
Rabot). — Contes arabes et orientaux IV Le Mythe d'Orion et une fable de Florian. (René Basset). 
— Chants héroïques du peuple russe II. (Michel de Crouskow.). — Les Traditions populaires et 
les écrivains frangais IV. Racine. (P. S.). — Les Pourquoi. — LIV-LV. — La mule et le lièvre. 
(Achillo Millien). — Croyances des paysans laudais. (J. de Laporterie). — Brimades et initiations 
I Les Béjaunes du commerce. (A. Certeux). — Le long hiver (verslons flamandes). (Alfred Ha- 
rou). — Les glaciers 1. Le génie de 1'Aletsch. (P«<' Roland Bonaparte). — II. L'excommunication 
des glaciers (Antony Dessaix). — Néci-ologie : Edouard Charton. (P. S.) — Bibliographie : 
Julien Delaite. Glossairedesjeux wallons. (P. S.). — Périodiques et journaux. — Notes et enquê- 
tes. 

Platen. — Anciens calendriers du XIV" siècle. —Calendriers scandiuaves en bois. — Un mons- 
tre fautastique eskimo. 



ONS VOLKSLEVEN. 



Antwerpsch-Brabantsch Tijdschrift 
voor Taal eu Volksdichtveerdigheid , 
voor Oude Gebruiken, Wangeloof kunde, 

ewz. In tipel f nommers van twelf bladzijden 

in 8". 

Te Brecht, 

bij L. Braeckmans. 




« Er is nog een rijke oogst op het veld 
der gevvestspraken voorhanden; veel 
volksuitdrakkingen dreigen te verdwij- 
nen die om hunne juistheid, schilder- 
achtigheid of oudheid verdienen in de 
schrifttaai opgenomen en bewaard te 
blijven. » 

2uid-Nbderlandsche Maatschappij 
VAN Taalkunde, Wedstrijd 1874. 

"De studie der folklore heeft voor doel 
ons volk in zijne eigenaardige zeden en 
gewoonten, in zijn inniggeloof en karak- 
ter te leeren kennen, in één woord, fiet 
volk zooals het is. » 

Vraagboek over Vlaamsche Volkskunde. 



DE VOGELEN IN HET VOLKSGELOOF EN DE 
VOLKSDICHTVEERDIGHEID. 

III. 
De Ijsvogel. (Vervolg). 

Daar de ijsvogel enkel op droge takken gaat zitten, heeft men gemeend 
dat hij het hout deed verdrogen waar hij op ging rusten. 

De Koekoek. (Vervolg). 

Raakt men geld aan, waneer de koekoek roept, dan zal men fortuin ma- 
ken [Luili). 

— Den 23'^ April (thans St-Jorisdag-) had een geheimzinnig offer plaats, 
£'oé'y^:oÉ'A;s/(?e5/ geheeten, omdat de koekoek op dien dag de toekomst voor- 
spelde. (COREMANS). 

— Volgens den ouden almanak wierd de KoeJcocksfeest gevierd den 23" der 
maand Eostur, op den dag van Vrya. (Z. den Alm. door D'' Coremans, bl. 184 
van het VIP d. der Bulletins de la Comm. roy^^ d'hist^^). 

De Specht, (i) 
De specht bekleedde den eersten rang inde vogel wichelarij; hare geschie- 
denis, of liever hare fabel, gemengd met de godenleer der oude helden van 
het Lalium, stelt haar voor als een geheimzinnig wezen, waarvan de teekens 
uitgelegd wierden, wiens bewegingen eene beteekenis hadden en wiens 
verschijning men als een noodlottig teeken aanzag. 

— De Engelschen noemen de specht Bain-fotvl (regenvogel). 

— In Burgondië heelen de boeren dien \oge\ prociireur du meunier, omdat 
hij den regen aankondigt en het wassen des waters dat den molen doet 
draaien. 



(1) H&h&mmgeu : Groenspecht Fv. 'pic vert, pivert ;'Li2Li. Picus viridis ; — Bonte Specht, te St- 
Antonius, Bloemspacht, Fr. Pic épeiche, Lat. Picus-major ; — Gemeene Draaihals, te yt-Antonius, 
Adderspacht, Fr. Torcol vulgaire, Lat. Yunco torquilla. J. C. 



74 « Ons Volksleven. « 



— Groenspecht. — Men vertelt onder het volk dat de groenspecht den 
regen door een bijzonder geschreeuw' aankondigt. [Buffon, t. VI, b!. 186). ' 

Waneer onze boeren de groenspecht die een klimvogel is, op de boomen 
zien klauteren en heur herhaaldelijk op de schors zioji pikken om er de 
insecten te doen uitkomen, dan zeggen zij dat de vogel een gat in den loom 
maakt. En als bewijs geven zij dat de specht langs den anderen kant gaat zien, 
om zich te overtuigen o/' /le^ ^a^ nog niet doorgeboord is. Men weet dat de 
groenspecht de gewoonte heeft van herhaalde keeren op den eenen kant 
van den boom te pikken en van aanstonds naai^ de andere zijde te gaan zien, 
of haar gerucht de kleine larven niet verschrikt heeft die binnen in de schors 
zitten en hun behoud in de vlucht willen zoeken. Zij worden dan door den 
vogel gevangen die er zijn maal van neemt. 

— Men vindt in Californië eene verscheidenheid der spechtsoorten : de 
groote zwarte specht met witien snavel. De Amerikanen van de noordelijke 
streken maken met de bekken van die spechten kronen voor hunne krijgs- 
lieden; en daar zij bij hen geene vogelen van dit slach hebben, belalen zij ze 
heel duur. {Buffon, t. VI, bl. 196). 

De Hop, 
Het verschijnen van de hop kondigde bij de Egyptenaren het afloopen 
aan van het water des Nijls, en bijgevolg, het tijdstip van het zaaien. Ook 
ziet men ze geduiig in de Egyptische hiëioglyphen afgebeeld. 

— De hop was vroeger en is nog altijd eene onreine spijs bij de Joden. 

— Eertijds ging ze in Engelland voor een onheilspellcnden vogel door. 

— De Zweden aanzien heden haar verschijnen als een voorteeken van 
oorlog. 

— De Ouden zeiden dat waneer men haar vóór het vastgestelde tijdstip 
hoorde roepen, dit een voorteeken was van eenen goeden wijnoogst. 

— Men heeft beweerd dat de hop haren nest met drek (i) besmeerde, om 
de betooveringen te vernietigen, over haar broed gewoipen. Deze vogel 
ging voor hoogst verstandig door in dat vak; hij kende al de kruiden die 
het uitwerksel der betooveringen beletten, die het gezicht aan de blinden 
weergeven en de best geslotene deuren openen. Die leste eigenschap is met 
eene menigte omstandigheden doorElien aangehaald geworden. 

— Het hert der hop, hare lever en hare hersenen, geëten onder het uit- 
spreken van zekere cabalislische- of tooverspreuken, of gehangen en ge- 
diagen aan zekere lichaamsdeelen, genezen de schedelhoofdpijn, schenken 
de gave van voorzegging en verschaffen aangename droomen {Bnffon, VI, 
bl. 6, notes). {Vervolgt). 

Alf. Harou. 



(1) Van daarliet rijmkcu in de Kempen ; 

Hop, kop.' 
Schoon op straat 
Maar vuil in 't kot ! 



« Ons Volksleven. y> 75 



HOUTEN CL ARA. 

Wie heeft er het dichterlijke verhaal /fozi^c'u Clara van Conscience niet 
gelezen ? De legende die hieraan ten grondslag ligt en door Conscience zoo 
meesterlijk vertolkt en uitgebreid wierd, is algemeen gekend. 

Wat echter weinigen weten, is dat die legende van allen geschiedkundi- 
gen grond ontbloot is. 

Ziehier wat onze geleerde vriend, de H'" Ed. Geudens, archivaris der bur- 
gerlijke godshuizen, daarvan zegt in zijn belangrijk w^erk : Van Schoonheke 
en het Maagdenhuis van Aniivcrpen (bl. 64-66) : 

« Terwijl wij over het tijdstip handelen waarop onze roemrijke Conscience de geschiedenis 
« vau Houten Clara gesteld heeft, zou, bij den Antwerpschen lezer, wellicht de gedachte kunnen 
« opkomen, te willen weten wat er, nopens die jeugdige heldin, zou in verband staan met de 
« ware geschiedenis. Wel, eenvoudig gezegd, nie.s. Nooit had het Maagdenhuis een Spaansch 
« edelman noch ecne gravin tot naaste buurliedcn gehad. Zeker moeten wij hulde brengen aan 
« het vernuft met hetwelk die zieltrefl'ende legende samengesteld is. hoeder en dochter zijn 
« daarin aangrijpende typen. Doch, die roman is een samenweefsel van feiten die, het eene hier, 
« het andere ginder voorvallen, bij het opzoeken, erkennen en wedereischen van vondelingen 
« door hunne moeders. Dat hebben wij in onzen bestuurlijken werkkringmenigmaal bijgewoond. 
« Gonscience's verhaal bezit niettemin een echt historisch vergezicht uit de l)loedige gebeurte- 
« nissen van dat tijdvak. Voeg daavbij, dat er, in 1539, door eenen onbekenden Spanjaard eene 
« buitengewone gift aan de Kamer gezonden werd, beloopende tot 3Cü spaansehe pistoletten of 
« 1000 guldens, (hetwelk me:; voor dien tijd, wel mag schatten op 20,000 frank,) dat was, uit zich 
" zelven, een feit dat een romancier kan begoes leren en tot uitgangspunt eener legende dienen. 

" De tijdsomstandigheden voei-den natuurlijk vele weezen en vondelingen tot de Armenkamer. 
" Dat er, onder die kinderen, waren en kunnen geweest zijn van hooge afkomst, valt niet te be- 
« twijfelen^ Het spaansch garnizoen is in die Vrrmc rd-^'rin;- va,n Inriten voor ion Arme, tarr-elijk 
« betrokken geweest. Indien wij de oude naamlijsten der meechdeJiens naslaan, dan vinden wij 
« daartusschen de eigennamen van aanzienlijke familiën van dien tijd. Wat de eigenlijke vonde- 
« lingen betreft, deze kinderen werden niet, zooals heden, onder eenen schijnnaam opgevoed. Zij 
« droegen slechts hunnen doopnaam , ja zelfs dengene welke bij de erkennigsteekens meestal 
« gelegd wei'd : 

« De roman van Conscience is dan ook slechts een gewrocht dat uit den bestuurlijken loop van 
« zaken, met uitgelezene toonbeelden, geschapen is. Het gekozen tijdvak leende zich bijzonder- 
« lijk tot de groepeering der gelieurtenissen die onze volksschrijver zoo dichterlijk als de oor- 
« sprong van de zoogezegde Houten Kleer aanwijst. Dit beeld is alleenlijk de type, in hout, van 
« een weesmeisje Het bestond van ouds in het gesticht en is in de laatste jaren vernieuwd ge- 
« worden. De rekenboeken bevatten zelfs desaangaande geenen uitleg. Heden prijkt dat legenda- 
« rische beeld in de Raadzaal der Godshuizen, n 

Ofschoon de legende hier voor het ernstig onderzoek hoeft te wijken, 
moeten wij toch bekennen dat zelden dichterlijker, treffender en aandoen- 
lijker sprooksken, als dat van Houten Kleer, in den mond van het Antwerp- 
sche volk leefde. J. B. Vervliet. 



VOLKSGELOOF. 
De Duivel. 



Het volksgeloof schenkt aan den duivel de zielen van hen die in tweege- 
vecht waren gevallen en van de kinderen die zonder Doopsel stierven. 



76 « Ons Volksleven. •» 



Men gelooft ook algemeen dat de duivelen van tijd tot tijd voor hunnen 
heer en meester moeten verschijnen om verslag van hun werk te geven op 
de aarde uitgevoerd. Op vijf Vrijdagen in het jaar moeten alle duivelen in 
de hel vereenigd zijn, namelijk op : Goeden Vrijdag, den Vrijdag na Paschen, 
na SinJcsen, na den langsten dag en na Simon en Judas (28 October). 

Padden. 

Padden hield men vrij algemeen voor arme zielen, die hunne vorige zon- 
den in die afschuwelijke gedaante moesten boeten. 

Geestenzieners. 

Die op eenen Zondag geboren is, of des nachts tusschen elfen twaalf ure, 
op den 27" Februari, den 30" Juli of den 25" December, die heeft de gave van 
geesten te zien, zelfs bij klaren dage. 

Johannesnaeht. 

In den Johannesnacht bloeit het varenkruid. Die het zaad daarvan tus- 
schen het buskruit ol schietpoeder mengt, mist nooit zijn doel. 

Het Doodenheir. 

Volgens het volksgeloof komt het Doodenheir, ook Wilde Jacht genoemd, 
te voorschijn van St-Bartliolomeüs tot Drij-Koningen en vooral ook in den 
nacht vóór Paschen. (i) De onschuldige geest van het goede Vlaamsche volk 
wekt dikwijls zonderlnige denkbeelden op, die niet achteruit moeten wijken 
voor de sagen van den Rijn. Zt)0 nog het gedacht dat in onze streken alge- 
meen gekend is over de dwaallichten, die aanzien worden als ongedoopte 
kinderen die gestorven zijn, en op de eenzame graven 's nachts hunnen 
somberen rijendans komen uitvoeren. 

De Vrij kogel. 

Wildstroopers en jagers waren vroeger, in de bosschen der Kempen bij- 
zonder, overtuigd van het volgende : 

Die een geweer hebben wilt dat nooit mist, die moet op Kerstnacht naar 
de kerk gaan met een geladen geweer. Eenige gezellen die weten wat zijn 
plan is, moeten dicht om hem heen gaan staan, opdat anderen niet zouden 
zien wat hij verricht. Het geweer moet gereed zijn om te schieten. Heft de 
priester het Hoogweerdige op, dan moet hij scherp daarop mikken, maar 
niet vuren (natuurlijk !). Elke kogel die later op 't geweer wordt geladen, 
wordt daardoor een vrijlcogeJ, die altijd juist zijn doel treft. 

De Weerzegen. 

In Argau vindt men eene kleine stad, Bremgasten genoemd. Jaren gele- 
den moest daar het dak van de kerk en van den toren vernieuwd worden, 
en toen men deji haan en het kruis van den toren nam, vond men daar on- 



(1) Ziet over de TFi/fZé; /«c/i^ (Tilkesjaoht Turkusjacht, Klappeljac'at, deu Wilden Ja?er) Ons 
Volksleven, II bl. t», Y Daghet in den Oosten, I, bl. 167 ea 191, eu La Tradition. IV : Acousmates e t 
chassesfautastiques, bl. fi3 en 152. 



« Ons Volksleven, r,' 77 



der andere merkweerdigheden, eene strook perkament, waar een weerze- 
gen op geschreven stond. — Het was het volgende : 

- Jesus-Chrisius, een koning der glorie, is gekomen in vrede f. God is 
mensch geworden en liet woord is vleesca geworden t. Christus is geboren 
uit eene maagd f. Christus heeft geleden f. Christus is genageld aan het 
kruis t- Christus is opgestaan f. Christus is ten hemel gevaren f. Christus 
overwint, Christus heerscht, Christus heeft macht f. Hij staat voor mij tus- 
schen donder en bliksem f. Hij ging in vrede midden door hen henen t- 
Christus is bij ons en Maria ; wijkt gij booze gestalten f. Want de Leeuw uit 
Jüda, de wortel Davids heeft overwonnen f. Heilige God, heilige en sterke 
God, heilige en onsterfelijke God, ontferm u onzer f. ?? 

Hierop volgen drij paternosters en drij Ave Maria's. Die woerzegen wordt 

ten tijde van onweer gelezen. H. J. P., Antivcrijen. 

* 
* •» 

In de Kempen heb ik nooit van den Weerzegen gehoord maar wel van den 
Hiiiszegen. Do-t \s een gedvvikl stuk, een gekruisten Lieven-Heer verbeel- 
dende. Rondom de beeltenis vindt men eenige berijmde gebeden, die gele- 
zen worden, als er groot gevaar op handen is, matir bijzonderlijk ten tijde 
van onweer. Weinige boerenhuizen in do Kempen, waar ge den Hmszegcn 
niet aantreft. Ge vindt hem gewoonlijk genageld of geplakt tegen de deur 
der moos of tegen die der kelderkamer. J. C. 



SPROOKSKES EN VERTELSELS, 

12 (22.) Van Jan GroUemans. 

Daar was eens een boer en die deed van den grondigen dag niets als grol- 
len en greven, omdat zijne vrouw het huishouden niet goed en deed. Het 
wijf kost dat gegrol niet langer meer uitstaan, en ze gong raad vragen aan 
nen kluizenaar, die in 't naaste bosch woonde. '^ Wel Betteke, r> zei de 
kluizenaar, « niets is gemakkelijker als uwen man van zijn gebrek te ge- 
nezen; ge stelt hem voor dat gij zijn werk zult doen, maar dan moet hij 
voor 't huishouden zorgen. ^ 

Zoo gezeid, zoo gedaan, 's Anderendaags ti^ok het vrouwke met schup en 
riek het veld in en Jan GroUemans bleef thuis. 

Jan zijn eerste werk was gaan te boteren. Dat was me goed, maar terwijl 
hij daar mee doende was, kreeg hij geweldigen dorst en hij gong naar den 
kelder om 'nen pot bier te tappen. Ondertusschen hoorde hij boven zijnen 
kop in de keuken, een leelijk lawijd en geknor, en hij liep haastig den kel- 
der uit om te zien wat er gaande was. Hemelsche deugd ! 't was het verken 
dat de stand omgestooten had en nu met zijnen vullen snuit de zoete zaan 
opslobberde ! Met veel moeite kreeg Jan de beest tei'ug in den stal. Maar 
eilaas ! nu bemerkte hij dat hij de kraan van 't biervat had vergeten toe te 
draaien en dat de heele kelder onderliep ! 



78 '< Ons Volksleven. y> 



Jan deed de kraan dicht, en kuischte en schuurde met de gauwte alles 
weg. Toen gong hij zijne stand inet nieuwe zaan vullen, want dien dag wou 
hij boter eten, kost wat kost. 

Dat was me goed, maar terwijl hij daar al stond te stooten om boter te 
krijgen, viel hem eensklaps in dat de koei dien dag nog geen eten gekre- 
gen had. Om geenen tijd te verliezen, zette hij ze op 't platte dak van zijn 
huis, dal tegen 'nen berg aangebouwd was, en waar gers met de macht op 
stond te groeien. Maar om zijne stand aan geene nieuwe ongevallen bloot te 
stellen, bond hij ze op zijnen rug en droeg ze zoo overal mee rond. Alles 
gong goed, totdat Jan het ongelukkig gedacht kreeg van de koei nog eerst 
eens te drenken, eerdat hij voortging met boteren. Terwijl hij nu over den 
put boog om water te scheppen, liep de zaan uit de stand in zijnen hals en 
zoo in den put. 

Zoo was 't bijkans noen geworden, en daar was nog niets gereed voor 
't middageten. Jan stak gauw het vier aan en hong den papketel over. Ter- 
wijl de pap aan 't koken was, kreeg Jan weer 'nen ongelukkigen inval. 
« Moest de koei nu eens van 'c dak vallen, wat dan gedaan ? » docht hij in 
zijn eigen. Hij klimt er bij, stropt een dik zeel om heure horens en laat het 
ander end van de koord door de schouw vallen. Als dat gedaan is komt hij 
terug in huis en bindt het zeel rond zijn lijf om de koei vast te houden. Nu 
gong hij aan 't vier zitten en begost gerust de pap te roeren. Maar opeens, 
klavats ! daar doet de koei 'nen valschen stap en rolt het dak af, terwijl ze 
den ongelukkigen Jan, door heure zwaarte, halfwege in de schouw om- 
hoogtrekt. Daar hongen ze nu allebei te spartelen tusschen hemel en aarde: 
Jan in de schouw en de koei langs buiten tegen den muur ! Als Betteke nu 
uit het veld terugkwam en van verre de koei zag hangen, liep ze er in éénen 
asem naartoe en stak met heure schup het zeel in twee. De koei tuimelde 
naar beneden en brak beuren poot, en Jan viel in den.... papketel. 

[Gehoord te Vorselaar.) A. V. 

13. (23.) Van eene Booze Vrouw. 

Daar was eens eene vrouw en die kost beuren man niet meer hooren of 
zien. Ze hadde iiem wel geren doodgekregen, maar dat en gong nog zoo 
gemakkelijk niet. 

Nu, de man was een felle vijand van boonen : die at hij altijd met lange 
tanden ; maar zoetemelk met brokken was zijn lievelingskost : daar zou hij 
zijne vingeren naar afgebeten hebben. 

Op zekeren dag dat zij weer boonen opgeschept had, zei de man al etende: 

Boonen 
Zullen mij kro(o)Den, 
Maar zoetemelk en witte(n)brood 
Dat is mijn dood. 

Of do vrouw blij was als ze dat hoorde ! Ze lachte niet weinig in heure 
vuist, de heks, want ze docht : - "Wacht maar een bitje, nu zul-de gauw 



« Ons Volksleven. ^ 



79 



« kapot ^ zijn. En ze gaf heuren man gaar niets meer als zoetemelk en wit- 
tebrood. 

Ja maar ! in plek van uit te teren en te sterven, gelijk zij gehoopt had, 
wierd hij Jandorie ! zoo vet, zoo vet.... dat ge hem uit zijn vel zoudt ge- 
schud hebben. 

De menschen hebben de spreuk van den man goed onthouden, want als er 
boonen optafel komen dan hoort ge dikwijls : Booncn zullen me hro[o)neny 
zei de man, maar zoefcmelJc en ivitte{n)hrood dat is mijn dood. 

[Gehoord ie Sint-Anionius.) Joz. CORNELISSEN. 

Vrglk. Am. Joos, Vertelsels, 2'"^ deel, N'' 23, bl. 109. 



KINDERGEBEDEKES. 



(3) 



's Avonds, als het kind slapen gaat 

1. Danke Dcezeke zoet, 
Die ons.... (1) bewaren moet 
Van water, vier en brand 
En van den boozen vijand. 

[St-Antonnis.) 

2. Deezeke zoet, 
Maakt mijn herteke goed. (2) 

[Leuven.) 

3. Deezeke, zoete minnoke, 
Maakt van ons... (1) een wijs kinneke 

[Antwerpen.) 

4. Danke Deezeke zoet, 

Wie zal ons dezen nacht bewaren 
Van water en vier, 
Van zonden en van schande. 
Van alle booze vijanden ? (2) (3) 

[Antn-erpen, Rumpst.) 

5. Heer, ik lig hier in mijn graf, 
Neemt toch alle mijn zonden af, 

Die ik gedaan hel) bij dagen en bij nachte : 
Laat mij in mijn zonden niet versmachten. (2 
{Aarschot.) 



6. 's Avonds, als ik slapen ga, 
Volgen mij zestien engeltjes na 
Twee aan mijn rechterzijde. 
Twee aan mijn linkerzijde, 
Twee aan mijn hoofdeneinde, 
Twee aan mijn voeteneinde. 
Twee die mii dekken, 



Twee die mij wekken, 
Twee die mij prijzen. 
Twee die mij wijzen 
Ten hemelschen Paradijze. (2) (3) (4) 
[Antwerpen, St- Antonius , Zoersel, Beerse, Schelle. 

7. 's Avonds als ik slapen gaan, 
Treed ik op een baukske, 

Van 't banksken op mijabeddeke. 
Van 't beddeken op Maria's schoot. 
Maria is mijne moeder, 
Sint-Jan is mijn(en) broeder, 
Jesus is mijn vader : 
Goeden nacht engeltjes altegader. (5) 
{Br echt.) 

8. Ik leg mijn hoofd hier op het kussen, 
Door God den Vader wil ik rusten, 
Met God den Zone wil ik slapen gaan 

En hoop met den H. Geest op te staan. (2) 
{St-Antonh(s, Beerse.) 

Gebed tot de H. Barbara : 

9. H. Barbara, Maged, jong van jaren, 
G'hebt verdiend een kroon te dragen, 

I Bidt voor mij in mijn jongste dagen. 
Dat mij God wel mag behagen 
Da(t) 'k mag komen in geenen nood, 
Da(t) 'k mag spreken ecne goede biecht, 
En sterven eene goede dood. 

Met een goed berouw 
Dat bid ik aan God en O. L. Vrouw. (6) 
{Antwerpen.) 

10. H. Barbara, zuivere Maged, 

Gij hebt verdiend een kroon te dragen, 



(1) Hier zegt het kind zijnen naamin den verkleinvorm.— (2) Meeged. doorden H"" J. V. d. Br. — 
(3) Ook meegedeeld door den H'' J. B. Vervliet, te Antwerpen — (4) Idem door den H' L. Leh. — 
(5) Idem door den H»" Hend. Gysen. — Ook met eenige kleine verschillen en min of meer volledig 
te Aarschot, Rumpst en Beerse, volgens de mededeeling van den H''J. V. d. Br. — (6) Meege- 
deeld door den H'' J. B. Vervliet. 



80 



<i Ons Volksleven. « 



Bidt God voor mij dat ik kom in geenen nood Als de lUU' slaat 



Al vóór mijn dood ; 

Vooraleer ik heb gesproken 

Een goede biecht en een bera (berouw). 

Dat bid ik aan God en Ons-Lievra (O. L. Vr., 

En aan de H. Maged Barbara. (1) 

{Aarschot.) 

Om op eene vastgestelde uur wak- 
ker te zijn : 

IL Engeltje-bewaarder zoet, 

"Wilt mij wekken met der spoed, 
Niet te vroeg of niet te laat, 
Als de klok.... (4) uren slaat. (1) (2) 
[Antwerpen.) 

12. Heilige(n) Eugel Sinte-Michiel, 
Ik beveel u mijn lijf en mijne ziel, 
Ende gij, o Hcilige(ii) Bewaai-der zoet, 
Wilt mij morgen wekken met iler spoed. 
Niet te vrorg of niet te laat, 

Als de klok... (4) uren slaat. (5) (6) 
(Ant'/eerjjen, St-Antonius.) 

Als het kind 's morgens opstaat : 

13. Groote(n) lieer, klein kind, 
Jesus die ons al bemint, 

Is 't dat gij mijn herteke gesloten vindt, 
Doet het open met uwer minne 
En sluit den II. Geest daar l)inueu, 
{St-Antonius.) 

14. Jesus, mijn alderliefste lief, 
Ik geef u mijn herteke tot eeuen brief, 
Schrijft daarin al dat u belief 
En gebruik het al tot uw gerief, 

[Ibid.) 
Gebêêke vóór de les : 

15. Kruiske, kruiske goed begin, 
De(ii) Ileilige(u) Geest in mijnen zin : 
Dat ik goed mag leereu. 
Dat vraag ik Onzen Lieven Ileere ; 
Dat ik goed mag onthouen, 
Dat vraag ik Onze Lieve Vrouwe. (7) (0) 

(Aiitn-ei'jycn, St-Anfoniua. Merxphis.) 



16. Een zalige uur verleene mij God, 
Een heilig leven, een zalig sterven, 
Opdat ik ouderhoude zijn gebod, 
Het eeuwig Hemelrijk mag erven. 

[St Antonius ) 

Voor een Lieve- Vrouwebeeld : 

17. Ous-Lievrouwke die daar staat, 
Gij zijt goed en ik beu kwaad, 
Wilt mijn arme ziel gedenken. 

Ik zal u een Weestgegroetje schenken. 
Weest gegroet, enz. (5) (8) 
(Ibid., Schelle, Rethi/.) 

Over liet kerkhof gaande : 

18. Op het kerkhof kwam ik gegaan, 
Daar vond ik 'ueu blauwen zerk staan ; 
Daar stond al op geschreven : 

O ! menseh, aanziet uw leven ! 
Ik heb geweest aan u gelijk. 
Ik lig hier nu erger als slijk 
Dat heeft gedaan mijne boosheid, 
Hiertoe is komen mijne hooveerdigheid ; 
Ik en kan uu niet vliegen noch loopen. 
Maar mijn arm zieleke moet het dier Ijekoopen , 
[Ibül.) 

Gebed lot den H. Nikolaas : 

19 Sinte-Niklaas, Heilige Man, 
Maak dat ik goed leeren kan : 
Als ik goed en vlijtig leer. 
Dan zal Onze Lieve Heer 
Ook beloonen mijne deugd 
Met de schooue hemelvreugd. 
[Schelle.) 

Als de jongens over eene gracht 
moeten springen, dan zeggen ze : 

20. Er in of er over, 

Ons Lievrouwken is er boven, 
Ouze-Lieve(u) fieerken iserljij 
En die pakt mij. (5) 

[Op veel plaatsen 'in de K e ui pen.) 



18) 



Veel van die gebedekos kernen voor in Hti Duhhel Cabiiwt der Christelyke 
Wyshiyd, een soort van catechismus die vroeger in de scholen gebruikt 
wierd en nu nog in sommige huisgezinnen bewaai'd wordt. 

In i/oc wtn ^cMoftr ^roJï/^', door Hendrik Conscience, iroffen wij nog de 
volgende kindergebeêkes aan : 

(1) .Meegedeeld door den H"" J. V. d. Br. — (2) Ook meegedeeld door den li'' .1. B. Vervliet. — 
(4) De uur dat men geerne zou wakker zijn. — (5) Ook miu of meer volledig te Aarschot, volgens 
de mededeeliiig van den H"" .T. V. d. Br. — (6) Meegedeeld door den H'' J. B. Vervliet. — (7) Mee- 
gedeeld door den M"" J. V. d. Br. — (8j Idem door den H"" L. Leh. te Schelle. 



« Ons Volksleven. » 81 



's Morgens als ik opstaan , Deezeken , kom eten mee , 

Zie ik twee engeltjes vóór mij staaa. Breng uw liefste moeder mee. 

Engeltjes lief, engeltjes zoet, Dcezsken, waar gij zijt 

Maakt dat Franskeu geen kwaad eu doet. Is het al gebenedijd . 

Ouze Vader, enz. Eet en drink, maar wees gedachag. 



Dat het komt van God almachtig. 
J.C. 



BOEKBESPREKING. 

Vertelsels van het Vlaamsche Volk, naverhaald door Amaat Joos. — 
2'^« Deel. TeThielt, bij P, Pollet- Doorns, uitgever. — 1890. 

Dit bundeltje bevat 48 nummers en hoeft in aantrekkelijkheid voor het P*" 
deeltje niet te wijken. De schrijver heeft een gelukkigen keus weten te doen tus- 
schen de talrijke verhalen die hem vooral uit Oost-Vlaanderen bezorgd wierden. 
De meegedeelde vertelsels zijn, op weinige uitzonderingen na, echte « folkloris- 
tische n stof : Van den Vrouivenfretter (1), Van Gouden Jan (2), Van eene Ko- 
ningsdochier (3), Van Jan den Beer (i)^ Van den Besscnibinderszoon (14), Van 
den Amerilxaanschen Tooveraar (16), enz, zijn de titels van ecnige der schoonste 
eu eigenaardigste die het boekske bevat. Sommige sprookskes en sagen zijn vooral 
belangrijk, omdat zij den oorsprong of de beteekrnis aanduiden van zekere volks- 
begrippeu en volksiardige spreuken ; zulku zijn : Van den Ridder niet zijn Kindje 
en den Koning van het EUenhout (4), Van de Zingende Zeemeerminne (18), Van 
de Bloedkaros (19), Vati den Duivel en de Boerin (22), Van eene Booze Vrouw (2^) 
eu Van den Duivel en Ons Lieven Heer (24). 

De Heer Joos heeft goedgevonden geene verdeeling te volgen zooals hij in hel 
eerste deeltje deed. Dat kan geen kwaad; integendeel, het bundeltje is er des te 
afwisselender om en houdt daardoor in ruimere mate de belangstelling van den 
lezer gaande. 

Evenals het eerste deel, is dit tweede bijzonder geschikt om als prijsboek in 
de Lagere School uitgedeeld te worden. Dikwijls vergenoegt men zich met de 
kinderen boeken in de hand te stoppen die wel eenen fraai vergulden omslag 
hebben, maar die voor 't overige, yoor kinderen, weinig of goen belang opleveren. 
De inhoud kan moeilijk door hunnen jeugdigen geest gevat worden en 't valt 
dus niet te verwonderen dat zij geenen smaak in dergelijke lezing vinden. En 
wat weerde liebben zulke prijzen dan ?.... Men geve hun integendeel boeken die 
hun waarlijk 2)n)'^en zijn ; boeken die zij geerne en meer als eens lezen zullen, 
en waarvan de inhoud hun altijd even nieuw ^ altijd even aantrekkelijk voorkomt. 
De Vertelsels wezen daarom aan iederen onderwijzer warm aanbevolen ! 

JOZ. CORNELISSEN. 

Fe. Sabatini. — Spigolature. Costumi, tradizione popolari, dialettologia, 
curiosita letterarie. — Roma, tipografia A. Befani. Prezzo L. 1,50. 

De stukken die den inhoud van het werk des H° Fr. Sabatini uitmaken, ver- 
schenen in de Roma Antologia, van 1882 tot 87 en vormen eene verzameling van 
beknopte studiën over onderwerpen van den meest verschillenden aard. 



82 « Ons Volksleven. » 



Toch zal het boek ske den liefhebber der Italia^^nsche volkskunde bevallen, 
want enkele stukken — en stellig niet de rainst l)elangrijke — behooren tot dit 
vak Noemen wij kortheidshalve enkel de verhandelingen over den Nachtegaal, 
de Zee, de Zwaluwen, ^uz. 

Tusschen de overige stukken, die om hunnen lezensweerdigen inhoud dienen 
vermeld te Avorden, hebben wij bijzonder opgemerkt do hoofdstukken over het 
Geheimschrift (cryptographiej, het getal Zeven, de Wereldtaal, VolapüJc, de 
Geheimnisleer (cabale), enz. 

In al die verhandelingen toont de schrijver, die een der voornaamste volkskuu- 
dicen van Italië is, zich volkomen op de hoogte zijner taak; aan eenen fraaien 
stijl paart hij uitgebreide kennissen en eene groote belezenheid : benijdensweer- 
dige hoedanigheden die verdere aanbeveling van het werksken onnoodig maken. 

J. B. Ver VLIET. 



VKAGEN EN AANTEEKENINGEN. 

23. De Ziekte aan de Eerdappelen. — Toen in 1845 de eerdappelplaag 
verscheen, aan7.a::;en do landbouwers die als eene straf des Hemels. De oorzaak 
van dio straf, beweerde men, was de poll'a een dans van Poolschen oorsprong, die 
rond dien tijd hier in voege moet gekomen zijn. Daarom zei men : de polka is 
aan de eerdappels. (i) Sommigen wouen het goed weten en hielden vol dat de plaag 
na 40 jaar geheel ophouden zou. J. C. 

24. Voorteekens. — Eenigen tijd vóór de opkomst van de ijzerwegen hier 
te lande, vertelde mij een zeventigjarige boer, waren in de lucht voorteekens van 
den vapeur te hnoren. Men vernam op zekere avonden in de lucht een dof gedruisch 
en een gerommel als van snelrijdende wagens. Niemand wist wat dit beduidde, 
doch later ondervond men dat dit gedruisch het voorteeken van den ijzerweg ge- 
weest was. 

Spreekt men nog van andere voorteekens ? J.C. 

25. « De Dood van leperen. » — Velen kennen dit spreekwoord, doch 
weinigen kennen er den oorsprong van : Drie eeuwen lang werd de bevolking van 
leperen zoodanig door do koorts geteisterd, dat het eene spreekwijze door geheel 
Vlaanderen was geworden, om, als men iemand ontmoette die er mager en bleek 
uitzag, te zeggen : « dat deze zeker de dood van leperen gezien had. » (Het Land, 
1890, W 147-148.) 

Die spi-euk is gausch Dietsch- België door gekend, doch in Antwerpen en Bra- 
bant zegt men : « Ge ziet er uit gelijk de dnod van leperen » en niet : Gre hebt de 
dood van leperen gezien. » 

26. Iets over MoU en aanpalende dorpen. — Van over zeer oude tij- 
den waren onder on/.e Vlaamsche voorvaderen de hieronderstaande versjes wel 
gekend : 

Doeren, gelijk men toen sprak, beteekent duren. Diezelfde verzen worden ook 
in het Latijn gevonden bij Gramaye. 

Als Retliy is zonder moed 

En Desschel zonder goed, 

En Moll 18 zonder koren 

En Baelen zouder toren, 

En Aerendouck zonder moeren 

Eu Lommei zonder boeren. 

Zal de wereld niet lansf meer doeren. 



(1) Men l)eweert dat de Joden dien dans na de dood des Zaligmakers gedanst he]))ieu. 



' 



« Ons Volksleven. » 83 



« Desselium cum opibus, animo cum Reiia carebit, Mollaque frumento, Bale- 
nam tune, paliide Arendoncka, et ruricolis Lommelin, raimdi Machina Solvetur. » 

Voor rui'icülis Lomnielia hebben sommigen f^ele/.en Commelia, en daardoor is 
de zin voor hen onverstaanbaar geworden. 

Deze Latijnsche verzen beteekenen juist hetzelfde als de bovenstaande Vlaam- 
sche. (Het Land, 1890, NM52). J. C. 

27. Peerlala. — Is het lied van Peer-la-la, door Saellaert in zijne Otide en 
Niemve Liedjes opgenomen, het oudste waar er van dat zonderling personaadje 
spraak is ? Waar kan men iets over hem vinden, en wie deelt ons liederen mee, 
waar Peer-la-la in voorkomt? J. B. V. 

28. Drinkgelag en Schotelspij s, — Onder de benaming van DriuTx.ge- 
Ing, Schotelspijs, Kwanselhier of Kraringseïhier waren van ouds gekend, in 
Vlaanderen en Brabant, de danspartijen, de vermakelijke vergaderingen gehou- 
den op Zon- en heiligdagen, en de feesten gegeven ter gelegenheid eener bruiloft ; 
en onder de benaming van Spinm^igcn, welkdanige avond- of uachtpartijen in 
herbergen of elders. 

Daar die vermakelijkheden doorgaans aanleiding gaven tot wanordelijke bui- 
tensporigheden en laakbare verzuimenisseu, werkten onze oude Souvereinen 
krachtdadig om soortgelijke misbruiken te keer te gaan ; zi] schreven strenge re- 
glementen voorea vernieuwden ze herhaalde malen. (De Groote Bende van Jan 
de Lichte, 1888, bl. 5Gd.) J. B. V. 

29. Sint-Antonius. — Op de pomp in de St-Antoniusstraat; (of liever Siut- 
Antheuiiisstraat ; ziet Willei)is, Oude Topograpkie van Aniivcrpcn, 182H, bl. 108) 
te Antwerpen, staat een beeld van den H. Antonius, Daarvan zeggen de kindereu : 

Inde St-Antheunisstraat daar staat een pomp. 
Ed op die pomp daar staat een verken, 

En dat verken heet Sus, 

Vivan Sint-Antonius. 

Van den Heilige zelf zegt men dat hij bij elke uur die hij hoort slaan, een blad 
van zijnen boek omdraait. 
Te St- Antonius en te Beersol kennen de kinderen het volgende rijmke : 

Sint-Antonius had een verken 
En dat verken had een steertje, 
En dat steertje dat stond krom : 
Vivan Sint-Antonium ! 
SO. Avendel, lavendel. — Wat dient er verstaan door avendel, havendel, 
lavendel of lavendel(steen), waardoor eene stof bedoeld schijnt, die tot boetseereu 
dient? J. B. V. 

31. Ik hoorde lest zeggen : Als de processie te Lier uitgaat, dan volgen al de 
Begijntjes, elk met eene levende muis m de hand. — Wat heeft er aanleiding 
tot dat gezeurde gegeven ? J. B. V. 

32. De Legenden der Indianen. — Men maakt thans meer en meer ge- 
bruik van den plionograaf. Over ceni^e dagen heeft men er zich van bediend om 
redevoeringen op te nemen van verscbillige indiaansche opperhoofden, waarvan 
het ras en bijgevolg de taal langzamerhand verdwijnt. 

Men deed hen voor het toestel hunne oorlogs- en liefdezaugeu en hunne vertel- 
lingen en overleveringen verhalen. Voorde langste dezer vertellingen had men 
negen wasrollen noodig. 

Do engelsche vertalingen, ter plaats gedaan, door taalmanuen, die lang bij de 
Indianen leefden, zijn ook door den phonograaf opgenomen. (De Huisvriend, 1890, 
N^-52). J.C. 



84 « Ons Volksleven. » 



INHOUD VAN TIJDSCHRIFTEN. 

1. Volk en Taal, II N'' 12. — lezers. (De üpstelraad). — Ilijdraf^e tot den JS'edei'lan(''sclien 
taalschat. (A. van Heuverswyn). — Vlaamsche beleefdheid (Remi ühesquieiv). — ïaall)egrip- 
pen uit den ouden tijd. — " Zei» spreuken, i,'' Reeks. (P^miel Huys). — Liederen. — Tel- of 
Lotrijmkes. (K. van Caeuesjhem). — Deklokkeput van Papeloo. (Victor De Lille). — Siut-^'ar- 
tens Omgang te Asper. (Th. van Heuverswyn). 

2. Biekorf, I, N"" 12. — Misverstandelingeu (üuido üezelle). — Ydesbald van den Gracht (A. 
Kan. De Leyn, LL. D""). Kiezen (A. Van Speybrouck). — \ erdictschingen (Jan Craeynest). — 
Mingelmareu. 

IS''" 13. — Een blad Scheikunde. (D. G. M.). — Ons woord endel. (Guido Gezelle). — Aan den 
achtbaren Heere J.-B Hoste. (Jan Craeynest). — Eene Mexicaansche Zeise. (S.). — Mingel- 
mareu. 

3. Volkskunde, 111, N"" 7. — De Humor in de Taal. I. Schelmsche antwoorden. (Aug. Gittée). 

— Onze Vlaamsche •' Componisten ;; ofte Liedjeszangers, door Pol de Mont. — III. (Vervolg.) 

— Boekbeoordeeiingen : Baekeland of de Roooersbende in'tYrijlmsch (Aug Gittée). — H. JDe 
Seyn-Verhougstraete. Het \ argoensch van Boeselare {A.\xg. Gittée.) — InschWonders. (Pol de 
Mont). 

4 Het Belfort, V, K"" 7. — Een handboek voor Vlaamsche dichterscholeu. (Eug. de Lepeleer). 

— II. Wiskundige vrouwen. (A. Milcamps, S. J.). lil. ^;og over den aard, de lengte en den sa- 
menhaiig der scheppingsdaoen. (J. Adriaausen). — IV. Peter en Pauwels. (X.). — V. Het Spook 
van Aalst. (Petrus Van Niitfel). — VI. Geschiedenis der abdij van Groeninge te Kortrijk. (Th. 
Sevens). — VIL Pater Damiaan, (Th, Sevens). — VIll. Drieniaandelijksch overzicht. (S. P.). — 
IX. Triomfe ! Triomle ! (X., S. J.). — X. Boekennieuws eii Kronijk. 

5. Davidsfonds, III, K"" 5. — Zannekin, historisch drama. — Boekbeoordeeling : Y((n Schoon- 
heke en het Mdagdenhuis van Antjcerpen en FHöpüal St-Julien et les asiles de miit a Anvers, depuis 
Ie XI V^ siècle jusqu'a nos jours, door Ed. Geudens. (J. F. Dehert). — Letfcrnieuws. (Folkert). 

6. La Tradition, IV, Ni^ö. — Charsons populairts de la Caruiole. I. (A. Grün). — Formulettes 
eiifaiitines. IV. (O. Cols-on) — Des usages dt prclibation et des coutumes de mariage en France. 
I. ( loanncs Plautadis). — Poésies semi-populairco. (A. L. Ortoli). — La theorie de Dulaure en 
mythologie. I. (A. J. l-ulaure). — L'Ane dans les pioverbes proveu^aux. I. Suite. (Jean Bruuet). 
Le Folklore de la Belgique. Suite. (Alfred Harou). — Aubade du printemps. (Gabriel Echaupre). 

— Tradilions di- la Bretagne. — Vicomte de Colleville). — Correspondance (A. H. Wracislaw et 
Edmund Veckenstedt). — Bibliographie (Aug. Gittée Ch. Le Goffic, H. C). — Le mouvement 
traditionniste. 

7. Revue des Traditions populaires, V, K"" 5. — Traditions et supcrstitious siamoises. (Hardouin). 
Joli mois de mai Hcuri. — Chanson du pays de Caux. (Augustin Bernard). — Les Zoophytes (Paul 
Sébillot). — Miettcs de folklore parisien. Xll. Usage du vendredi Sint dans la Seine (G. Fouju). 

— Saiut-Blaisé II. (P. S.). — Usages et superstilions de mai III. Le premier mai en Poitou. (Léon 
Pineauxf) — Formulettes béaruaises. (Daniel Bourchenin). — Imagerie populaire flamande. (Al- 
fred Harou). — 1 égendes et superstitions préhistoriques VI. (G. Fouju)— Le petit tambour. 
Chanson avec jeu (Marie Guyot). — Champagne et Paris (Gabrielle Walléne). — Traditions et su- 
perstitions du Cop-Sizuu III. L'herbe d'or (H. Le Carguet). 1 e Folk-lore au Salon V. Les tradi- 
tions populaires et les peinires pendant la période romantique (P. S.). — Divinettes de Haute- 
Bretagne II. (Raoul 1 ayon). — Salomon dans les légendes musulmanes (B. Sax). — Le bonhomme 
Misère. Legende liégooise (Alfred Harou). — Poésies, sur des thèmes jjopulaires. XX. I.e Saint 
de village (B. Imbert). — Le voyage présidenliel et les traditions populaires. (P. S.) — Facéties 
bourguignonnes. 1. Le maire de Buncy. II. Les Tortionnaires (L. A. Fontaine). Les traditons po- 
pulaires a 1'Exposition — V. Section russe (A. Certeux). — Bibliographie (P. S.). — Périodi- 
ques et journaux. — Notes et enquêtes. 

Platen : Crecelle des environs de Paris. — Claquette des Basses-Pyrénées. — JeanLe farceur 
et la Mort, Jean de l'Ours, images populaires fiamandes. — Jouets populaires russes (8 teeke- 
ningen). 

8. The Journal of American Folk-lore. — Vol II, April-June, 189(', N' 9. — 1. The Gentile System 
of the iS'avajo Indians (Washington Matthews). — 2. Notes upon the Gentile Organization of the 
Apaches of Arizona. (John G. Bourke.) — 3. Survivals of Astrology. (Mouroc B. Snyder). — 4. 
Seega, an Egyptian Game. (H . Carrington Belton). — 5. 01e Rabbit an' de Dawy ho Stole. (Mary 
A. Owen). — 6. Game of the Child-Stealing With. (William Wells Newell). — 7. Talcs of the Mis- 
sissaguas. II. (A. F. Chamberlaiu), — 8. Folk-Lore Scrap-book. — 9. Notes and Qiieries. — 10 
Record of American Folk-Lore. — 11. Local meetings and other notices. — 12. Bibliographilcal 
Notes. 1/ Books. 2/ Journals. 



1 



ONS VOLKSLEVEN. 



Antwerpsch-Brabantsch Tijdschrift 

voor Taal eu Volksdichtveerdigheid , 

voor Oude Gebruiken, Wangeloofkuude, 

euz . In twelf nommers van tn-elf bladzijden 

in 8". 

Te Brecht, 

bij L. Braeckmans. 




« p]r is nog een rijke oogst op het veld 
der gewestspraken voorhanden; veel 
volksuitdrakkingen dreigen te verdwij- 
nen die om hunne juistheid, schilder- 
achtiïheid of oudheid verdienen in de 
schrifttaai opgenomen en bewaard te 
blijven. » 

Züid-Nederlandsche Maatschappij 
VAN Taalkunde, Wedstrijd 1874. 

"De studie der folklore heeft voor doel 
ons volk in zijne eigenaardige zeden en 
gewoonten, in zijn inniggeloof en karak- 
ter te leeren kennen, in eén woord, het 
volk zooals het is. » 

Vraagboek over Vlaamsche Volkskunde. 



LEVENDE SPRAAKKUNST. 

II. (Vervolg.) 
Ongelijkvloeiende en onregelmatige werkwoorden. 

ONBEPAALDE ONVOLMAAKT VERLEDEN AFLEIDINGEN 

WIJZE VERLEDEN TIJD DEELWOORD EN SAMENSTELLINGEN 



Behriiisen, 



bekroos, bekrozen (i) 



Leggen 


Zee (zuivere e) lei 


geleed {zMivere e) geleid Aan-, af-, be-, op-, ver-, enz. 


Leiden 


leed 


geleden (2) 


Aan-, af-, op-, ver-, enz. 


Maken 


maakte, ^niek (3) 


gemaakt. 


Af-, in-, her-, op-, ver-, enz. 


Mogen 


mocht ge^nogen (uitspr. ge/ueugen) (4) 


Plegen 


plocM,plecht, ]y[a,Ght, pleeg, geplogen (s) 




Pleiten 


pleet. 


gepleten (e) 




Plukken 


plok 


geplokken (7) 


Af-, weg-, enz. 


Reizen 


rees 


gerezen (s) 


Af-, be-, weg-, enz. (8) 


Rekken 


rok 


gerokken 


Ver-, uit-, enz. 


Ruiven, 


roof 


geroven. 


Af-, enz. 


Schillen 


schol, scJwii (9) 


geschollen, geschouen 


Ver-, (9) 


Slagen (lo) 


sloeg, 


geslagen. 


Af-, aan-, op-, ver-, enz. enz. 


Slikken 


slok, 


geslokken. 


In-, op-, ver-, (10) 


Smaken 


smB,akte smiek (U) gesmaakt. 


Af-, enz. 



(1) De Woordenlijst kent enkel het verl., deelw. 

(2) Z. de aanmerking oi) breiden. 

(3) Miek wordt gebruikt in 't Z. O. van Antwerpen en in Brabant. 

(4) Het verl. deelw ontbreekt in de Woordenlijst. 

(5) Idem. 

(6) Z. de aanm. op breiden. 

(7) Gelijkvl. in den zin van pluimen, b. v. een kieken plukken. 

(8) Z. de aanm. op breiden, 
(9| Z. de aanm. op gillen, 

(10) Teg. tijd : ik slaag, gij slaagt, enz. Hgd. scklagen. 

(11) In 't O. van Brabant en in Limburg. 



86 



«Ons Volksleven. » 



Spreiden 

Staan 

Steken 

Stelen 

Sterven 



spreed gespreden 

sting (2), stong, stond gestaan 



stak, 
stool 
stierf, storf (4) 



gestekea (3) 
gestolen. 



Strikken, breiden stroJc, 



(8) 



Aan-, af-, be-ver-, enz. enz. 
Aan-, op-, ver-, enz. enz. 
Uit-, enz 

Aan-, af-, enz. 
Aan-, af-, enz. 

Aan-, af-, enz. 

Aan-, af-, be-, enz. enz. 

Af-, be-, ver-, enz. 



Uit-, ver-, enz. 

Aan-, af-, op-, ver-, be-, enz. enz. 

Aan-, af-, 1)8-, op-, ver-, enz. enz. 

Be-, enz. 
gestoVVQn, gesturven Af-, ver-, weg-, enz. 
gesfroMen (5) Aan-, enz. 

getonlcen (e) 
gevangen, 
gevaren (7) 
gtvasten. 
verloren 
gevijld, gevelen. 
gevezen, 
gevleeën (9) 
gevraagd, 
gevrozen . 
gewedcn (10) 

geweden, gewijd. Af-, enz. 
gewild, getvillen. 
zee (zachtl. e), zei, gezecd, gezeid. Aan-, af-, her-, enz. enz. 
wierd, geworden. Ge-, her-, enz. 

was, tvaar, (11) geweest. 

Nog eenige korte aanmerkingen nopens de vervoeging van som- 
mige werkwoorden. — I. De V p'^rs. enk. van den teg. tijd der Aant. wij- 
ze van gaan, staan, zien, doen, en zijn is altijd ik gaan, ik staan, ik zien, ik 
doen, ik zijn, (zelden : ik len). 

II. — In 't N. van de Antwerpsohe gouw hebben al de werkw. wier stam 
klinker in den onv. verl. in a verandert, dien klank aaltijd lang, ook in den 
eersten en den 3" pers. enkelv. B. v. ik zaag en hij zaag ; ik zaat en hij 
zaat ; ik laag en hij laag, enz 

IV. —Treffen wordt evenals oudtijds, nog veel gelijkvl. gebruikt ; zoo ook 
zenden in 'tZ. O. van Antwerpen. 

St-Antonius-Brecht. Joz. Cornelissen. 



Tinken 

Vangen, 

Vai'en 

Vasten 

Verlieren 

Vijlen, 

Vijzen, 

Vleien, 

Vragen 

Vriezen, 

Weiden 

Wijden 

Willen, 

Zeggen 

Worden 

Zijn 



tonli, 

vong 

voer 

vastte, 

verloor, 

vijlde, veel, 

vees, 

vlee 

vroeg, 

vroos 

weed 

iveed, wijdde 

lüou, wilde, 



(1) Z. de aanm. op hreidea. — (2) üe stafwiss.d nd = ng kan door veel voorbeelden aange- 
toond worden ; de \ovm sting l)estaatook in Gelderland. — (3) Oudtijds ook gestekeu. — (4) Z. de 
aanm. op bederven. — (5| Te Vorst bij Westerloo. — (G) Idem. — (7) Varen wordt op drij wijzen 
vervoegd : 1° Veren, veerde, geveerd of geveren (op een schip vareu) ; i» varen, voer, gevaard 
(ongewoon voorkomen) ; 3" varen, voer, gevaren (in allen anderen zin). — (8) Teg. tijd : 
ik vertier, gij vcrticrt, enz. Hg.1. vertieren. — (9) Z. de aai.m op breiden. — (10) Idem. 

(11) De vorm ik ivaar, hij /i'rtrt/', die overeenkomt met het Hoogd. icti ivar.er ivar en die ook in 
Limburg gebruikt wordt, is mondsgemeen in mtnigen Kempischen streek. 



« Ons Volksleven. » 87 



RIVIEREN, PUTTEN, FONTEINEN, BRONNEN, 

ONDIEPTEN, enz. 

I. 

De pullen en de fonteinen hebben aanleiding gegeven tot de volgende 
sagen en legenden : 

1). VERGIFTIGDE PUTTEN EN FONTEINEN. 

Pliilip de Schoone, met de melaatschheid besmei, deed al de leprozen aan- 
houden in geheel Gallië alsook in Vlaanderen. Hij liet ze levend verbranden, 
omdat zij, zeidemen, de putten en de bronnen vergiftigd hadden, tot die mis- 
daad aangespoord door de Joden en de Sarrazijnen. 

— In de Ardennen (België) beweert men dal de wolf met zijnen adem de 
bron verpest, waar hij zijnen dorst aan gelescht heeft. 

— De watersalamander, hoewel ten onrechte, wordt beschuldigd van het 
tvater der putten te vergiftigen. 

2). PUTTEN, WAARVAN HET WATER EENE BOVENNATUURLIJKE KRACHT HEEFT. 

Te Brussel, waar de overlevering aan de H. Geertruid het slicliten toe- 
schrijft van de kerk van St-Jans-Molenbeek', is een pul dicht bij de kerk, 
aan die heilige toegewijd ; zijn waier wordt aanzien als meteene bovennatuur- 
lijke kracht bedeeld. (A. Wauters. Hisi^^ des environs de Bruxelles, d. I. bl.323). 

— Te Tervuren (in Brabanl) vond men eertijds eenen put, aan de H. Geer- 
truid toegewijd. Zijn water wierd gedronken tegen de koorts. (Idem. d. III. 
bl. 404.) 

Andere pullen aan dezelfde heilige toegewijd, worden heden aanzien als 
bezittende de kracht om de koorts te genezen. (B°" de Reinsberg. Calendrier 
beige, I, bl. 173.) 

— Onder de gemeente Bevel (in Antwerpen) treft men in de heide eenen 
heuvel aan, Kruiskesberg geheelen. Er is daar eene jaarlijksche begankenis 
en eene jaarmerkt, die veel volk aantrekt. Op dien heuvel ziet men een groot 
kruisbeeld en drij puttekes met waier gevuld, hetwelk tegen de koorts ge- 
dronken zvordt. 

— Toen de H.Remaclus eens eene rots betrad, liet hij er wonderdadig den in- 
druk van zijnen voet achter. Die indruk wordl tegenwoordig nog aangetoond, 
onder den naam van Sl-Remaclus' voet. Volgens de overlevering zou het 
water derSauveniére (te Spa) de onvruchtbaarheid genezen, sedert den tijd dat 
het door dien heilige gezegend wierd. (Aug Hock. Croyanees et remhdes pop. 
aiipays de Liége.) I, bl. 154. 

3). kerstmis en de rivieren. 

Een volksgeloof vrij algemeen verspreid, is dat het waier der rivieren 
met Kerstmis, op klokslag van middernacht, in wijn verandert. Te Gent 
spreekt men van eene oude brug, thans afgebroken en Halsbrekcrsbrug bij- 



88 « Ons Volksleven. » 



genaamd, die getuige was van een ongeluk, aan eenen persoon overkomen, 
die zich van de waarheid van dit feit wou overtuigen. 

— Elders is het water gezegend dat op klokslag van middernacht geschept 
wordt ; het geneest de koorts, de maagpij n, enz. (D'' Coremans, L Année de 
Vancienne Belgiqiie, in de Bulletins de la Commission royale d'hisioire, d. VII, 
bl. 100.) 

4). sint-jan en de rivieren. 

De oude lieden beweren dat al de rivieren op de aarde 's middags van den 
24" Juni (Sint-.Tansdag) gezegend zijn, en dat wij dit aan St-Jati te danken 
hebben. 

Het heilzame water, op dien dag en die uur geschept, \^'ordt gebruikt om 
de wonden af te wasschen ; men drinkt het tegen de maagpijn, en men be- 
weert dat het de jonge meisjes van de sproeten bevrijdt, veel beter als het 
sap des wijngaards en het merriemelk. 

Er waren zelfs babbel wij ven die zeiden dat dit St-Jans water de sporen van 
de zonde onzer eerste moeder deed verdwijnen, en dat de jonge lieden, met 
dit water te drinken, weer zoo vlekkeloos wierden als op den dag van hun 
Doopsel. 

Eene zaak die ik opmerkte in mijne reizen langs de Ourthe, de Vesdei- en 
de Maas, was dat op slag van twaalven, op denzelfden St-Jansdag, de moe- 
ders van gansch het omliggende, hunne kleine kinderen in de rivier dom- 
pelen, om ze tegen alle toekomende ziekten te vrijwaren. (A. Hock. Croyan- 
ces et remcdes pop- au pays de Lieg e.) 

— Te Ougi'èe (in de Luikergouw) dompelt men 's middags het beeld van 
St-Jan in de Maas, om het water te zegenen. {Idem.) 

— Nog niet lang geleden, baadde met zelfs t,e Luik in de Maas, en men 
nam er water van mede. {Idem.) (Vervolgt.) 

Alf. Harou. 



LIEDEREN. 

EENIGE OUDE KERSTLIEDEREN. 



Onze ieverige vriend, de Heer K. V S., zendt ons een diijtal schoone kerst- 
liederen, die te Rotselaar nog door de oude lieden gekend zijn. Hij belooft 
ons dat hij trachten zal ook het muziek op te sporen. 

2. (4.) Devote zieL... 

l. IL 

Devote Ziel die God miut bovenal, De Allerrijkste leit hier op het hooi 

Komt, ziet wie dat er leit iu dezeu stal ; De Koning zelf hier op een bussel strooi ; 

Het is de zoon al van den grooten God, De stal der beesten is nu zijn salet 

Geboren bij de beesten iu een kot, Een bouten kril)be heeft hij voor zijn bed, 

Ja, en dat zouder eeu deur of slot. (bis) Ja, eu zoo is ziju i'ijk herzet. {bis) 



I 



« Ons Volksleven. » 



89 



III. 
De Heer wordt kneclit en de God wordt mensch, 
Waardoor de mensch nu komt tot zijnen wensch. 
Ziet hoedat God den mensch bemint, 
Die voor ons is geworden een klein kind 
En hier leit in dezen feilen wind. [bis] 

IV. 
Daar staat Maria, moeder ende maagd, 
Die aan heur borst het kindeke Jezus (h-aagt ; 
Zij laat het zuigen van heur hertebloed 
En zingt pen liêken raet een rein gemoed : 
Nei, nei, nei, nei, noi, nei, kindje zoet. {bis) 



I. 



Ziet hier Siut-Jozef dien zeer ouden man. 
Hij dietitdie zuivere maagd alwaar hij kan : 
Hij klieft het hout en stookt een vuurken aan, 
Hij roert de pap, en "i wordt door hem gedaan 
.Ia, in het schijnen al van de maan. (/ns) 

VI. 

De Eugelen zongen uit het Hemelsch hof, 
Met zoete stemmen een zang van eer en lof : 
'' Gloria, " zongen zij, „ aan den hoogsten lieer, 
« Met peis en vree voor die beminnen zeer 
" Nei, nei, nei, nei, nei, nei, kindje teer, „ (bis) 

VII. 

O groote zondaars, acht nu uw geluk. 
Aanbidt die u zal brengen uit den druk. 
Valt Hem te voet en dankt den Heer eenpaar. 
Ontvangt dat zoete Kindje altegaar 
Voor eenen zaligen nieuwejaar. {bis) 

3. (.5.) Laat ons gaan.... 



Laat ons gaan om te bezoeken 
Een klein kindeke, zoet van aard. 
Dat Maria heeft gebaard, 

Refrein : 
Waar dat al de hemelsche geesten 
Staan en beven met ootmoed. 
Ziet eens wat de liefde doet ! 



11. 

God die alles heeft geschapen 

En gekleed heeft al dat leeft 

Leit hier naakt ; van kou Hij beeft. 

Refrein : 
Waar dat al de hemelsche geesten. 
Staan en lieven met ootmoed. 
Ziet eens wat de liefde doet ! 



4. 



Zoete Jezus uitverkoren, 
In een stal zijt gij geboren 
Van een zuivere maged klaar. 
Gij begint een noot te kraken, 
Die zeer Ijïtter U zal smaken 
Binnen drij en dertig jaar. 

II. 
Gij en zoekt maar onze herten, 
Daarom lijdt Gij zooveel smerten 
Voor den mensch in 't openliaar. 
Daarom moeten wij ü minnen, 
Met eens wel gaan te beginnen 
Bij dat zoete nieuwejaar. 



O klein kindje, jong van dagen. 
Waarom lijd-de gij zooveel smcrt ? 
O ! wij schenken U ons hert. 
Refrein : Waar dat al de hemelsche geesten, enz. (1) 

(G.) Zoete Jezus uitverkoren.... 

IlL 

U wordt eenen naam gegeven, 

Eenen naam, zeer hoog verheven. 

Jesus noemen wij U wel. 

Wie voor dezen naam moet knielen V 

Alle geesten, alle zielen, 

Hemel, aarde ende hel. 

IV. 
Eenen naam, zoet bovenmate. 
Zoeter als de honingrate. 
Klaarder als de zon voorwaar ! 
Wilt hem in ons herten schrijven, 
Dat hij daar altijd mag blijven 
Met dat zoete nieuwejaar. 



(1) Is dit lied wel volledig? 



90 « Ons Volksleven. » 



V. VI. 

Op den aehtston dag liesueden Ziet, o gronte zondaar heden, 

Wierdt Gij in uw teere leden. Wat dat Jesus heeft geleden ; 

Ziet eeiis wat de liefde doet ! Groote pijnen vóór en naar, 

O klein kindje, jong van dagen. Hoe dat Hij Hem laat besnijden, 

Hoe kondt Gij dat zoo verdragen Om van 't kwaad ons te bevrijden 

Dat Gij stnrtt' uw dierbaar bloed ! Met dat zoete nieuwejaar. 

J.C. 



PASSIELIEDEREN. 

Over jaren bestonden er te Antwerpen talrijke kantschölen. Het getal 
kantwerksters was dan ook zeir aanzienlijk, te meer omdat de meiskens er 
te beginnen van 5-6 jaar wierden aangenomen, en niet zelden eerst ophiel- 
den met de kantscliool bij te woneii, wanneer zij in 't huwelijk gingen 
treden. 

Onder 't werk wierden er dikwijls ^ telsels « opgezeid en tal van oude 
christelijke liederen gezongen. 

Tot de voornaamste dezer behooren het lied « Van het rijk Ministerskind, 
en dat van "De vier gastjes die naar Jerusalem gingen, twee liederen die 
wij kennen, en eindelijk de « Groote Passie « en de « Kleine Passie. » 

Het is mij niet mogen gelukken den volledigen tekst der twee leste liede- 
ren te bemachtigen ; nochtans kan ik eenigen uitleg geven, die misschien 
eenen gocdgunstigen lezer op het spoor zal brengen, en hem in staat stellen 
om mij de gevraagde liederen mee te deelen. 

« De Groote Passie " telt 72, " De Kleine Passie ^ 30 of 33 strophen ; beide 
liederen handelen, zooals de titel meldt, over het lijden des Zaligmakers. 
Indien niet al de strophen der '^Kleine Passie « letterlijk in het lied der 
« Groote Passie » voorkomen, zullen zij echter weinig verschil opleveren. 
Ik laat hier volgen wat ik ben te weet gekomen, zonder nochtans te kun- 
nen vaststellen, welk strophen tot de " groote Passie» alléén behooren. Het 
begin luidt als volgt : 

Op eenen Witten Donderdag, — Donderdag, De(n) Heere die brak zijn broóke, — broóke 

AJs de(n) Heere aan 't tafeltje zat, En Maria schonk er den wijn. 

Al met zijn twelf discipelen, " Wie zal onder mijne discipelen 

Als de(n) Heere zijn broóke brak. " Mijn(en ) verrader zijn ? 

Het zou spoedig uitkomen wie de verrader wezen zou : 

En dan sprak er de(n) valsche(n) Judas ; — Judas : 

" Heere ik en ben het niet. » 

En dan sprak er (le(n) Heere Jesus : 

« Vriend, ik en wijt het u niet. « 

De uur der beproeving sloeg weldra : 

En 's nachts ten twelf uren, — uren, 
Het haantje ki'aaide di'ijmaal : 
Dan is dc(n) Heere opgestaan, 
Naar 't hof ken is hij gegaan. 



« Ons Volksleven. " 91 



Toen Jesus in 't hofken van Oliveten kwam, 

Wat vond hij daar al staan ? 
Twee en zeventig Jodene, — Jndene , 
Twee en zeventig Jodene 
Die spraken den Heere aan. 

De Joden zochten Jesus ; Hij wist het wel, doch Hij wilde het uit huiine:i 
eigen mond vernemen : 

En dan vroeg de(n) Heere van Nazaree. — Nazaree : 
" Vrienden, wat doe-de gij hier zoo laat ? n 
— « Wij zo.^ken den Heere van Nazaree ; 
« Wij zoeken Hem vroeg en laat. » 

En Jesus antwoordde : 

«Zoek-tegij den Heere van Nazaree, — Nazaree, 

" Zoek-te gij Hem vroeg en laat ? 

" Danmoet-te niet langer meer zoeken, 

" 't Is dezelfde Man die hier staat, » 

De Joden dat hoerende, maken zich meester van den Heer en 

Zij hebben den Heere gebonden, — gebonden 
Met koor{d)en al om zijn lijf, 
Dat de soppen van de koor(d)en 
Staken in den Heere zijn lijf. 

Daarna 

Zij hebben den Heere geslagen, — geslagen 
Met koor(d)en op zijn lijf 
Dat de knoopen van de koor(d)pn 
Staken in den Heere zijn lijf. 

En ZOO zien wij achtereenvolgens al de bloedige gebeurtenissen van het 
lijden des Zaligmakers voor onze oogen ontrollen. 



Aan het slot van het kleinste der beide liederen zijn nog een drijtal stro- 
pheii toegevoegd die, zoo 't mij dunkt, geene betrekking met de « passie " 
hebben en waarschijnlijk aan een ander lied ontleend zijn. De eerste strophe 
luidt als volgt : 

Ik zag een schipke varen, — schipke varen, 
En 't vaarde te midden (?) in. 
Daar zat de H. Catharina, — de H. Catharina. 
En ze vaarde den Hemel in. 

De tweede is ongeveer als volgt : 

Ik zag een schipke varen, — schipke varen, 
En 't vaarde(n) aan den kant . 
Daar zat Maria Magdaleua, — Magdalena, 
En Maria hield haar hand. 

De derde spreekt van de H. Barbara, doch de woorden zijn mij onbekend. 



92 « Ons Volksleven. ^ 



Ik hoop dat die weinige aaDduidingeii voldoende zullen zijn om de aandacht 
cnzer lezers op gemelde liederen te trekken, en dat het eenen hunner geluk- 
ken moge ons den voUedigen tekst te bezorgen, zooals hij op de kantscho- 
len of elders gezongen wierd. J.B. Vervliet. 



VERTELSELS. 

14. (24.) Van Jan den Tooveraar. 

Daar was 'ne keer een vader en die had 'nen sukkeleer van 'nen zoon, en 
omdat het slechte boerejaren waren, zoo kost hij hem den kost niet meer 
geven. ^ Jan, jong-ei:, ^ zei de vader, - gaat de wereld in en zoekt uw brood ; 
ik kan het niet meer bij den werk krijgen. " 

En Jan maakte zijn pakske en trok de wereld in. En als hij nu al twee da- 
gen gegaan had, kwam hij nen rijken heer tegen die hem vroeg : ■< Waar- 
om ziet ge er zoo mistroostig uit, mijne jongen ? r. 

— « Wel, Mijnheer, »» zei Jan, vader wilt me den kost niet meer geven on 
hij heeft mij de wereld in gezonden om mijn brood te zoeken Ik zoek nu al 
twee dagen lang en 'k heb nog geene droge korst gevonden. r> 

Dat beviel aan den rijken heer. " Kom mee met mij, y> zeide hij, « op mijn 
kasteel ; daar zult ge de hand maar uit te steken hebben om al te kunnen 
eten dat u lusten mag. » 

Jan ging mee naar 't kasteel en hij wierd daar kamerknecht en hij had er 
een leven gelijk een prins. 

Op zekeren dag moest Mijnheer eene verre reis doen. «Jan, » zei hij te- 
gen zijnen kamerknecht, « past goed op, terwijl ik weg ben. Alle dagen zult 
ge eene ronde doen om te zien of er niets en hapert : van den kelder tot den 
zolder zult ge gaan zien of alles eender blijft. Aleen in deze kamer moogt 
ge geenen voet zetten, want als ge dat doet, dan zijtgeeen vogel voor 
de kat. w 

Mijnheer was weg en Jan ging alle dagen rond, heel het kasteel door, en 
lederen keer dat hij voor de deur van de verbodene kamer kwam, was hij 
gelijk betooverd om daar binnen te gaan. Op den langen duur kost hij toch 
aan de bekoring niet meer weerstaan en hij deed de deur open. Wat vond 
hij mij daar?.... Boeken, niets als boeken ! « 't Was wel de moeite weerd, " 
meinde Jan te zeggen, maar daar vielen zijne oogen op 'nen groeten groeten 
boek die heel en gansch leer was in plaats van papiei', « parkement » dat ze 
zeggen. En die bock was niet gedrukt, maar geschreven, ja, geschreven 
met groote letters, krek gelijk iemand zou gedaan hebben die van zijn leven 
naarde school gegaan heeft, en die maar aleen leeren schrijven heeft van 
c'e jjlakbricAcn aan de kerkdeur. En 't wou nu lukken dat Jan ook niet an- 
ders leeren schiijven had, en daai mee wierd hij nieuwsgierig naardien 
boek. 

Het was oen tooverboek, een echte ; een van in den tijd dat de Tillekes- 



" Ons Volksleven. » 93 



jacht begost is. Jan begost seffens te lezen en hij vond algauw eene tooverij 
naar zijne hand. Hier hebben we dat we hebben moeten, « zeide Jan en hij 
leerde mei de gauwte het tooverwoord van buiten. En hij liet kasteel kas- 
teel zijn, en hij slibberde er van onder gelijk een dief op zijn tandvleesch 

« Vader, y^ zeide Jan als hij thuis kwam, - nu heb ik eene broodwinning 
gevonden ! Ik kan mij veranderen in alle beesten die ge denken of peizen 
kunt, » — "Zoo, is dat uwe broodwinning, jongen?, .. Dan zijt ge gesteld.... 
gelijk een reiger op het ijs. " 

— -Lacht niet, vader ; laat me eerst eons uilspreken! Ik verander mij 
b. V. in 'nen os, en gij, ge doet me naar de stad en ge verkoopt me daar. Is 
dat geene broodwinning ? — « Ja, dat is eene broodwinning ; ze is wel niet 
eerlijk, maar kom, kom, alle dieven geraken toch in 't koL niet ? » 

— « Maar onthoudt goed vader, dat ge mijne halster afdoet, zoogauw als 
ik verkocht ber. « 

Zoo gezeid, zoo gedaan. Jan veranderde zijn eigen in nen schoenen os van 
Hollandsch ras en liet zich naar de merkt leiden. Maar ze waren nog niet 
aan de stadspoort, of Jan M-as al verkocht. Zijn vaderstreek vijf en zeventig 
stukken op en was zoo blij dat hij de halstei' van zijnen os vergat af te doen. 

Jan moest mee en wierd bij den kooper op stal gezet. Daar begost hij sef- 
fens te wringen en te wrooken onj zijne halster los te krijgen. De knecht 
kwam welhaast met 'nen ervcl (arm vol) hooi en wierp hem den os voor. Toen 
hij zag dat deze niet gebonden stond, wou hij zijne halster vaster aanges- 
pen. Maar pas had hij de gesp los om den riem hooger aan te trekken, of 
de os sprak : « Ik eet geen hooi ! r — « Geen hooi ! " zei de knecht, en hij 
liet staan dat stond en liep den huize in, al roepende : « De(n) os die spreekt, 
de(n) os die spreekt ! » De os zag de kans klaar, hij gaf 'nen kleinen roef met 
zijnen kop en de halster viel af. En Jan was de gaten uit. 

Den volgenden keer stond Jaii op de merkt in een peerd veranderd. Van 
's menschen gedenken was er nog nooit zoo een op de merkt te zien geweest. 
Maar Mijnheer van 't kasteel die overal naar zijnen knecht zocht, kwam ook 
eens op de peerdenmerkt zien en kreeg dat schoon peerd in de oog,en hij vond 
het heel aardig dat het niet beslagen was. Hij had een gedacht dat het wel 
zijn vroegere kamerknecht kost zijn. Het peerd gekocht en seffens er mee 
naar den hoefsmid om het te laten beslagen, want Mijnheer wist dat eens 
de ijzers onder de hoeven, het peeid niet meer weg en kost. 

Maar de smid wou dien dag niet werken, omdat het kermis was. Mijnheer 
beloofde geld en veel geld, maar intusschen had een straatjongen het peerd 
bij den toom moeten houden. En het peerd fezelde stillekesin de oor van 
den kapoen, terwijl het eens ruchelde : ^ Kameraad het gebit van mijnen 
toom is van zilver ; ik geef het u. « De straailooper was blij genoeg : hij 
trok algauw het hoofdstel van het peerd zijnen kop en — weg was Jan, vier- 
klauwens naar huis. 

Maar Mijnheer gaf zijn eigen nog niet verloren, maar veranderde hem in 



94 « Ons Volksleven. * 



eene peerdshorzel en vloog het peerd achterna. Maar Jan van zoogauw als 
hij gewaar wierd dat de peerdshorzel hem ging krijgen, veranderde zijn 
eigen in 'nen haas en schoot liet gerichtst het veld over. Maar seffens was 
Mijnheer een hazewind geworden en sprong den haas achterna. Jan zag dat 
hij welhaast door den windhond ging gesnapt worden ; hij veranderde zijn 
eigen dan in eene vink en vloog de lucht in ; maar Mijnheer was er gauw 
bij : hij veranderde in 'nen steekvogel en begost de vink achterna te vliegen. 
Toen deze er bijkans aan was, veranderde zij in 'nen gouden ring en viel op 
den grond neer. 

Mijnheer zag den ring vallen en door een meisken oprapen dat hem aan 
heuren vinger stak. Mijnheer hernam zijne menschelijke gedaante en ging 
naar het meiske toe en vroeg om den ring te zien dien ze gevonden had. En 
gelijk zij hem van heuren vinger trok veranderde Jan in een graanken terf. 
Mijnheer veranderde in zijn eigen seffens in 'nen haan en wou het terve- 
graanken oppikken. Maar Jan was hem te rap ; iiij vei'anderde zijn eigen 
in 'nen vos en en beet den haan den kop af En hij vond dat vleesch zoo 
smakelijk dat hij vos gebleven is. En als hij het niet meer en is, dan zal 
het daarbij komen dat hij het beu geworden is. 

{Gehoord fe Begijnendijk.) Guldenvlies. 



B OEKBESPREKING. 



D' D. Beauns — Traditions Japonaises sur la chanson, la musique 
et la danse. (Paris, J. Maisonuenve, M. D. CCC XC. — Collect. internat, de la 
Tradiüon, Vol. IV). 

Een weerdige tegenhanger van D"" Edm. Veckenstedt's werk (La musique et la 
danse dans les traditions des Litliuaniens, des Allemands et desGrecs), op bl. 54 
van dit tijdschrift besproiven, is dat van D'* Brauns over het lied, het muziek en 
den dans bij de Japaneezen. 

Het eischt wel geen betoog dat, wil men met volle kennis van zaken over vreem- 
de volkeren schrijven, hunne zeden en gewoonten afschilderen en onderzoeken, 
zonder in de dwalingen zijner voorgangers te deelen, men die volkeren, wier be- 
schavingsbegrippen dikwijls in rechte lijn tegen de onze aandruisen, moet be- 
zocht, in hun midden gewoond, hunne taal aangeleerd en hunne levenswijze nage- 
speurd hebben. 

Dat is het geval met den schrijver van hooger genoemd werk. D' Brauns, die 
vóór zijn vertrek naar Japan, reeds een kundig folklorist was, heeft er drij jaren 
overgebracht, niets verwaarloozende wat hem op de hoogte der Japansche folk- 
lore brengen kou. Wij hebben hier dus met een werk te doen, dit hoe weinig uit- 
gebreid ook, toch belangrijk van inhoud en alleszins merkweerdig is 

Wat een bijzonder belang aan den boek bijzet, is het kritisch onderzoek, waar- 
aan de schrijver de meeste der meegedeelde overleveringen onderwerpt. Daardoor 
worden sommige gewaagde raeeningen van vroegere schrijvers te recht gewezen en 
enkele twijfelachtige of slecht begrepen punten opgehelderd. 

Dat is van zooveel te meer nut, omdat, daar Japan nog weinig bekend is, de 
lezer zich lichteen verkeerd gedacht maakt van de beschavingen den scheppings- 
geest, de zeden en gewoonten der Japaneezen. 

Zoo bewijst ons D'' Brauns hoe weinig het schoonheidsgevoel van den Japanees, 
zoowel bij dien van hoogeren als van lag( ren stand, in zake van muziek, ont- 
wikkeld is. 

Ons muzi( k aanhoort 'dj met stroef stilzwijgen, — het duidelijkste teeken van 
ontevredenheid en afkeuring, dat de wellevendheid hem toelaat te betoonen, — 



« Ons Volksleven. » 95 



terwijl hij zooveel te meer toejuicht, als zijn muziek gedruischmakend en oorver- 
doovend is. 

Werpen wij nu eenen oogslag op het werk van D' Brauns, dat door den geleer- 
den schrijver in drij hoofdstukken verdeeld is. 

In het eerste hoofdstuk bespreekt hij het lied, het muziek en den dans der Ja- 
panners, waarbij hij in eene menigte bijzonderheden treedt, over de ouias of 
vaderlandsche zangen, hun ontstaan en hunne overlevering, luinnen vorm en in- 
houd, hun belang voor de volkskunde, enz. Verders bewijst hij, zooals wij reeds 
zeiden, hoe weinig smaak de Japanners aan den dng leggen in zake van muziek. 
Hij beschrijft hunno muziektuigen, en eindigt met ons een duidelijk gedaclit ce 
geven van het gebarenspel en den dans op het Japansch tooneel. 

Het tweede hoofdstuk handelt over de Japansche overlevering nopens lied, mu- 
ziek en dans. Hier maken wij kennis mot de goden en godinnen, de geesten, de 
legendarische vorsten en Krijgshelden, die op eene of andere wijze met het mu- 
ziek, en wat erbij hoort, in betrekking staan. 

Het derde hoofdstuk is gewijd aan het onderzoek der Japansche overleverin- 
gen. Slechts een deel dier overleveringen, — en nog wel het kleinste, — zijn van 
inlandschen oorsprong. 

Wat de andere betrt^ft, de oudste toonen duidelijk den invloed der Arische my- 
then, terwijl die van lateren tijd (aanvang der XH'' eeuw, toen de eeredienst van 
Boudha in Japan ingevoerd werd), duidelijke sporen der Indische fabelleer op- 
leveren. 

China ook heeft in dien zin machtig veel bijgedragen, om Japans sagenschat 
te vergrooteu, niet alleen door het meedeelen van vele zijner eigene fabelachtige 
wezens en denkbeelden, maar ook door het invoeren van Arische overleveringen, 
na er vooraf eene Chineesche tint, en aan de daarin voorkomende goden, helden, 
enz., Chineesche namen en karakters te hebben geschonken. 

Die overrompeling van Japan, door fabelachtige begrippen, die min of meer 
strijdig met do zijoe waren, heeft voor onmiddellijk gevolg gehad, dat terwijl de 
vreemde ingeburgerde denkbeelden den invloed der tijden en gebeurtenissen 
ondergingen, de oorspronkelijke overleveringen zuiver bewaard bleven, wat ze ter 
vergelijking met die van andere volkeren zeer belangrijk maakt. 

Zooals de lezer uit die weinige regelen kan opmaken, in dit deel van het werk 
onder alle oogpunten het merkweerdigste. 

Het spijt ons dat plaatsgebrek ons verhindert, in meer wijdloopige beschou- 
wingen te treden ; slechts dit zullen wij er nog bijvoegen, dat de Japaneezen, hoe 
gemakkelijk zij zich ook naar vreemde beschaving weten te schikken, en die op 
hunne eigene zeden en gewoonten toepassen, toch in zekere mate net scheppings- 
vermogen missen, waaraan men deeigeudommelijklieid vaneju volk erkennen kan 

De studie van D' Brauns he(ft de kennis der Japansche volkskunde eenen 
grooten stap doen vooruitgaan ; mocht de schrijver nog dikwijls werken van zoo- 
veel gewicht in 't licht zenden. J. B. Vervliet. 



VRAGEN EN AAN TEEKEN IN GEN. 

33. Tumuli. — In de Kempen vindt men vele fumuli.Wai zegt het volk bij 
't gezicht van die oude graisteden ? A. H. 

34. De Walen. — Een W^aal, zegt men te St-Antonius, leert geen Vlaamsch 
klappen. Als men hem doet naspreken : ^ Drij peerden trekken 'nen zvagen 
voort, » dan zegt hij altijd : Drij peerden trekken 'nen Waal voort. » 

Kent iemand nog gezegden, rijmen, vertelsels waarin men den spot drijft 
met de Waaien ? J. C. 



96 « Ons Volksleven. 



35. Hoe de Boeren Kerkzang verstaan. — Te Brecht verdietscht men 
aldus de litanie die gezongen wordt, terwijl de kruisprocessie door het veld 
trekt : 

P. — Koster j staan der nog nog' noten in 't bosch ? 
K. — Ja, Mijnheer ze zijn al vos. 
P. — Dan legt ze uier in 't sacristijn. 
K. — Neen, Mijnheer, het zijn de mijn. 

Wie deelt er ons varianten mee ? J. C. 



INHOUD VAN TIJDSCHRIFTEN. 

1. 't Daghet in den Oosten, V, N'' 16 en 17 — Limburgsch Nederlandsch : IS" Woordenzange. — 
Een Werk van eeuen llasseltscheu goudsmid. — Liml)urgsche Dichtveerdigheid : De Geschiede- 
denis van Jan den Lomyerilc. — De Luis en de Vlooi. — Nagelezen. — • De Mei. — De Meikoningin. 

— Gebruiken : Het smijten vanneuteii, enz. bij doop- en trouwplechtigheden. — De Graf dienst. 

— Eiervrijdag te Asch. — Uit Boeken, Brieven en bladen. — Raadsels. — Limburgsche spreuken 
en spreekwoorden. 

2. Volk en Taal, III, N"" 1. — We^ ! Weg ! (A. van Heuverswyn). — Bijdi-age tot den Nederland- 
schen taalschat. (Idem ) — Uit de kinderwereld. (P. Bernard en A"). — De Onze-Vader. Liedje. 
(F. de Vos). — Kruisgebruiken. (A. V. IJ.). — Kwelspreuken. (R. Ervinck) — Sprookjes. (S. 
Stevens en A"). — Van de vijr gebroeders. (T. van Heuverswyn). — Protestanten in Zuid-Vlaan- 
deren. (x.). — De Fi-ansche tijd te Oudenaarde. (K. van Caeneghem). — Volkswijsheid, (P. Ber- 
nard). — Van alles. 

3. Biekorf, 1, N"" 14, — Geboortelepels. (Guido Gezelle). — Hoe onze Ouders spraken. (Aug, Van 
Speybrouck). — Nen torre bouwen. (Guido Gezelle). — Van Ko Lukkeboone). — Mingelmaren, 

N"" 15. — Van Ko Lukkeboone — Indiaausche Thee. (C. B.). — Pastor Philips Jongherycx. — 
't Oordeel. (Antoon Verwaetermeulen). — Handspreuken. (H. Brinck-Musseiy), — Mingelmaren. 

4. Het Belfort, lil, N'' -. — I. Van de taal en di> letterkunde der Noordmannen. — (V, van de 
Kerckhove). — 11. Wiskundige vrouwen. Slot. (A. Milcamps, S. J.). — 111. Zevende jaarboek der 
lettex-kuudige vereeuiging Jan-Frans Willems. (O. L. S J.). — IV. De sevenste bliscap van Maria. 
(James) — V. Mijn God, vergeef' mij die zwakheid ! 'Hendrik Segers). —VI. Vaarwelgroet aan 
den kunstschilder J. Jansseus. (Eug. De Lepeleer). — VII. Aan den wel eerweerden Heer Joannes 
Josephus ï]iigelbert Vauweddingen. (J. David). — VI 11. Eene betreurlijke benoeming, (x.). — IX 
Boekenuieuws en Kronijk. — X. Heil dcm Koning, (D'' 11. Claeys, pr.) 

5. Het Davidsfonds, lil, N^ 6. — Betooging van 1 Mei 1890 of het Achtureuwerk. (P. J, Backx), 

— Letteraieuws. (Folkert) 

6. Kempisch Museum, I, N'' 6. — Keurboek van Tongerloo. 1554. (Fr, Waltman van Spilbeeck). 

De Heei'lijkheden van het land van Mechelen, Duffel, Gheel en hunne heeren. (J.-Theod. De 

Raadt). Hoogstraten. Charters (met plaat.) (S ) — Schilderij van Minderhout. (A. A.). — De schil- 
derij van het hoogaltaar in de kerk van Minderhout, (A. Goovaerts). — Geschiedkundige bijdra- 
gen over de voogdij van Molle. (Th.-Igu Welvaarls), — Grobbendouck tijdens de Fransche 
Omwenteling. (Goetschalckx), 

7. La Tradition, IV, N"" 7. — La theorie de Dulaure en mythologie (A. J. Dulaure). — Vieux 
proverbes francais, notcs par J, Ray, M. A., a la fin du XVIP siècle. (H, G.). — Formulettes 
enfantines. (Henry Carnoy). — La médecme au village. (Judith Gautier). — Les anciens conteurs. 
VII. L'aveugle de Ferrare. (Stanislas Prato). — Le folklore polonais. Cracovie et ses environs. II. 
Les esprits du mal (,S'«<//e) (Michel de Zmigrodzki). — La tradition dans Victor Hugo. (Emile 
Blémont). — Coutes populaires du Bocage uormand. I. Clochcs sous 1'eai. II. La Sienne. (Victor 
Bruuet). — Lou dibeys. Le vendredi. (Isidore salles). Bibliographie. (Werken van J.-G. Frazer, 
David Mac-Ritchie Van Elven, Henry Carnoy, Gaetano Amalfi, Rev. D'' Walter Gregor, Henry 
Philips J'', Albert Meyrac, besproken door Henry Carnoy). — Livres recommandés. 

8. Revue des Traditions populaires. V, N'" 6. — Cérémonies et Couturaes nuptiales en Russie. 
(Léon Sichler). — Le pont de Loudres I. Ronde de la Champagne. (Marie Guyot). — II. Haute- 
Bretagne. (M""* Paul Sébillot). — Les Danseurs maudits (P. S.). — Traditions et superstitions de 
la Sarthe. (M'"« Destriché). — L'Ieonographie fantastique 11. Les Lutins. (Paul Sébillot). — Des 
apparitionsen Vendée (G. de Launay). — Les Contes populaires dans les sermons du Moyen-Age 
II. Horrible exemple de 1'Evêque Hugues. (F.-M. Luzel). — Les Calendriers des illettrés IV. iLe 
Calendrier des Aztèques. ( \ . Certeux). — J .égendes et contes bassoutos V. La légende de la tortue 
II. Raseretsatia. (E. Jacottel). — Bibliographie. (Werken van D. Mac. Times, M. Lehman en 
Filher, besprolien door Ch. Ploix en Aug. Ijiitce). — Périodiques et Journaux. — Notes et Enquê- 
tes. — Platen : Lutins scandinaves. — Lutin-bretou. — L'homme rouge des Tuileries. — Lutin 
irlandais. Gathon Phir. — Apparition nocturne. Pixies Phir. — Les lutins et l'homme de pierre. 

— Lao et les Korrigans, — La sorciere et les Pinies. — Rubezalh. — Calendriers Aztèques. 



I 



ONS VOLKSLEVEN. 



Autwerpsch-Brabantsch Tijdschrift 
voor Taal cu Volksdichtveerdigheid , 
voor Oude Gebruiken, Wangeloof kunde, 

enz . l >i t/rel f nommers van t ir elf bladzijden 

i» 8", 

Te Brecht, 

bij L. Braeckmans, 




« P> is nog een rijke oogst op het veld 
der gewestspraken voorhanden; veel 
volksuitdrakkingen dreigen te verdwij- 
nen die om hunne juistheid, schilder- 
achtieheid of oudheid verdienen in de 
schrifttaai opgenomen en bewaard te 
blijven. » 

Zuid-Nederlandsche Maatschappij 
VAN Taalkunde, Wedstrijd 1874. 

«De studie der folklore heeftvoor doel 
ons volk in zijne eigenaardige zeden en 
gewoonten, in zijn innig geloof en karak 
ter te leereu kennen, in één woord, Jie- 
volk zooals het is. n 

Vraagboek over Vlaamsche Volkskunde. 



RIVIEREN, PUTTEN, FONTEINEN, BRONNEN, 

ONDIEPTEN, enz. 

II. 

5) GODEN EN WATERÖEESTEN, NIKKERS, LEGENDARISCHE WATERS 
EN MOERASSEN ; SAGEN. 

Door menigvuldige voorbeelden weten wij dat de heidensche bevolkin- 
gen van Belgisch Gallië de godheden der ondiepten en der fonteinen 
aanbaden. Te Namen heeft men in de Samber, dicht bij de plaats waar 
die rivier in de Maas loopt, eene buitengewone hoeveelheid munten van 
alle tijdvakken gevonden, van de oudste tijden af tot de XIV^ eeuw. Het is 
thans door de oudheidskundigen aangenomen, dat op die plaats eene on- 
diepte bestond aan eene godheid toegewijd, waar iedere voorbijganger 
zijnen penning offerde. Zooals vele heidensche bijgeloovigheden, bleef deze 
ook, onderduims waarschijnlijk, gedurende een gedeelte der middeleeuwen 
bestaan. Vele wangeloovige lieden, die niet dorsten afbreken met een ge- 
bruik dat gedurende zooveel eeuwen onderhouden werd, of die vreesden de 
gramschap te wekken van den geest, in de diepte des waters verborgen, 
wierpen nog altijd hun muntstuk in 't water. 

Hetzelfde gebeurde met de springhronnen oï fonteinen ; het volk lei er ge- 
schenken neer, om de godheid dier bronnen gunstig te stemmen. De eerste 
geloofszendelingen die het licht van het Evangelie aan de barbaarsche 
volksstammen uit het Noorden van Gallië brachten, hadden vele moeite 
om dat heidensch bijgeloof uit te roeien. Zij moesten het Doopsel toedie- 
nen in het water dier bronnen, ze toewijden aan Heiligen en het heidensch 
« Sacrarium ", op hunne boorden opgericht door kapellen en geestelijke 
gestichten vervangen. 

Op gelijke wijze moeten de zaken gebeurd zijn te Domburg (in Zeeland) : 

.het groot getal muntstukken, dagteekenende van het Christen tijdvak, die 

men er verzameld heeft, bewijzen dat niettegenstaande hunne bekeering 



98 « Ons Volksleven. » 



tot het Kerstendom, de reizigers en misschien ook de visschers, toch nog 
hunnen offerpenning in de golven wierpen, 't zij door een overblijfsel van 
eene aloude gewoonte, 't zij uit vreeze van den boozen geest te vertoornen. 
De H. Willebrord, van wien men bij eiken stap eene herinnering vindt op de 
noorderkust van het eiland Walcheren, verbrijzelde de afgoden, maar kon 
de heidensche gebruiken niet teenemaal ontwortelen. (Verslag van hei Con- 
gres van OudheidsTcunde, gehouden te Middelburg in 1889, bl. 88.) 

— In Vlaanderen bestaan er nog waters, vijvers en poelen, waarover 
men sagen en legenden vertelt. Die waters, die eertijds plaatsen van ver- 
eering waren, hebben naderhand den naam gekregen van KloJcpuiten of 
KloJcvennen, van NeTckersputien (Nelhers, Nikkers, Watergeesten) en andere. 
Na de bekeering van onze voorvaderen tot het Christendom, heeft de volks- 
geest zich die waters als duivelsche plaatsen afgeschilderd, (i) 

— Eene Limburgsche sage verhaalt hoe een spook dat zich dicht bij Genck 
vertoonde, voor 99 jaar op eenen weier of naburigen vijver verbannen wierd, 
ledere maal dat men een der rietstengels afsnijdt, die in dien waterplas 
groeien, hoort men den geest zuchten. (A. Gittée. Usages funebres. Revue 
de Belgique, d. 59, bl. 326.) 

— Te Ravels (bij Turnhout) hielden verdachte katten des nachts hunne 
bijeenkomsten in een klein moeras, en de heer E. Stroobant spreekt van 
eenen man die gewed had eenen stok in dat moeras te gaan planten, en die, 
tot aan zijne dood toe, door eene kwaadaardige kat vervolgd wierd. 
(D'' CoREMANS, L'Année de l'ancienne Belgique.) 

(H Vervolgt.) 

Alp. Harou. 

KINDERItlJMEN. 
I. Knie- of Rijdliékens. 

Om de kinderen te vermaken, neemt vader ze op de knie en doet ze schok- 
ken op maat, onder 't zingen der volgende liedekes, terwijl hij den draf van 
't peerd nabootst : 

1. 

I. Ju ! ju ! peerdje, 

Met zijn vlassen steerlje, 

Met zijn ijzeren voetjes, 

't Peerdeke loopt zoo zoetjes. 
Wilt het nog wat zoeter loopen, 
Dan zal ik het haver koopen. 

Als ik 't peerdeken haver gaf, 

Liep het peerdeken op 'nen draf. 

(1) Het ware een belangrijk werk die sagen te verzamelen, en te onderzoeken of dit wangeloof 
ook in Oud- Brabant bestaat of bestaan heeft, hetwelk overigens te denken is. Dat onderzoek kan 
gebeuren bij middel der plaatsnamen die eenige overeenkomst met de bovengemelde vertoonen. 
B. V. bij Mechelen heeft men de voorstad Nekkerspoel (poel der Nekkers, der Nikkers, der Water- 
geesten.) 



« Ons Volksleven. » 



99 



Refrein. Dju ! dju ! peerdeken, djut ! 

Ik naar Waver en gij naar Put (= Putte) ; 
Gij naar Put en ik naar Waver ; 
Geeft dat peerdeke nog wat haver. 

Dju ! dju ! peerdeken djut ! 
Ik naar Waver en gij naar Put ! 

II. Ho ! ho ! want mijn peerdje zal misloopen, 
Zie ! het loopt alreeds naar Di(e)st ! 
'k Zou mijn peerdje wel verkoopen, 
Dat ik maar 'nen koopman wiet ! 
Ik heb 'nen koopman van 5 frang {=frank) 
Die mij toch niet dienen kan. 
Refrein. Dju ! dju ! peerdeken, djut ! ent. 

(Lier). Jani VlüNIüs. 

2. 

Ju ! ju ! peerdeke 

Met zijnen krommen rug. 

Dan leggen we daar een zaaltjen op 

En dan rijden wij over de brug. 

Haar ! hut ! 
Eerst naar Waver en dan naar Put ! 
Hut ! haar ! 
Dan rijden we de Putsche kerk omvaar(=o«»?tfrr«). 
(Beersel, Heist-ten-Berg). A. Akrts. 



3. 
Dju ! dju ! veulen ! 
Zoo rije-me naar de(n) meulen, 
Van de(n) meulen weer naar huis : 
Zoo brengen wij onzen bakzak thuis. 
(St-Antonius). 

4. 

Dju ! dju ! peerdje 
iWetzijn vlassen steertje, 
Met zijn koperen bel aan 't gat : 
En zoo rijden we naar de stad ! 
(Idem). 



5. 

En zoo rijden we te peerd, 
Op 'nen ezel, op 'nen ezel ; 
En zoo rijden we te peerd, 
Op 'nen ezel zonder steert. 
(St-Antonius). 

6. 

En zoo rije-me naar Sint-Job, 
Op 'nen ezel, op 'nen ezel ; 
En zoo rije-me naar St-Job, 
Op 'nen ezel zonder kop ! 
(Idem). 
J.C. 



II. Dansliêkens. 

Rondedansen. 

1. (17). 

Pietje Verbond zat op den toren, 
LuUeman speelt op zijn trompet, 

Clarinette ! 
Al zijn haar is afgeschoren, 
Z'hebben hem een kalot opgezet, 

Tideret ! 



100 



« Ons Volksleven. ^ 



Vivat de rodentjes ! 
Ze eten zou geren patatten mot vet. 
Als ze uiet willen eten. 
Worden ze in 't kot jjfpzet, 
Tidoret! (1) 

(Lier). 

2. (18). 

Daar lag eene Imikker in de goot ! (öis) 
En zijn beentje dat viel af. {/jis) 
Zet dat beentje daar weer aan, 
Dat het manneke weer kan gaan, 

Van hoepsasa, van faldei'idera, 
Van hoepsasa, la, la ! (2) 
(Idem). 

3. (19). 

I. Een(eii) roude(n) hoed met twee breé kanten, 
'k Kan der gemakkelijk patappelen in planten ! 
Die hem drftgen en hebben geen pijn, 
't Js de mode en 't mag zoo zijn. 

{Idem). ' 



II. Een(eu) hoed van strooi geweven, 
't Is gelijk de mode is. 
Wij zullen hem aan den arme geven 
Aan den zoon van den hospis. 
Hebt ge geen 25 frank, 
Koopt 'nen strooien van 'nen frank. 



4. (20). 



I. Blauw bloemekes in het koren, 
Blauw bloemekes in het groen. 
Ik ben mijn zoete lief verloren, 
Ik kan der niet aan doen. 

II. Een manneke met een krukske 
En met een houten been. 

Hot zal mij niet vergeten, 
Al was ik maar alleen. 

(Idem). 



bis. 



,bis. 



bis. 



III. Het kwam mij nog eens tegen, 
Het sprak mij nog eens aan. 
Het zei : « Schoon lief geprezen, 
üch ! wilt gij met mij gaan? n (*■ 

IV. Wat schudden wij hier, wat schud - 

[den wij daar. 
Wat schudden wij in de biezen ! 
Ei la dei, la dei, la dei ! {bis). 
Laat de zon maar varen 
En in gedachten zijn ! 

Jani Vlunius. 



SAGEN. 
6. (18). De Legende van de « Kragewiel. » 

Te Bornhem, beneden den dijk, langs den weg- om van Hingene naar 
Temsciie te gaan, ligt een groote waterplas, die nu de Kragewiel genoemd 
wordt, maar volgens de legende den naam draagt van Krochterwicl, ter 
oorzake van de bijzondere tusschenkomst van O. L. Vrouw uit de Krocht te 
Bornhem. 

Er had eene doorbraak plaats gehad en de Kragewiel was gespoeld. Te 

(1) Terwijl de kinderende zes eerste verzen zingen, gaan zij langzaam rond. Onder de vier 
leste draaien zij heel raj). 

(2) Daarna hurken allen neder. 



^ 



« Ons Volksleven. » 101 



vergeefs poogde raeii de opening te stoppen : men gelukte er niet in of ten 
minste maar gedeeltelijk. Toen droeg men processiesgewijs O. L. Vrouw 
uit de Krocht naar den waterplas en de doorbraak hield oogenblikkelijk 
op. De plas kreeg den naam van Krochtcrwiel, thans Kragewicl. 

(Gehoord te Hing ene). A. J. 

7. (19). De Knippers. 

Over eenige jaren hoorde men veel van ée Knippers te Wolfsdonk en ver- 
scheidene personen heb ik hoorer. vertellen, dat zij ooggetuigen en slacht- 
offers waren van hetgeen ik uga verhalen. 

Als de boeren des avonds uitgingen, bijzonder als zij van de kermis kwa- 
men, werden zij onderwege door geheimzinnige wezens overvallen die 
hunne kleederen vaneen knipten. Dat was het leger der gevreesde « knip- 
pers. r> Men hoorde bescheelijk de scheer knippen, maar kon geen enkel 
wezen in de oog krijgen. 

[Gehoord te Wolfsdonk). CoQUELiCOT. 

8. (20). De Verloofde van den Weerwolf. 

Op eenen zomeravond was een weerwolf met zijne verloofde gaan wande- 
len. De nacht viel in en de weerwolf voelde zich gedwongen naar huis te 
keeren, om haastig zijn afschuwelijk duivelsvel aan te trekken. « Liza, » 
zeide hij tot zijne verloofde, « ik moet seffens naar huis. Komt gij iemand 
tegen in 't naar huis keeren, zorgt dat gij hem eenen toegeknoopten zakdoek 
toewerpt. » Daarop ging hij henen. Het meisje stapte haastig voort en over- 
dacht, half bevreesd, de wonderlijke woorden van heuren minnaar. Eens- 
klaps, bij het bleeke licht der opkomende maan, ziei zij eene menschelijke 
gedaante over de heide naar heur toekomen. Duidelijk verneemt zij droeve 
zuchten, afgebroken door een woest gebrul : geen twijfel, 't is een weerwolf 
die heur nadert. Snel werpt zij heuren zakdoek naar het monster en vlucht 
huiswaarts, halfdood van schrik en benauwdheid. 

s Anderendaags 's morgens kwam haar vrijer, terwijl ze bezig was met 
de koeien te voederen. Toen hij sprak, bemerkte zij met ontzetting dat er 
tusschen zijne tanden vezels zaten van eenen verscheurden zakdoek ! Op 
dat gezicht verschrok het meisje zoodanig dat zij den koeiketel liet vallen en 
wanhopig uitriep : « 't Is hij ! 't is hij ! ?. — « Zwijgt toch, Liza, « zwijgt 
toch ! ^ smeekte de jongen, en hij meende zijne hand op haren mond te 
leggen, maar het was te laat ! Daar klonk het vreeselijk woord van hare 
lippen : « Weerwolf! weerwolf! »— « Eilaas! eilaas! r> zuchtte hij, Liza, wat 
hebt gij gezeid ! Het was heden mijn laatste dag, en nu moet ik weer, voor 
acht jaar, mijne martelie herbeginnen. 

[Gehoord te Oostmalle). Coqueligot. 

9. (21). Een Weerwolf verlost. 

Daar was eens een boer die 'neii weerwolf voor knecht had. De boer wist 
er niets af, maar op zekeren dag dat hij 's morgens heel vroeg in de schob 



102 « Ons Volksleven. " 



was gaan torf halen, had hij eene harige huid, het kleed van den duivel, 
gevonden. Hij verdacht seffens zijnen knecht. Zonder hem iets van zijne 
vondst te zeggen, stuurde hij hom weg naar zijne heide, die twee uren van 
de hoeve lag, om torf te steken. Als hij nu dacht dat zijn knecht de heide 
moest bereikt hebben, deed hij den oven heet stoken en wierp er het dui- 
velsvel in. Op denzelfden oogenblik stond de knecht voor den verbaasden 
boei', en wilde met geweld in de vlammen springen, 't Was met de grootste 
moeite dat men hem kon wederhouden. '• Ach ! baas toch ! r> schreeuwde 
de ongelukkige, « geeft mij toch mijn vel weer ! » 

Toen eindelijk de huid tot assche verteerd was, wierd hij kalmer en zeide: 
« Zoolang het vel brandde, wierd mijn vleesch als met gloeiende priemen 
doorsteken... God zij geloofd ! nu ben ik veilost ! » 

[Gehoord ie St-AnfoniHs, Oostmalle). Joz. Cornelissen. (i) 



BIJDRAGE TOT DEN DIETSCHEN TAAL.SCHAT. 
Qde (ijde) Woordenzange. 

Aangaan, ging en gong aan, aangegaa^i. — 1*^ Beginnen, Eng. angan : De 
mis gaai om 10 uren aan. ~ 2° In genot treden, pachten; b. v. : Hij gaat dat 
land met Half-Meert aati. — Hi heb dien beemd veel te dier aangegaan. Gaat 
gij die hoeve met Bamis aan ? Geh. St-Anionius. 

Aanzetten, zeiie aan, heb aangezet. — Beginnen. De zomer zet goed aan. 
Het z<i aan om lang te regenen. Geh. idem. 

Achtermerkt, de. — In de achi-ermerki sijn, in de achtermerJit geraken — 
achteruit zijn, in iets ten achtere geraken. B. v. Ik ben fel in de achtermerkt 
met mijn werk. Geh. idem. Bij Schuerm. : in 't achtergat zijn. 

Afsteken, siak af, is afgesteken. — Verschroeien door de hevige zonne- 
hitte, of voor den tijd rijpen. Schuerm. geeft in denzelfden zin verschijnen, 
rerhJciken en aanslaan. Het koren is afgesteken van de brandende zon. Geh. id. 

Beboeren, hchocrde, heh hehoerd. — Bebouwen, bewinnen, beakkeren.Wie 
behoeri dien akker? Geh. idem. 

Bewinnen, betvon, heb beivonnen. — Bebouwen, beakkeren. Geh. idem. 
Schuerm. kent ook het werkw., doch maakt het gelijkvl. Bewinnen is afge- 
leid van winnen = bouwen, akkeren : ik win schoonen klaver op dat land; 
vandaar winning = boerderij, en geivent = bed. 

Binnenboek, den. — Gemeentebelasting. Ik betaal 9 tr. in den binnen- 
boek. Geh. St-Anionius, Halle, Brechi. 

Flaggeren, flaggerde, heb geflaggerd. — Fladderen. B = g. De vogel flag- 
gerde op den grond. Geh. idem. Meyers {Woordenschat) heeft vleggheren. 

Hooi, (zachtl. o), het. — Gracht. Geh. Brecht. — Hooi is de stam van het 
werkw. holen, heulen, dat Kiliaen vertaalt door cavare, excavare. 

(1) Ook meegedeeld door Coquelicot. 



« Ons Volksleven. » 103 



Hoopsel, (iiitspr. /?öp5e/), het. — Zooveel als men met de twee handen 
bijeenhouden kan, dubbele handvol : Brengt eens een hoopsel hooi. Geh. id. 

Kroos, (scherpl. o), de. — V Bloem- of zaadscherm, Fr. omhelle, b. v. van 
de peen of wortelen, de pastenaken, den selder, enz. — 2° Kring takken in 
'nen boom. Geh. in die twee beteekenissen te St-Anionius. — 3° Klokhuis 
van appelen en peren. Geh. te Vorst hij Wesicrïvo. 

Lobbig. — 1° Wijd, groot, van kleedingstukken gesproken : Die jas, die 
hroeh is vee\ te lohhig . — 2" Geefachtig, mild, met een vreemd w. royaal. 
Geh St-A nionius. 

LiOterdop, den. — 1° Loos ei : Daar lagen in den nest drij eieren en een 
loterdop. — 2° ^Overdr.j Loterbol, losbol, lichtzinnigaard. Geh, idem. 

Negenooger, den. — Soort van gevaarlijke bloedzweer, in de woorden- 
boeken htocdvin, negenoog geheeten ; Lat. murenula, nonoculata, Fr. furonclc. 
Geh. idem. 

Pluut. — Starlings en onbeweeglijk. — Hij blijft ddiSLrphmi staan gapen. 
Geh. idem. 

Schal, de. — Eene plek in een bosch, oenen houtkant, een veld, eenen 
beemd, waar het hout, de akkervruchten, het gras slechter wassen als 
elders. Er zijn veel schallen in dat bosch. Geh. idem. Men zegt ook scliam. 

Scham, de. — Z. Schal. Er zijn veel schammen in dien klaver. Geh. idem. 

Scherfzeisen, de, — De zeisen, waar ze het strooi mee scherven of klein 
snijden. Geh. idem. 

Slodden. altijd meerv. — Gekapt schaarhout dat nog tot mutsaard 
moet gebonden worden. « Openbare verkooping van eiken en elzen slodden v 
leest ge op de plakkaten van houtkoopdagen. Geh. idem. 

Tol, den. — 1° De eigenlijke raap, zonder het loof: Er zullen dees jaar 
\ee[ tollen zi^n. — 2° Eene soort van ziekte, in de lichte gronden zeer ge- 
meen, die de wortels der rapen en der kooien aanrandt. Waneer de kooien 
den tol hebben, dan vallen hunne bladeren slap en men ziet ze kwelen en 
sterven. Trekt men ze uit, dan bemerkt men aan den wortel eenen knobbe- 
ligen aanwas, de /oZ geheeten, Geh, idem. 

Tollen, tolde, hen getold. — Verdikken, van rapen gezeid. De rapen tollen 
niet herd van 't jaar. Geh. idem. Eene raap is het gewas in 't algemeen, met 
loof en al; een ifoZ de eigenlijke raap. Riihhen (te Brecht kelen) zijn jonge 
rapen waarvan men in den uitkomen het loof als moes eet. Welke rijkdom 
in de levende volkstaal ! 

Winnen, icon, heh gewonnen. — Z. Bewinneti. 

Zikkelen, zikJcelde, heh gebikkeld. — Afsnijden met de zikkel. 'k Gaan 
alganw nog wat gers sikkelen voor mijn geit. Geh. idem. 

Zwartbraak. — Land dat tot den volgenden uitkomen braak blijft lig- 
gen, nadat er de zomervruchten af zijn, ligt zwartbraak. Boer S. heeft daar 
veel land zwarihraak liggen. Geh. idem. 

JOZ. CORNELISSEN. 



104 



« Ons Volksleven. -^ 



RAADSELS. 



1 (59) Licht in 't gezicht, 
Zwaar in 't gewicht 
Hoe meerder dat er is, 
Hoc lichter dat het is. 

( Venste/') . 

3 (Gl) Daar liep een beestje over den dijk, 

Zijne oogskes stonden al kijkende kijk, 
Zijn haarkes stonden al krollende krol. 
Ge zult het niet graaien, al wier-de dol. 
{Fen schaap). 

5 (63) Tweebeen lei geenbeen op drijbeen; 
Vierbeen kwam 

Die geenbeen van drijbeen nam, 
En tweebeen was gram 
Omdat vierbeen geenbeen van drijbeen nam 
{Een man lei 'nen haring op 'uen rooster, de 
kat Tiwam en tiam den haring weg). 
Vrglk. 1^ jrg. bl. 80. 

7 (65) Daar stond een menneken in 't hout, 
Het sprak zoo stout, 
Eu daar dierf niemand antwoorden. 
[De predikant). 



2 (60) Roo roo ranken 

Van hier tot Vranken (= Frankrijk), 

Van hier tot Parijs, 

üe zult het niet graaien al wierdet ge grijs. 

[Regenboog) . 

4 (62) Ik kwam eens in een straatje, 
Ik vond er een kameraadje. 
Ik stroopte zijn broeksken af 
En ik beet het in zijn gaatje. 
[Eene hazelnoot). 

6 (64) Daar was een huis, 

'tWas geen huis gelijk een ander huis, 
maar toch een huis. 
in dat huis daar stond een stoel, 
't Was geen stoel gelijk een andere stoel, 
maar toch een stoel. 
In dien stoel daar stond een meuneke, 
'tWasgeenmennekelijkeen andermenneke, 
maar toch een mennske. , 

Dat menneke vertelde praat, 
't Was geene praat lijk andere praat, 
maar toch praat. 



[De predikant in den preekstoel). 

8 (66) Danr valt iels van de schouw en niemand kan 't meer maken =Eenei. 

9 (67) Vier gobrooikcns slapen bijeen en ze kunnen malkander niet 
raken. = J)e hecnfjcs cener noot. 

10 (68) Waar is de eerste nagel geslagen ? = Op zijnen kop. 

11 (69) Wie gaat er op zijnen kop de kerk in ? = Z)c nagels der schoenen. 

12 (70) Daar loopen twee groote en twee kleine madammekens achtereen 
en ze kunnen malkander niet krijgen. = De ftvee groote en de twee Meine ra- 
ders eener koets. 

13 (71) Ik kom in huis en 't hicht me vriendelijk aan. = Be stoof die brandt. 

14 (72) Wat is een stilstaand eierfabriek ? = Eene doode hin. 

15 (73) Hoe kan mon 'non kalfskop het langste versch houden. = Met hem 
op de heest te laten. 

{Aarschot]. E. B. Vlaamsche Broederbond van Aarschot. 

16 (74) 1 aar zat een boerinnekon nan den kant 
Ze had een pin(t)ken in beur hand. 
Ze kost er niet uit drinken. 
Of ?e moester een kolje deur pinken. 

[Een ei). 

(Aarschot). L. V. E. Vlaamsche Broederbond van Aarschot. 

18 (76) Daar is een vieze dat, 19 (77) Daar loopt een ding over de l)rug, 

Het heeft drij ruggen en goen gat. Met twee zijden en geenen rug. 

[Een boekireifgraau). [Eene kar). 



17 (75) .luftrouwde Wit, 

Hoe langer dat ze zit, 
Hoe korter dat ze wordt. 

[Eene brandende keers). 



« Ons Volksleven. « 



105 



20 (78) Ik kwam eens deur een straatje gegaan, 
Ik zaa<; daar 'neu gruuen Arjaau slaan : 
Hij deed me verletten, 
Mijnen stok wegzetten, 
Zijnen baard afscheren. 
En dat deed ik zoo geren. 
[Eene hazelnoot). 

[Brecht]. 

22 (80) Het eerste is een mierke, 23 

Het tweede is een pierkc, 
Het derde is een eike, 
Het vierde is een loovermeike. 
(Eene raap). 

24 (82) Vier ou' wijven, 

Ze grollen en ze kijven, 
Ze loopen en ze hijgen 
En ze kunnen malkander niet krijgen. 
[De tneulen roeden). 

[Brecht). 



21 (79) Hakker de takker 
Liep over d'akker. 
Hoe meer dat hakker de takker liep, 
Hoe meer dat hakker de takker 
Zijn gat stiet. 

[Eene egge). ■■. 

.JOZ. MiCHIELSEN. 

(81) Er is een plank 
Van God"? dank, 

't Is geen eiken ofgcene esschen 
üo zult het niet graaien al waarde met zessen. 
[Eene /jssrhof). 

25 (83) Slinger de slanger 
't Een deur 't ander, 
De korte kluiten 
Hangen te buiten. 
(Be wijngaard met druiventrossen.) 

Hendr. Gysen. 



NIEUWSKES. 
« Folklore Wallon. » 



Bij bet aauvangen van ouzen tegen woordigen jaargang (zie bl. 10), badden wij 
reeds de gelegenheid om een woord te reppen over de nieuwe vereeniging voor 
VVaalscbe Volkskunde, te Luik gesticht, en over hare voorbereidende werkzaam- 
heden. 

Heden bebben wij het genoegen aan onze lezers mee te deelen, dat de maat- 
schappij begonnen heeft met de uitgave van eenen « Questionnaire de Folklore 
Wallon. w 

Die vraagboek zal verschijnen in ongeveer 10 afleveringen, elk van 16 blz, in 
8", en vóór het einde van dit jaar volledig zijn. De bden der vereeniging ontvan- 
gen hem kosteloos, in vervanging van den « Bu letin, » waarvan slechts drij voor- 
loopige nummers verschenen. Voor hen die geen deol maken van de maatschappij, 
is de prijs bepaald op fr. 5. — 

De vraagboek is verdeeld in onderscheidene hoofdstukken, die elk tot een groot 
getal vragen aanleiding geven. Hier en daar zijn de vragen opgehelderd door 
aanhalingen of voorbeelden, die dienen moeten om de opzoekingen te vergemak- 
kelijken. 

Twee afleveringen zagen reeds het licht; zij bevatten : 

1. Wonderbare wezens, (P deel). (Vragen 1-40). II. Dieren. (De namen der 
dieren worden in alphabetische opgesomd). (Vr. 41-224). III. Landbouw. (Vr. 
225-280). IV. Planten. (Vr. 281-431). V. Volksgeneeskunst en gezondheidsleer. 
A. Ziekten. (Vr. 432-576). b. Behandeling, geneesmiddelen. (Vr. 577-615). c. 
Genezers en kwakzalvers. (Vr. 616 ). 



106 « Ons Volksleven. » 



Wij komen later op dit nuttige werk terug, daar het ook voor de beoefenaars 
der Vlaamsche volkskunde allerbelangrijkst is. J. B. Veevliet. 



BOEKBESPREKINQ. 



1489-1889. Eene bladzijde uit de Geschiedenis der stad Nieupoort; 

Nieupoort en zijne Visscherij in de XV* eeuw ; het Beleg van 20-24 Juni 1489 ; 
de Dankprocessie van Sint-Jan, door Edw. Vlietinck. — Oostende, J. Vlietinck, 
1889. Boekd. in-8° van 132 bl. — Prijs fr. 1.— 



Het is een verblijdend verschijnsel in onze letterkunde, dat in de laatste jaren 
de studie der geschiedenis met zooveel vlijt beoefend is geworden. 

Niet alleen heeft men met groote trekken, de roemrijke feiten en gebeurtenissen 
afgemaaid, waarvan ons vaderland het tooneel was, of enkele tijdstippen, dank 
aan kostbare beecheeden en tot dan toe ongekende handschriften, tot in de minste 
bijzonderheden uitgeplozen en beschreven ; ook op het nauwkeurig beschrijven 
van steden en dorpen heeft men zich allerwege toegelegd, en van onder het stof 
dat eeuwenlang onze archieven bedekte, heeft de geduldige geleerde herinnerin- 
gen aan feiten en personen doen oprijzen, die niet alleen van groot plaatselijk 
belang, maar voor de kennis onzer oude zeden en gewoonten, onschatbaar zijn. 

Nergens beter als daar kan men het openbaar en huiselijk leven onzer voorva- 
deren naspeuren. Niets weerspiegelt getrouwer den diepen godsdienstzin, de sterke 
gehechtheid aan het vaderland, de vurige liefde voor eigen taal en eigen zeden, 
die de Vlamingen immer kenmerkte, als die handvesten en familiepapieren uit 
lang vervlogen tijden. Hoeveel schoons en wetensweerdigs er ook reeds aan den 
dag gekomen zij, toch ligt er nog oneindig veel op te delven en in het licht te 
zenden. 

Bij het schrijven zijner «« Bladzijde uit de geschiedenis van Nieupoort, n moet 
de H"" Vlietinck die zelfde gedachten gehad hebben, want zijn werk is, als 't ware 
doorzaaid met aanteekeningen, getrokken uit de archieven van Nieupoort, Oos- 
tende, Brugge, enz. enz. 

Dat de boek daardoor eene groote geschiedkunflige weerde krijgt, en met ver- 
trouwen nog geraadpleegd worden, hoeft niet bewezen. 

Toch heeft hij niets van het droge, dorre, dat wij zoo dikwijls in soortgelijke 
werken aantreffen. De schrijver heeft zijn verhaal derwijze opgesteld, dat het 
voor den gewonen lezer volkomen genietbaar is, terwijl de geschiedvorscher het 
met wezenlijk nut en vermaak doorloopen zal. 

Een overzicht, hoe beknopt ook, zullen wij van het werk niet geven, want dit 
zou ons, om der belangrijkheid wille, te verre leiden. Wijzen wij enkel, voor den 
beoefenaar der volkskunde, op de wetenswcerdige msdedeelingen nopens het 
offeren van keersen, de dankprocessiën in het algemeen en de St- Jansprocessie te 
Nieupoort in 't bijzonder, het gebruik van den rozenhoed, den ommegang, de 
reuzen in de ommegangen, enz. 



« Ons Volksleven. »» 107 



Eene zaak die de weerde van het werk onmiskenbaar vermeerderd hadde, ware 
het meededen geweest van het eenigst gekend oud plan der stad (XVI* eeuw), 
waarvan op bl. 56 (noot 109) spraak is. 

Mocht de H' Vlietvinck er toe besluiten eens eene tweede uitgave van zijnen 
boek te laten verschijnen, dan vervuUo hij dien wensch, en zorge tevens eenigè 
gewestelijke uitdrukkingen weg te laten, die in een geschiedkundig werk, dat zoo 
algemeen verspreid is, dienen vermeden te worden. J. B. Veevliet. 



VRAGEN EN AANTEEKENINGEN. 

36. Eene Russische Legende, getrokken uit de verzameling, uitgegeven 
door den Moskowschen dichter Tourgeneff. — Ter gelegenheid van Kerstmis, 
gaf de goede God eene groote feest in zijn azuren paleis. Al de deugden wierden 
er opuitgenoodigd, enkel de deugden ; geene heeren, niets als vrouwen. Er kwa- 
men vele deugden : grooto en kleine. De kleine waren veel bevalliger als de groo- 
te, maar alle schenen elkander zeer goed te verstaan en kenden malkander om 
ter nauwste. Doch daar zag de goede God twee vrouwen die geene kennis met 
elkander schenen te hebben. De huismeester nam eene dezer vrouwen bij de hand 
en leidde ze bij de andere. « De Weldadigheid, » sprak hij, terwijl hij de eerste 
aanwees ; « de Dankbaarheid, n voegde hij er bij, terwijl hij de andere toonde. 
De twee deugden waren zeer verwonderd, want sedert het begin der wereld, ont- 
moetten zij elkander voor den eersten keer. A. H. 

37. De drij Meesters van den Mensch, eene oude Heidensche fabel. — 
Eens zat de Zorg aan den kant eener bron in droefgeestige gepeinzen verzonken 
en kneedde een weinig klei tusschen hare vingeren. Jupiter kwam tot haar en 
vroeg: « Wat doet gij daar, droomster?» — «Ziet gij,» antwoordde de Zorg, 
" van deze aarde heb ik eene gedaante gevormd, waar enkel het leven aan ont- 
breekt. Indien gij ze wilt bezielen, zal het de Mensch zijn. » — «Ik stem erin 
toe, n sprak Jupiter, « op voorwaarde dat dit schepsel mij toebehoore. » — « Dat 
ware niet rechtveerdig, « antwoordde de Zorg, » ben ik het niet die het gemaakt 
heb? » Zij was nog sprekende, toen de godin Tellus bijkwam. « En ik dan, » 
zeide deze, « heb ik dan geen recht op dat wezen, dat uit mijne zelfstandiglieid 
gemaakt is ? » (i) — 't Viel Jupiter met gamakkelijk te beslissen ; daarom stelde 
hij voor den ouden Saturnus tot scheidsrechter te nemen. Saturnus was tevreden 
en sprak dit vonnis uit : « Deze gedaante, die gij Mensch heet, die door de Zorg 
uit aarde gekneed en door Jupiter bezield is. hoort u alle drij toe. Gij Jupiter, 
zult na zijne dood de ziel terugnomen die gij hem gegeven hebt ; gij Tellus zult 
terug in 't bezit komen van de stof die gediend hoeft om hem te vormen ; maar 
de mensch zal zoolang hij leeft, aan de Zorg toebehooren. Dat is de uitspraak 
van het Noodlot. A.H. 

(8) Tellus beteekent aarde. Het is de biJBaam van Cybele, de vcrgode aarde. 



1Ö8 ^ Ons Volksleven. 



INHOUD VAN TIJDSCHRIFTEN. 

1. Volk en Taal. 111. N"" 2. — Eeu vlaamschc Landsbond. (K. vau Caeneghem). — Bijdrage tot 
den Isederlandscheu Taalschat. (A. van Heuverswyn). — Kinderspel. (P. Bernard). — De Slij- 
ting. (Th. van Ilc-uverswyu), — Slijtliedekes met cijfermuziek. (id.). — Raadsels. (P. Hernard). — 
HoeFree Wanten nen keer vaarde. (R. G ). — Van Duimke. (R. van Damnie). — Zedelijke lessen 
(P. Waelens). — 't Wekken der l)ieën. (A. v. H.). — De Fransehe tijd te Oudenaerde. (K. van 
Caeneahem). — Van alles. — Hoekbeoordeeling. (P. Bernard). 

2. Biekorf. 1. N'' IG. — Vau Ko Lukkeboone. Slot. (J. Leroy). — Zingenschap Jan Palfyn ter 
eere. (Guido Gezelle). — Brief over de geboortelepels. (Johan Winkler). — Wereldure en wereld- 
tijd. — Dag Jan! — Mingelmaren. 

'N'' 17. — Wereldure eu wereldtijd. (Edward vau Ruljays). — o Gulden hoofd. (Guido Gezelle). 

— Uit den ouden kindertijd : Oeren-schole. — Mingelmaren : Houcke.Twee schilderijen (A.Naert). 

3. Volkskunde, III, Is'"' 8. — De Humor in de Taal. I. Schelmschc antwoorden. Vervolg. (Aug. 
Gittóe). — Sprookjes en Prijsljoeken. (A. De Cock). — Rond den Heerd. — Sprookjes voor Jong 
en Oud. (Aug. Gittée). — Vragen eu Aautcekeningeu : Hoe ons volk de munt uoemt. — Volksbe- 
namingen van Maten eu Gewichten. — Warme Wei. — Nogmaals het Vaudoux. 

4. Kempisch Museum, I. N'' 7. — De slag der Thielenheide. 24 Januari 1597. (E. T.). — Grobbeu- 
douck tijdens de Fransehe Omwenteling (Goetschalckx). — Hoogstraten. Charters. (S.). — De 
Heerlijkheden van het land vau Mechelen, Duffel, Gheel en hunne neeren. (J.-Theod. De Raadt). 

— Geschiedkundige bijdragen over de voogdij van Molle. (Th. Ign. Welvaarts). 

5. De Student, X. N' 4 — Heil den uieuwen Bisschop van Gent, Mgr Stillemans. (P. L. T.). — 
Groote waarheid. (T. L. P.). — Bij 't herdenken aan mijn' broeder. (Leo Van Lee). — Proven- 
Qaalsche Taalstrijd (Joz. D. K.). — Vlaanderen den Leeuw! (J. St.). — Le ton AN. (f J. van 
\Ville). — Eeue vrage. (Vulpes). — Lied van eeuen Duitschen kuaap. (Knapz). — Strijd van 
Brahma tegen de Goden. (D. Dickx). — Vitterii en Poëzij. (Melis). — Mengelingen. 

K"" 5. — Oorsprong der Vlaamsche Belgen eu der Franschen. Vervolg. (Nelis). — iiij het gouden 
Jubelfcest vau den E. H.X. (Pieter). — Davidsfondsiana. (Titus). — Hoe wij Sté Luitgaarde 
vierden ! (Nepos). — Geluk. (J. v. d. B). Leven de Jongens ! (Nelis). — Op en af den heuvel. (Vel- 
deling). — Nu en straks. (Ranke) — Mengelingen. 

G. Revue des Traditions poputalres. V. N^ 7. — Folk-lore europeen comparé. I. La Mère e^ 
1'Enfaut. (Michel de Zmigrodzki), — Trois pastourelles du Morvan. (Julien Tiersot). — Surl'ori- 
gine du mot Alleluia. (J. T.). — Lts Traditions populaires et les écrivains frangais. V. Molière. 
(Paul Sél>iilot). — Traditions et superstitions du Dauphiuc* (Ferrand). — Congres des Traditions 
populaires. — Unc nocc de paysans en Chaiosse : sortie de 1'église. (J. de Laporterie). — Seconde 
vue : intersigues. (Julieu Destrée). — Moiurs et coutumes de manage II. Gouvernement d'Ar- 
changel. III. chez les Perraiens. (Léon Sichler). — Salomon des les légendes musuhnanes (René 
Basset) — V. Les. Calendriers des ilh.'ttrés Vi. Les Patons calendriers. (A. Certeux). — Le Peuple 
et l'Ilistoire IV. Mandrin. (Morel-Retz). — ITne substii-ution. (René Basset). — Quelques contea 
tres couHs. (Paul Sébillot). — Superstitions du département de 1'Indre. (Lionel Bonnemère). — 
Extraits etlectures. I. Les sources dans la mer. (Gérard de Rialle) IL Pour être heureux teute 
1'année. (Raphaël Blanchard) Bdjüographie : H. de NimaP Légendes de la Meuse (A. Giry) — Pé- 
riodiques et Journaux. — Notes et enquêtes. Platen : Une noce dans la Charlosse. (E L. Dufour), 

— Ancien caleudrier en bois. 

7. Zeitschrift \^v \o\V%V\inAe, in Sageund Mar, Schwank und Streich, Lied, J^aisel und Sprich- 
wort, Hitte und Brauch, lierausgegehen von Z*'" Edmund Veckenstedt. — Leipzig, Alfred Dörfel. 
Prijs : 15 Mrk. ,^ 

II. — N""!. — Die Kosniogonien der Ariër (Edm. Veckenst.dt). — fS^o^i^ aus Westpreussen 
(A. Treichel). — Lithauische Kultursagen (Fiedorowicz-Weder). \larclien der Sieberbürger Ar- 
menier (I)'' Heinrich Wlislocki). — Albanesische Helden-,und Ilochzeitlieder und Spruchwörtrr. 
(E. Mitkos, Deutseh von J. U. Jarnik). — Sitteu und Briiuche aus Lithauen (v. Meezius Davainis- 
Silvestraitis). — Aberglaube aus dem Alten burgischen (E. Pfeifer). — Besprechungsformeln der 
Rumanen ip;.Siebenbürgen (Rob. Prexl) — Bücherbesprechungen (Edm. Veckeustedt und D. 
Brauus.). — Zur Bücherkunde. 

N"" 2. — Die Kosmogonien der Ariër (Edm Veckeustedt). — Sagen aus Westpreussen (A. Trei- 
chel). Zwei böhmische Marcheu (W. Tille.) — Eiu papierues Wiegenbaud als .Brautgescheuk 
(Fninz Pranky). — Sitteu uud Briiuche cler Lithauer (Meezius v. Daivainis-Silvestraitis). — 
'■'Aberglaube aus dem Alteuburgischeu. (E. Pfeifer). — Besprechungsformeln der Rumaneu in 
. Sieljenbürgen (Rob. Prexl.). --Bücherbesprechungen (Edm. Veckeustedt und D. Brauus). — Zur 
Bücherkunde. 

N"" 3. — Die Kosmogonien der Ariër (Edm. Veckeustedt.) — Uber eine sageuhafte Krieglist bei 

, Belagerungcn (Giuseppe Pitré). — Die Smyrua Eine Traditiou Klcinasiens (M. Tsaky roglous) 

Sagen aus Westpi'eussen (A. Treichel) — Zwei böhmische Marchen übersetzt von W. Tille. — 

Christincheri sass im Garten. Volkslied (Alex. Kaufmanu). — Schwere Wahl. Pjin Volkslied aus 

Hinterpommern (O. Knoop). — Bücherbcsprechungijn (Ediu. Veckeustedt). — Zur Bücherkunde. 



J 



ONS VOLKSLEVEN. 



Antwerpsch-Brabantsch Tijdschrift 
voor Taal en Volksdichtveerdigheid , 
voor Oude Gebruiken, Wangeloofkuude, 
QWï.Intwelf nommers van twelf bladzijden 
in 8". 



Te Brecht, 
bij L. Braeckmans. 




« Er is nog een rijke oogst op het veld 
der gewestspraken voorhanden; veel 
volksuitdrdkkingen dreigen te verdwij- 
nen die om hunne juistheid, schilder- 
achtiffheid of oudheid verdienen in de 
schrifttaai opgenomen en bewaard te 
blijven. » 

Zuid-Nederlandsche Maatschappij 
VAN Taalkunde, Wedstrijd '1874. 

"De studie der folklore heeft voor doel 
ons volk iu zijne eigenaardige zeden en 
gewoonten, in zijn innig geloof en karak- 
ter te leeren kennen, in één woord, het 
volTi zooals het is. n 

Vraagboek over Vlaamsche Volkskunde. 



RIVIEREN, PUTTEN, FONTEINEN, BRONNEN, 

ONDIEPTEN, enz. 

III. 

5). GODENEN WATERGEESTEN, LEGENDARISCHE WATERS EN MOERASSEN, SAGEN. 

« Van al de godheden, aen welke vóór de invoering en verspreiding van 
y> het Christendom hier te lande, onze heidensche voorvaders hulde bewe- 
" zen, zyn er misschien geene, waervan de gedachtenis meer levendig 
» onder het volk is gebleven, dan de WaternekJcers, of enkelyk NeJckers en 
y> NikJcers. 

« Deze, zoo als blykt uit Grimm's Mythologie, bl. 276, werden by al de 
» duitschsprekende volkeren, onder eenen min of meer gewyzigden naem, 
" geëerd of gevreesd. « (C. P. Serrure, Kunst- en Letterblad, III, bl. 41.) 

« Te Eerneghem, Ichteghem, Coeckelare, Lefflnge en andere dorpen van 
" Westvlaenderen, eene landstreek, waer zoovele waters en moerassen zyn, 
" weet men veel van de WatcmilJcers ot NiMers te vertellen en menigeen 
« wyst aldaer de plaetsen aen waer zy te voorschyn kwamen en nog komen. 
« Dan eens, verhaelt men, nemen zy de vorm aen van eenen zwarten drie- 
y> kantigen hoed, of liggen, aen den kant der beken en poelen, in een kistje 
w besloten, waeruit zy dadelyk, wanneer het door iemand geopend wordt, 
w de vlucht nemen ; dan weder komen zy met ketens, uit het water te voor- 
r> schyn en slepen den ongelukkigen, die zich in de nabyheid bevindt, met 
" zich mede. " (C. P. Serrure. Kunst- en Letterhlad, III, bl. 43.) 

In de Antwerpsche en Limburgsche Kempen kent men de Nikkers of Wa- 
tergeestcn onder de benaming van Waterman, Waicrduvd, de Man met den 
Haak, Mamichm Haak (of ook Nikker of Duiker). De moeders maken hunne 
kinderen die op den oever der wateren spelen, vervoerd voor den man met 
den haak, en zeggen hun dat die man zwart is van kleur, tusschen de biezen 
schuilt en de badende menschen en spelende kinderen met eenen haak naar 
beneden trekt. Volgens de Limburgsche overlevering, zuigt hij het bloed 



110 « Ons Volksleven. » 



der verdronkenen uit en houdt hunne zielen in eene omgekeerde kruik ge- 
vangen. Als men de kruik omstoot, dan worden de zielen verlost. Men zegt 
ook dat de drenkelingen verward vlas moeten spinnen, totdat zij verlost 
worden. 

Te St-Hubert (in 't Walenland) zegt men aan de kinderen : « Gaat niet 
spelen aan de drinkwedden, want Marie Crochet zou er u intrekken. r> {Qttes- 
iionnaire de folklore tvallon, bl. 1.) 

Te Souverain-Wandre (mede in 't Walenland) beveelt men aan de kinde- 
ren niet te dicht bij de Maas te komen, want : L'om o rodj din vi liijèrichre 
dvin.) De man met deroode tanden zal er u intrekken.) [Ih, bl. 1.) 

6). SINT-ABDON EN DE BIEZEN. 

De Heer de Reinsberg zegt in zijnen üalendrier helge, dat de hielen niet 
meer in de vijvers zullen groeien, noch de distels in het veld, waneer men 
ze op den feestdag van dien heilige uitrukt (den 30" Juli). 

7). HET WASSEN DES WATERS EN DE VOGELEN. 

In Burgondië heeten de boeren de gvoens\)ech.t procureur du meunier, om- 
dat zij den regen aankondigt en tvassen des ivatcrs dat den molen doet draai- 
en. Men schrijft ook in België aan dezen vogel (evenals aan de pauw, de 
Tiwakkel en de zwalutv, door hare vlucht), de gave toe van den regen door 
een bijzonder geschreeuw of geroep te voorspellen. 

8). DE TOOVERROEDE EN DE BRONNEN. 

Op sommige plaatsen zegt men dat degenen die op Kerstmis of ook op 
eenen Zondag geboren zijn, het vermogen hebben van de tooverroede te 
werpen. Men weet dat dit vermogen bestaat in de bronnen en de verborgene 
schatten te ontdekken, bij middel van een havelaren siaf ken, tooYerroede 
geheeten. (i) 

9). DE RIVIEREN EN DE DRENKELINGEN. 

Waneer in de omstreken van Thuin (Henegouw) een persoon verdronken 
is en men de plaats niet weet, waar het ongeluk gebeurde, gebruikt men 
eene zonderlinge wijze om hem weer te vinden. Men zet op 't water eenen 
houten bak, waarin men voorafgaandelijk eene brandende keers vastge- 
maakt heeft; op de plaats waar het broze schuitje stilblijft en de keers uit- 
gaat, zal men het lichaam des drenkelings vinden. 

Algemeen is het geloof verspreid (?a^ men ^/eewfcïi drenkeling uit hei ivater 
mag irckkcn, vooraleer de overheid of het gerecht er bij tegenwoordig is. 

(H Vervolgt.) 

Alf. Harou. 

(1) Dat is ccne herinnering aan de Rhahdomancie of waarzeggerij door de tooverroede, die, vol- 
gens het zeggen van Tacitus, Inj de oude Germanen in zwang was. 



« Ons Volksleven. » 111 



SAGEN. 

10. (22) « Zit op, wil-de meerijden. » 

Over vele jaren woonde er bij eenen boer te Brecht, een knecht die geene 
erwten mocht. Waneer er op tafel kwamen, stak hij zijn vorket verkeerd 
in de schotel en zeide dan : « Zit op, wil-de meerijden. « De erwten rolden 
natuurlijk allemaal terug en de boer bekeef zijnen knecht, zeggende : 
« "Wacht maar jongen, hetgeen gij hier doet, zal u naderhand nog wel eens 
thuis komen. Niemand drijft straffeloos den spot met de gaven die de lieve 
God ons dagelijks in zijne goedheid schenkt." Eenigen tijd later trouwde de 
knecht in hetzelfde dorp, en de armoede sloop weldra zijne woning binnen. 
Door den nood gepraamd, ging hij kloppen aan de deur van zijnen vroege- 
ren meester en smeekte hem om Gods wil eenen schepel erwten te geven, (i) 
Doch de boer stak den schepel 't onderste boven in de erwten en zeide : " Zit 
op, wil-de meerijden. ^ Daarop begost de knechtte weenen en de boer, door 
medelijden bewogen, gaf hem de gevraagde erwten. 

{Gehoord te Breeht.) Joz. Cornelissen. 

In Pommeren vertelt men bijna letterlijk dezelfde sage. Z. Zcitschrift fiir Volksliunde, II. 
Band, 6, Heft, bl. 237, Sagen aus Hinterfommern . 



fiescliiejkünjip Oferleveriopn. 

11. (23) De Hertog van Hoogstraten. 

I. 

Men verhaalt inde Kempen dat er over Hoogstraten een hertog ge- 
heerscht heeft uit den stam der Salm-Salm's, die rijk on machtig, maarniet 
min wreed en dM^angzuchtig was. Als een echte dwingeland misbruikte hij 
zijne macht om het volk te verdrukken en zijne arme laten te vervolgen en 
te doen lijden. 

Volgens Oostersche gebruiken liield hij slaven, die vóór zijn rijtuig lie- 
pen, waneer hij uitreed of van de eene of de andere reis huiswaarts keerde. 
Voor het kasteel ligt eene lange dreef, de Lindendijh geheeten, aan welks 
uiteinden een draaiboom of sluitpaal staat. De looper die het rijtuig verge- 
zelde, moest bij het naderen van zijnen heer, die draaiboomen openen en 
weer sluiten, en nog vóór den hertog binnen de poort zijn. 

II. 

Eens zond hij eenen looper naar Antwerpen met eenen brief, waarop hij 
binnen eenen bepaalden lijd antwoord hebben moest. De knecht kwam, 
buiten asem en gansch met zweet bedekt, met het verwachte antwoord te- 
rug, doch hij verscheen 10 minuten na den vastgestelden tijd. Zonder naar 
de verontschuldigen van den looper te luisteren, die 10 minuten over stier 

(1) Var. : eerdappelen. 



112 « Ons Volksleven. » 



naar het antwoord had moeten wachten, nam de hertog zijn pistool en 
schoot den ongelukkige dood. 

III. 
Men verhaalt ook dat hij zijne knechten naar Antwerpen zond om een 
gehak te halen dat nog warm moest zijn, waneer zij er mee aankwamen. 

IV, 

Op zekeren dag dat hij met eenige edellieden eene wandeling deed, zag 
hij eenen armen strooidekker op een huis zitten. « Dat ik die musch daar 
eens van het dak schoot ! y^ zeide hij tot die hem omringden. Hij nam zijn 
pistool, schoot en de ongelukkige strooidekker lag stuiptrekkend op den 
grond.... 

V. 

Eens dat de hertog naar Duitschland reed, waar hij veel bezittingen had, 
stond hij plotseling met zijne koets voor den Rijn. Hij gebood zijnen koet- 
sier er door te rijden. Deze, meenende dat zijne leste uur geslagen was, 
maakte een kruisteeken en zeide : « In Gods name dan ! » — « Nein ! » in 
Teufels Name ! sprak de hertog. En de koets rolde door den Rijn en kwam 
behouden aan den anderen oever.... 

VI. 

Men vertelt dat de hertog bij uitersten wil bepaalde dat hij na zijne dood, 
op drij verschillige plaatsen zou begraven worden: Zijn lichaam zou te 
Hoogstraten rusten, zijn hert te Anhalt en zijn hoofd te Weenen. 

{Gehoord ie St-Antonius, West- en Oostmalle) Joz. CORNELISSEN. 



VERTELSELS. 

Dierensprookskes. 

15. (25) Van den Vos en den Wolf. 

De vos die buikpijn had van honger, kwam eens 'nen wolf tegen. « Rein- 
tje, » zei de wolf, " gij die voor ieder potteken e scheeltje weet, ge zoudt me 
eens e plezier moeten doen : ik zou toch eens zoo geren menschenvleesch 
eten : kun-de me daar nie aanhelpen ? « — i' As 't anders nie en is, « zee de 
vos, " kom mer aan, en van 't fijnste zelle ! 5, En de vos en de wolf gongen 
samen de wereld in. 't Duurde nie lang of ze kwamen een kind tegen. « Ah- 
wel, voske, » zee de wolf, « is da nu ne mensch? « — « Nee, da moet er nog 
eene wörren. » Een bitje wijder zagen ze een oud wijf, zoo geel as perka- 
ment en zoo verrumpeld as 'ne voozen appel. " Da's nu toch zeker ne mensch,» 
zee de wolf, en 't water kwam al in zijnen mond. « Nee gij, jongen, nog nie," 
zee de vos, dat heeft ne mensch geweest. " En ze waren nog geen kwartier 
wijder gegaan, of daar kwam ne soldaat aan met het geweer op zijnen 
schouder en den sabel aan zijn zij. w Ziet hem daar, « zee Rein, » da's nu ne 



" Ons Volksleven. » 113 



mensch, en 'nesclioone zelle ! TrekL daar mer op los, mer ik y-aan terwijlen 
stillekes naar mijn hol. » En de wolf seffens naar don soldaat af! Jamer, de 
soldaat die nie pluis en zat, nam ze geweer, pang ! pang ! pang ! en schoot 
er op dat 't kraakte, en toen trok ie zijnen savel, klits ! klets ! en stak den 
wolf dat ie pen en inkt riep van de pijn, en al huilende en schreeuwende 
het bosch in vluchtte. En 't voske stond achter 'nen bviom te lachen dat ie 
zijnon buik moest vasthouden. « Aliwel vriend wolf,- vroeg de vos as ze 
weer bijeen waren, " hoc smick u nu da menschenvlcesch, jongen?» — 
" Jongen lief, ^ zee de wolf, <^ daar kan ik nie vcul op stuiten, daar zijn ik 
van een kale reis weergekomen. Die mensch daar had zoo vies ding, zoo'n 
soort van blaaspijp; hij blies er eens in en 't was allemaal vier. Pang ! pang ! 
pang ! zee dat ding, en 't was of er wel duzend naalden in me lijf staken. 
En da was allemaal nog nie genoeg; toen trok ie nog een rib uit ze lijf en 
klits ! klets ! ik kreeg smeer dat de sterren veur mijn oogen dansten. Zie 
mer eens naar mijnen rug ! ^ — « Wel ! w-el ! zee Reintje, 't is nooselijk, 
willen wij er samen eens op aftrekken ? w — « Neen, neen, ^ antwoordde de 
wolf, " ik heb ekik geenen honger meer. w 

[Gehoord te Rdhy). Meegedeeld door Merten Corthoor. 

16. (26) Van den Wolf die leerde visschen. 

De wolf was nog nie genoeg geleerd. Nen anderen keer gong ie weer bij 
den vos te biechte : 't was om te vragen ofdat ie hem eens zou leeren vis- 
schen. « Genoeg, ^ zee de vos, ^ da's mer e woord veur u. ^- En ze kwamen 
aan 'nen grooten wauwer (= vijver'. « Zie, wolf, " zee toen de vos, « hier heb 
ik ze ooit gepakt, jongen, visch mee kruiwagens zoo veul ! Mer den vogel 
nie verwijzen, zelle, want anders is ons vriendschap uit ! -^ — « Da weet-te 
wel, Rein, 'k zal ekik er geen woordjen af hippen. » — « Ahwel, " zee dan 
de vos, « zet u hier mer op den kant, uwen steert in 't water, en ge vangt 
zooveel visch as ge wilt. •• (Ja mer, het vroos dat het kraakte). -Nu, om 
zeker te spelen, moet-te uwen steert al eens een bitjen optrekken, om te 
zien of er al iet aan hangt. Voel-de nog niks, vriend wolf, liangt er nog niks 
aan ? » En de wolf wiggelde al eens en zee : « Ja, me dunkt, al een bitje. » 
En de vos slibberde er stillekes van deur, want hij kost zijn eigen nie meer 
serieus houden. Eenige dagen later kwam hij den wolf tegen; van verre riep 
ie al : '-^ Ahwel, vriend w^olf, » hoe is 't geweest met de vangst? — « Ah ! 
goed, « zee de wolf, --^ er hong op den duur zooveul aan, da'k het nie meer 
omhoog kost krijgen en da mijne steert is afgewogen.» iZijne steert was 
in 't ijs vastgevrozen). — « Heb ik het u nie gezeed, » sprak de vos, « ge zijt 
toch altijd zoo begeerlijk ! r, 

{Gehoord ie Beihp). Meegedeeld door Merïen Corthoor. 

Vrglk. Amaat Joos, Vertelsels, P deel, N'" 78 : Van den Vos en de Kat. 



BIJDRAGE TOT DEN DIETSCHEN TAALSCHAT. 
7'" (l?*^) Woordenzange. 

Aanpillen, pilde aan, heb aangepdd. — P Aanranden, aanvatten. — 2' 



114 « Ons Volksleven, r, 



Beginnen te werken : Wij gaan ons werk nanpUlcn. Geh. in 't N. van Ant- 
tverpen. 

Aanhussen, husfe aan, heb aangehust. — Aanhitsen. R. v. den hond aan- 
husscn, het peerd «r/jJiJi.v^rw, opdat het sneller zou gaan. Geh. St-Anionius. 
Z. Husscn bij Kiliaen en Schuermans. 

Aanslagen, sloeg aan, hch aangeslagen. — Groote verwondering uitdruk- 
ken, bijzonder door de beweging der armen en in de gelaatstrekken : Die 
jongen sloeg «a»,als ik hem dat nieuws vertelde ! Geh. St-Anionius en Heist- 
t en- Berg. 

Aantuigen, tuigde aan, heb aangeiuiqd . — Het geiuig aandoen : het peerd 
aantuigen. Overal. 

Afraggen, ragde af, lub afgeragd. — Zinverwant woord of synonimc van 
afkalven, maar algemcender : men kan eene strooi- of houtmijt, eenen hoop 
eerde, enz. afraggen, terwijl 't gewoonlijk maar de kanten der graclilen zijn 
die men afkalft. Geh. Essclicn. Waarschijnlijk is raggen verwant met rukken, 
t-rckkcn, raak, rakel en rakelen. 

Begaan. — Bekommerd. Hij is geweldig met die zaak begaan. Geh. 67- 
Antonius. De wonderboeken vertalen begaan door ému, touche, en begaan zijn 
doov plaindrc. 

Dreumelen, dreumelde, heb gedreumeld. — 1*^' Dreunen, daveren. — 2° 
Stillekes donderen. Vandaar gedreumcl = dof gedaver. Geh. Sl-Antonius. 
Dreumelen is uitbouw van dreumen dat zou kunnen staan voor dreunen. 

Gremelen, gremelde, heb gegremeld. — Greven, zagen, grummen, zooals 
menschen plegen die nooit tevreden en zijn. Vandaar gremclecr engremclcrse. 
Geh. St-Antonius en Bc^^^ f -ten- Berg. Bij Schuerm. heeft het w. eene andere 
beteekenis. 

Hijzel, den. — IJzel. Vandaar hijselen, bcltij.^cld, enz. Geh. Kempen, o. a. 
St-Antonius en Heist- ten- Berg. 

El' is nooit mensch geweest, 
Zoo grijs of zoo oud, 
Die zien hangen heeft den hijzel 
Drij dagen aan 't hout. 

(Beersel bij Hci.ü-teu-Berg). 

In de Kempen, daar de h bijkans overal uitgesproken wordt, gebeurt het 
wel meer dat soiiimige w. eene /* bijnemen. Zoo heb ik nog gehoord hikken 
voor ikhen (ijken), heggen voor eggen en hoozen, daar Schuerm. oozen voor 
heeft. 

Immers. — Eenigszins. Als 't maar /f^w^ns mogelijk is.... Als 't immers 
zijn kan.... Geh. St-Antonius. Zou immers, in deze beteekenis, 'nen anderen 
oorsprong hebben als n»^nfr.9 in den zin van zeker, ja zeker, nietwaar? Ik 
veronderstel dat, omdat het w. in de eerste bediedenis met i en duidelijk 
hoorbare r uitgesproken wordt, terwijl het in de tweede beteekenis altijd 
omme{r)s, oemmc[r)s klinkt (met korte oc en zonder r): b. v. 't Is oemmes waar? 
'k Kan der oemmes niet aandoen ! Geh. idem. 



« Ons Volksleven. » ' 115 



Jotq.\l [rntspr. jocnk, met korte oe), het. — Dat w. beteekent niet aleen het 
Mcinfje van een dier, maar ooJ: een l'ind, zoo van 't mannelijk als van 't vrou- 
welijk geslacht. B. v. De arme vrouw droeg een jonh op heuren arm, dat 
schreide van honger en kou. Het meerv. is jong (nits^^r.joeng, met korte oe). 
't Is daar een huis yoI jong. De sciiool is uit : de jong loop en over de straat. 
Geh. Kempen, o. a. St-Anioniiis, Schilde. Holle, enz. 

Ketteren (uitspr. 'kcUieren), Mtenie, hch geheüerd. — Ketsen, knapperen, 
een scherp gerucht geven, 't Wordt meest gezeid van een vier dat hevig 
brandt en van 'nen kort afgekapten donderslag. Geh. Si-Antonius. Zie ook 
Schuerm. 

Knavel, den. —Handvatsel der zeisen. Andere eigene w. : Snaar (de) = 
de steel der zeisen; 7McfZ (zuivere e, den I = hardhouten plankske, daar de 
zeisen op gewet wordt. Geh. S-Anfonim en Brccht. 

Kwanselen, hvanscJde, heh gclrwanseld. — P Zwalpen, heen en weer be- 
wegen, zwanselen, van vloestoffen gezeid : Houdt de kruik recht; zieg-et 
(ziet het) melk eens kwanselen! 2° Al klotsende storten of klassen : Houdt den 
eemer recht : ge A^(;aw5cZniet water er uit! Geh. St-Anionius. Z. De Bo, 
Schuerm. en Loquela, 1889, N"" 8, hlfz. 58. 

Sleeuw, de. — (Gewoonl. in 't meerv. gebruikt), de. — Knavel, handvat- 
sel der zeisen. Geh. Hcisi-fcn Berg en om Dat w. komt voor bij Ten Kate, 
Aenleiding, I, bl. 250. 

Zwans, de. —Zwalp, klets, klad water, melk, bier, enz. die ieverhands 
wii gezwansd, gezwanseld, gcklast is : Daar ligt een heele zwans melk op 
den grond. Geh. St-Antonius en Ealle. Z. Zivansen en zwanselen. 

Zwanselen, zwanselde, heh gcztvanseld. — 1° Zwalpen, heen en weer ge- 
schud worden, van vloeistoffen gezeid. 2" Al hutselende uitstorten. Geh. 
St-Antonius Qi\ Halle. ZicanseJcn \svi\t\)0\xw Nsai zivansen dat hetzelfde be- 
diedt. Z. ook De Bo en Schuerm. 

Zwansen, zwansde, heb gezwansd. — Z. Zivanselen. 

JOZ. CORNELISSEN. 



LIEDEREN. 

5. (Tl De Baard van Peke. 
I. ]l. 

Als peken over ziju onderdeur lag, En meken had nog wat vlas bewaard, 

koeli oeh : koelioeTi ; 

Daar kwam een(en) wind, zijnen baard vloog af, Ym zij spon voor peke 'nen anderen baard, 
Helder den beider van roeMjoektjoeli ; Helder den beider van roektjoektjoek , 

Daar kwam eeneu wind, ziju(en) baard \loog af, En zij spon voor peke 'nen anderen baard, 

koekoek. koekoek. 

(Antwerpen.) 



116 « Ons Volksleven. -> 



6. (8) Mieke. 
I. II. 

Als Mtekeu over haar onderdeurke lag-, Mieken is er uw iiioederke niet thuis ? 

Charreltje, magarrettje, mago ; Charveltje, magamltje, mago ; 

Als Miekeu over haar onderdeurke lag-, Mieken is er uw moederke niet thuis ? 

Charreltje, magarreltje, mago ; Charreltje, magarreltje, mago ; 

Daar passeerde een jonkman voorbij haar deur, Neen, Mijnheer, kom maar in huis, 

'k Weet hier, 'k weet daar, 'k Weet hier, 'k weet daar, 

Ratatiere, ratataar ; Ratatiere, ratataar ; 

Daar passeerde een jonkman voorbij haar deur, Neen, Mijnheer, kom maar in huis. 

Aldaar. Aldaar. 
111. 

Als Mieken haar raoederken uittle kerk kwam, 

Charreltje, •jiutgarreltje, mago ; 

Als Mieken haar moederken uit de kerk kwam, 

Charreltje, magarreltje, mago ; 

Dan nam ze er eeuen dikken stok, 

'k Weet hier, 'k weet daar, 

Ratatiere, ratataar ; 

Dan nam ze er eeuen dikken stok 

Aldaar. 

(Antwerpen) J. B. Vervliet. 



BOEKBESPREKING. 
Geschiedenis der Verwoesting van Brecht in 1584, met arinteekoinii- 
gen over den toestand der omliggende dorpen, alsook van een aantal andere ge- 
meenten van het Markgraafschap Antwerpen, in dit tijdvak, door J. Miciiielsen. 
2"' druk. — Brecht, L. Braeckmans. MDCCCLXXXIX. — Boekd. in 8» van 112 
bladz. — Prijs fr. 1. — 

Een werk dat wij met lof mogen vermelden, en waarvan de lezing oenen diepen 
indruk op ons maakte, is dat van den H' Joz. Michielsen, getiteld : Geschiedenis 
der Verwoesting van Brecht in 1584. 

Dat het verlangen naar goede, ernstige lezingen bij ons volk aangroeit, dat de 
studie onzer plaatselijke geschiedenis toeneemt en beoefenaars vindt, mogen wij 
gereedelijk besluiten uit het feit dat het besproken werk op twee jaren tijd uitge- 
put, en eene tweede uitgave noodzakelijk geworden was. 

Hier ook hebben wij te doen met het verhaal van feiten en gebeurtenissen op 
onwraakbare oorkonden gesteund, en zonder dewelke het meegedeelde ons eer als 
het behendig samenweefsel van ingebeelde voorvallen, dan als de onpartijdige 
maar onverbiddelijke geschiedenis zou voorkomen. 

De verwoesting van Brecht bleef tot heden bij het volk door overlevering be- 
kend ; doch die heillooze gebeurtenis ging met zooveel wanbedrijven gepaard, dat 
ze door de bewoners der streek aan de geduchte Noormannen toegeschreveu wierd. 

De tweede helft der XVP eeuw was een tijdvak van algeineene ramp voor ons 
vaderland. Oorlog, pest en dure tijd, moord, roof en verwoesting teisterden toen 



« Ons Volksleven. » 117 



onophoudelijk de schoone streken, dio eens de rijkste perel aan de Kroon van 
Spanje waren. Doch het waren vooral de dorpen onzer Kempen, on inzonderheid 
Brecht, die van den geesel des oorlogs te lijden hadden. 

Te recht mocht de H'' Michielsen, met de bewijsstukken in de hand, ueersc'irij- 
ven : «Hetgeen hier te Brecht en omliggende dorpen gebeurde, is en blijft eene 
« eeuwige schandvlek op den naam van Spanje. En de onpartijdige geschiedenis 
« heeft dan ook de stichters van !;1 die onmetelijke rampen, welke den ondergang 
« van zoovele dorpen bewerkten, met een onuitwischbaar brandmerk gedoemd. „ 

Men leze die gloedvolle bladzijden waarinde schrijver een meesterlijk maar 
bertverschcurend tafereel ophangt van de gruwelen, zoo door de Spaanschc als de 
Staatsche legers te Brecht en omstreken bedreven, en men zal moeten bekennen 
dat de oorlog, die tot zulken ijselijken sleep van jammeren aanleiding geeft, wel 
de grootste straf is, die God een volk overzenden kan. 

Wij danken den H^ Michielsen voor zijne merkweerdige verhandeling, die 
van een warm, vaderlandslievend hert getuigt. 

Zulke bladzijden uit onze roemrijke geschiedenis, het volk voorgelegd, zijn de 
beste middel om don afkeer voor vreemde overheersching en de liefde voor eigen 
heerd en zeden aan Ie wakkeren en levendig te houden, en om in tijden van ge- 
vaar, van burgeren boer, vurige vaderlanders en helden te maken. 

J. B. Ver VLIET. 

VRAGEN EN AANTEEKENINGEN. 

38. Eenige Volksbenamingen van Eerdappelen. — Ziehier eenige na- 
men die de Kempiscbe boer aan sommige eerdappelsoorten geeft : 

Potters waren bleekroode, overgroote eerdappels ; zij brachten maar 4 ol 5 
knollen aaa eenen struik voort. Herzelaars of Herzeleers waren blauw en wit ge- 
vlamd. Men sprak ook van Nietnv gesaaiden, dat waren blauwe eerdappelen met 
wittn putten, die geprezen wierden om hunnen fijnen smaak, en van Koeihorens, 
kromme langwerpige eerdappels in den vorm van eenen horen, en wit of rood van 
kleur. Het schijnt dat de opgenoemde soorten niet meer bestaan ; zij worden ten 
minste hier niet merr aangekweekt. 

Men kent nog Pülen, langwerpige rechte ee)-dappelen,rood of wit van kleur en 
goed van smaak ; NotenUad, zoo geheeten, omdat het loof niet slecht aan blade- 
ren van okkernoten gelijkt ; BijJcmaJcers , witte late die, gelijk do naam te kennen 
geeft, veel opbrengen en tot het voeden der dieren bestemd zijn ; en eindelijk 
Boodputters en Blauwputters, witte, eironde eerdappelen, fijn van smaak, met 
roode ol blauwe putten. 

Kent iemand nog andere benamingen ? J. C. 

39. De Smorfla. — Over eenige dagen is or tusschen twee families van Napels 
een gevecht ontstaan, ier oorzaak van een lang bestaanden haat. Van beide kan- 
ten werden de messen getrokken, en er was een doode en verscheidene gekw3tsteu. 

Na den slag vereenigden zich de bloedverwanten van het slachtaffer, om zijnen 



118 « Ons VOLKSLEVEN" 



moed te prijzen. Opeens zegde een vrouw, de zuster van den overledene : « Dat 
is eene goede gelegenheid om op de loterij te spelen. » De bedroefde familie keur- 
de haar gedacht goed. 

Meu raadpleegde aanstonds de Smorfia (boek waar de cijfers zijn aangeduid, 
voor elk incident in 't leven). De nummers werden op de loterij genomen en zijn 
inderdaad verleden Woensdag uitgekomen. De familie heeft 64,000 fr. gewon- 
nen. 

Di3 zaak heeft, naar het schijnt, te Napels groote opschudding verwekt. {Het 
Handelsblad van Antwerpen, 2* Bijvoegsel, 12 Juli 1890.) J. B. V. 

40. Modepoppen. — Men noemt ijdele menschen modepoppen. Koe komen 
wij aan die uiidrukking? Honderd jaar geleden bestonden er nog geen modejour- 
nalen of modcplaten. iMaar elke week vertrokken uit de rue St-Honoré te Parijs, 
waar de beroemdste modisten van dien tijd woonden, eenige poppen, bestemd voor 
Londen, Weenen en St-Petersburg. Ja, zelfs ging er eene naar dea harem van den 
Sultan. De mode kwam toen geheel en al uit Parijs, en de pop gaf aan, niet alleen 
hoe men gekleed moest gaan, maar ook het haartooisel, schoenen, handschoenen 
en hei parfum a la mode. Aan zulke poppen werkten meer dan vijftig handen en 
twintig verschillende kunstenaars. {Het Handelsblad van Antwerpen. Bijvoeg- 
sel, 30 Augustus 1890.) J. B. V. 

41. Met St-Magrietje gaat de processie op het Begijnhof te Lier en dan zeggen 
ze aan de kinderen : « Gaat zien, want al de begijntjes hebben eene levendige 
muis in hunne hand. « 

Wat heeft er aanleiding tot dat gezegde gegeven ? vraagt de Heer J. B. V. in 
Ons Volksleven, II, bl. 83. 

— Wel, dat het inderdaad aoo is !.... Hoe?... Gij lacht en zet me eene vuist, 
alsof ik u iets op de mouw wilde speten ?... Wel doe uwe vuist open en zie de « le- 
vendige muis )), die gij zelf er in houdt! Daar, dat vleezige deel van de palm 
uwer hand, onder den duim, dat heet de " muis » der hand. 

't Is dan een woordenspel dat steunt op de dobbele beteekenis van het woord 
muis: 1" Souris ; 2" Eminence thénar = dikte in de palm der hand, gevormd 
door een bundeltje spieren van den duim. Dat is de beteekenis die wij aan het 
woord hechten, volgens den uitleg dien wij uit der( mond van 't volk vernamen. 
Laat ons nu de Woordenboeken eens raadplegen. Callewaert. — Muis, v. der 
hand = muscle de la main, en i. v. Thênar = aftrekkende spier f. der band, — 
Van de Velde & Sleeckx. Muis v. van de hand = muscle de la main. — T/«e- 
Mar = bal. (Muscle — ), klopper (des duims) m. Aantrekspier (van den grooten 
teen) v. 

In de Duitsche boeken van Ontleedkunde spreken ze ook v.m « Daumenball, 
Thenar » en van « Kleinfingerball, hypothenar » d. i. de dikte in de palm der 
hand gevormd door een bundeltje spieren van den pink. « Hadriani Junii No- 
raenclator : in quo propria nomina omnium rerura Gallica Belgicaque linguis 
explicantur. Amstelreodami 1619» geeft op bl. 18 : « Thenar, carnosa pars manus 
inter policem et medium digitum. De muys. La souris. 



« Ons Volksleven. « 119 



Bïlderdijh in zijne « Geslachtlijst der Nederduitsche Naamwoorden n zegt : 
Muis van de band, m. als zijnde eigenlijk miiissel, van musculus. Waarom het 
meervoud ook muissen is, niet muizen. 

In " Hadr. Junii Nomenclator, « vind ik op bl. 12 « Musculus, De muys. Muscle » 

— « Torus, lacertus, lacertorum torus, pulpa. — Spiere ofte een liijse. (?) La 
souris, charnure, muscles de chair. m 

Het volk dat geen ontleedkunde kent, aanziet het bundeltje spieren van den 
duim als eene enkele spier en nog wel als de eenige spier (als het beste vleesch 

— pulpa — ) der hand. Zoo is de vertaling van tnuis door niuscJ e de la mam uit 
te leggen, ihenar en éminence thenar vf aren nochtans beter. In plaats van ihénar 
meteene omschrijving te vertalen lijk Callewaert doet, zou W!«5 daar beter op 
zijne plaats staan, dunkt ons. 

Muislap, muisJecr is een soort van halve handschoen, die schoenmakers, hoe- 
demakers, enz. aandoen om te naaien. Te Lier heeten ze dat handleer, in 't Fr. 
manique. 

Muiseling. Zie Schuermans. Miiiseling beteekent ook den vingerling of de 
hoos, die ze boven eenen zwerenden duim trekken om er pap of geneesmiddels op 
te houden. D' A. L. P. 



INHOUD VAN TIJDSCHRIFTEN. 

1. Volk en Taal, III, N'' 3. — Standi-egels voor eenen Vlaamschen Katholieken Landsbond. (X). 

— Bijdrage tot den Xederlandschen Taalschat. (A. van Heuverswyn). — Van den Boer en den Ad- 
vokaat. (Th. van Heuverswyn). Van het betooverd kasteel. (Fr. van Cauwenberghe). — Zoezeko- 
ten. — (K. van Danime). — Onze Vader. (R. Ervinck). — Van alle gelijk. (ld). — Van 'tMeetje 
en Sinte Pieter. (A. van Heuverswyn). Koeiersroepen. (R. ühesquiere). — D. O. M. (J. M.). — 
Protestanten in Zuid-Vlaanderen. (K. van Caeneghem). — De Fransche tijd te Oudenaarde. (ld.) 

— Van alles. Vraag. 

2. Biekorf, I, N*" 18. — Uit den ouden kinderlijd. — Karden uit den jager. (D.). — De Rouwe 
van de Bie'n. (Aug. Van Speybrouck). — Aloude geplogentheden der Vlaamsche Visschers, (Edw. 
Vlietinck) — Mingelmaren. 

3. Het Belfort, III, N" 9-10. — I. De vrouw in de maatschappij. (J.-V. Helvoort) — II, Aan 
een jongen Vlaming. (A. Joos). — III. Een jonge dokter. (Adriaaa). — IV. Het wijdingsfeest. (Dr 
H. Claeys, pr.). — V. Driemaandelijksch overzicht. fS. P.). — VI. Multatuli. — VII Congressen. 
(II ). — VIII. Het Vinkenpaar. (J. Fr. Van I iroogenbroeck). — IX. Boekennieuwsen Kronijk. 

4. Het Davidsfonds, III, N" 7-8. — De Bedevaart naar Mekka. (K. Lecoutere) — Boekbespreking: 
Zevende Jaarboek der lette rlitindige Vereeniging Jan Frans Willems. (Folkert). — Het leven van 
pater Damiaan, door R. Butaye. (J. F. Dehert). — De Kasten in Indië. (K. Lecoutere). — Feest 
van hot Davidsfonds. — Letternieuws. (Folkert). — Sterfgevallen (idem). 

5. De Student, X, N'" 6. — De Vlaamsche Beweging hitst de driften op. (A. Van den Kamhof). 

— Dat gaat mij niet aan. (Alex.). — Eigenbelang. (Wieling). — Ik mm mijne moedertaal. (Pirre- 
wit) — Zijn wij Vlaming in onze handelwijze ? (Koppes). — Een Zomeravond. (Rijkaard Ervinck). 

— Onze Leuze. (H. Van CL). — Kut der Gouwdagen. (Limburgsche Klauwaart). — 's Menschen 
leven. (Jozef). — Mengelingen. Gouwdag van Mecheleu. R. I. P. — Bladwijzer. 



120 « Ons Volksleven. » 



6. Volkskunde. — lil. — N"" 9.— De stoet der Reuzeu te Brussel (Pol de Mont). —Vertelsels : 5. 
De Student Tooveraar. — Sageu : Degezoukene klok. — De Ridder vau Ivevereuberg. — Boekbe- 
oordeeling. — Vragen en Aanteekeuingen. 

j^r 10. — Volkshumor in geestelijke zaken, door Aug. Gittée. — Onze Vlaamsche « Componis- 
ten » ofte Liedjeszangers, door Pol de Mont. III. ( Vervolg). — Vertelsels : Van het llaasken. (Pol 
de Mont). — Vragen en Aanteekeningen. 

7. Kempisch Museum. I. N"" 8. — Keurboek van ïongerloo. 1554 ; met het schepenzegel van Ton- 
gerloo, XV«, XVl"^ eeuw. (Fr. Waltman van Spilbeeck). — De eerste Windmolen van Gierle. (X.) 

— Grobbendonck tijdens de Fransche Omwenteling (P. J. Goetschalkx). — Turnhout Sauve- 
garde aan Turnhout. 1° Meert 1586. (P. Vues). — Hoogstraten Charters (S ). — Sinte Greef te 
Turnhout m 1451. (X.) — heerlijkheid Moergestel (Noord -Brabant), (A. A. Vorsterman van 
Oyen.). — De Heerlijkheden van het land van Mechelen. Duffel, Gheel en hunne heereu. (J.-Theo- 
door de Raadt) 

8. Zeilschrift für Volkskunde, II N"" 4. — Die Kosmogouien der Ariër. (Edm. Veckenstedt). — 
Sagen aus Westpreussen. (A. Treichel). — Sagen aus Hinterpommern. (O. Knoop). Die Verlob- 
ten. Aus Eupenin Zillerthal. (Ignaz Zmgerle). — Volkslieder aus Steiermark. (A. Schlossar). — 
Kinderspiele der Siebenbürgischen und Südungarischen Zeltzigeuner (iJiHeinrich V. Wislocki). 

— Besprechungsformeln der Rumaneu in Siebenbui-gen. (Robert Prexl). — Aberglaube aus dem 
Altenburgischen. (E. Pfeifer). — Bücherbesprechungen (von Aug. Gittée, D' Brauns und W. 
Tille). — Zur Bücherkunde. 

1^'r 5. — Die Kosmogouien der Ariër. (Edm. Veckenstedt). — Sagen aus Hinterpommern. (O. 
Knoop). — Volkslieder aus Steiermark. ( X. Schlossar). Albanesische Lieder. (E. Mitkos. Deutsch 
von J. U. Jarnik). — Kinderspiele der Siebenbürgischen und südungarischen Zeltzigeuner. (D"" 
Heinrich v. Wiislocki). - - Besprechungs formelu der Rumauen in Siebeuburgen. (Robert Prexl). 
Alberglaude aus dem Altenburgischen. (E. Pfeifer). — Bücherbesprechungen. (Èdm. Vecken- 
stedt). — Zur Bücherkunde. 

N*" 6. — Die Kosmogouien der Ariër. (Edm. Veckenstedt). — Sagen aus Hinterpommern. (O. 
Knoop). — Kinderspiele der Siebenbürgischen und südungarischen Zeltzigeuner. (O"" Heinrich v. 
Wiislocki). — Patengeschenke in Wallonien. (Aug. Gittóe). — Aberglaube aus dem Altenbur- 
gischen. (E. Pfeifer). — Bücherbesprechungen. (Edm. Veckenstedt). 

K*" 7. — Einige Erzahlungen des Giovanni Sercambi (Giuseppe Rua). — Der starke Hans. Eine 
Reihe mythischerVolksdichtungen (ThcodorVernaleken). — Albanesische Marchen und Schwanke 
(J. U. Jarnick). — Weihnachtslicd (Ignaz Ziugerle). — Deutsche Volkslieder aus Steiermark. 
(A. Schlossar). — Volksratsel aus der Provinz Pommern (Archut). — Bücherbesprechungen (Edm. 
Veckenstedt, D. Brauns und O. Knoop). — Zur Bücherkunde. 

9. Revue des Tradilions populaires, V, N"" 8. — Qaelques proverbes frangais du X V" siècle. (Raoul 
Rosières). — Chaut de moisson du Morvan. (Julieu Tiersot). — Les Mollusques. (Paul Sébillot). 
— Extraits d'ancieus articlcs auglais rt-latifs au Folk-lore. II. Préface de Richard Price a 1'his- 
toire de la poésie auglaise de Warton. (Loys Brueyre). — Les villes disparues. I. Le Lemps, tradi- 
tion poitevine, (Lcon Piueau). — Allusious k des coutes populaires. UI. (René Basset et Paul 
Sébillot). — Les Traditions populaires et les écrivains francais. VI. Les Noels de la Monnoye. (F. 
Fertiault). — Moeurs et coutumes de mariage II!. Chez les Permiens. (Léon Sichler). — Extraits 
etlectures. Le Saniedi saintaCuba. (A. Certeux). — bibliographie. (P. S.). — Périodiques et 
journaux. — Notes et enquêtes. 

K*" 9. — Astrologie des Annamites : prévision du temps et des événemeuls politiques par 1'exa- 
men du Soleil, de la Lune et de la Graude-Ourse (G. Dumouticr). — Les Mines et les Mineurs. V. 
La bonne et la mauvaise chance. Yl. Coutumes. — Additions (Paul Sébillot). — Le Rossignol 
messager, versions du Morvan (Julien Tiersot). — Superstitions auvergnat 's. Cautal (Antoinette 
Bon). — Les Chants héroïq les au peuple russe (Michel de Crouskoff). — Les Sociétés des Tradi- 
tions populaires. Société allemande (P. S.). — La Chanson de Bricou. I. (Roné Basset). — II. 
Biquette, randonnée poitevine (Léon Pineau). — HL Biquette, ronde normande (L. de la Sico- 
tière). — Les ('alendriers des illcttrés. Calendrier breton. V. (A. Certeux). — Les Crustacés (Paul 
Sébillot). — Une Fable de Floriau et le Mythe d'Orion. 111. (René Basset). — La Houlangerie et 
le pain. Questionnaire (P. S.). — Le long hiver. 111. Vei'sion poitevine (Léon Piueau). — Les 
Haricots (F. Fertiault). — Traditions et Superstitions de la Sarthe. 11. (M"'o Dristriché) — Saint- 
Blaise. lil. (V. Bogisic). — Lejoli Meunier, chanson de la Haute Bretagne (M'"« Paul Sébillot). — 
Transformation des Légendes, des Anecdotes, eti-. 1. Ne rieu dire et u'en penser pas moins, 11. La 
légende de St-Christophe (A. Dcsrousseaux). — Les Oiseaux en Poitou(Léon Pineau). — Necrologie 
(P. S.). — Bibliographic(P. S.). — Périodiques et Journaux. — Notes et Enquêtes. — Platen: 
Figures d'un grimoire de sorcier annamite (8 teekeningon). — Un ancien calendrier breton. 



ONS VOLKSLEVEN. 



Antwerpsch-Brabantsch Tijdschrift 

voor Taal en Volksdichtveerdigheid , 

voor Oude Gebruiken, Wangeloof kuude, 

enz. Int wel f nommers van tn-elf bladzijden 

in $". 

Te Brecht, 

bij L. Braeckmans. 




" Er is nog een rijke oogst op het veld 
der gewestspraken voorhanden ; veel 
volksuitdrakkiugen dreigen te verdwij- 
nen die ora hunne juistheid, schilder- 
achtiffheid of oudheid verdienen in de 
schrifttaai opgenomen en bewaard te 
blijven, d 

Zuid-N EDERLANDscHE Maatschappij 
VAN Taalkunde, Wedstrijd 181 A. 

«De studie der folklore heeftvoor doel 
ons volk in zijne eigenaardige zeden en 
gewoonten, in zijn innig geloof en karak- 
ter te leeren kennen, in één woord, het 
volk zooals het is. » 

Vraagboek over Vlaamsche Volkskunde. 



VOLKSGEBRUIKEN IN DE KEMPEN. 

VolksjereclilijlieiJ. 

3. (12.) Het Ploegtrekken. 

Dat de echttrouw en de goede zeden altijd duurbaar aan het Dietsche volk 
geweest zijn, getuigende straffen die onze voorouders op de overtreders 
toepasten. 

Alzoo, eenen dronkaard plonste men in liet water, totdat hij soms verstikte, 
en de vrouw die heuren man had durven lasteren, deed men verkeerd op 
'nen ezel zitten, met den steert van Langoor in- de hand, en men reed er 
heel de stad of het dorp mee rond (i). 

Schandelijk ook waren de straffen die het volk aan zedeiooze vrouwen 
en oneerbare jonge dochters uitdeelde. 

Men verhaalt dat er te Loenhout, tijdens de Omwenteling van 't jaar '30, 
een meisje was dat de soldaten naliep. Vermaningen en berispingen van 
ouders en andere lieden waren te vergeefs : de lichtvink wou naar geenen 
goeden raad luisteren. Toen besloten de jonge mannen van 't dorp de plich- 
tige eene voorbeeldige straf toe te passen. Wat deed men ?... Men bond de 
lichiekooi een zeel onder de armen en men sleurdeze herhaalde keeren door 
eene moddergracht. Toen dit nog niet hielp, dolf men eenen kuil, men zette 
er de eerlooze in en... men begroef ze levend?... Neen, waneer de put zoo diep 
was dat zij er tot aan de armen in staan kon, liet men ze neer, en men vulde 
den kuil aan met eerde die men vervolgens vaststampte, totdat de getrafteals 
een boom in den grond geplant stond. Eerst na verscheidene uren, wierd 
zij uit haren lastigen toestand verlost en schandelijk van daar verdreven. 

(1) Dat volksgebruik bestond elders als rechtsgebruik. Een enkel voorbeeld willen wij aanha- 
len. In Hessen was het de gewoonte, waneer eene vrouw haren man mishandeld had, dat zij 't 
achterste voren op eenen ezel moest gaan zitten, met den steert in heure hand. Zoo wierd zij, 
voorafgegaan van eenen hellebardier, rond de stad geleid, ouder het gejouw der toegestroomde 
menigte. Dit gebruik, hetwelk van uit de Middeleeuwen dagteekent, is nu gansch verdwenen. 



122 « Ons Volksleven. » 



Nu vindt men bij het volk zulke gewoonten van onmiddellijke strafuitvoe- 
ring niet meer, want de openbare macht is er eindelijk in gelukt ze te on- 
derdrukken ; maar over honderd jaar en meer, waren er van dergelijke ge- 
bruiken nog veel in voege. 

Zoo leefde er eertijds in onze heidedorpen een gebruik dat, thans ook ver- 
loren gegaan is, maar dat over eeno eeuw en later nog, zoo diep in de volks- 
zeden geworteld zat, dat het gerecht de strengste straffen heeft moeten aan- 
wenden om het uit te roeien. Ik bedoel het pïoegtrclhcn. 

De man die met zijne vrouw in oneenigheid leefde en haar mishandelde, 
de echtgenoot die zijne plichten vergat jegens zijne vrouw, wierden in de 
spinning veroordeeld tot hei ploegtrcJdcn — dat is, dat de plichtige, in plaats 
van peerd of os, voor het werktuig gespannen wierd en, door de stokslagen 
der vrouwen gedreven, een bepaalden afstand van den openbaren weg 
moest doorploegen. Vooral moest de baan langs het huis der wreed mis- 
kende echtgenoot e loopen (i). 

Op den avond die tot het uitvoeren der straf bepaald was, kwamen de 
vrouwen bijeen, gewapend met stokken en bessemstelen om den gevonniste, 
mocht hij wedorspannig zijn, te dwingen tot het onderstaan zijner straf. 
Eenige sterke kerels stonden te loeren op den weg langs waarde plichtige 
moest voorbijkomen, zij grepen hem onvoorziens vast en leverden hem in de 
handen der vrouwen. Dan zag men dikwijls een schouwspel dat geene pen 
kan beschiijven. De wijven maakten zich meester van den ongelukkige en 
sleurden hem als razende duivelinnen naar de lieni wachtende ploeg. De 
veroordeelde veidcdigde zich met woede, maar al zijn tegenstand had geen 
ander uitwerksel als de wiaakzucht der vrouwen aan te vuren. Hief hij den 
arm op om te slaan, seffens vielen de stokslagen gelijk hagel op hem neer ; 
liet hij zich vallen, hij wierd baldadig omhooggesleurd ; gelukte hij er in 
uit de klauwen zijner jjijnigsters te ontsnappen, men liep hem ijlings na, en 
men bracht hem terug naar de plaats waar de ploeg stond. Die marteling 
duurde dikwijls geruimen tijd, totdat eindelijk de weei'barstige aan zijn 
foltertuig gespaiinen stond. Daarmee hielden de mishandelingen echter nog 
niet op ; dikwijls gebeurde het dat de veroordeelde v,eigerde eenen voet te 
verzetten, doch dan dwongen hem nieuwe stokslagen tot de straf, die hij 
onder het smadelijk lachenen dehoonende schimpwoorden der aanwezigen, 
tot het einde moest doorstaan. 



4. (13.) Bellemerkt houden. 

In veel streken van de Kempen bestaat het gebruik nog van eene ontuch- 
tige vrouw met een «serenade» in ketelmuziek te « vereeren » (?). Des 
avonds vergadert eene huilende en gillende bende vóór het huis der vrouw 

(i) D"" A. Snieders. I7i 7 vervallen Huis : De Ooievaars. 



« Ons Volksleven. » 123 



en maakt er muziek op allerhande wonderlijke speeltuigen, 't Is een getoe- 
ter en geblaas op spuiten en horens, een oorverdoovend lawijt op blekken 
potten en pannen, op eeraers en houten schelen, een gerinkel en gebommel 
op ijzeren schalen en koperen ketels, afgewisseld door gehuil, geroep, ge- 
tier, gebulk, gebleet, gefluit, gesis, gemauw, gelal, waarbij een mensch 
hersenen en zinnen zou verlieren. Dat vermaak heet « beUemerJct houden, » 
« ketelmuzic'k maJccn, « houien en lleMcn muzieh spelen, » iemand uitpannen, " 
schraminJcel jagen, » enz. Joz. CoRNELissEN. 



RIVIEREN, PUTTEN, FONTEINEN, BRONNEN, 
ONDIEPTEN, enz. 

IV. 

GEESTELIJKE LEGENDEN. 

1. Te Aalst viert men de feest van O. L. Vrouw ter Druiven. De kapel die 
dezen naam draagt, is, volgens de overlevering, het oudste gel)ouw der stad. 
Zij kreeg haren naam van de volgende gebeurtenis. In de VIP eeuw over- 
stroomde de Dender een gedeelte der stad en terwijl de inwoners Onze Lieve 
Vrouw aanriepen, zag men een Lieve-Vrouwebeeld, dat op wijngaardran- 
ken lag, komen aandrijven. Op denzelfden oogenl)lik dat men het beeld op- 
vischte, vloeide het water in de bedding der rivier terug. In 081 bouwde de 
H. Amanduseene kapel op die plaats. (B'*" de Reinsberg, Calendrier beige, 
I, bl. 189.) 

2. De inwoners van Hoei, verhaalt men, hadden fel te lijden van eene bui- 
tengewoon groote slang, die met beur venijn het water eener bron besmet- 
te. Zij namen hunne toevlucht tot den bisschop Domitianus, sedert dien pa- 
troon van Hoei, die hen, door zijne voorspraak, van dien geesel verloste. 
Eertijds schreef men aan het water dier fontein eene koortsverdrijvende 
kracht toe. 

3. Te Maltebrugge, een dorp gelegen op den weg naar Kortrijk, een 
kwaart uurs van Gent, staat, op den boord van eenen vijver, eene kapel aan 
het H. Sacrament toegewijd. Drij boosdoeners die te Kortrijk heilige Hos- 
tiën geroofd hadden, vluchtten naar Gent. Onderwege ontmoetten zij eene 
kudde schapen die op hunne knieën vielen, zoohaast zij de heiligschenders 
zagen voorbijgaan. Vol schrik en angst wierpen de booswichten de heilige 
Hostiën in den vijver, waarvan wij hooger spraken. Sedert dien tijd heeft 
men daar eene kapel opgericht en eene jaarlijksche novene ingesteld, die 
eene groote menigte volks aantrekt. Iedereen drinkt water uit dien vijver 
om de wonderbare eigenschappen die het bezit, 

4. In zijne Niederlandische Sagen, bl. 663, verhaalt D"" Wolff eene zonder- 
linge legende over de kerk van Assche (in Brabant). De inwoners twistten 
over den keus van eenen patroon voor hunne kerk : de ouderen wilden Sinte- 
Peeter, terwijl de jongeren voor Sinte-Merten stonden. Dat duurde zoolang, 



124 « Ons Volksleven. » 

dat men besloot de beelden der heiligen in een water te werpen. Sinte-Mer- 
ten behaalde den prijs, daar hij het langste boven water bleef. 

5. Eene dergelijke legende vinden wij in 't Daghet in den Oosien, II, bl. 37. 
Daar was spraak van te Zonhoven eene nieuwe kerk te bouwen en eenigen 
wilden Onze Lieve Vrouw, andere Sinte-Quinten voor patroon hebben. Men 
lei de twee beelden boven aan in de beek die neven de kerk loopt, en die de 
eerste aan de kerk zou aankomen, zou patroon zijn. En Sinte-Quinten weer- 
de zich zoo dapper, dat hij vóór Ons-Lievrouwken aankwam. 

G. De IJssche, die een weinig boven Groenendaal ontspringt, veroorzaak- 
te eertijds gedurig ongelukken aan de oeverbewoners, In 1395, bij een plot- 
seling wassen des waters, verdronk Broeder Lodewijk van Velthem, terwijl 
hij een kind wou redden, In den eerste kon men zijn lijk niet weervinden, 
maar den volgenden nacht, gedurende de Meiten, kwam eene lichtzuil bo- 
ven de plaats staan, waar de stroom hel lichaam had aangespoeld. (Van 
BivoORDE. De inventione Corporis frairis Ludovici de Velthem, apud Paquot, 
III, bl.487.) 

7, Gedurende haar verblijf te Chiny (in Luxemburg), bezocht Mathildis, 
weduwe van Godfried met den Bult, de vreemde kloosterlingen, uit Cala- 
brië gekomen, die zich gevestigd hadden in eene woeste vallei, alwaar zij 
later de beroemde abdij van Orval stichtten. 

Eens dat de hertogin (i) hare handen in eene klare fontein wiesch, gleed 
haar trouwring van haren vinger en viel in 't water. Welke moeite men 
ook aanwendde om hem weer te vinden, niets mocht baten. Bedroefd 
over dit verlies, kloegzij heur verdriet aan de Benedictijnen en deze rieden 
heur de H. Maagd te aanroepen en heur met betrouwen te bidden. Zij deed 
zulks en groot was hare vreugde, toen zij eenen visch naar heur zag toe- 
zwemmen, die den kostbaren ring terugbracht. Opgetogen van bewonde- 
ring en vol dankbaarheid, riep zij aanstonds uit : « Gelukkig dal ! dat 
mij het goud teruggeeft dat ik zoo zeer betreurde, voortaan zult gij Gouden 
Dal (Val d'Or =. Orval) heeten. (Bertholet. Hist. ecclésiastiquc et civile du 
ducJié de Luxenibourg.) 

8. In 1460 begon men de vijvers te delven van het klooster te Scheut, on- 
der Anderlecht. Weinig tijds nadat zij waren gegraven, was Broeder Herman 
Coolsmet eens in eene diepen meditatie verslonden. Eensklaps stijgt een 
verward gerucht uit de vijvers op. 't Was het gekwaak van eene menigte 
kikvorschen, die de godvruchtige overpeinzingen van den vromen monnik 
kwamen storen. Herman bevool hun te zwijgen en de plaats te verlaten. 
Oogenblikkelijk wierd hij gehoorzaamd, en zoolang het klooster (der Kar- 
tuizers) bestond, zag men geene vorschen meer in de vijvers van Scheut. 
(A. Wauters. Rist. des env. de Bruxelles, I, 43-44.) 



(1) Op dat tijdstip bestond het klooster nog niet ; de Benedictijnen bewoonden eenige cellen, 
die rond eene kleiue bidplaats vau de H. Maagd gebouwd waren. 



« Ons Volksleven. » 125 



9. Om aan de vervolgingen van Karel te ontsnappen, verschool de H 
Amelbergezich cc Vilvoorde. O]) zekeren morgen, zegt de legende, bevool de 
heilige die bij eene vriendin woonde, aan licure gastvrouw een weing water- 
kers to gaan plukken, 't Was dit kruid met een stuk brood dat haar mor- 
gendeten uitmaakte. De vrouw gehoorzaamde, maar, aan de rivier geko- 
men, scheen een buitengewoon groote viscli zich op haar te willen werpen- 
Zij verschrok en op heure angstkreten kwam St-Amelberge toegesneld. 
Deze, in plaats van te verschrikken, zeide haar : « Roept eenen knecht en 
keert terug naar de rivier ; 't is een visch dien God ons voor ons eetmaal 
zendt. " Inderdaad, men vong hem zonder moeite en Amelberge dankte den 
Gever van alle dingen. (B''" de Villenfagne. Blclanges liist. et litt. U. 176). 
('t Vervolg/.) Alf. Harou. 



VERTELSELS. 

A. — Dierensprookskes. 

17. (27.) Van den Vos en den Haan. 
I. 

De vos had al zoolang geluimd, om den haan van Boer Jan te knippen, 
maar jawTl, dat was gemakkelijker te denken als te doen. Onze haan had 
bek en sporen om Meester Vos te ontvangen. - En toch zal ik hem krijgen, " 
dacht Rein, •• is 't niet met geweld, dan toch met list en bedrog. » Geslepen 
komt voske daar aan gewandeld : « Haantje lief! -^ roept hij, wat kraait ge 
toch schoon, ik hoor u eene uur tegen wind, ge hebt een stem als een klok! 
Maar zegt mij eens, is het waar dat gij blindelings niet meer kunt kraaien 
als een kieken ?... Men heeft mij dat voor de vaste waarheid gezeid. » — 
«Och Heer! « lachte de haan, » du slimmerik, wat dat ge u toch op de 
mouw laat speten !... Zie liever en hoort. « De haan nijpt zijn oogen toe, en 
knap ! zegt de vos en hij met Koekeloeris naar 't bosch toe ! En met den 
buut in zijn bakkes, draaft hij neven de schuur daar Boer Jan aan 't dor- 
schen is. '• Padopen ! r, zei Jan, ^ daar loopt de vos met mijnen schoonsten 
haan eweg ! » Hij speelt zijn klonen uit en op zijn slobben met den vlegel 
in de hand, vliegt hij den kiekendief achterna. De haan, vreezende dat Boer 
Jan hen allebei met zijnen vlegel gaat verpletteren, zegt tegen den vos : 
" Roept gauw dat ge mij gevens-gevens gekregen hebt. « — « Ik heb hem 
gevens-gevens gekregen ! « riep de vos, maar mei dat hij zijn bakkes moest 
opendoen om dat te zeggen, vloog de haan weg en was verlost. « Men klapt 
al, « zei toen de vos, « en men zweeg beter, « — En de haan : <- Men kraait 
al, en men keek beter. « 

(Gehoord ie Beiliy ) Meegedeeld door 

Merten Corthoor. 



126 « Ons Volksleven. « 



II. 

Op zekeren dag had de vos 'nen haan gepakt en kwam er blijmoedig mee 
neven den meuleii gedraafd. De mulder, die hem van op zijnen meulen zag, 
riep hem toe: «Zoo Reinaart ! ge li ebt lijk mijnen haan gestolen!» De 
haan, die dat hoorde, zei tegen den vos : ^ Zegt dat hij het liegt. « De vos 
deed zijn bakkes open en riep zoo hard hij kost tot den mulder : « Ge liegt 
het ! ^ Maar de haan maakte van deze gelegenheid gebruik om uit den vos 
zijnen muil te ontsnappen en in eene haag te vliegen. Daar begost hij te 
kraaien en den vos uit te lachen. Deze die zag dat hij gefopt was, liep er met 
hangenden steert en al grollende van door. 
[Gehoord te Westmalle.) 

18. (28) Nog van den Vos en den Wolf. 

De vos wist dat er bij 'm^n boer waar hij dikwijls kiekens stool, een ge- 
heele oven vol gebakken winterperen lag. Hij gaat er naartoe en kruipt in 
den oven. Nauwelijks hoett hij eenige peren opgeëten, of de boer komt 
met 'nen dikken kluppel voor den oven staan en zegt : " Nu heb ik u dezen 
keer wel dicht, eh manneke ? ^^ — « Ja, pachter, als hier achter geen gat en 
was,» antwoordt de slimmerik. Terwijl de boer naar dat gat gaat zien, vlucht 
de vos langs den ovenmond weg. Hij komt den wolf tegen en zegt : « Ik 
weet iet, jongen ! Bij genen boer is een heele oven gebakken peren. Kruipt 
er in en als de boer komt, zegt dan : ,Ja, pachter, als hier achter geen gat en 
was. De boer zal naar dat gat gaan kijken, en dan loopt ge langs voren 
M^eg. » De wolf ging er naartoe en zat al in den oven, als de boer terugkwam : 
" Nu zult ge me niet meer ontsnappen, kerel ! » zei de boer. — « Ja, pach- 
ter, als hier achter geen gat en was, » zei de wolf heel bedaard. « We ken- 
nen die streken, » sprak de boer. En de wolf, och arme ! moest het voor 
den vos bekoopen. 

[Gehoord te Westmalle.) Joz. Cornelissen. 

B. — ïan waar soininige Dingeo komen, 

19. (29.) De Oorprong der Kleermakers. 

Onze Lieve Heer was met Adam in 't Aardsch Paradijs aan 't wandelen, 
toen hij opeens met zijnen voet 'nen hoop peerdendi'ek wegschupte, terwijl 
hij vergramd riep : 

Hips liederlijn, 

Kaal en hoovcerdig zult gij zijn ! 

En er kwam een kleermaker uit m(^t persijzer en scheer. 
{Gehoord te Oostmalle.) Meegedeeld door Coqueligot. 

20. (30.) Waarom de Kwakkel geenen steert en heeft. 

De schrijver (i) hield herberg en de kwakkel kwam eens een pintje drin- 

(1) Grunsel. 



« Ons Volksleven. « 127 



ken. Maar als 't op betalen aankwam, had ze geen geld en ze wou langs het 
mozegat wegslibberen. De schrijver had het lijk in de mot, hij pakte de 
kwakkel rap bij den steert en trok, trok !.. De kwakkel spartelde om los te 
gerak'Ui en zo spartelde zoolang, totdat heure steert uitschoot en in de han- 
den van den schrijver bleef. S'^dert dien tijd hebben de kwakkels geenen 
steert meer en roept de schrijver : Het ijchl, hef fjehl van mijn hier f terwijl de 
kwakkel klaagt : Wat q^ijt me dit f ivat .^pijf me dü ! (Omdat ze heuren steert 
kwijt is.) 

[Gehoord te Westmalle.) 

21. (31.) Waarom de Tortelduif « Rpe-te-koe » roept 
en de Ekster lacht. 

De ekster en de tortelduif wedden eens voor eene koei om te weten wie 
van hen beide den schoonsten nest kost maken. De ekster maakte er 'nen 
heelen schoonen, van binnen diciit en met schoei er op ; de duif lei enkel 
eenige takskes bijeen. De ekster won natuurlijk de wedding en de duif was 
de koei kwijt. Nu roept de tortelduif nog altijd op die koei : " Ruc-te-koe ! 
roe-te-Jioe ! r, dat wil zeggen " roode koe ", en de ekster lacht dat ze schet- 
tert, als ze de tortelduif ziet. 

(Gehoord te St-Anto)iiHS en fc Westmalle) Joz. CoRNELISSEN. 



EEN WOOSD OVER DE GILDEN. 

Eene der schoonste bladzijden uit het leven onzer voorouders is wel zeker 
de geschiedenis onzer Gilden. 

Geene instelling heeft in ons volksleven dieper sporen nagelaten, of eene 
meer voorname rol vervuld ; geene ook levert aangenamer herinneringen 
op aan het verleden, aan dien goeden ouden tijd, waarvan men ons zoo dik- 
wijls verhaalde, en waarvan de eenvoudige zeden en gewoonten nog menig- 
maal het onderwerp Viin hoogst belangrijke studiën maken. 

Het is in de geschiedenis der gilden dat wij het best den aard en de le- 
venswijze, de zeden en gewoonten onzer vaderen leuren kennen ; 't is voor- 
al in de oude gildeboeken, -brieven en -handvesten dat wij menige merk- 
weerdige bijzonderheid, menig wonderlijk gebruik, dikwerf ook de oplos- 
sing van taal- of geschiedkundige raadsels vinden kunnen. 

Te recht dan ook zeide Halbertsma, de geleerde en alleszins bevoegde 
Friesche taal- en oudheidkundige, dit onderwerp behandelende: 

« Een opmerker van gevoel en smaak, die in den waren volksgeest onzer 
voorouders wil dringen, heeft dikwerf meer aan eenige oude charters in 
hunne naïve taal geschreven, dan aan honderden bladzijden van een ge- 
schiedschrijver, die aan de schors hangt hunner lotg'^vallen. De meeste ge- 
schiedschrijvers kennen noch den geest noch de kleur der eeuw, welke zij 
beschrijven, omdat zij wel de groote staatsgebeurtenissen, maar niei het 



128 « Ons Volksleven. « 



huisselijk leven, noch de beginselen noch de taal en de uitdrukkingswijze 
der burgers kennen. » (i) 

Die enkele aanhaling bewijst genoeg vagi hoeveel belang het is, de oude 
stichtingsbrievon en andere stukken, die do gilden betreffen, openbaar te 

maken. 

Dank aan de welwillendheid van den onvermoeiden schrijver en oudheid- 
kundige, den H'' J. Theod. de Raadt, wien wij hier openlijk onzen dank be- 
tuigen, zijn wij heden in staat gesteld zulk een stuk mee te doelen, namelijk 
de hernieuwde standregelen of de giftbrief der gilde van St-Sebastiaan, te 
Berlaer (bij Lier). 

Den akt, bij vergunning van Keizer Karel V afgeleverd, en gedagteekend 
te Mechelen, den 26" April 1526, laten wij in zijn geheel volgen. 

J. B. Vervliet. 

* 

Af * 

HERNIEUWDE STICHTINGSBEIEF 
DER GILDE VAN ST-SEBASTIAAN TE BERLAER. 

Kaerle enz. Allen den ghenen die desen onsen brief zullen zien saluijt. 
Van wegen die hooftman, deeken, gezworen ende gemeene gildebrueders 
der bruederscap van Sincte Sebastiaen des dorps van Berllaer gelegen in on- 
se lande van Mechelen is ons verthoont ende te kennen gegeven geweest hoe 
dat de voirs. gilde oft bruderscap over hondert jaere ende meer inne gestelt 
ende opgeset is geweest in den voirs. dorpe van Berlaier ende tot onderhou- 
denisse van diere zijn de voirs. ihoenders ende hure voirsaten verleent ge- 
weest zekere ordonnantien ende statuijten daer van zij thoenders ende hure 
voirs. voirsaten in de voirs. bruderscap zekere langen tijt rustelijc ende 
vredelijc geniet ende gebruijct hebben gehadt, maer overmits dat die brie- 
ven hen hier voirtits daer op verleent duerende de veede ende oirloge die hier 
voirtijts geregneert hebben, verbrant oft anderssins vervreempt zijn ge- 
weest, soe en souden deselve thoenderen die voirs. gulde oft bruderscap 
voirtaen nijet dorren oft willen continueren noch gebruijcken van den sta- 
tuijten ende ordonnar.tien hen daeromme verleent sonder alvooren daer op 
ons oirlof ende consent te hebbenen, ons zeere ootmoedelijc daeromme 
biddende, soe eest dat wij de saicken voirs. overgemerct ende hier op gehadt 
'tadvis van onsen welbeminden rentmeester van onsen lande van Mechelen, 
Didier Boisot, den voirnoemde supplianten genegen wesende tot huerlie- 
der bede ende suppbcatie hebben geconsenteert, geoctroijeert ende geac- 
cordeert, octroijeren, consenteren ende accordeien hen, gevende oirlof ende 
consent vuijtonse zonderlinge graden bij desen dat zij voirlaen mogen con- 
tinueren ende zoe verre alst van nood zij van nijeuw stellen ende insetten 
de voirnoemde gilde ende broederscap ter eeren gods eiide mijne hoere 
sincteSebastiacn ende omdat zij deselve bruederscap te bat mogen onderhou- 

(1) üverijsselBche almanak voor oudheid en letteren ; 1840, bl. 184, 185. 



« Ons Volksleven. » 129 



den, zoe hebben wij hen daertoe verleent, gestatiieerl ende geordonneert 
die punten ende articiilen hier nae gescreven, te weten : In den iersten, dat 
zoo wanneer eenige van den selven gildebriieders commen sal van levende 
live ter doot ende men zijn viiijt (i) doen zal, zoe sullen die vrinden van den 
dooden gehouden wesen, den cnaepe van der voirs. gulde te besorgen twee 
stuvers eens, daer van den eonen wesen sal voir den selven cnaepe ende den 
andere voer den deken gezworen,ende die andere gemeene gesellen ordineren 
zullen eenige cledingeomeerlijckeendeschutterlijcketetreckenne in eenige 
plaessen zoe zuilen die voirs. gesellen hen dacr toe schicken ende die ten 
dage dio men hen noemen sal, gereet wesen ende met hen hebben een en 
boge ende een halve douzijne geschuis op die verbuerte van twee scellingen 
Brabants. Item zoe wanneer dat men van der gulde wegen eenige vergade- 
ringe maken zal, hetzij op den dach dat men den vogel schiet oftop SenteSe- 
bastiaens dach oft eenigen anderen dach ende eenigen van den selven gilde- 
bruedeis daer nijeten comen helpenen die gulde eeren ende comende niet 
eeten ende drincken, die zullen mede betalen ende gelden al oft zij daer 
present geweest hadden, ten zij datse wettige nootsaicken konnen getoo- 
gen. Item zoo wanneer dat men 's hoofmans, dekens ende gezworen wegen 
gebieden zal, den vogel te schietenen, soe sal hem een ijegelijc gildebrue- 
der onder den vogel vinden ten genoemden daghe ende mede schieten, op dat 
hij egheen gebreck en heelt, en mede der maeltijL gaen op die verbuerte van 
eenen sceliinck Brabans. Item oft gebuerde dat ijemandt vuijt deser gulden 
gaen wilde die sal comen op Sincte Sebastiaens dach in presencien van den 
deeken ende gezworen der voirs. gulde ende daer betalen twee stuvers met 
oyc alle die costen die hij tot dijre uren in de geselschape voirs. schuklich zal 
wesen ende zoe wijen op dien dach nijet vuijt, engaet die sal gehouden zijn in 
alle costen die de gesellen bijnnen dien jaere den boghe aengaende doen 
zullen sonder verdrach. Item dat die gezworeii van de zelver gulde zul- 
len dienen twee jaeren lanck ende gehouden wesen den deeken ende ge- 
meenen gesellen van jaere te jaere goede rekeningen ende bewijs doen van 
hure administracie ende waer dat eenicli ghilde bruders van den hooftman, 
deken, ende gemenen gesellen gecocen werdde om gesworen te zijne ende 
hij hem daer inne rebel maichte en des nijet doen wilde, zoe sal hij verhu- 
ren vijf scellingen brabants ende boven dien staen ter correxien van den 
hooftman, deeken ende gemeene gesellen. Item zoe wanneer dat hooftman, 
deeken ende gesworen ordonneren eenighe cledinge, soe sal men dat altijts 
publiceren, in de kercke op Sincte Sebastien/s dach, om die gereet 't hebbe- 
nen goets tijts voer sinxtene ende sal een ijegelijc gehouden zijn te achter- 
volgen die ordonnancie sulcx als die geordineert sullen wesen op die ver- 
buerte van der hoechstei- boete. 
Item waer 't dat eenich gildebrueder contrarie viele tegens die ordonnan- 

(1) Uijtvaert. 



130 « Ons Volksleven. » 



cie ende ceiiige opsprake deden op die deken, ende gezworen bij onbeschede, 
die sal staen tor correxien van den voirs. deken, gezworen ende gemeene 
gesellen. 

Item sullen die supplianten alle jaere mogen halen op. den meijemont oft 
daer omirent eenen eisen oft bereken meije bijnnen den voirs. dorpe van 
Berlaer naar die oude costume bij consonte nochtans ende oirlove van on- 
sen voirs. rentmeester ende naecomelingen in zijne officie ende anders nijet. 

Item dat men niemant in de voirs. gulde sal mogen nemen ende ontfan- 
gen dan bij consente van hooftman, deeken, gezworen ende gemene gesel- 
len van dij er. 

Item in dien eenigo ghildebrueders eenige ontamelijcke ende zwoere oft 
si rede tegens zijnen gesellen, bij onbcsschede zijnen boge oft pij Ie name oft 
brake in quaetheden oft eenige dorper wocrde sprake ter cause van den 
boghe oft broederscap voirs., die selve sal staen tor scerper correctie van 
hooftman, deken, geswoeren ende gesellen. 

Item in dien eenighe hem vervorderde metstelen boge oft voetboegen te 
schietenen op des supplianten doelen, die sal vei'bueren twee stuvers soe 
dicwils als hij dat doet. 

Pro Copia, 
J. Th. de Raadt. 
('/ V(:rvoV)t.) 



BOEKBESPREKING. 



Fred. Ortoll — Les Conciles et Synodes dans leurs rapports avec 
Ie Traditionnisme. (CoUcct. iuternat. de « La Traditiou, » Vol. V). Parijs, 
1800. — Boekd. in-18" van 143 bl. — Piijs IV. 3,50. 



Onder de talrijke heidensche gebruikv3n onzer Germaanscbo voorouders zijn er 
vele, die in den loop der tijden, onder den drang der toenemende beschaving, en 
vooral door den heilzamen invloed van het Christendom, zoo geheel zijn verdwe- 
nen en vergeten, dat van sommige nog alleen de naam bekend gebleven is. 

De Kerk die, van de eerste tijden harer vestiging, immer a.m het ontwikkelen 
van den geest, en aan het veredelen van het hert des mecscheu heeft gearbeid, zag 
al spoedig in dat, wilden hare pogingen met den geweuschten uitslag bekroond 
worden, zij in de eerste plaats werken moest om, — naarmate het zaad der Blij- 
de tijding uitgestrooid werd, — ook het onkruid van het zoo diep ingewortelde 
heidensche bijgeloof uit te rakken. 

Om hiertoe te geraken, gebruikte zij den eenvoudigsten en zekersten middel ; 
zij verwandelde namelijk de heidensche feesten in christelijke ; zegende de tem- 
pels en plaatsen waar aan de afgoden geofferd werd, en stelde er den dienst van 
God in, ua eerst en vooral de beelden of ken teekenen der valsche goden verwij- 
derd te hebben. 

Die handelwijze moge dooreenigen gegispt, door andereu aan niet te bewjjaen 



« Ons Volksleven. « 131 



bijoogmerken toegeschreven worden ; toch zet de Kerk onverschrokken, en steu- 
nende op de goddelijke belofte, hare werking voort, tot heil der meuschheid, tot 
verlichting en beschaving van hen die haar aankleven, of haren invloed ondergaan. 

In de talrijke kerkvergaderingen, die van het begin onzer tijdrekening af tot 
heden toe gehouden werden, vinden wij die bezorgdheid der Kerk immer weer, 
en leveren ons hare voorschriften en besluiten, in die indrukwekkende bijeen- 
komsten gestemd, menigvuldige blijken van het belang, dat de Kerk in het uit- 
roeien der heidensche gebruiken en bijgeloovigheden stelde. 

Voor den volkskundige nu, is er uit het lezen dier stukken zeer veel te leeren, 
zooals wij overigens in het te bespreken werkske zien kunnen. 

Na eene inleiding, waarvan verscheidene aanhalingen hoogst onnauwkeurig of 
afkeurensweerdig mogen genoemd worden, geeft de schrijver een paar bladz. 
bibliographische aanteekeningoa, die nuttig zijn aan al die de zaak bestudeeren 
willen. 

Daarna volgen in twaalf hoofdstukken, de verschillende onderwerpen, door den 
schrijver volgens de verordeningen der Conciliën behandeld. 

Een Index besluit het boekske, dat onder verschillende oogpunten groote ver- 
beteringen vereischt. 

Wat in de eerste plaats in de oog valt, is dat de schrijver, het Duitsch weinig 
of niet machtig, zijne aanhalingen meestal getrokken heeft uit de onnauwkeurige 
vertaling, die de E. H. Delare van Mgr Hefole's beroemd werk over de Conciliën, 
gegeven heeft. Niet alleen vermeed do H^' Ortoli de misslagen des vertalers niet, 
maar hij voegde er nog voor eigene rekening bij . 

Een der meef?t stootendeis die, waar hij Paus Gregorius den Groote (i) met 
Paus Gregorius VII (2) verwart. Wie op den naam van geschiedschrijver aanspraak 
durft maken, mag stellig zulke feilen niet begaan. 

De kerkelijke rechten, wetten en gebruiken kent hij al evenmin als de geschie- 
denis van Petrus' opvolgers, en in de katholieke zedenleer is hij in 't geheel niet 
thuis ; immers hij laat op bl. 106, door de kerkvergadering, te Parijs in 843 ge- 
houden, als stelregel uitroepen, dat : Meineed of eedbreuk zeldzaam moet wezen. 

Die enkele aanhalingen zullen voldoende zijn om over het geheel te doen oor- 
deelen. Naast belangrijke en voor den volkskundigen vorscher zeer nuttige aan- 
teekeningen, bevat het boekske veel, dat het uit de handen verbannen moet van al 
die niet met grondige kennissen toegerust is. 

J. B. Ver VLIET. 



INHOUD VAN TIJDSCHRIFTEN. 

1. 't Daghet in den Oosten. V, N'^ 13-10. —Uit RoekeQ, Brieven eii Bladeren. — Limburgsche 
Eigenaardigheden : W en Y. — Was, Wazen. — • Het slapen der R. — Dertiende — üertienste. — 
Limburgsche l)ichtveerdigheid : De Boer. — Kinderlièkens. — Kinderzegsels. — Verkleinvor- 
men. — Een oud Stuksken. — Over Die en I>ien. — E-nBroksken Waalsch. — Oude Gebruiken: 
Den Haus. — Wangeloof. — W^erewolven. — I)e Pakkebeu. — Spoken. — Klokkenkuilen. 

(1) St-Gregorius, 1, bijgenaamd de Groote, geboren te Rome, en aldaar in 62jarigen ouderdom 
gestorven, op den 12° Meert 60 i, in het 11*" jaar van zijn pausschap. 

(2) Gregorius Vil , eerst gekend onder deu naam van Hildebrand, stierf te Salerno in 't jaar 1083. 



132 « Ons Volksleven. « 



2. Biekorf. I, Nr 19. — Uit den oudeu kindertijd. — Over het buskruid in den Oorlog, (Karel 
Van Houtte). — Wereldtijd en Wereldure (Edward Van Robays). — Dat vinnig vlaamsche bloed 
(Guido Gezelle). — Sinte Godelieve (J. Fové). — Verdietschinge (Jan Craeynest). — Mingelmaren. 

3. Het Belfort, V, N"- 11. — I Kunstpraatjes (Karel Lybaert, jste), — II. Multatuli (A. Siffer). -- 
111. Aan een jongen Vlaming (A. Joos) — IV. Vaarwel aan de Vlaamsche zendelingen (Ev. 
Bauwens, S. J.) '— V. Taal- en Stijlzuivering (Jan Broeckaert) — VI Op het kerkhof (Karel 
Quaedvlièg). — Vil. Over Waver eu Gaver (D'' Il M) — VIII. Verhouding tusschen Kerk en 
Staat (D-' A. Dupont). — IX. Hulde aan den II. Gommarus (J. V. C). — X. Noordsehe kerk uit 
de IC*' eeuw (B.j. — XI. Azzolino (Eng. De Lepeleer). — Xll. Boekennieuws en Kronijk- 

4. Kempisch Museum. 1, N'' 9. — Turnhout. Roemwaardige mannen. (Met grafschrift, wapen- 
schild en wapentafel) (S.). — De Heerlijkheden van het land van Mechelen, Duffel, Gheel en 
hunne heeren( Vervolg) (J. Theod. de Raadt). — Tongerloo. Lijkdienst voor de gesneuvelde 
Patriotten, 1790. (W. v. S.) 

5. La Tradition, IV, N'' 8 — Les Noces du Soleil, récit populaire bulgare (M'"'' L. Schischraa- 
nova). — Remarques sur Ie conté (Michel Dragaman(-v). — Esthétique de la Tradition (Heury 
Carnoy). — Le Folklore de la Belgique. Vlll. (Alfred Harou). — Chanso s populaires de la 
Carniole (A. Grün. Traduction de E. de Nèméthy et Georges Doncieux).— Moyen de retrouver le 
corps d'un noyé (René Stiébel). — Moïse, Saint-Jean-Baptiste et Hyzir, Légende turque (Jcan 
Micolaïde^). — Devinettes et énigmes populaires (Vicomte de Colleville). — Les petites fleurs et 
les sapias. Apologue chinois (Paul Hugounet). — Nains et Pygmées. 1. (Emile Blémont). — Le 
Folklore au Canada. I. (R. P. Burtiu). — La pluie d'oreillettes et de fèves roties (D^ Bérenger- 
Féraud). — Chansons populaires de la Bourgogne (J. Suria). — Traditions de la Beauce (^l"'^ de 
Nittis), — Les Russes chez eux. VI II. (Armand Sinval). — Glanes ti-aditionnistes (C. de Warloy). 

— Le mouvement traditionniste (H. C). — A nos abonnés. 

6. Zeitschrift für Volkskunde, 11 , N"" 8. — Die Fabel vom Streite der drei lasterhaften Brüder im 
17 Jahrhund('rt( l)"" L. Frankel). — Die japanischen Kinder-uud Hausmarchen(Prof. D"" D. Brauns). 

Marchen aus der Proviuz Posen (Ó. Knoop). — Deutsche Volkslieder aus Steiermark (A. 

Schlossar). — I. ieder aus einemflliegenden Hlatte (J. Bolte). — Albanesische Lieder (1). Mitkos, 
Deutsch V. J. U. Jarnick). — Volksraisel aus der Pi'ovinz Pommerii (Archut). — Kinderspiele der 
siebenbürgischen und südungarischen Zeltzigeuner (D'' Heinrich v. Wlislocki). — Bücherbe- 
sprechungen (Edm. Veckenstedt). — Zur Bücherkunde. 

jyr 9_ si^, Kicolaus (Igiiaz Zingerle). — Albauesisclie Marchen und Schwanke (J. U. Jarnick). 

— Volkslieder aus Hinterpommern (O. Knoop). — Volksratsel aus der Provinz Pommern (Ar- 
chut). — Kinderspiele der siel)eubürgischen und südungarischen Zeltzigeuner (D'' Heinrich v. 
Wlislocki). — Aberglaube aus dem Alteuburggischen (E Pfeifer).— Epn Feuersegen (A. Piek).— 
Bücherbesprechungen (Edm. Veckenstedt). — Zur Bücherkunde. 

ï^r 10. — Ueber den Geisterglauben und seinen Einfluss auf die religiösen Vorstellungen der 
Germanen (C. Rademacher). — Der starke Hans Eine Reihe mythischer Volksdichtungen (Theo- 
dor Vernaleken). — Volkslieder aus Sommerfeld und Umge^end (Else Priefer) — Albanesische 
Lieder (E. Mitkos. Deutsch von J. U. Jarnick). — Hoehzeitsbrauche aus dem Böhmerwald (J. J. 
Animaan). — Bücherbesprechungen (Edm. Veckenstedt). — Zur bücherkunde. 

jy'r ii_ _ St. Nicolaus (Ignaz V Zingerle). — Albanesische Marchen und Schwanke (J. U. Jar- 
nick). — Volkslieder aus Hinterpommern (0. Knoop). — Volkslieder aus Sommerfeld und Umge- 
gend (Else Priefer). — Hochzeitsl)rauche aus dem Böhmerwald (J. J. Ammann). — Aberglaube 
aus dem Altenburgischen (E. Pleifer). — Bücherbesprechungen (L. Frankel, Frz. Branky, R. 
Prexl und Edm. \ eckenstedt.) 

N"" 12. — Die neu entdeckten Göttergestalten und Götternameu der norddeutschen Tiefebene : 
Frie Frê Frick, Fuik, Fui, Fu (O. Knoop). — Hoehzeitsbrauche aus dem Böhmerwald. P^'ortset- 
zungund'Schluss(J.J. Ammann). — Inhalt — Verzeignis der Zeitschrift für Volkskunde. Band 
II. Heft 1-12. 

7. The Journal of American Foik-Lore. Vol. III , July-Septeraber, 1890, N» X. — 1. « Above » and 
« Below. 5) A mythological descase of language (Horatio Hale). — 2. Customs of the Chinese in 
America (Stewart Culin). — 3. Notes on Negro Folk-Lore and Witchcraft in the South. (Louis 
Pendleton). — 4. The Symbolism of backgammon (W. W. Newell). — 5. Notes on Apache Mytho- 
logy(John G. Bourke). — 6. W a-ba ba-nal, or Northern lights. A Wabanaki legend (Mrs. W. 
Wallace Bromn). — 7. The Omaha Bufïalo Medecin' -men. An account of their method of practice 
(Francis La Flesche) — 8. Gombay, a festal rite of Berinudian Negroes (H. Carnngton Bolton). 
— 9. Thegentile system of the Siletz tribes (J. Owen Dorsey). — 10 Folk-Lore scrap- book. — 11. 
Notes and queries. — - 12. Bibliographical notes. 1). Books. 2) Journals, 



ONS VOLKSLEVEN. 



Antwerpse li-Brabaiitscli Tijdschrift 
voor Taal en Voiksdiclitveerdiojheid , 
voor Oude Gebruiken, Wangeloof kuude, 
e\\7..Iiitirelfnoiiii/iers van tirelfhlad zijden 



Ijij 



Te B RECHT, 

j. Braeckmans. 




" Er is uog een rijke oogst op het veld 
der gewestspraken voorhanden; veel 
volksuitdrakkingen dreigen te verdwij- 
nen die om hunne juistheid, schilder- 
achtin-heid of oudheid verdienen in de 
schrifttaai opgenomen en bewaard te 
blijven. » 

Ziid-Nederlandsche Maatschappij 
VAN Taalkunde, Wedstrijd 1874. 

"De studie der folklore heeftvoor doel 
ons volk in zijne eigenaardige zeden en 
gewoonten, in zijn innig geloof en karak- 
ter te leereu kennen, in één woord, hei 
volk zooals het is. n 

Vraagboek over Vlaamsche Volkskunde. 



SAGEN. 
12. (24.) Van de Witte JufiFrouw. 

In de beemden tegen het kasteel Scherpensteen te Schelle, placht het al- 
tijd te spoken. Een boor liet nacht en dag zijn peerdje in die malsche beem- 
den weiden : het kost nieverhands beter staan als daar en toch nam het van 
dag tot dag meer en meer af. Hoe kwam dat? Luistert. Eiken morgen, als 
de boer naar zijn peerdje ging zien, bemerkte hij telkens met ontzetting dat 
het daar afgemat en gansch bezweet stond te schudden en te beven. « Wat 
mag dat toch beteekenen ? «^ vroeg hij bij zijn eigen, « Het kan niet anders 
of ons peerdje moet lederen nacht bereden worden....» 's Nachts zond hij 
zijnen knecht naar den beemd om er i^ waken. - Als er iemand komt, » sprak 
hij, « 't is eender wie, nijpt hem den kop af! » 

De knecht ging achter den dijk liggen letten. Hij lag er al lang, al lang, 
en opeens hoort hij een lief stommeken op het water zingen, begeleid door 
fijne, allertijnste snaartuigen. De knecht luistert de ouren uit zijnen kop ; hij 
staat weggevoerd door het schoon gezang en gespeel, dat al dichter en 
dichter komt. 

De stem en de snaartuigen zwijgen. De knecht dringt met zijne oogen 
door de duisternis en onderscheidt op het water eene juffrouw, gansch in 't 
wit gekleed, die in een klein bootje aangedreven komt. Zij roeit naar den 
kant, stapt vlug aan wal in het slijk, zonder een zierken hare witte slofkes 
te bevuilen, plant oenen paal in don grond, bindt het bootje met eene dikke 
koord aan dien staak vast, trekt rechtover den dijk, springt licht op'tpeerdje 
en rijdt er zoo rap als de bliksem, de weide mee rond. — « Wacht, wacht, 
totdat zij er af komt ! Zij zal toch niot levend meer in heur bootje komen ! » 
zei de knecht. De juffrouw reed en bleef rijden, totdat het peerdeke niet 
meer voort en kost van vermoeidheid. Dan stapt zij af en wilt naar heur 
bootje weerkeeren. Maar de knecht vliegt recht en schiet voor haar: «Halt ! » 
roept hij, « wat komt gij hier verrichten ? r. — « Ik kom mijne plicht ver- 



134 « Ons Volksleven. « 



vullen, jongeling, " antwoordt de juffrouw. — « Plicht, pliclit, welke 
plicht!?.... Gij, gezijtde ondergang van ons poerdje ! r — « Ach ! lieve 
jongeling, laat mij in vrede gaan ! » — « Geen genade, geen genade, r gilde 
de knecht. « Hier ! ! » Dat zeggende grijpt hij naar den hals der juffrouw om 
heur te verworgen, maar zie ! zij is weg ! — 

« Ik droom toch niet ! Ik droom toch niet w, zegt de knecht beteuterd, en 
hij loopt seffens naar het bootje waar de witte juffrouw mee aangekomen 
was. O wonder.,.. In plaats van een booije vindt hij eene mosselschelp ; 
in plaats van een koord,.,., 'nen draad garen ; in plaats van 'nen paal in 
't slijk,.... eene naald ! Ge kunt denken hoe versteld de knecht daar stond. 

vSedertdien is het spook nooit meer teruggekomen ; het peerdeke be- 
kwam en wierd zoo vet als een daske. Later nog, zoo beweerde de knecht, 
heeft hij de witte juffrouw nog zien wandelen in Holland, als hij om koeien 

ging. 

Meegedeeld 
(Gehoord te Schelle.) door Lenaard Lehembre. 

Vj'glk. Ons Volksleven, I, bl. 90 : Be Juffrouiv en de PeerdeJcop. 

13. (25.) Van het Ventjo met zijn Kanneken olie. 

't Is waar gebeurd over eenige jaren. Een oud ventje dat in 't veld woonde, 
moest op 'ncii avond om votolie gaan. Maar nu had hij zijne olie en, in 
plaats van naar huis te spoeden, ging hij hier en daar in de hei'bergen wat 
klappen, en zoo wierd het laat in den nacht. Het was pikdonker en hij liep 
verloren op eenzame wegen. Hij komt daar ievors en o wonder ! hij hoort 
zulk schoon gezang en gespeel ! Ineens ziet hij daar een schoon, klaar licht 
als van eene heldere zonne. ^ Wat is dat nu ? » peinst hij in zijn eigen. Wat 
schoonheid en wat vermaak hij daar zag en hoorde, kan gean mensch ver- 
tellen : alles v.-as van goud en zilver ; men zong er, men speelde er op de 
zoelste muziektuigen, men lachte er, men danste er. « Wacht ! » zeg-t het 
ventje in zijn eigen, ^ ik ga mij daar cok wat verzetten. ^ En gelijk hij daar 
binnen kwam, lie)) het aanminnelijkste vrouwvolk hem te gemoet. Men nam 
zijn kanneken aan en hong het aan eene zilveren rozet ; dan begost het mu- 
ziek te spelen en ons manneke danste en zong maar .toe, zonder nog eens op 
huis te denken. Na den dans kreeg hij 'nen gouden beker, waar de lekker- 
ste wijn in perelde. Daarna wierd ergestooten. Volgens oud gebruik zei de 
man : « God zegene u ! » en op i\en slag verdween alle betoovering. Het 
ventje stor;d nu v*M-laten in den eeuwigen donkere, kon met al de moeite 
van. de wereld zijnen weg niet meer vinden en moest blijven staan tot 's mor 
gens. Hij was dan goed nuchter en zag zijn oliekainieke, in plaats van aan , 
eene zilveren rozet, aan eenen wissen struik hangen. En het ventje naar 
huis, zooveel het maar rekken kost ! 

(Gehoord ie Schelle.) ' Meegedeeld 

door Lenaard Lehembre. 



« Ons Volksleven. » 135 



Vr<?lk. Ons Volksleven, II, hl. 44 : De Betoovenle Boer ; Volkskunde, I, bl. 75 : Jefken de 
Si^eelman ; Volk en Taal, II, bl. 113 : Waf P/Mc BlinTi eens overkii-am ; Ibid., III, bl. 41 : Hoe 
Free Wanten 'nen lieer vaarde ; Kunst- en Letterblad, III, bl. 4 : De Witte Katten van Leuven ; 
\-BiD ,\Y,h\.24:: De Kattenlinde bij Alvwegem ; Ibid. IV, ))1. 7D : Wonderly'ke Avontuer, van 
eenvotcdigen Jan ; Sihmede yVoLV, Grootniorderlien bl. 22 : De bedrogen Vioolkrabber en hl 36 : 
God negene u ! J- C. 



DE VOGELEN IN HET VOLKSGELOOF EN DE 
VOLKSDIGHTVEERDIGHEID. 

IV. 

De Bremscheer, in Holland Wachtel- of Kwakkelkoning. 

Gmelin zegt in zijne Voyage en Siberië, cl. II, bl. 185 : 

« Ik vroeg aan de Tataren hoe de kwakkelkoning die niet vliegen kan, in 
« den winter wegtrok; zij zeiden mij alle dat de Tataren en de Assaniërs wel 
« wisten dat hij door zich zelven naar geen ander land vliegen kan, maar 
« waneer de kraanvogels iji den herfst vertrekken, nemen sij ieder eene hrcm- 
« scheer op den rug en dragen ze naar een warmer land. « (i) 

De Meerkol of Roetaard. 

Meerkol = kol van het meer, heks uit het moeras ? 

— In 't Latijn heet die vogel corvus glandavus, ter oorzake van zijnen lust 
voor de eekels. 

— In de omstreken van Antwerpen en in oen deel der Kempen noemt 
men hem Rotzak. Van waar komt die schoone bijnaam (2) ? 

De Kraanvogel. (3) 

De Ouden zonden de Kraanvogels naar de bronnen van den Nijl om de 
Dwergen (Pygmées) te bevechten. Homeros vergelijkt de Troyanen aan de 
kraanvogels die de Dwergen met groot gerucht vei'slaan. 

— Itj het beeldenschrift der oude Egyptenaren zijn zij het zinnebeeld der 
waakzaamheid. 

— Koeumpfer zegt in zijne Hisloire naturelle div Japon, d. I, bl. 112 : «De 
fc isuri of kraanvogel en de schildpad worden aanzien als dieren die geluk 
« voorspellen. Die meening vindt haren grond in het lang leven dat men 
« hun toeschrijft en in duizend fabelachtige verhalen waar de geschiedenis- 
« sen mee opgevuld zijn. ^ 

(1) In de Kempen wordt omtrent hetzelfde aan de kraanvogels toegeschreven. Men zegt er : 
Waneer een kraanvogel gekwetst is of door vermoeienis niet meer vliegen kan, dan neemt een an- 
dere hem op zijnen rug. J. C. 

(2) Verschillige benamingen : i/m-^o/ (woorden)).), roetaard (Antw., Brab,, Kempen), rotzak 
(Antw., Kempen), roefhannen (Ant.v.), liikster (Vorst, Limb.), hannebroel (Brecht), hannewuiten 
(L. V. Waas), gaai (West- Vlaand.), Fr. geai, Hoogd. Heher, Nussheher, Waltschreier. J. C. 

(3) In de Kempen Wilde gans, in Limliurg Kmenekraan. J. C.- 



m 



136 " Ons Volksleven. « 



« Nooit zal het volk eenen kraanvogel anders noemen als o tsurisann, cl. 
u i. a Heer Kraanvogel -^ 
(Ziet nog de Bromscheer waar de kraanvogel aangehaald wordt. (i) ) 

De Pluvier of Regenvogel. (2) 

De Charadis van Arisioles, dien men denkt de gekraagde regen vogi^I te 
zijn, genas de gcelzuclit. Heel de behandeling bestond in den vogvl te be- 
zien. Op liet gezicht van den zieke draaide de vogel den kop om, alsot hij 
zich door de ziekte aangetast gevoelde. (Hdiodorus.) 

('t Vervolgt. ) Alf. Harou. 



HERNIEUWDE &TICHTINGSBRIEF 
DER GILDE VAN ST-SEBASTIAAN TE BERLAER. 

(Vcrvo'tp) 

Item of gebuerde dat die coninck yet verlore oft brake aen de broecke, 
soe zal hij gehouden wesen dat te doen repar^-ren sonder der gulden cost,. 

Ilem waer 't dat ijemant <]en vogel afscoote ende werde kljeser, die sal die 
broecke nijet hebben, niaer sal daer voren hebben drie silvercn papegaijen, 
werdt zijnde twee onsen silvers ende nae die doot van hem sal hij se weder- 
omme der gulden laten. 

Item M'aer 't dat eonich gildebruder l)iuckachLich (3) gewesen v.-are ende 
liij den broeck nijet opleggen en wilde, soe dicwils ende nienichwerve als 
hij dat weijgert 'telcker reijsen een dobbel boc-teals gedaen lubbende con- 
trarifi die carten. 

Item zoe \^ije dat in de cainer van den voiis. supplianten olï in huere ge- 
sellschape up sondach oft heijlich dach eenige comanscepe dede sal oijc ver- 
bueren die booste boete sonder eenich verdrach. 

Item zoo wat cost oft last datter comen sal van reparatien oft anderssins 
up die gulde, dat sal men in der kercken den gulde bruders te kennen ge- 
ven ende nae dien zij fde Nvete hebbenende nijet en betalen na(* ndvo' ani, 
van huere gedelete, soe zullen deken ende gezworen die machi hcblieji die 
persoenen pandt af te nemen ende vuijt huere huijse ie halen ter romme toe 
van huere gedelete. 

Item soe wanneer die gezworen huere rekeningen gedaen zullen hebben 
ende men hen noch 't achter wesen sal, soe zullen die ghene mogen manen 
die hen 't achter biiven sullen ende die eens gemaent hebbende ende daer 
mede nijet wel te vreden zijnde, sullen zij se van stonden aen mogen panden 
totter betalinge toe van iiuerei- scliulden ende nochtans sullen verbueien 
die hoochste boete. 



(1) Ziet ook mijne aauteekeuiiig- daarop. 

(2) In de Kempen, Hei- of Z andfluiter. J.C. 

(3) 1-ireuk = boet. 



« Ons Volksleven. » 137 



Item dat zoe 's maendaechs in de sinxedagen op die processie dach des 
voirs. dorps van Berlaer, als op heijlijchs sacrements dach sal een ieg-elijc 
schutter gehouden wesen cerlijcken te commeii endo die processie ie eeren 
met eenen boge ende pij Ie in de hant op die verbuerte van een pont was. 

Item dat nijemandt van de voirs. gildebruders en snl eenige manspersoe- 
ne van Berlair in de gulde nijct zijnde op de camor mogen halen noch leij- 
den om to drinckoa ten sij bij consentc der goeder mannen van de voirs. 
scutterie op die vei'buerte van eenen halve pont was. 

Item oft gebuerde dat eenige onecrbaere persoone, dronckaerts ofi eenige 
andei'equaetwilige in der gulde nijet zijnde quame in den geselscape van den 
selven guldebrueders ende wilden qualijc ende sochte moijte ende onlee (i) en- 
de die scutrers hner besten daden om die dronckaerts wech te stierenne ende 
zij 't selve nijet doen en consten, soe zullen zij hen in den gevalle moegen 
trecken aen den officieren ende gerechten van Berlaer voirs. om die selve 
droncka^rt ende quactwillige te corrigeren nae huere m.esdaet. 

Item zoe wanneer dat die voirs. gildebruders tot eenige schieetspele trec- 
ken moeten, soe zullen deken ende gezworenen van dien mogen vuijtkiesen 
zess gesellen ende soe wije van de zessen daer tegensseet of rebellijch valt, 
sal verbueren zoe dicke hij die veijgeringe doet, een pont was. 

Item dat men op die camer van der voirs. gulde sal houwen een colve die 
ingaen sal den iersten sondach van meije ende soe voirts van sondage te 
sondage ten waero bruloft oft kermisse ende zullen vier gesellen gildebru- 
ders dese colve te samen houwen ende elc inleggen onderhalven stuijver, 
makende tsamen zess stuvers, om daer mede te coopen vleesch ende broet, 
ende zoe wanneer die colve van den viere iersten gesellen gepasseert sal 
wesen, soe zullen die hooftman, deken ende gezworen ende gemene geseilen 
looten om die andere toecomende naeste viere die de colve houwen zullen. 

Item in dien dat deken oft gezworen daden tegens dese articulen ende 
statuijten, die zullen staen ter correxie van den hoofiman ende gemeene 
gesellen gildebruders. 

Item dat die hoochste boete die men in de voirs. gulde mesbruijken zal, 
sal wesen een pont was. 

Item ofter op die cammere van den voirs. gildebruders tusschen hemlie- 
den eenige twiest of dissenlie gewoirde in hueren hoof oft vergaderinge tor 
cause van der gulden oft scutterie, zoe zullen de coninck, deken ende ge- 
meene gesellen dat mogen nederleggen ende opnemen, soe dat ons oft on- 
sen officieren daer inne gheenen brueck verschinen sal, maer sal die cor- 
rexie die men daer over doen zal staen ten gemeenen proufflte van den gil- 
debruders vuijtgesondert en goreserveert van wercken van feijte in welc- 
ken gevalle die punitie ende corexie aen ons behoeren zal oft onsen officieren. 

Item zoo wanneer die gulde iri laste oft achterstelle van eeniger schuit 
commen sal, soe zullen zij thoenders dien last in 't particulier met zekeren 



(1) Onlede = twist, tweedracht. 



138 « Ons Volksleven. 



peijnen jaerlijcx seltcn op eoneii zokeren genoemden dacli die hen goet- 
duncken zal ende alsdan doen pLil)liceren in der kercke dal een ijcgelijc 
ghildebrudcr zijnen quote betalc, ende bij alsoe dat hij dat bijiincn zess \ve- 
daer nae niet en dade dat nisdan die deken ende gezworenen zullen hen mo- 
gen afnemen don hoochsten brueck, zoe dicwils hij daer inno weijgeringe 
doen zal totter lijt toe die gulde daer af ontlast wordde, ende indien die 
meijere olt officier van den voirs. dorpe van Berlaer die gebooden oft be- 
gerlen den geinenen schutters behoevende in de kercke gopubliceert te zijne 
reff'uscei de ende dat veijgerde, dat alsdan in dien gevalle deselve thoendeis 
zullen bij hueren cnaepe oft eenige van hemlieden, daertoe gequaliflceert, 
dat geboet in der kercken of daer 'l hen believen sal mogen do^n doen son- 
der tegenseggen van ijomande. Ontbieden daer inne ende bevelen onsen lie- 
ven-ende getrouwe die iiooft presidenten ende luijden van onsen heijmolijc 
ken ende grooten rade, cancellier ende luijden van onsen raidein Hrabani., 
sohoutct van Mechelen,droessaet ons lants van Mechelen ende allen anderen 
onse ende der smaelre heeren richleren, officieren ende dienaeren wijen dit 
aengaen sal mogen huere stedehouderen ende eenen ijegelijcken van 
hemlieden besondere soe hem loebehoeren zal, dat zij v^n dese oiisegracie, 
octroij, oerloof, consent, staluijten ende ordonnancie ende van alden inhou- 
den van desen in der voegen, manieren ende onder die conditie voere ver- 
haelt doen laten ende gedogen den voirs. supplianten ende huere naecome- 
lingen in de voirs. bruederscap rustelijc, vredelijc ende passivelijc genieten 
ende gebruijken sonder hen te doen noch te laten goschien eenich hinder, 
letsel of moijenisse ter contrarien, wantons alsoe gelieft. 

Des 'toirconden soe hebben wij onsen zegel hiei- aen doen hangen. Gege- 
ven in onser stadt van Mechelen, den XXVJ^" dach van April in 't jaer ons 
heeren duijsent vijffhondert ende sessentwintich ende van onsen rijcken te 
wetenen van den roomschen ende Germanie, enz. ende van Castillie ende 
anderen enz. thienste. 

Aldus siont gescreven boven op te plijcke : Bij den Keijsere in zijnen rade 
ende geteekent Verderne. 



Pro copia 
J.-Th de Raadt. 



NIEUWSKES. 

« Folklore Wallon » 

(Vervolg van hlz. 106) 



V'aii den Questionnaire de Folklore wallon zijn wfcr twee .-ifloveringeii versche- 
nen ; ziehier hunnen ii)houd : 

V. Volksgeneeskunst on gezondheidsleer, c. Genezers en kwakzalvei'S (vervolg) 
(Vr. 619-620) d. V'^erschillende denlvbeelden nopens het menscheüjlc lichaam. 
(Vr. 621-644). 



« Ons Volksleven. r> 139 



VI. Zoden en };c\voMnton. (1" .i^oacijlic) a. Do vei-lijfdeu. (Vr. G45-679). h. Het 
Huwelijk. (Vr. 680-719). c. De vrouw eii het kind. (Vr. 7:20-7.39). d. Kei-k^aug . 
(Vr. 740-742). e. Geboorte. (Vr. 743-766/". Doopsel. (Vr. 7Ca-775).g. De nieuw- 
geborene. (Vr. 776-802). h. De kiideren (Vr. 803-805). i. De jeugd. (Vr. 806-808). 
;. De dood. (Vr. 809-820). Je. Lijkdienst en begrafenis. (_821-S39). 

Vn. Sprookskes en vertelsels, ('/r. 840-891). 

Deze beide afleveringen zijn zeer belangrijk, voornl bet 7" Inoflstuk, waarin 
talrijke opgaven van sprooksk'-'S on vertehels voorkomen. 

J. B. Ver VLIET. 



BOEKBESPREKING. 



AüG. RuTTEN, — Bijdrage tot een Haspengouwsch Idioticon, uitge- 
geven door de Zuidnederlandsclie Maatschappij van Taalkunde. Te Antwerpen, 
bij Jan Boucberij. 1890. Prijs fr. 5. (Werk bekroond door de Zuidnl. Maaisch. 
van Taalk.J 

Sedert de leste jaren heerscht er eene grootc bedrijvigheid op liet veld der ge- 
westspraken. Nooit lei men zich met meer iever toe op bet zanten der duizenden 
woorden, die sedert eeuwen leven in den mond des volks, maar niettemin, zon- 
der uitzondering, uit de woordenboeken gebannen blijven ; — op bet verzamelen 
van die ontelbare beeldvormen en spreuken, die zoo klaar zijn en zoo schilder- 
ftchtig, en diKwijls zoo krachtig en zoo edel. maar die onze woordenbockmakers 
niet en kennen, of ougenndig als onkruid verwijzen en verwerpen. 

De beweging ten gunste der levende volkstaal, verre van te verminderen, groeit 
altijd meer en meer aan. Terwijl de tweede uitgave ondernomen wierd van De 
Bo's nooit volpre>.en Westvlaamsch Idioticon, kondigde de Eerw. heer Joos zijn 
Waasch Idioticon aan. En onlangs ging de mare dat men te Gent eene vergade- 
ring beleid had met doel van eene maatschappij te stichten, die stof aanbrengen 
zou toe het verveerdigen van een Meetjeslandschen Gcwestwoordenbocl'. Het jaar 
1890 is nog niet ten ende, of daar verschijnt de Bijdrage tot een Haspengouwsch 
Idioticon, die hier ter bespreking voor ons ligt. 

In 1872 schroefde Zuidnederlandsche Maatschappij van Taalkunde voor den 
tweeden keer eenen wedstrijd uit tot het verzamelen van Dietsche ge west woorden, 
die zouden kunne'n dienen om de Idioticons der Eerw. Heeren De Bo en Schuer- 
mans te volledigeu. De Heer Kutten die vroeger, in eenen eersten prijskamp door 
dezelfde Maatschappij geopend, belangrijke bijdragen had geleverd die opgeno- 
men zijn in het Algemeen Vlaatnsch Idioticon, sloeg wederom de hand aan het 
werk en deed nogmaals 'nen rijken oogst op den Haspengouwschen akker, 't Is 
de vrucht van dien arbeid, bekroond en uitgegeven door de Zuidnl. Maatsch van 
Taalk., die de Bijdrage tot een Haspengoutvsch Idioticon uitmaakt. 

Wij hebben het werk van den Heer Kutten o/erlezen en verklaren ronduit dat 
de rijke inhoud en de knappe behandeling der stof ons t<^n zeerste voldeden. Het 



140 u Ons Volksleven. « 



Idioticon komt in ruime mate onzen algemeeuen taalschnt verrijken, door het bij- 
dragen van eene menigte ongeboekte woorden en uitdrukkingen, vei gelijkenissen, 
spreuken en spreekwoorden. liet bevat daarenboven talrijke kinderrijmen, raadsels 
en volksdichtjts, "A'at liet werk ook bij den volkskundige ambcveelt ; het geeft de 
regels van het Haspeiig. uwsche taaleigeu die afwijken van de algemeen geldende 
spraakkunstrcgels, de uitspraak van een aantal \vo irden in den Sl-Truidenschen 
tongsla^, enz. De Bo, Kiliaen en anderen word(.-n genoeni 1 bij ieder Haspen- 
gouwscb woord dat zij ook geven. Daardoor krijgt men een gedacht, van het alge- 
meen gebruik en van den ouderdom, en bijgevolg ook, van de weerde en de deug- 
delijkheid van veel der aangehaalde woorden. 

De schrijver zou zijne Bijdrage aanzienlijk kunnen uitbreiden hebben, haddo 
hij al de stof gegeven die liij verzamehie ; doch de H ispengouwsche woorden die 
bij Schuermans juist zijn aangegeven, worden er niet meer besproken. Wat de 
woorden betnfr, diu bij Tuerlinckx geboekt staan met dezelfde gedaante en den- 
zelfden zin, de Heer Ruiten duidt ze enkel aan en verwijst voor de beteekenis en 
vei deren uitleg naar het Hagelandsch Idioticon. 

In de Voorrede zegt de schrijver dat hij er niet toe kunnen besluiten he(ftin 
de volksuitspraak te schrijven, bijzonder omdat de juiste vergelijkingsklanken en 
letterteekens ontbreken tot het getiouw afbeelden der( ene ofdeandere gouwtaal. 
Bij ieder woord de uitspraak geven is moeilijk, ja haast niet doenbaar, doch voor- 
aan in den boek hadden wij geerne 'nen opstel gelezen over de algemeene wetten 
die het Haspengoawsch in zake van klankleer volgt. 

De Bijdrage beslaat een schoon boekdeel, groot in 8° van XVI — 318 bladzij- 
den mot 2 kolommen tekst, en verdient eene plaats in het boekenrek, nevens de 
Idiotica van Schuermans, De Bo, Tuerlinckx en Joos. Wij twijfelen niet of veini- 
gen die zich met taalstudie bemoeien, zullen het werk geerne missen. 

JOZ. CORNELISSEN. 



INHOUD VAN TIJDSCHRIFTEN. 

1. Volk en Taal, lIljN"" ). — Vertellen (T. van Heuverswyn). IJijdragen tot den Nederland schou 
taalschat (A. van Heuverswyn). — Topspel (P. Bernard). — Peerd in de lucht (P. Bernard). — 
.lan mee zijn slap hand (F. van Cauweuberghe). — Raadsels (T. van Heuverswyn). — Het oog des 
Ilceren (K . van I 'araine). — Ons Heere en de Vrek (K. van Uamme). — Van Tippeji (T van Heu- 
vorswyn). — 't Wekken der bieëii (A. van Heuverswyn). — Kabouternmunekes (T. y&n Heuver- 
swyn). — Protestanten iu Zuid-Vlaanderen (K. van Caeneghem). — Fransche tijd te Oudenaarde 
(K . van Caeneghem) Van Alles (P. Bernard). 

N"" 5. — Geene Amphibieën (K. van Caeneghem). — Bijdragen tot den Nederduitschen taai- 
schat (P. P. van den üroeck). — Klaasdag (T. van Heuvcrswyii). — Gietc Peet (Pauwei). — Van 
den wever en den duvel (T. Heuverswyn). — Pater Weetal (F. van Cauwenberghe). — Knielliede- 
ken. — Litanie van 't Zwijntje (K. Ervin(^k). — Rijmelarij op namen van steden. — « Zei ^ 
spreuken (H Huys). — ])e Rouwe van de Bie'n (liiekorf). — De hovenierderije in het begin der 
18" eeuw (R. Ervinck). — Fransche tijd te Oudenaarde (K. van Caeneghem). 

2. Volkskunde, IH, N'' 11. — Volkshumor in geestelijke zaken (vervolg), door Aug. Gittée. — 
Onze Vlaamsche «Componisten « ofte Liedjeszangers, door Pol de Mont (III. Vervolg.) Vertel- 



« Ons Volksleven. « 141 



sols : Van Boer Bozemeu, Boer Bladeren en Boer IJzer. — I'oekbcojrdeelii.o-, door Aug. Gitlée. 

— Vragen en aanteekeningen. 

3. Biekorf. ], ^'' 20. Uit den ouden kindertijd. — De Schecve weken. De Leeuw der Gulden 
Sporen. (Guido GezcUe). — Over het Geeraardsbloemtje (Jul. Fové). — Minge'mareii. 

N'' 2L — Uit den ouden kindertijd (Seraphin Deqr.idt). — "'La fille ainée de l'Eglise » (R. F.) 

— Van eenen Uuitschen Schaper (J. Leroy). — De scheeve weken (Edw. Van Robays). — Mii;- 
gel maren. 

4. Het Davidsfonds, IIL N" 910 — Het Belfort van Brugge (J. V. I». \h\). — Een Letterkun- 
dig Feest in Hiadostan (K. L.) — Boekbeoordeelingeu (Einax, M). — Zaunekin, Instorisch dra- 
ma. — Letlernieuws (Folkert). — Sterfgevallen (Folkert). 

5. Hel Belfort, V. N-- 12. — L Afschaffing der Normaalscholen (Adolf De Ceuleneer, Hoogl.). — 
n. 1'e Leproos inde Middeleeuwen (Fr de Potter). — III. Archeologische wandelingen (G. van 
dei] Glieyn, pr.). — IV. Het lied der lauden (Fr. Servaas 1'aenis). — V. Aan een jongen Vlaming 
(Am. Joos). — VI. De geboorte van den Zaligmaker (C. L. Van Driessche, past.). — VII. Wenken, 
en vragen. — VUL Aan den christen Vlaamscheu meester EJgar Tinel (Aug. de Lepeleer) — 
IX. Jan van Ruusbroec (D"' H. Claeys, pr.). — X. Mgr Rutten (D.). — XI. Abdij van xVffligem 
(.\.). — XII. Het rechterlijk schandaal te Brussel (A.). — Boekennieuws en Kronijk. — XIV. 
Bladwijzer. 

6. 't Daghet in den Oosten, VI. K""^ 2,) & 21. — Over de Versmaat der Volksdichten. - - Limburg- 
sche Dichtveerdigheid. — De Duivel met zijn hesp. — De Ronkende Waarzegger. — De Wildeman. 

— April-gek. 

7. Revue des Traditions populaires, V, IS'" 10. — Les Pendus (Paul Sébillut). — i.a chanson du 
(jéant (Julien Tiersot). — La chanson du liricou {suite)lY. Versions lorraiue et alsacienne (René 
Basset). — Liimhöigin, conté iriandais de la Saint-Martin. Notes sur quelques origines de la Tra- 
dition celtique (David Fitzgerald). — Mceurs et coutumes de mariale. III. Cérémonies de mariage 
chez les Permiens {suite) (Léon Sichler). — L'imagerie populaire. V. Basse-Brctagne (F.-M. Luzel). 

— Deuxième Congres des Traditions populaires. — Bètise des gens conie de Champagne (Louis 
Morin). — Le Peuple et 1'Histoire. V. Buckingham dans 1'ile de Ré ( Daniël Bellet). — Exlraits et 
lectures. Le dieu Canon (A. Certeux) — Bibliographie (Ch. Ploix). — Périodiques et Journaux. — 
Notes et Enquêtes. 

N"" 11. — La médecine superstitieuse en Russie (A. L. Jarchy). — Le portrait de la maitresse 
111. Version du Morvan (Julien Tiersot). — IV. Version de la Sarthe (M™ nestricho). — Super- 
stitions de Quillimanc (Mozambique) (Charles Hercouet). — Superstitions de civilisés. I'. (Paul 
Séb'llot). — Mceurs et coutumes de mariage en Russie (Léon Sichler). — Pevinettes de la T:asse- 
Britagne (P. M. Lavenot). — Les superstitions du canton de Gennos (Lionel Bonnemère). — Les 
nanseurs maudits. IE, légende du Poitou (Léon Pineau). — Pensees sur les Traditions popu'aires 
extraites de divers auteurs (Paul Sébillot). — 1 es calendriers des illettrés, V. LTn calendrier du 
\ I»^ siècle. VI. Calcndrier horloge du XI« siècle (A. Certeux). — Piije de nood, conté flamaud (Al- 
freil llarou) — Pourquoi Polichinelle a deux bosscs, lé;rendc liégeoise (Alf. Ilarou). — Le lac 
des Fées.— Saint-Blaise. IV. (R. b.).~ Biblibliographie. — Périodiques et journaux. — Notes et en- 
quêtes. — Platen : Kamées des Juifs polonais (A. L. Jarchy). — Calei drier du Vl*' siècle 

8. La Tradilion, IV, N'^9-10. — Formules initiales et fii.ales des contes populaires grecs avec 
les référencos des eontcs néo-latins (D"" Stanislas Prato). — Chansons de Wallonië. 1. (O. Colson). 

— L'Ane dans les proverbes provengaux. II. (Jean Brunet). — Des Usages de prèlibation et des 
coutumes de mariage en France. II (Joaunès Plantadis) — Le .^'onastère d'Antouy (Frédéric Che- 
valier). — Les Animaux métamorphosés dans les traditions de la Chiue (Charles Frémino). Lc 
petit Poucet en Belgique (Ed. Parmentier). — Contc^s populaires du Bocage normand. lil. (Vic- 
tor Brunet) — Bielhe Cante. — Vieille chanson (Isidore Salles). — Les Amours populaires en Wal- 
lonië (Jules Lemoiue). — Les Fleui's sont jalouses des femmes. — Je vais au bois. — Au Prin- 



142 « Ons Volksleven. » 



tcmp8(Vicomte de Collevillc). — Le Monde enchanté I. (BalUiazar Rekker) — Le Folklore polo- 
nais. III. (Michel de Zmigrodzki). — La légende du moustier de Juniville (i."" II. de Launay). — 
Poésies semi- populaires (A L. ürtoli). — Une légende beige des Nutons (II. Van Elven). — Les 
sept Dormants. Suite. (Hadji Démétrius). — Le Culte des eaiix (A.-J. Dulaure). 

N'' IL — La vie sociale cliczles sauvages (Andrew Lang) — Croyanccs et superstitions des La- 
pons (Balthazar Eekker). — Souto-Fueillo, contc pruvengal (d"" sérenger-Férand). — Folklore de 
la Bclgique. XI. — (Alfred llarou). — Froverbts relatifs ;i la mer. IV. (d'' Stauislas Frato). — 
Monstres et géants. Vlll. (A. Grüu;. — Chansons populaires de la Picardie (Henry Carnoy). — 
Contes populaires du bocage nornnnd. IV. (Victor uruiict) — «ibliographie (H. C) Le mouvement 
iraditionniste. 



NAREDE. 

Bij het niiidigen van onzen tweeden jaargang, achten wij het gepast eeni- 
ge woorden te richien aan onze inschrijvers. 

Met genoegen hebben wij ondervonden dat het belang, hetwelk men van 
eerstaf aan, in Ons VolJislcvengQ^mid heeft, verre van te verminderen, nog 
altijd meer en meer toeneemt. 

Tahijke bijdragen heeft men ors beJoold of reeds gezonden ; stof voor ons 
tijdschrift wordt te allen kante opgegaard en, hetgeen ons toont dat het 
doel van Ons VolJcslcven begrepen en naar weerde geschat wordt, is het 
stichten van gilden die voor hoofddoel zullen hebben het verzamelen en op- 
teekenen van al wat op de volkstaal en de volkskunde betrek heeft. 

Zoo zijn er reeds tePuur.s en te Haacht zcmtersgilden ontstaan, terwijl er 
te Antwerpen, bij den Oud-Studentenbond eene afdeeling voor volkskun.de 
zal ingelicht worden. 

Meer andere zullen volgen, en de beweging ten voordeele eePior sLudie die 
ons le'ert wat wij meest eigenaardigs en schoons bezitten in onze gesprokene 
letterkunde, in onze zeden en gewoonten, zal algemeen worden. 

Ons VoUslercn is er fier op, tot dat heei'lijk doel te kunnen bijdragen. Het 
staat open voor al die met ons arbeiden wilt op het vruchtbare veld, dat 
een zoo rijken oogst, in zijnen schoot verbergt. 

Met moed dan voortgewerkt ! Het zaaike, zoo klein en nietig, dat wij in 
't begin van verleden jaar in de aarde legden, schiet reeds lierig op, 't zal 
weldra eene plant, met den tijd v;in jaren, als 't God belieft, een boom wor- 
den, een kloeke boom, die zijne takken wijd en zijd over 't katholieke Diet- 
sche land zal uitspreiden. Finis coronal opus. 

Wij danken uit der hene al die het w( 1 meenen met Ons VoITcshven, die 
het met raad en daad hebben bijgestaan, inschrijvers bezorgd en bijdragen 
geschonken en aldus mregewerkt hebben lot het in stand houden van een 
tijdschrift dat voor de kennis onzer zeden en gewoonten en onzer gesproken 
taal niet aleen nuttig, maar noodzakelijk was geworden. 

JOZ. CORNELISSEN, J. B. VERVLIET, 

te St-Antonius. ie Antwerpen. 



INHOUD. 



Gemengde Opstellen. 



Weersvoorspelliageu en BoereuspreuksUes 5 
Grafschriften ^ 22 

Volkstelling te Westmalle in 1526 31 

Bouwstoften geljruikt bij het stichten van 

kerken, kastcelen,,(.nz. •"•"/" 

Grafschriften te Brecht '12 

De Uitvinding der Lier 49 

De Vogelen in het Volksgeloof 50, 65, 73,135. 



Over de benaming " Pagnot n 62 

Houten Clara 75 
Rivieren, putten, fonteinen, 

bronnen, ondiepten, enz. 87, 97, 109, 123 

Fji^n woord over de Gilden 127 
Hernieuwde Sticlitingsbrief der Gilde 

van St-Sebastiaan te Berlaer 128, 13''<. 

Narede 142 



Taal. 



Bijdragen tot den Di^tschen 
taalschat 4, 27, 39, 55, 68, 1(»2, 113 



Ougelijkvloeiende en onregelmatige 
werkwoorden 



61,(^5 



1. 


Van drie Gebroers en hunne vijf 






Knechts 


13 


2. 


De twee Honden 


16 


3.' 


Een Vertelsel zonder einde 


17 


4. 


Van den Knecht die sterk was van 






onthouden 


2S 


5. 


Hoe de Schelvisch dien naam kreeg 


40 


ti. 


1 e Vrouw 


41 



7. Waarom de Haas 'nen hazemond heeft 42 



Peetcr de Fluitspeler 
Broederliefde door de Dwergen 
beloond 



Sprookskes en Vertelsels. 

10. Van Mieken en Janneke of 't kruiske 
van Cecilia 6(i 

11. Nog van Mieken en Janneke 67 

12. Van Jan GroUemans 77 

13. Van eene booze vrouw 78 

14. Van Jan den tooveraar . 92 

15. Van den vos en den wolf 112 

16. Van den wolf die leerde \isschen 113 

17. Van den vos en den haan 125 

18. Nog van den vos en den wolf 126 

19. De oorsprong der kleermakers 126 

20. Waarom de tortelduif « roe-te-koe » 
roept en de ekster lacht 127 

Spotzegsels. 



51 



53 



i^e Ooienaars kunnen niet tellen 54 

De Ooienaars kunnen niei onthouden 54 



3. De Ooleuaars stooten hunne kerk voort 54 

4. Keizer Karel en de pot met drij ooren 55 



Grappigheid. 



Sagen. 



Voortrek, drijdraad en raaskop 



Muziekmakende heksen 

Spoken te Lublieek 

Een kattcndaus 

]>e tilkesjacht 

De betooverde boer 

De legende van de " Kragewiel 

De Knippers 



De dood van Bazel 
Devote ziel... 
Laat ons gaan... 
Zoete Jezus uitverkoren 



8 


8. 


8 


9. 


8 


10. 


9 


11. 


^4 


12. 


100 


13. 


101 




Liederen 


21 


5. 


88 


6. 


89 




89 





De verloofde van den we rwolf 
Een weerwolf verlost 
10. " Zit op, wil-de meerijden ! « 
De Hertog van Hoogstraten 
Van de witte juff"rouw 
Van 't ventje met zijn kanneken 
olie 



45 

101 
101 
UI 
111 
133 

134 



1. Knie- of rijdliêkes 



De baard van Peke 115 

Mieke 116 

Kerst- en nieuwjaarsliederen 18 

Jodenlied 23 

Passieliederen 90 

Kinderrijmen. 

98 2. Dansliêkes 99 

Raadsels. 

Raadsels over verscheidene onderwerpen 104 

Gebeden. 

Kindergebedekens 79 

Volksgebruiken. 



Vier maiiüen met vier mutsen 
Het overhalen van 'ntu boer 



1 
25 



3. Het ploeotrekken 

4. Bellemerkt houden 



121 
122 



Gezelschapsspelen. 



1, Kaartspel met eene vertelling 



30 



2. Lutteke loeft nog 



Volksgeloof. 



Wang-eloof, verzameld te Antwerpen 
Duivel. — Padden. — ü-eesteuzieaers 



21 

7ii 



.folianuesuaclit. — Het doodenheir 
Dj vrij kogel. — Dj vveerz-^gen 



7G 
7Ö 



Nieuwskes. 

Folklore wal Ion 1", 1'^5, 13S Prijskamp voor het l)eschrijveQ van de 

Een nieuw tijdschrilt voor voliiskunde 57 kinderspelen 

Boakbesprekingen. 



IIenry Carnoy — Les contes d'Animitux 

duns les romans du Renard 9 

Amaat Joos. — Raadsels van liet vlaam- 

sche volk 33 

Amaat Joos.— Vertelsels van het vlaam- 

sche volk. 1« deel 34 

D'" Edm. Veckenstedt. — La Musiqtie et 

la danse dans les traditions des Lithua- 

niens. des Allemands et des Grecs 45 

Th.-Ign. Welvaarts. — Kommetje van 

den H . Franciscus van Assisië 57 

Ed. Gkudens. — V^an Schoonbeke en het 

maagdenhuis van Antwerpen 70 

Am Joos — Vcrtelselsvanhet vlaamsche 

volk. 2« deel SI 



Fr. Sabatini. — S'pigolature , costmnijra- 
dizione popolari, dialcttologia, curiosita 
h'tterarie 

D'" I). Brauns. — Traditions japonaises 
sur la chanson, la musique et la danse 

Edv^. Vliktinck.— 14'^9-1889. Eene blad- 
zijde uit de geschiedenis der stad Nieuw- 
IJfort 

J. MiCHiELSEN. — Geschiedenis der Ver- 
woesting van Brecht in 1584 

Fréd. Ortoli. — Les conciles et les spio- 
des dans leurs rapports avec Ie tradition- 
nisme 

AuG. RuTTEN. — Bijdrage tot een Has- 
pengouwsch Idioticon 



Vragen en Aanteekeningen. 



Klohputten, JVekkersputten, Duivelskolken 

enz. 
Reuze-, St Niklaas-, Greef- en St-Merten 

liêkes 
JS^aar Oostland zullen n-ij rijden 
Bijgeloof met eene gewijde keers 
Strooibusseltjes aan den voet der kapel- 

lekes ' 23,46 

Inhalen vanden oogst, gebruiken, liederen 23 



liOtiiig, bijgeloovige gebruiken 

Stuk van een geestelijk liedcke 

Nachtmare 

Oorsprong van den schimpnaam Japneus 

Noodlot oifatalisme (sage) 

Be dood van Bazel 

Geestelijke liederen 

Merr ievrouw , wit konijn,, enz. 

Over het woord Pagnot 

Spotnamen 

Taptoe 

Hannekenuiten 

Lange wapper 



■i3 
34 
35 
35 
47 
47 
58 
,^^8 
58 
ö8 
58 
5b 



De kat in het volksgeloof 

De weerwolf 

Mooi Hollandsch 

De ziekte aan de eerdappelen 

Voorteekens 

De dood van leperen 

Iets over Moll en de aanpalende dorpen 

Over Peerlala 

Drinkgelag en schotelspijs 

St-.^ntouius 

Over het woord Avendel, lavendel 

De legenden der Indianen 

Woordenspel op het woord muis 

Tumuli 

De walen 

Hoe de boeren kerkzang verstaan 

Eeue Russische legende 

De drij meesters van den mensch (fabel) 

Eenige volksbenamingen van eerdappe- 

len 
De Smorfia 
Modepoppen 



83, 



GD 



81 
91 



MG 



Uti 



rao 

139 



,'■.8 
58 
59 
82 
82 
82 
82 
83 
83 
83 
83 
83 
118 
95 
95 
96 
107 
107 

117 
117 
118 



Inhoud van tijdschriften, 

Bladz. 11, 23, 35, 47, 59, 71, ö!, 96, 108, 11".», 131, 140 

DRUKFOUTEN. 



BI. 


R. 


14 


21 


16 


36 


21 


34 


29 


1 


29 


11 


30 


16 


32 


2 


32 


11 


43 


16 


45 


27 


49 


2 



Misdrukt : 

antwoorde 

sterke 

doon 

k zal niet vergeten 

die dag 

in deze voege 

XI V« eeuw 

eenigzins 

sue 

JAfhauniens 

Lithauaiens 



Verbeterd : 

antwoordde 

sterken 

dood 

'kzal't niet vergeten 

dien dag 

in dezer voege 

XVI" eeuw 

eeiiigsziiis 

suc 
Lithuaniens 
Lithuaniens 



BI. 


R. 


49 


20 


50 


11 


(.5 


6 


69 


3 


69 


8 


70 


19 


'M: 


:3 


117 


3!) 


PJ' 


1'' 


124 


34 


128 


2.-^ 


13ti 


11 



Misdrukt : 


Verbeterd : 


de d oudere 


des donders 


de speeltuigen 


der spceltnigen 


leven 


beven 


vondaar 


vandaar 


Po De 


De Po ' 


den 


dan 


in 


is 


slachtaffer 


slachtoffer 


getrafte 


gestrafte 


diepen 


diepe 


ons oiilof 


onse oirlof 


ende 


eede 



Op 1)1. 2, 2''«" regel, mogen de woorden « in één woord n niet gelezen worden, 
Op bl'. 16, 26" en 37" regel staat vijimaal de ; leest telkens den. 



ONS VOLKSLEVEN 



ANTWERPSCH-BRABANTSCH TIJDSCHRIFT 

voor Taal en Volksjiditveerfliglieifl, voor Ouöe Getooiljeii, Wanploofkünde, enz. 



ONDER LEIDING VAN 



J. GORNELISSEN & J. B. VERVLIET 

Onderwijzer te I Letterkundige te 

S' ^^ISTTOISriXJS-BRECIiT -A-ISTT-V^ERFEIT. 



S'i^ JAARGANG 
1891. 



II El- is nog een rijke Odgst op liet veld der geweBtspi'akeii voorlianden 
vele volksuitdrulikiiigeii dreigen te verdwijnen die om liunue jnistbeid, 
gchilderaclitigheid of oudheid verdienen in de schrifttaai opgenomen en 
bewaard te blijven. » 

Zuid-Nedeylandsche Maaischappij van Taalkunde, Wedstrijd 1874. 
« De studie der folklore heeft voor doel ons volk in zijne eigenaardige 
zeden en gewoonten, in zijn innig geloof en karakter te leeren kennen: 
in één woord, het rolk zooals het is. » 

Yraagboek roor Vlaamsche Volkskunde. 



TE B RECHT. 

BIJ L. BRAECKMANS, DRUKKER-UITGEVER. 



Medewerkers aan den 3" Jaargang- 



Alpried Harou 
J.-Th. de Raadt 
Lenaard Lehembre 
Frans Zand 
Paul Notelteirs 
E.~M. Verbruggen 
Coquelicot 
A. L. 
A. V. 

J. B. SïOCKMANS 

J. Adriaenssen 
E. T. 

A.-J. WiTTERYCK 

X. 



to 



Antwerpen. 

Brussel. 

Schelle. 

Itei^hem. 

Brussel. 

Merxplas. 

Oostmalle. 

Thielt. 

Vorselaar. 

Mortsel. 

Brecht. 

Brussel. 

Brugge. 

Wostmalie. 



INHOUD 



Gemengde Opstellen. 

Volksdichtveerdiofheid 1,13,133 Het bestolen Weerdinucke 73 

Etymologische Woordenboeken der Keder- Rivieren, putten, fonteinen, bronnen, on- 

landsche taal 9 diepten, enz- 85 

Over de " Temmen, >; « Tommeien ,; of « Tu- De Vogelen in het volksgeloof 92 

muli ,, 18, 127 Hoe de kerk te Keerbergeu in het jaar 1G41 

Boomen, Wouden en Gewassen in volksgeloof • een " positiefi" of cleyn oirgelken » koopt 101 

en legenden 28 De Klokken 111 

Kempische Spreekwoorden 31 Wonderbare indruksels 112 

Hoe het volk wapenschilden en sommige op- Ouzc-l-ieve-Vrouw-Waver.üeblijdeinkomst 

schriften uitlegt 38 van den baron op ü. 11. Hemelvaart, 1728. 

Spotfijmen op Steden en dorpen 48 Verzachtingen in het toepassen der licha- 

Een Woord over het rechtsgebied der bezit- inelijke straften, 1776. Peerken uit 't Boek- 

ters van heerlijkheden in Brabant 44 weitstroo, beruchte groenedoctoor zijne 

Volksgeneeskuufle 4d, fil veroordeeling, ISUH. 114 

De Duivel in het volksgeloof en de volkssagen 52 Een " vieze n Almanak 138 

Oorsjarong van Heyst-op-dea-Berg, legende 55 

Taal. 

Bijdragen tot den Dietschen taalschat, C, 25, 6~, 93,135 Uitgangen der \erkleinwoorden 17, 37 

Sprookskes en Vertelsels. 

1. Van Sint-Elooi enden smid 42 5. Van Ons Heer en Sinte-Peeter 90 

2. Van Wolfjonk en de gevangen Koniugs- G. Stroopersleugens 121 
dochters Go, 78 7. Van den Boer en de Beenhouwers 121 

3. Het peperkoeken Huiske 87 8. Hoe een Boer in nesten geraakte 137 

4. Van lompen Toon 89 9. Pe Grappen van de boeren van Ooien 113 

Sagen en Legenden. 

1. De onvolbrachte Belofte IG 11 Van eenen witten Geest 91 

2. De gevangen Spoken 17 12. Als Kwelgeest ter aggekomen 91 

3. Wat een Watergeest eens aanvong 32 13. Van de Vrouw en den Geest 97 

4. De Geest ' 40 14. De gestrafte Vloeker 98 

5. Van O. L. Vrouw met den Druiventros 7G 15. Van den Boek die betoovert 98 

6. Van een Lieve-Vrouwebceld dat aleen de 16. Van het Tooverbrief ke 98 
processie ging 76 17. Van een spokend Kalf 125 

7. Van den gestraften Dief 76 18. Van een brandend Bosch en een spokend 

8. Van de gestrafte Heiligschenders 76 schaap 125 

9. O. L Vrouw van Scherpeuheuvel 77 10. Ken V^isscher weergekomen 126 
10. Vaneenen Watergeest ■ 91 20. Van een Monster gebeten 126 

Verspreid in andere opstellen en ongenummerd : 

Het Mirakel van de H. Alena te Vorst £0 De gestrafte jachtwachter 53 

De Elzeboom van Assche 30 De Duivel en de Kaartspelers 53 

De stralende !<oom .-10 I'e Duivelstorcn te Mieuwpoort Ó3 

De Ketel van O. L. Vrouw te Brugge .^S De roode Clif 85 

De Steen vóór de O. L. \^ Kerk te Antwerpen 3 ) 1 )e stemme uit den put 86 

Het Kasteel van Geeraard den Duivel ■>'! De overk wellende put 86 

Het Duivelshuis te Jauchelette 52 Eene NVaterkwelle door een j^eerd verwekt 87 

Liederen. 

1. Reuzeliedje 27 4. Het Lied van alle dagen , 54 

2. Sitite-.Mertcnlied 2S 5. Daar zat een(en) Uil en spon... 109 

3. ^Nieuwjaarsliêlic 28 

Kinderrijmen. 

Knie- of rijd iiêken 81 

Kinderspelen. 

1. Potteke met blauw' oogen 101 3. iiamele, damele, of daar hangt het spek 127 

2. Rotte, rotte Schelvisch 126 



Vallende sterren 



Pedde 

Den bef jagen 

De fanterstekken 



Wangeloof. 

83 Witte Koekoek en Peerdensteert 

Volksgebruiken. 

82 Hei « Ileiluizen « 
lOU De « Patatenklos» 
101 

Boekbesprekingen . 



192 



111 
112 



J. Th. de Kaadt. — Les Seigneuries du Pays 
de Malines. Berlaer et ses Seigneurs. 

J. B Van Antweepkn. — Antwerpsche Kel- 
dermondvertellingen 

Ed. Geudens. — EeneZoending 

F. Sabatini — // Volgo di Roma 

Ed. Geudens. — Jeronymus Bosch alias Van 
Aken 

Mgr RuTTEN. — Het Maatschappelijk Vraag- 
stuk 

Baekelant of de Rooversbende van 't Vnjbusch 

L. VanRyswyck. — Gilbertvau Schooiibeke 
of een oproer te Antwerpen in de XVP 
eeuw 

D. A. Van Bastelaer. — Les (*pingles, les 
aiguilles & les clous dans les praiiqucs 
super stitieuses 

— Beelden en Schetsen voor de Vlaamsche 
jeugd 

Andrew liANG. — ütiules traditionistes 

J. Th. de Raadt. — Les Seigneuries du Pays 
de Malines. Keerhergen et ses Seigneurs 

J. Th. de Raadt. — Wavre-N. D. et ses 



Seigneurs. Notie.e historique sur la commune 
10 de Wavre-N. B. G9 

Alph. Goovaerts. — Construction et inaugu- 

20 ration d'un Hotel de Ville, pendant la pre- 

21 mière moitié du X F/" siècle. V Hotel de 

34 y ille de Léau et son perron 93 
R. VAN DE t'uTTE. — f 't Levcu vau Sinte 

35 Luudgarde 94 
Em. I lémont. — Esthétique de la Tradition 103 

35 Th. Ign. VVelvaarts. — Levensschets van 
4G J. de Kort 104 

Am. Joos. — Vertelsels van het Vlaamsche 
Volk 3" d. 104 

47 Aug. Gittée & JuL. Lemoine. — Contes 

popuia i7-es du Pays ivallon 118 

Edw. SiDW. Hartland. — Englisch fairy 
hl and other folk-tales 118 

Am. de I^aepe — 't Werkwoord in den Indó- 
58 GermaaTisclieu taalljoom 129 

03 Lamb. Van Ryswyck. — Loijke de Sclialie- 

dekker 130 

G!) Lamb. Van Ryswyck. — Antwerp. belegerd 130 



Nieuwskes. 

Nieuw volkskundig tijdschrift 33 Zeitschrift des \ ereins für Volkskunde 34 

De Volkskunde op 'tCongres der Oudheidkun- Tweede Congres der Volksoverleveringen 34 

dige Kringen 33 Folklore wallon 31, 59, 105 

Zeitschrift f ür Volkskunde S4 Bulletin de folklore 106 



Vragen en Aanteekeningen. 



Een Friesche nieuwjaarwensch van 

Vlaming 
Vcrgelijkenis 

De J-lokkonrijders in het volksgeloof 
Kwelvertelselke 

De Bokkenrijders in de geschiedenis 
Spoken op den ijzerueg 
De Nachtmare 
Uit den Franschen tijd 
Koeihoedersdeuntjes 



Waarom de Roetaard ook « Rotzak » heet 
9 Herbergreglement 

22 Oorsprong van den naam « Bieteuten n of 
22 " Biemusschen n 

22 Ze komen van achterna gelijk die van Heist 
47 J-ïezwering tegen de ratten 
59 Klopgeesten en Kloptafels 
59 Spotgeesten 

GO Zand strooien op den dorpel 
70 



70 

82 

82 
106 
1116 
139 
139 
139 



Inhoud van tijdschriften. 

Bladz. 11, 23, 36, 4S, GO, 70, 83, 95, lOG, 119, 131, 133 



BI. 


R. 


10 


10&12 


10 


lil 


16 


23 


21 


G 


64 


1 


69 


45 



Misdruki : 

Wörterbi'ch 

Mündarten 

schimmel 

minste 

beeltje 

kenaming 



DRUKFOUTEN. 

Verbeterd : 

Wörterbuch 
Mündarten 
schimmel 
ten minste 

boeltje 
benaming 



BI. 


R. 


71 f 


11 


70 


18 


76 


23 


86 


1 


101 


6 


lO.T 


i» 


114 


3 



Misdrukt : 


Verbeterd : 


drukken 


drukten 


waarboel 


waiboel 


per 


der 


kroezen 


kroegen [kruiken) 


uitzend 


uitzendt 


heoft 


heeft 


met der haast 


en met der haast 



In N"" 11 heeft een onachtzame zetter de fout begaan twee regels van het vertelsel van den Boer 
en de Beenhouwers in het artikel : Over de « Tommen n in te lasschen. 

Aan den voet van bladz. 124 gekomen, gelieve de lezer er de twee eerste regels van bladz. 129 
))ij te voegen, en daarna op bladz. 125 voort te gaan. 



ONS VOLKSLEVEN 



I « Er is nog een rijke oogst op het veld 
Anlwerpscii-Brabaiitsch Tijdschrift | 3" Jaar fier gewestspraken voorhanden; veel 

I volksuiidrdkkiiigen dreigen te verdwij- 

voor Taal eu Volksdichtvcerdigheid , .. qq, uen die om liunne juistheid, schilder- 

achtiü^heid of oudheid verdienen in de 
voor Oude üebruiken, Wangeloof kunde, : schrifttaai opgenomen en bewaard te 

blijven. » 

enz. Int/celf nommers van twelf bladzijden Züid-Nederlandsche Maatschappij 

VAN Taalkunde. Wedstrijd 1874. 
iu8". .g[g «De studie der folklore heeftvoor doel 

•'• ons volk iu zijne eigenaardige zeden en 

Ie I5RECHT, gewoonten, in zijn innig geloof enkarak- 

Afl ter te leeren kennen, in één woord, het 

l)ij L. Braeckmans. * volk zooals hetis. n 

Vraagboek over VlaamscJie Volkskunde. 



VOLKSDICHTVEERDIGHEID. 

Wanneer er iets is dat het volk niet wel en verstaat of kan onthouden, 
dan g-ecft het zelf eene beteekenis of 'nen naam aan het afgebeelde, en legt 
op zijne manier de teksten of teekens uit die het niet begrijpt. 

De verbeelding van 't volk immers is buitengewoon rijk, zoodanig zelfs, 
dat zij niet zelden uitstrekt tot voorM-erpen of handelingen die wij voortdu- 
re:.d in 't dagelijksch leven onder de oogen krijgen of zien gebeuren. 

Zoo bezigt het volk dikwijls, voor de eenvoudigste dingen, benamingen 
die in de verste verte niet zouden doen vermoeden van welke zaken er ge- 
sproken wordt. 

Om ons gezegde te staven, zullen wij eenige voorbeelden aanhalen, aan 

spel en woordspeling ontleend. 

* 
■*■ f- 

Iedereen kent het loiospel. Bij dat spel gebruikt men kaarten in vierkant- 
jes afgedeeld ; een deel der vierkantjes bevat getallen, het ander niet. 

Bij het afroepen der nummers, die uit eene beurs getrokken worden, wa- 
re nu niets eenvoudiger als de getallen met hunnen gewonen naam te noe- 
men en te zeggen : een, twee, drij, tien, twintig, enz. Maar neen, het volk 
verstaat dat anders en, dank aan zijne grillige verbeelding, vindt het boven- 
dien nog gelegenheidom zijnen luim bot te vieren. 

Zoo roept hij die de nummers uit de beurs haalt, voor één : 't Zothuis, den 
Uil, Pietje, ook Djappe of Djoppe ; voor hvcc : Lut of Lutteken ; chij : den 
Draaier ; zeven : de Kram ; tien : TroUe, den Tiensluiversgast, negen en een, 
den Mouchard of de Vlieg ; cJf : de beenen van Van Dyck of de doodsbeen- 
(der)en ; Uvcïf : twelf uren slaagt de klok ; (hrtien : Judas ; veertien : het hon- 
dekot ; vijftien : Jan den Hoed ; zestien : ge stinkt ; negentien : Negenmanne- 
keslint ; ttvintig : twee met een oke ; éen en tivintig : den Aap ; itvee en ttcinUg : 
de Zwaantjes, de twee Zwaantjes of den Zwanengang ; éen en cleriig : den 
Dunne ; drij en dertig : de jaren van Deezeke ; vier en veertig : de kleppekes 



« Ons Volksleven. 



van den Commissaire ; vijf en veertig : den Huisbaas ; vijf lig : ten halven we- 
g-e ; ses en zesiig : de bollen, G en G, de klokken van Rome, ot'Bim-bom-bam ; 
negen en zesHg ; onder en bovun ; zeven en zeventig : de haken van d(} sloof, 
de Lwee haken van de stoof, de sleutels, de krammen, de sabels of de twee 
sabels ; iachiig : de Blaas ; écu en tachiig : den Platte ; achf en fachtig : acht en 
acht, de appeltjes of de kleine appeltjes ; negentig : don hoogste uit den zak, 
Grand-Papa, op den top, den kruiwag-en, den Ouwe (oude^ of den Baas van 
't kot. 

Van éen tot twelf, roept of zingt men : éen uur, twee uren, drij uren 

twelf uren. 

Voor 10, 20, 30, enz. zegt men ook "1,2, 3, met 'nen put, en eens ge- 
schud ! » en de afroeper schudt met de beurs. 

* 

Eenander voorbeeld levert ons het dominospel ; daar noemt men : Enkel 
1 : den Aap ; dubbel o : den Bloote ; dubbel 1 : den Bril ; dubbel 3 : den 
Draaier ; dubbel 6 : de Spons, enz. 

Tot beter verstand van de benamingen, aan elke i hooger vermelden 
nummer gegeven, is eenige uitleg noodzakelijk ; wij laten hem in de Aan- 
merkingen volgen. 

Eerst nog een woord over het spel zelf. 

Er zijn 4 rijen op iedere lotokaart ; elke rij bestaat uit 5 nummers en 
evenveel blinden. 

Somwijlen speelt men voor eene voilc hiart ; veelal nochtans voor ééue nj. 
Wordt er nu 'nen nummer uitgetrokken, dien men op zijne zijne kaart of 
root heeft, dan roept men : Eén f Bij 'nen tweeden nummer derzelfde root 
roept men: Tujcc ! Bij den derden nummer dier lij : '1: Hih een. hammcke ! 
Bijden vierden: 'h Hung (d ! of kadarm ! En bij óen vijfden: Uii ! oi' en 
geel (ld II f 

Zoo speelt men te Antwerpen ; in de Kempen echter, o. a. te Turnhout, 
roept men: Kionl of'khch kion ! — Kion Julhen oiliem ^('/» is uit zijn, 
eene vollo rij op zijne kaart iiebben. (Vrgik. Schuermans i. v. Kiev, enz). 

Kic)>i];(i(ii-l( n. zijn lo(okaarl;eii, kiemen is met den loto spelen ; wat een 
Jtamincke e;i kurhinn beteekenen, weet ik niet. 



Aanimekkingkn. 

1. Het Zoiltiiis, ie Aiil\veri)en inde Rochusstraat gelegen, droogden 
nummer 1. — De Uil is de hoogste rang, y.\n de plaatsen voor het volk be- 
stenul, in (l<':i schouwburg ; het is dus de eerste rang, als men van bovenaf 
begint te lellen. — Pidje is hier Vieije de dood, de eerste en oudste burger 
van de wcicM. — Ken J)j<ij)]e, J)jo]i]i< is een suki'.elaar, su],snul, dommerik. 



« Ons Volksleven. 



Dus een die niet en telt, die niet in aanmerking komt en op wien de spreuk : 
écu 'S r/coi écu toepasselijk is {\). Djapjpe beteekent ook nog Jozef, evenals 
Jcj, Jcppc, Djrppen, Scppcn, enz., waardoor men nogmaals 'nen sukkelaar 
aanduidt. (Z. Schuerm. Idioi en Bijv., i.v. Djappe, Djobbe, Jappe, Jeppo,enz.) 

2. Eene lui is een zorgeloos vrouwmensch ; dus eene vrouw die van wei- 
nig tel of weerde is, Zinsp'^elt dat nu op de kleine weerde van 't getal 2, of 
is lui eene willekeurige verkorting van het woord luiteJ, liitfer, dat iceinig 
beteekent? (Ziet verder Schuerm. Alg. VI. Idiot. i. v. Luf, en de spreuk : 
ticcc ei isécn ei, écn ei is fjccn ei, in hot hieronder meegedeelde Overijselsch 
rijmke, waar 2 zooveel telt als niets) 

3. Dat getal ontleent zijnen toenaam aan de gedaante van het cijfer waar- 
door het verbeeld wordt. 

7. Dezelfde aanmerking geldt voor dees getal. 

10. Tl olie of misschien wel clroUe. Drol beteekent iet zonder eenige weer- 
de of van de slechtste hoedanigheid ; in verband gebracht met de volgende 
toenamen is dat hier waarschijnlijk de juiste beteekenis. — Een verklikker, 
overdrager, spion, heet een iicnsiuivcrsgast. — De " speurhonden » der ge- 
iieime politie werpt men het scheldwoord negen en een of iiensiiiiversgast naar 
het hoofd ; daardoor wil/ men zeggen dat de verklikkers, 't zij per dag, 't zij 
voor iedere mededeeling die tot vervolging leidt, 10 stuivers trekken. — 
Het Fr. 3fouchardY\. verklikker, en vlieg, in 't Fr. mouche, toenaam die wel 
eens aan de verklikkers gegeven wordt, vragen geenen verderen uitleg. 

11. Een standbeeld van Fo« i)?/cZ: versiert de Van Dyckplaats, vóór den 
hoofdingang van het oud Museum van schilderijen. Het volk stelt zich den 
groeten schilder als graatmager voor. — Wat de doodsbcen((ler)en betreft, 
dat zijn de twee schonken die kruisgewijze onder een doodshoofd afgebeeld 
worden. 

12. De Hannclienuilen uit den ouden tijd riepen : 

Waakt uw vier en keerslicht wel ; 
Elf.... twelfureM slaagt de klok ! 

De kinderen zingen dat anders : 

Hannekenuit met zijnen stok ; 
Twelf uren slaagt de klok, klok, klok ! 



(1) Die spreuk, dagelijks gebruikt, vinden wij 
weer in het volgemle Overijselsch rijmke : 

Palm, Palm -Pasehen ! 

Mei Koerei ! Hei Koerci ! 

Nog een Zundag, dan hebben we een ei ; 

E^)> ei is geev ei, 

T/oee-ei is ^én ei ; 

Drie-ci is 't rechte Paasch-ei ! 



Het Kempisch paaschrijm luidt : 

Een ei is geen ei, 
Twee ei 'ren is éen ei 
Eu drij ei'ren is een paaschei. 



« Ons Volksleven. » 



Wsiuneev de Jmvncl'cimi f en oï anduiicn in voege gekomen zijn, heb ik niet 
kunnen vinden ; waarschijnlijk dagteekent hun bestaan van over eeuwen, 
daar men ze in geschiedkundige verhalen over den Spaanschen tijd doet 
voorkomen. Oudtijds was liet anduitschap te Antwerpen een der stadsamb- 
ten die voor eenen zekeren tijd verpacht of « verkoght " wierden. De som 
aan de stad te betalen, hiot « ambachtsgeld ?' of - medionaet " en verschilde 
soms nogal veel, het eene jaar tegen het andere. 

Zoo vinden wij in eene « Memorie der verkoghte Offlcien binnen de stad 
Antwerpen -^ (i) loopende over de jaren 1738 tot 1772, dat het anduit- 
schap in 1759 voor55o gulden, in 1760 echter voor 1370 gulden toegewezen 
wierd. Niet alle jaren wierd het verpacht, waai schijnlijk omdat de titula- 
rissen het goedvonden met de stad eene overeenkomst aan te gaan om de 
verlenging van den duur hunner pacht to bekomen. 

Evenwel had ook het tegenovergesti'lde geval soms plaats, zooals in 1758 
en 1760, toen het ^ officie ^ drijmaal, en in 1741, 1742, 1748, 1754, 1762 en 1770, 
wanneer het tweemaal vergeven wierd. 

Somwijlen ook treft men op denzelfden datum het verpachten van 2 an- 
duitschappen aan ; dat gebeurde in 1741 en 1769. 

Evenals de andere « stadsambachten « wierd het anduitschap tijdens de 
Fransche Republiek alhier afgeschaft, zoodat zij die 't bedienden, hunne in- 
komsten verloren. 

De leste hannekenuit die in Antwerpen dit ambt bekleed heeft, was, zoo 
men zegt, een Waal, die in den Engelengang, in de Schuitstraat woonde. 
Het was een struische kerel, die alle nachten zijne ronde deed, voorzien van 
eenen sabel, eenen stok en eenen lanteern ; zijn hond volgde hem altijd op 
den voet. De man, die met zijne kromme tong ons Vlaamsch radbraakte, 
had de gewoonte van te zeggen : 

" Ik, en mijn hond, en mijn stok en mijn saab'. 
" Zijn voor drij man caliaab' ; n 

rijmke dat in den smaak viel van de Sinjoren van 't St-Andrieskwartier, 
die het nog lange jaren nadien herhaalden, bij het spreken over den lesten 
hannekenuit van Antwerpen. 

13. Judas : de 13*^ Apostel en de verrader van Jezus. 

14. Een hoogo hoed heet in de wandelingeene huis of een IwndcTiot. 

15. Jan den Jiocd is de bijnaam dien men, over ruim 50 jaar, gaf aan zeke- 
ren ondercommissaris van politie, die dienst deed in 4*^ wijk of 't St-Andries- 

(1) Ziet Mertens en Torps, Geschied, v. Antw. D. VII, bl. 172-3, Bijlage : Ambachtsgelden te 
Antwerpen. « Memorie der ver 1- oghtc Officien biunen de stad Aiitwerpen, sedert het verwerven 
« van het octroy by de Magestcyt dien aengaende vergunt, alsmede voor de somme dat de selve 
« syn verkoght, daer ouder begrepen de respective mi dionaet ende alles in conrant geit. n 

De « Memorie » loopt van den 23 Dec. 1738 (ot den V3" Deo, 1772. De eerste aanhaling is van den 
5" Mei 1740 ; " Een anduytschap f. 975. „ 



« Ons Volksleven. 



kwartier te Antwerpen, Behalve de hoofdcommissaris M^ii'on er in de 4 wij- 
ken der stad, no,u' een commissaris en 3 ondercommissarissen : eersten, twee- 
den en derden heer g-enoemd. Die ambtenaars droegen alle 'nen lioogen 
hoed of een hondekot en hielden ^icn rieten stok in de iiand ; hier waren 
zij gemakkelijk aan te kenne:\ 

10. Wordt g-ezeid als teeken van verachting- voor den persoon, tot wiea 
men spreekt. Do uitdrukking wordt ook g-ebezigd in sommige kinderspe- 
len in Vlaanderen. 

11). Een ncgcnmannclce is eenc oude munt ter weerde van eene duit ; het 
vcr/cnmdunch'^liiii is smal wit of g'rauw lint, en kost éene duit of éene'i cen- 
tiem de el. 

20. Die spreuk vraagt geenen uitleg. 

21. Men zal reeds bemerkt hebben dat veel der gebruikte uitdrukkingen 
eene spotternij verbergen. Dat is hier nogmaals hot geval, en die liet ge- 
luk (?) heeft van bij 't afroepon 21 op zijne kaart te vinden, is zeker van voor 
den aap of voor 'nen (lap gehouden te worden. 

22. De twee eerste uitdrukkingen doelen op de ov(nTenkomst die er tus- 
sciien de gedaante van den hals der zwaan en den nek der 2 beslaat. — De 
Ztvaiicnffaiifj is een beruchte gang, die op de St-Jacobsmerkt uitkomt. Hij 
wordt bewoond door arm, gemeen volk,zooals vischwijven, asscheraapsLers, 
enz., Mier laai de platste, leelijkste uitspraak is van den Antwerpschen tong- 
val. 

31. Waarom men hier den dunne zegt, weet ik niet ; misschien is het om- 
dat de 1 zoo dun is. Daarom heet 1 eeii streepko of een zweepke (uitspr. 
zwippeke). 

33. Deezelic = Jezus. Men zegt ook somwijlen Seczes, zooals in den uit- 
roep : Wel Seczes vcdi Maeleriije ! = Jezus van Maria ! 

Wanneer in vroeger tijd eene godvruchtige ziel geld telde, dan zeide ze, 
aan 't getal 33 gekomen : 33 met God. De twee spreuken ontleenen hunnen 
oorsprong aan hetz{dfde denkbeeld. 

44. Waar die spreuk op zinspeelt weet ik niet ; misschien wel op de eene 
of de andere bijzonderheid, als die aangehaald is onder N'' 15. 

45. De beteekenis van deze benaming is mij onbekend. 

.50. Ten halven teer/e. Die uitdrukking is niet heel juist, daar de hoogste 
nummer 90 is. Maar het volk ziet zoo nauw niet ; het houdt veel van ronde 
getallen, hoe grooter hoe liever. Dat neemt niet weg dat, wanneer een 
persoon die van de eerste leugen niet cielorst(n is, iets vertelt waar een cij- 
ter in voorkomt dat ongeloofelijk schijnt, men hem al lachende het onge- 
rijmde van zijn verhaal doet opmerken, door de volgende samenspraak : 



« Ons Volksleven. « 



(P'en toehoorder zegt :) 'k Heb wel 100 honden gezien ! 
(Een andere spreker antwoordt :) Wel manneke, wa(t) lieg de ! 
(Eerste spreker :) 't Ware(n) (d)er dan toch wel 50 ! 

(Tweede spreker :) Wel manneke, wa(t) lieg-de ! 

(Eerste spreker :) 't Ware(n) (d)er dan toch wei 25 ! 

(Tweede spreker :) Wel manneke, ge liegt nog ! 

(Eerste spreker :) 't Ware(n) (djer dan toch 2 : 

'Ne witte me(t) 'ne zwarte ! 

Onderwijlen houdt alleman al lachende de oog op den grootspreker ge- 
richt. 

66. De eerste uitdrukking zinspeelt op de gedaante der cijfers ; de tweede 
hoefr, geonen uitleg. — De beide volgende herinneren aan 't gezegde dat in 
de week vóór Paschen de klokJcen naar Rome gaan, en bij hunnen terugkeer 
eieren voor de kinderen meebrengen. Daarop doelen ook de volgende rijm- 
kes waar talrijke lezingen van bestaan : 

a) Bim, bom, beieren ! b) Bim, bom beieren. 

De klokken brengen geen eieren. De koster mag geen eieren. 

Wat brengen ze dan ? Wat mag hij dan ? 

Spek in de pan Spek in de pan : 

Met 'nen rijzen boterham. De koster is 'ne lekkere man ! 

69. Die benaming is enkel het begin der gekende spreuk : Onderen hoven 
aliijd koek, waarvan de beteekenis is : Wat gij ook doet, of hoe gij ook han- 
delet, toch zult ge altijd een goeden uitslag verkrijgen. — 69 't Onderste 
boven gekeerd, blijft nog 69. 

77. De uitdrukkingen voor dat getal gebezigd, hebben alle, min of meer 
willekeurig, betrek op de gedaante der cijfers. 

80. Zelfde aanmerking als bij 't voorgaande getal. 

81. Ziet onze gissing bij N"" 31. 

88. Dezelfde aanmerking als bij N*" 77. 

90. Negentig is 't hoogste gelal dat in het spel voorkomt ; de uitdrukkin- 
gen : den hoogsie uit den zak, grand-papa, op den top, den oüive en dèn haas van 
'i kot zijn dan gemakkelijk om begrijpen. Wat men door den kruiwagen zeg- 
gen wil/, is mij niet recht duidelijk. 

('t Vervolgt. J J. B. Vervliet. 



BIJDRAGE TOT DEN DIETSCHEN TAALSCHAT. 
pte ^38te) Woordenzange. 

Bei, de. — Balluit, dwaas en halfgek vrouwmensch : Wat voor een zotte 
heiis die Mie ! Geh. St-Antonius. Het Haspeng Idiot. heeft : Baï, z v. Groot, 
lui vrouwmensch. 

Ester, de. — Herel, egel, splinster van vlas, kemp, enz. Geh. St-Antonius, 
Zoersel en om. Kiliaen vertaalt estere door fesiuca eanahina : scapus en ver- 
wijst naar leme, dat hij overzet door spina, arista, piscis. 

Gaars, het. — Gras, gers. Geh. Brecht en Vorst bij Westerloo. Te Brecht 



« Ons Volksleven. « 



spreekt men gnors uit en te Vorst noci's. In 't Angelsassensch luidt het rjracs 
en qnors. 

Gerzelen, gcrselde, hch qcficrzeld. — Huiveren, griezelen, Fr. frhonncr. 
Ai ! ik gcrzel r\og ah ik er aan denk! Geh. St-Anionim. Kiliaei vertaalt 
qhcrsclen ook door hor rere. Schuerm. heelt fjrez zelen. 

Griet, de. — Weeroog, weenoog ; puistje of zweniven aan 't oogscheel, 
Fr. h'fJiia-'^ie, hRt. hordeoJum, iuherciilnminpaJpehris. Geh. idem. 

Hoosschepel, den. — Z. Schepel. Geh. Brecht. 

Kuisch. — Zuiver, rein, in eigenlijken zin gebezigd. B. v. Brengt mij 
een glas Icuisch water, 'nen Imischcn handdoek, enz. Geh. Vorst h. W. In de 
Kempen gebruikt men het als bijw. in den zin van ganscli, heel en al. B. v. 
Mijn gold is Iniisch op. 

Kvoel, hot. — Kromer, jichtige pijn in don rug. Ik heb het hvel in mijnen 
rug. Geh. St-Anionins. 

Moos, de. — Slijk. Hier volgen eenige samenstellingen met moos die in 
Schuermans' Idioticon niet voorkomen.: MoosGerd.(e), (uitspr. mosjchrj, 
het. — Z. Moosslijh. — Mooskuil, den. — De kuil achter het huis, daar het 
vuil water in loopt en daar men allerhanden afval in werpt. — Moosput, 
den. — Z. Moosliiiü. — Moosslijk, het. — Het slijk uit den mooskuil dat als 
mest gebruikt wordt. — Mooswater, het. -- Het water uit den moosput. — 
Mozegoot, do. — De goot langs waar het wa'er dat door het mozcrjat loopt, 
naar den mooskuil vloeit. Geh. Sl-Antonius. 

Nu veren, mtverde, hch genuverd. — Verlangend zitten of staan kijken 
om iet te bekomen ; giezen. Geeft den hond een stuk : hij zit daar al zoolang 
io, niivcren l Geh. Beihy. Nuveren staat bij Kiliaen geboekt als een oud w. 
met de beteekenis flaqliare, appefere. 't Is hetzelfde nis iivcren dat bij hem ook 
voorkomt en vertaald is door avere, conciqyisccre. 

Pijn, de. — Moeite, last, arbeid, Fr. j'cinr, Eng. pain. Die oude beteekenis 
heeft het w. bewaard in de uitdrukking : 't Kan de pijn niet lijden, of : 't is 
depijn niet weerd. Geh. St-Anionius. Kiliaen vertaalt hot ook door opera, 
lahor. 

Reil. Slank, fijn, opgeschoten, lang en dun, Fr. orêJe. Geh. Idem. Bij Ki- 
liaen Becl, racl. Tenuis, exilis, gracilis. 

•Scheenis. de. — Schee, grensscheiding. Waar is de schcenis tusschen die 
twee hemden'^. Geh. idem. — Schecdni {nitspr. scheen), schceid), schee{de)nis 
hescheed, heschee(de)lijh, afsch/'ed, oiiderscJiccd hoort ge hier altijd voor 
scheiden, schei{d), schei{de)nis, enz. Zoo ook : erkcl voor eikel. 

Schepel, den. — Z. Schoep. Geh. Brechi. 

Schoep, de. — CTroote holle schup of schop, uit hout, met 'nen langen 
steel, en die dient om granen, aardappelen, enz. om te zetten en op te schep- 
pen (i). Geh, St-Anfonius. 



(1) Er is dus verschil tusschen de schup, de trof el en de schoep. Eene schup dient om dtu grond 
te spaden of om te graven, terwijl de trqfel gebruikt wordt om kolen, gruis, kalk, enz. op te 
scheppen. Beide werktuigen zijn van ijzer of staal. 



" Ons Volksleven. » 



Schoepen, schoepir, lid> qcschocpt. — Scheppen met de schoep. Vandaar 
insclioepen, opscJiocpcu, uitschocpen, enz. Geh. idem. 

Som. — Eenig, sommig, Eng. sonie. Ook bij Kiliaen. Te som plekken zijn 
de eerpel bevrozeii. Geh. Brccht. 

Sprinkkoot. — Verstuiking bij koeien en andere horenbeesten. Onze 
koei heeft het sprinliTioot. Geh. klem. 

Stiepel, stiepelzat. — Versmoord zat, smoordronken. Geh. St-Arüonitis. 
Bij Schiierm. siithel ; te Relhy zegt men siiepcr. 

Tut. — Dr^ nken, zat. Hij is al iut ! Geh. St Anionlm. Schuerm. zegt : " In 
Duitscli Luxemburg zegt men : er as iuf, hij is dronken » — Waarschijnlijk 
is het w. verwant mei. duf, dn/fcn, dotcn, bij Kiliaen overgezet door delirium, 
dclirarc. Meyers (M^oordenschat, III, bl. 178) heeft veriiiitcn, zot zijn, zot ma- 
ken, verdwazen. 

Versemmelen, versemmeldc, lub vcrscmmchl — Verbeuzelen, verknikkeren, 
(zijnen tijd) door semmelen verlieren. Ik helj daar wel twee uren versemmeld. 
Geh. idem. 

Vetmaai, do. — Elders spehnaai, inde woordenb. c//'/, d.i.het masker 
van den meulder of meikever. Geh. idem. 

Vetvingeren, vetringerde, heb gecefvinyerd. — Voordeel doen, winst be- 
komen. Gij zult daar niet veel aan vefvingcrcn, d. i. gij zult daar weinig vet 
aan lekken, weinig voordeel uit trekken. Geh. idem. 

Vlaggen, vlagde, heb gevlagd. — 's Werkendaags de herbergen afloopen, 
in plek van te werken. Vandaar vlagger = een die in de week zatlapt en de 
herbergen afloopt. Daar is een heele hoop zatlappen aan 't vlaggen. Er zijn 
vlaggers in 't dorp. Geh. St-Auionius. Vlaggen is verwant met vliegen, vlegge- 
rén, flaggeren. 

Vlagger, den. Z. Vlaggen. 

Vorschen vilder, den.- Heel bot mes, een mes dat zoo bot is als een hak. 
Geh. Si-Antonias, Halle, Zoersel en om. 't Daghet heett vilder, Tnerl. padden- 
vilder. 

Zwaart, de. — Meerv. zivaartcn. Zwijnshuid, zwijnsvel ; sneêke zw-ijns- 
vel dat den eenen kant van eene krip of eene snee hesp of spek begrenst. 
Geh. idem. 

't SpcJc en de zivaart zijn van eenen aard (spreekw.) = zulke ouders, zulke 
kinderen. Geh. idem. " Vlaandersch ziveerde ; Limburgsch zicaard zivaars ; 
Hagelandsch zn-a, ztcafs; Kempensch zwa, zicaar; Brabantsch zwors, zwozze, 
ziroois, zivazzie; rond Gent zueerd ; ie Tuinhout zwa ad ; Hollandsch ztcoord, 
zivoerd; Zeelandsch zmirle ; Groningscli ,2'/w<o7-,^?rrtorf/,- Overijsselsch svacere; 
Oudfriesch sivarde ; Noordfriesch sürd ; Engelsch sicard, swarih; Angelsas- 
sensch sveard ; Deensch skev ; IJslandsch svcerdhr : Platduitsch swaerde, 
swarde, Roogdmtsch sch war ie; Middellioogduitsch swarie, swarf.v (Loquela, 
1890, N' 11, hlfz. 87). Joz. Cornelissen. 



« Ons Volksleven. » 



EEN FRIESCHE NIEUWJAARWENSCH 
VAN EENEN VLAMING. 

"Hograech ik Joris sprekke woe, 
Dat 'k Jo mya winsken sizze koe, 
Ik wit dat rlit net wirde kin. 
'k Lit ixm Jo mei dit kacrtsjo witte, 
Dnt 'k yet deeeldo for Jo bin, . 
En rop romhertich Jo tomiel te ': 
Hab altyd cltse libbeiisdei (1) 
De romt fen segen op Jou wei. » 

Bin, ben ; deselde, de zelfste ; eltse, elke ]fen, van ; graech, graag geertic ; hab, heb ; ho, hoe ; 
jo,je, u \ jou, jen, uw ; Aj«, kan ; \oe, kon ; Ut. laat ; mei, met ; net, laet ; nou, nu ; ris, een reis, 
eens ; romhertich, ruimhertig ; romt, ruimte, overvloed ; roj), roep ; sizze, zeggen ; spreklic, spre- 
ken ; torniette, te(ge)moete ; mei, weg ; irirde, worden, zijn ; n-if. weet ; mitte, weieu ; n-oe, woUt 
wilde ; yet, nog. G. G. 



ETYMOLOGISCHE WOORDENBOEKEN 
der Nederlandsche taal. 

In een welgoschreven art., L. geteekend, en verschenen in N"" 11 (bl. 311, 
Nov. 1890) van Het Belfort, zegt de schrijver, sp: ekende van Frof. Fercotillie's 
Behwpi ctymologiscli tvoordcnhock der Ncderlmuischc taal : ^ Tot hiertoe bezat 
men geen etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal en, om den 
oorsprongen den wortel onzer woorden op te sporen, was men verplicht 
zijne toevlucht te nemen tot Duitsche en Engelsche werken, waarin soms 
een plaatsken bespaard was voor ons Nederlandsch. y> 

Die bewering is onjuist. £/«/tor/' in zijnen N"" 23 (bl. 3G6, Doe. 1890) wijst 
den H''L volgenderwijze te recht : « Een Duitscher, te weien D"" J. Fianck, 
die Hoogleeraar is van MiddeleeuM'sch Dietsch te Bonn. en die ten jare 1883 
eene Mittelniedcrlandischc Grammatil- uiigüf, heeft reeds van in 1884 de eer- 
ste bladen laten drukken van zijn Etymologisch woordenhoeJc der Nederland- 
sche t^al. Dat deugdelijk werk gaat trage voort, 'Lis waar ; doch was cvent- 
wel reeds tot een ende verre in Boekstaf R bij Nijhoff ic 'sGravenhagc ge- 
drukt en verschenen, eer dat Leeraar Veicoullie's woordenboek uitkwam. 
Tegenwoordig is het alreeds aan het woord Slof gerocht, bevat tot hiertoe 
896 halve bladzijden, en zal in 't geheele omtrent de 17 frank gelden. « 

Dat alles is waar, behalve dat D' Franck's Etymologisch woordenboek het 
eerste dergelijk werk voor onze taal zou zijn. 

Bij ons beste weten is J. L. Terwen de eerste geweest, die een etymolo- 
gisch woordenboek der Nederlandsche taal opstelde. 

Zijn werk dat voor ons ligt, is geiileld : £'/?/mo?o/7?'.sc^ Handwooidnihoek 
der Nederlandsche taal, of Proeve van een geregeld overzigt van de afstamming 
der Nederduifsche woorden door J.L. Terwen. — Gouda, G. B. Van Goor. 1844. 

(1) Levensdag. 



10 « Ons Volksleven. y> 



Het is een lijvig boekdeel in-8^, van XXXVI-1050-XX bladz. Het eigen- 
lijk woordenboek dat 1050 bl. telt, is voorafgegaan van de lijst der inschrij- 
vers (XII bl.), eene voorrede (IV bl.) Pii ecne hoogst belangrijke inleiding 
met de lijst der voornaamste verkoriingen (XX bl.) Op het Woordenboek 
volgt er eene lijst der Nederlandschc woorden, "die, in dit werk voorko- 
mende, eenige moeijelijkheid bij het opzoeken va,n dezelven zouden kunnen 
geven."» Die lijst beslaat nog XX bladz. 

Bij het samenstellen van zijn Efymolofiiscli Handwoordenhoeh heeft de Heer 
Terwen eene bijzondere hulp gevondt-n in het Vergleichendes EUjmolofjisch 
W'órlerhüch der Gotisch- Ac'atonisclien 3Iü)idarfeii van Heinrich Meidinper, in 
het jaar 1836 voor de 2" maal te Frankfort uitgegeven, alsook in het Sprach- 
verqleichendes Wörferhiich der Deufscheii Spruche van Kallsclimidt lo Leipzig 
in 1839 verschenen. 

Over de verdienste van diteoisio Eiymologisch hündwoordenboek onzer 
taal zullen wij niet uitweiden ; zij die hei. benuttigd hebben, zullen met ons 
instemmen, dat het een voorlreffelijk werk is en, niettegenstaande den 
voorüilgang, die er op hi't gebii d (^qv taalkunde is waar te nemen, rjog met 
vrucht kan geraadpleegd worden. 

Het stilzwijgen, door Prof. VercouUie noptms Terwen's woordenboek in 
acht genomen, alsook de art. door vakmannen geschreven, en in Het Bel- 
fort en BieJcorf afgedrukt, leveren ons het bewijs dat het boek in ons land 
weinig ot niet gekend is. 

Dit zou ons nochtans wel eenigszins mogen verwonderen, als men i^edenkt 
dat het werk 423 inschrijvers voor 1072 afdruksels telde ; een cijfer dat na- 
tuurlijk door het aantal afdr. der oplage is overtroffen geweest. 

Van andere wei'ken, zooals die van Ten Kate, Bilderdijk, Lulofs,Dozy, enz. 
die wel woordafleidkui de jn 't algemeen, of die eener bepaalde soort van 
woorden in 't bijzonder behandelen, en geen eigenlijke woordenboeken uit- 
maken, kan er hier natuurlijk geen sprake zijn. 

Het is ons genoeg een paar onnauwkeurigheden weerlegd, en eej'p gege- 
ven Ie hebben, aan wien eere toekomt. Het Etymologisch handwoorden- 
boek van Terwen heeft te veel jaren goeden dienst gedaan, om den schrij- 
ver en zijn werk zoo maar eenvoudig van kant te schuiven. 

J. B. Vervliet. 



BOEKBESPREKING. 



J. Th. de Raapt. — Les Seigneuries du Pays de Malines, Berlaer et 
ses Seigneurs. Nolice instorique sur Ja Commune de Berlaer. Anvers, 1889. — 
(Boekd. ni-8" vnii 128 bl., versierd met 3 schopenzegels). 

In de twee leste afleveringen van onzen vorigen jaHrgaug deelden wij, dank aan 
de welwillendheid des H*" J. Th. de Raadt, den hernieuwden stlchtingsbrief mede 
van de St-Sebastiaansgilde te Berlaar (bij Lier). 



« Ons Volksleven. » 11 



De uitgave van dit belangrijk geschiedkuadii^ stulc, leidt er ons toe oen woord 
te zeggen, over een der talrijke werken van den geleerden geheinischrijvfr der oud- 
heidkundige iïiaatscha])pij van Brussel, namelijk over: Berlaer et ses Seigneurs. 

Dii werk, vyrsc'ienen in de Annales de T Académie d'Archéologie de Belgique, 
li!id reeds het liciit ge/ien, toen de schrijver den lioeger bes[)ri)ken gifi hritl' uut- 
dekle. 

Do Geschiedenis van Berlaer en ^ijne Heeren is, op zich zelf genomen, oenj uit- 
voerige studie van het grootste belang ; doch dit belang vermeerdert nog, w;ui- 
ueer men bedenkt, d it het werk deel maakt van ecue gausche reeks geschiedkun- 
dige verhandelingen, die reeds ten deele versclienen zijn, of op het punt staan 
van uitgegeven te worden. 

Zoo zagen reeds het licht de studiën over Reelh, Waarloos, Xiel, Putte, 
Schrieck-Grootloo, Berlaar en Keerbergen ; in uitgave zijn die over Duffel, Gheel 
en O. L. Vr. Waver ; terwijl do geschiedenis van Norderwyck, Itegem, Bonhey- 
deu, Rijinenam, Beersel (l)ij Liei), Schelle, Aartselnar, enz., spoedig volgen zal. 

Die kleine opsomming alleen zegt meer als lanse loftuitingen. 

Berlaar, waxrvan de na nu nu eeu Berclaer, Berchlaer, Berlaer, Berlar, Ber- 
relaer, dm weer Ballaer, Ballaert. Balder, en/., geschreven wi -rd, maikte als 
heerlijkheid oudtijds deel van liet Land van Mechelen. 

lleeds van in de XllI" eeu v wordt er melding van gemaakt, zooals blijkt uit 
de stukkeu door den schrijver meegedeeld. 

Het opsporen dier bronnen, waaruit, alleen volstrekte zekerheid te putter valt, 
heeft den schrijver in slaat gesteld, niet c.-ikel om ganscli onbekende bijzondei-Jie- 
den aan het liciit te bi'ongen, maar tevens cnn versc'aeidene dwalinge:i, dooi' an- 
dere geschiedschrijvers bogfian, te leciit ie wijzen en te herstelleu. 

De geschiedenis der Heeren vau B -rla ir neemt de grootste plaats van het 
werk in. 

Dat gedeelte is hoogst merkweerdig vooi' de edele familiën, die ei'in vermeld 
worden, en die op net einde van liet weric eeao lijst vaa 184 n imon iniken. 

Hierachter volgt een kort overzielii van fie mindere heerlijkheden, zooals Her- 
bais en Baerdegliem, waarna de eigentlij ke geschiedenis van Berlaar aanvangt. 

Evenals de meeste andere dorpen onzer provincie, liad Bei'laar veel te lijden 
door de beroerten dei'XVP leuw, en niet minder tijdens de Fransche Omwente- 
ling, die onlierslelbare verliezen aan ons vaderland berokkend hei ft. 

Het werk, (versierd met de afbeelding van 3 sci^epenzegeU), is geschreven in 
dien streng historischen zin,dieelke aanlialing door het noodigc bewijs doet ver- 
gezeld gaan, en dus volkomen vertrouwen verdient. 

Hopen wij dat de H'' de Raa,dt de taak, die liij met zooveel moed als beleid 
ondernomen heeft, tot een gelukkig einde moge voeren. J. B. Vekvliet. 



INHOUD VAN TIJDSCHRIFTEN. 

I. 't Daghet in den Oosten, VI. Is''^ l2 en 2-!. — J,iniljurgscli Neder! and sch : IC'*'^ Woordenzange. 
— Taalliuiide. — I.imbui-Qsche Dichtvcerdigheid : Rnudedauskeus. Tellièkeus. Van Kabouters 
en Draken. — Sii;t Marteu's vuur. — Klokinsehrift. — Limburgsche spreuken en spreekwoorden. 



12 « Ons Volksleven. » 



3. Volkskunde, III, N"" 12. — Zeden en Gebruikeu : Een aangjnaein Tol (Aun;. Gittée). — Rijm- 
dicht van ecuen aclittiendeeuwsc'ien Kostschoolleerliuor over di-, « Koust van 't R^lkenen. — Volks- 
liederen : l.iefdeproef (Aug. Gittée) — l'oekbeoordeelin^en (Aug. Gittée) — Vragen en Aantee- 
keniugen (A. Sassen). 

4. Biel<orf, 1, N"" 22. — Pastor Dumon — Ander Blad Scheikunde (D. G. Meersseman). — Het 
Testament (V. D. M ). — Vlamingen in Engelland (W. Rohiuson), — Mochte mij !... (Guido Ge- 
zelle). — Lichtervelde. — Maric'.je (1. Noterdaeme). Mingelmaren. 

N"" 23. — Een ander blad Scheikunde (D. G Meerssemxn). — Pastor Dumon (J Van Neste). — 
C,hrysanthemen (Guido Gozelle). -- Limpernisse J. Seghers). — Resurgam ! (Guido Gczelle). — 
Mingelmaren. 

N*" 24. — Rik en Rugge (A. Dassonville) — Wansprekeudheid (Jan Craeynest), — Cornelii Can- 
sele (Guido Gezelle). — Mingelmaren. 

5. Het Belfort, VI, N"" 1. — I. liet Maatschappelijk Vraagstuk (Mgr Rutten). — II. In Terra pax 
hominibus (Karel Quaedvlieg). — III. De Speehiuivel (A. V. Hultynck). — IV. Het lied der Lin- 
den (F. Servaas Daems). — V De naam van Sint-Bavo (Johan Winkler). — VI. Vondels werken. 

— VII. Drieraaa:idelijksc!i overzicht (S. P ). ^ VIII. De Siut-.lacobskerk te Gent (G. van den 
ühcyn, pr). — iX. Wenken en vragen. — X. De sterrekunde der Chaldeërs (J. van Mierlo, S.J.). 

— XI De Leproos ia de middeleeuwen (Fr. de Potter). — XII. 't Is al te zwaar (Guido Gezelle). 

— XIII. Boekennieuws en Kronijk. 

6. De Student. XI, N"" 1. — Over iionderd jaren en... nu ! (Nelis). — Ton strijde ! (K. Erel). — 
Het vrije Vlaamsche lied (Gudi-Lubs). — Brief aan den Zeer Eerweerden Heer Vanstede (Visor). 
Vlaamsch in 't Onderwijs ! — Ileilgroet (Het Land). — Rederoering van M. Ilelleputte. — Libe- 
rale Flaminganten (Tims). — Over den Gouwdag van Brussel. — (jiroote verbetering in West- 
Vlaanderen. — Mengelingen. 

7. Kempisch n/luselini, 1, N"" 10. — in Memoriam : Edw. Jor. Jaak (ïré^^oir (J. B. Vervliet). — In 
Memoriam; E. H. Corn. Stripobant (E. T.). — Turnhout. Ruemwaardige mannen. Cornelis Sas. 
159 -lü5(i (S.). — De lieerlijkheden van het land van Mechelen. — Duffel, Gheel en hunne heeren 
(J.-Theod. de Raadt). — De eerste mast in de Kempen. 1675 (E. T ). — Geschiedkundige bijdra- 
gen over dtj voogdij van Molle (Th.-lgn. Welvaarts). Hoogstraten. — Charters (S.( 

8. La Tradilion. IV, N"" 12. — Le Folklore polouais. III Fin (Michel de Zmigrodzki). — La Lit- 
térature licgeoise (H. C). — SaintGérasimus et le Lion (Micliel lladji-Démétrius). — Des usages 
de prélibation et des coutnmes de mariage en Frauce. lil. (Joannès Plautadis). — L'Ane dans les 
proverbes proveugaux III. (Jean Brunet) — les vieilles chansons populaires (E. B ) — Moyen 
de relrouvt r le corps d'un noyé. II. (Frédéric Ortoli). — Cootes populaires du Bocage normand. V. 
(Victor Brunet). — Proces cotre les auimaux. Suite (Augusliu Chaboseau). — Chanson de Briolage 
(Dupin). — Pi'overbes uiQois (Vicomté de ColleviUe). — Le mouvement traditionniste. 

9. Zeitsciiriit für Volkskunde, II, N'' 1. — Die mythischen Königo der arischen Volksheldensage 
und Dichtun;;. (Edm. Veckeusledt). — Wendische S igeu der Niederlausitz (Edm. Veckenstedt). — 
Derunstete Hans. Eine Reihe myihischer Volksdichtungen (Theodor Verualeken) — Vlamisches 
Miltfastenlied (J. Bolte). — Fmdlinge zur Volkskunde (Alex. Kaufmann ) — 1'olnischer und 
deutscher Aberglaube und Brauch aus der Proviuz Boseii (O. Knoop). — Bücherbesprechuugen 
(O. Knoop). — Zur Bücherkunde. 

N*" 2. — Die neu entdecktcn Göliergesia'ten und Götternamen der uorddeutscher Tiefebene : 
Der pommersc'.ie Gaudcn und Vergodendêl (O. Knoop). — Die mythischen Könige der arischen 
Volksheldeusage und Dichtung (Edm. Veckenstedt) — Volksüberlieferungen aus Oesterreich 
(Franz Bianky). — Wendische Sagen der Niederlausitz (Edm. Veckenstedt). — Troja oder Feu- 
eruekropoli 'Ernst. Bötticher). Bücherbesprechuugen (J. Pistor). — Mittheilungen. 

N'' 3. — Der wilde Jüger. Ein Versuch zur Erklarung des Phanomens (M. V. Estorff). — Die 
mythischen Könige der arischen Volksheldensage und Dichtung (Edm. Veckenstedt) Volksüber- 
lieferungen aus Oesterreich (Franz Branky). — Der Dreisskerl. Eine Reihe mythischer Vorstellun- 
gen (Theodor Verualeken)- — Volkslieder aus Hinterpommern (O. Knoop). — Bücherbesprechuu- 
gen (Edm. Veckenstedt). 

10. De Vlaamsche Standaard. Veertiendaagsch Strijd- en Letterblad, toegewijd aan de heropbeu- 
ring van lu't Bio.tsche Volk. Bestuurder : Lod Liekens. Bureel: In het Gulden Huis, Groote Merkt, 
Aarschot. Prijs : 1,7üfr. — Eerste Jaargang. 

N'" 5. — Onze Wenschen. — Een Kerstlied. — Levensscheis van Mevrouw Courtmans (Edward 
reeters). — Aan Coiiscience (Fdward Peeters). Mengelmoes. Een Vlaming zijt-ge niet ! (Julius 
Coelst). 

N"" tj. — Ongclooft lij k en toch waar ! (L. L.). — M. Josson voor 't gerecht. — Slechts gij alleen 
o mensch ! (Julius Coelst). — De Vlaamsche Leeuw. — Samenwerking. — Mengelmoes, 



ONS VOLKSLEVEN 



Aiilwcrpscli-Brabaiitsch Tijdschrift 
voor '1'aal en Yolksdiclitveerdio;heiil , 
voor üudc Geljiuiiccn, Waugcloofkutide, 
eu7.. Intivelf nommers van tn-elf bladzijden- 
in 8", 

Te Brecht, 

l)ij L. Ijraeckmans. 




« Er is nog een rijke oogst op het veld 
der gewestsprakeu voorhaadeu ; veel 
volksuildrakkiugen dreigen te verdwij- 
nen die om hunne juistheid, schilder- 
achtieheid of oudheid verdienen in de 
Rchrifttaal opgenomen en bewaard te 
blijven. » 

Züid-Nederlandsche Maatschappij 
VAN Taalkunde? Wedstrijd 1874. 

«De studie der folklore heeftvoor doel 
ons volk iu zijue eigenaardige zeden en 
gewoonten, in zijn inuiggeloof enkarak- 
ter te leereu kennen, in één woord, het 
volk zooals hei is. » 

Vraagboek over Vlaamsche Volkskunde. 



VOLKSDICHTVEERDIGHEID. 

, (Vervolg) 

Zooals wij lioogor zeiden, geeft het volk qqüqw zin of een gedacht aan alle 
in de oog vallende teekens of letters, waar het de beteekenis niet van en 
kent of verstaat. 

Als voorbeeld van zulke ^ substitutie « ofte plaatsvervanging, zullen wij 
de letters A. M. D. G., R. I. P., D. O. M., enz. aanhalen. 

1.) A. M. D. G. (Ad Majorem Dei Gloriam = Tot meerdere eere Gods) betee- 
ken t bij de Sii'joron : 

a) Alle Meiskes Dansen Geerne. 
In Vlaanderen heet het nog : 

h) Alle Muzikanten Drinken Geerne. 

c) AlleMannekes Dansen Geerne, 

d) Amelie Melkt De Geit (i). 

2.) R. I. P. (Requiescat In Pace = Dat hij [ot zij] in vrede ruste) heeft hier 
de volgende beteekenissen : 
fl) Rust In Peis. 
h) Recht In 't Putteke. 

c) Rip In 't Putteke. 

d) Rot Is Peer. 

Somwijlen leest men de letters 't achterste voren : 

e) Peer is Rot. 

De derde beteekenis wordt wel eens verlengd gegQWQu. en dan zegt men : 

f) Recht In 't Putteke, Mieke doet open, 

waarbij dan ter opheldering gevoegd wordt dat Mieke (Maaike, Maria) O. 
L. Vrouw is, die den overledene uit zijn graf zal komen halen. 

Die hier geenen vrede mee hebben, lezen van achteren naar voren : 

g) P I [e) R. 



(1) Ziel Volk en Taal, 1« jaarg., bl. 80. 



14 « Ons Volksleven. " 



want, zeggen ze, die in zoo'n « steenen kaske » ligt, wordt van de pieren 
(wormen) opgoëten. 

In Vlaanderen zegt men ook : 
h) Rust In 't Putje. 

En die er wat Latijn meent te verstaan, zegt : 
i) Requiem Is kwaad om Passen, (i) 

3) D. O. M. (Deo Optimo Maximo = Aan den zeer goeden en zeer grooten 
God) legt men hier alzoo uit : 
a) DOM, slim. 

Men maakt er soms eene strikvraag af : 
h) V. Wat staat daarop? (Eerst spellen en dan lezen) 
A. D... O... M... Dom. 

En dan luidt het wederantwoord.plat genoeg: 
« Als ge sch...., staan uw beenen krom.« 

Eene derde uitlogging verschaft ons de leeuwerker (leeuwerik); immers 
die zingt, terwijl hij hooger en hooger stijgt : 

« Deezeke, laat mij nog ecD trappeken hooger ; 
Deezeko, laat mij uo^ een trappaken leeger, 

waarop hij stoutweglaat volgen : 

c) Dom Deezeko, Deezeke dom ! 

Volgens de kinderen is dat de rechte bodiedonis. Overigens d^ leeu- 
werk is gekend voor zijnen ongodsdienstigen aard, want al bidt hij smee- 
kende bij het opwaarts vliegen : 

Lieve(n) Heerke, laat mij eens drinken, 
'k Zal van ze leven niet meer vloekeu, 

onder 't nederdalei] vergeet liij zijne belofte en vloekt wel duizend keeren : 

Sakkcrdit ! Sakkordit ! Sakkerdit ! (2) 

Volk en Taal doelt nog de volgende beteekenissen mee : 

d) Dood, Oordeel, Memoi'ie. 

e) Denkt Op Mij. (3) 

Die twee betookenissen, en bijzonder de leste, hechten de Kempenaars 
ook aan de letters D. O. M. Te Brocht leest men nog : 

f) De Oude Man. 

Een paar letterreeksen, waarvan do eerste bepaald tot Antwerpen be- 
Iioort, terwijl do tweede meer algemeen (vooral in Antwerpen en Limburg) 
gekend is, zijn : 

-t) S. P. Q. A. (S( natus PopulusQue Anlverpiensis = De Senaat en het 
Volk van Antwerpen). 

(1) Ziet Volk en Taal, 1" jaarg., M. 80. 

(2) Ziet Ons Volksleven, la jaarg., bl. 97. 
(o) Ziet Volk en Taal, 3" jaarg., halfu. G7. 



« Ons Volksleven. » 15 



Die vier letters stonden boven de oude, nu afgebroken Kipper- of Kipdorp 
— en St-Jorispoorten. 

Het vollv kent, op zijn best o-enomen, enkel Boerenlatijn, en daarom las 
hel die letters in 't Vlaairsch als volgt : 

a) Sinte Peeter Quaaien Apostel; of : , 

h) Spaansche Pokken Quellen Antwerpen ; of ook nog : 

c) Slechte Pataten (Quaaien Abberdaan. 

Dat Sinfe Pecfer in geenen goeden reuk bij 't volk staat, komt omdat hij 
Ons Heer verloochend heeft. In verband met dat verloochenen en het 
hanengekraai, waai'door Petrus de woorden van zijnen Me^-ster indachtig 
wierd, staan de volgende strikvragen : 

V. — Waarom heeft Petrus 'nen haan bij hem? 

A. — Om te kraaien. 

V. — Waarom moest die(n) haan kraaien ? 

A. — Omdat Petrus 't niet en kost. 

De Spaansche Pokken hevinnerensiSin de Spaansche overheersching, die 
gedurende vele jaren een ware geosel was voor ons vaderland ; of misschien 
ook wel aan de Siiaansche Furie, waardoor Antwerpen millioenen schats 
verloor. 

De derde spreuk Slcchie Paf aten Quaaien Ahherdaan dient aan 't volk om 
zijnen afkeer voor het soldateneten, of liever soldatenleven uitte drukken. 
Die afkeer komt ook uit in het scheldwoord Paiaiulfluiier dat de soldaten te 
Gent naar het hoofd geworpen wordt. 

Wanneer 's morgens vroeg of 's avonds laat, in de kazerne de trompet 
geblazen wordt, dan bootsen de kinderen het geluid na met de woorden : 

Rotte patatoD, rotte pataten, en lullen van visch, 
Dat eten de boeren als 'tlier(ro)mis is. 

Dat men het in dat spotrijmke minder op de boeren als wel op de soldalen 
(veelal boert^jongens) gemunt heeft, is algemeen gekend. 

Die herhaalde zinspelingen toonen duidelijk dat het volk maar oen slecht 
gedacht heeft van het voedsel der soldaten; iets waarover deze lesten, ons 
dunkens, nochtans niet te klagen hebben. 

5) Z. M. D. W. D. V. Z. zijn de beginletters van de dagen der week : 
Zondag, Maandag, enz. 

Vroegertijds en misschien nog, was het in Limburg de gewoonte van die 
letters op de deur te schrijven en daaronder het aantal dagen der maand 
op te teekenen ; dus een soort van almanak, die naar beliefte kon gewijzigd 
worden. 

Gebeurde dat nu in een huis waar de vrouw de broek droeg, dan las men 
die letters als volgt : 

Zeg Man, Doet Wat De Vrouw Zegt ! (i) 



(1) Ofwel : Za (= Sa) Man Doet Wat De Vrouw Zegt, enz. 



15 « Ons Volksleven. 



Was de man echter baas, rlan wierden de letters 't achterste voren gele- 
zen 



Zeg Vrouw, Doet Wat De Man Zegt 



Wij denken het hierbij te mogen laten en genoegzaam bewezen te hebben, 
hoe ons volk, geholpen door zijne rijke, grillige verbeelding, altijd gereed 
is om zijnen luim en spotlust bot te vieren. 

J. B. Vervliet. 

SAGEN. 
1. (26) De onvolbrachte Belofte. 

Kaïnioon,een rijke olieslager, hig in eene erge ziekte. Hij beloofde, zoo liij 
genas, zooveel zakken graan aan den arme te geven, als er graantjes in eono 
veertelmand gaan. Hij kreeg dan weer zijne gezondheid terug en wou zi.jne 
belofte volbrengen. «Laar, ons eens zien lioeveel graantjes er in een glaske 
gaan, » dacht hij en hij telde, lelde... Zooveel zakken uitdeden !... En hoe- 
veel van die glaskes gaan er wel niet in eene veertelmand!... Eerdat hij 
zooveel zakken geleverd had als er graantjes in een glaske liggen, wierd 
de man het moe, en zoo bleef de belofte sluieren. 

Eenige jaren nadien viel Kaïmoon opüieuw ziek. Hij riep al zijne bloed- 
verwanten rond zijn bed en zeide : « Gij zult u alle rijk erven na mijne dood. 
Ik lög u dan op in mijne plaats het graan aan den arme uit te deelen. « 

Hij stierf en de erfgenamen kabelden zijne goederen. Een van hen kreeg 
de olieslagerij ; de andere deelden de landen en de huizen. En ze maakten 
grooten zwier, maar volbrochten de belofte niet. 

De familie Kaïmoon ging ziendcr oogen al meer en meer achteruit. Maar 
hoe kost het minderen ? Al de oogsten wierden platgeredon, tot in den 
grond vernield door 'nen witten heer, die op een sneeuwwit poerd zat. De- 
zelfde witte heer kwam lederen avond op ziji'ien schimmel in de' olieslagerij 
en zette al de kranen van de vaten open : 's morgens was al de olie veidnrf^n 
geloopen. « Wie zet dat toch uit ! r^ riep de baas vol gram>chap, « als ik h-m 
betrap, ik jaag hem den huize uit ! r. — a Heer, « antwoordde een knecht, 
gisteren avond is er een witste man op een wit peerd den hof komon oprij- 
den, en die heeft het gedaan, y^ 

De olieslagerwas vei'schrikt: hij ging te biechten en lei allos aan den pas- 
toor uit. "Ik zal dezen avond eens komen, « zo.\ de geestelijke. Hij kM^am en 
zag inderdaad het spook. « Morgen avond, r^ sprak de paètoor, - zal ik eehs 
terugkomen en den geest aanspreken, w — « Wat komt gij hier doen? » 
vroeg de pastoor den volgenden dag aan het spook dat weor verschenen 
was. « Ik kom kwaad doen, « antwoordde de geest, « omdat mijne erfgena- 
men de opgeleide belofte niet volbrengen. r> — «- Welke belofte? « De geest 
lei de zaak uiteen en ging verder: " De familie kent de belofie genoeg. Ik 
l\jd er voor in 't Vagevuur, en daarom moet ik kwaad komen doen. ^ 



« Ons Volksleven. ^ n 



De pastoor bogost te lezen. Als hij gedaan had met bidden, verweiischto 
hij hel spook vooi- 99 Jaar aan den oever van de z.h\ 

(Gehoord ie SchcUc.J Meegedeeld door Lenaard Lehembre. 

Eene boerin vertelde mij dat ile olieslagerij onderwege Niel en Boom staat, maar dat de tt- 
ruggekomeii geist in jjlaats van te peerd, met 'nen glooiendeu, vlammenden wagen door de olie- 
slagerij, de stallen cu de velden reed en zoo alles vernielde, en dat het halhngschaii voor 99 jaar 
aan de oevers van de zee, ging uit zijn. L. li. 

2. (27.) De gevangen Spoken. 

Op een kasteel te Schelle liggen oenige spoken sedert honderden jaren ge- 
boeid in 'nen diepen kerk'T die zijnen uitgang heeft onder in het slijk van 
dehofgracht. Niemand die den oiidereerdschen kerker vinden kan. Een ou- 
de timmerman verzekert dat hij vroegertijds de spoken zwaar heeft hooren 
zuchten. Hoe die spoken daar gevangen geraakt zijn on hoe het komt dat 
zij gevangen blijven, weet geen man te vertellen. 

{Gehoord Ie Schelle.) Meegedeeld door Lenaard Lehembre. 



LEVENDE SPRAAKKUNST. 

III 
Uitgangen der Verkleinwoorden. 

AVelke verkleiningsuitgang wordt er in de levende taal van Dietsch- 
België het meeste gehoord : A:c^/reu^ ofic?... Zeker de eerste, zoowel in 
Vlaanderen als in Limburg, zoowel in Antw^erpen als \\\ Brabant. En noch- 
tans schrijven De Vries en Te Winkel in de Woordenlijst : "Deze Cke en leen) 
zijn verouderd en worden alleen nog in den kanselstijl e;i in sommige dia- 
lecten gebezigd. 

Dat die uitgangen in de Antwerpsche Kempen in 't geheel niet verouderd 
zijn, maar nog springende levend integendeel, wordt duidelijk in de volgende 
lijst bewezen : 

Naamwoorden 
die uitgaan 
op b 



Op d 



Nemen ke en verdubbelen den slotmedeklinker : krib, 
kribheJcc ; tob, tohheke; rib, ribbeke. 

o! Voorafgegaan van 'nen langen klank of van 'nen 
korten die bij 't verlengen van 't woord lang wordt, 
nemen ke en laten d vallen : lied, Uêke; brood, broóke; 
zaad, zaaike; gebed, gebeêke; smid, smeêke; stad, steêke; 
hoed, hoeike. 

hj Voorafgegaan van 'nen korten klank, nemen ke 
en verdubbelen den slotmedeklinker : bed, heddeke; vod, 
voddeke ; pad, paddcke. 

cj Voorafgegaan van 'nen medeklinker, nemen ke en 
somwijlen je : land, landeke; mand, mandeke; veld, vel- 



18 



« Ons Volksleven. " 



Op f 
Op g en k 



Op 1 



Op m 



déke; pecrd, pcerdjc oVpcerdclu; liond, hondje ot liondelic 
(hönncTcc); lind, hindcTie {Idnnche). 

Neinen ke : rijf, rijfke; stoof, stoofke; brief, brief he. 

Neinen ke, voorafgegaan van s : wieg, tviegshc; boog, 
boogsJie ; b<rg, bergskc; boek, hoekske; tak, takske; klok, 
klokske. 

Aanmerkingen. — I. Die uitgaan op g, voorafgegaan 
van 'nen korten klank, verdubbelen den slotmêdeklin- 
ker : rug, ruggcske ; vlag, vlaggeske ; weg, weggeske. 

II. Is g van n voorafgegaan, dan is zij van c gevolgd : 
riug, ringeske ; tang, iangeskc ; ding, dingeske. 

III. J'ank, frank, plank, maken bangeske, frangeskc, 
plangeske. 

oj De éengrepigo die eindigen op 1, voorafgegaan 
van 'nen langen klank, nemen (t)je : baal, baaltje ; 
school, schooltje, steel, steeltje. 

Aanmerkingen. — Is 1 voorafgegaan van ee, ie of oe, 
dan nemen zij somwijlen ke, voorafgegaan van c ; Neel, 
Neleke, oï Neeltje ; wiel, wieltje of tvielcke ; stoel, stoeltje 
of stoelcke. 

bj Die met 'nen korten klank nemen ke en verdubbe- 
len l : bel, belleke ; mol, molleke ; rol, rolleke ; val, vallekc. 

cl De meergrepige die den klemtoon op de leste let- 
tergreep niet en dragen, nemen (t)je : rammel, rammel- 
tje ; vogel, vogeltje. Eenige nemen onverschillig (t)je 
en ke : Borrel, borrelt je en borrrlke ; vertelsel, vertelselke 
of vertelselke (vertelske.) 

dl Die den klemtoon dragen op de leste lettergreep, 
nemen ke, waneer een korte klank de l voorafgaat ; 
anders nemen zij (t)je .• kapel, kapelleke : morel, morelle- 
ke ; geval, gevallekc ; verhaal, verhaaltje, (i, 

Nemen ke en verdobbelen den slotmedeklinker ach- 
ter 'nen korten klank : riem, riemke ; toom, toonike ; 
schelm, schelmke ; lam, lammeke ; stem, stemmeke. 
St-Antonius-Brecht. ('t Vervolgt) 

JOZ. CORNELISSEN. 



OVER DE « TOMMEN », « TOMMELEN » OF « TUMULI ». 

Die oude grafsteden, in de Kempen en in Brabant totnmen, tomben, tomme- 
len,\n 'tWalenland tombes, tombelles, tomballcs,mottes en in 't Latijn tumuli ge- 

(1) Zuid-oostwaarts en in Brabant nemen de woorden die uitgaan op I, allemaal den uitgang 
ke : steelke, busselhe. 



I 



« Ons Volksleven. » 19 



heeten, zijn lalrijk in do Kempen. In den volgenden opstel gaan wij zien tot 
welke legenden zij aanleiding gegeven hebben. 

In Engelland. 
Op de hoogten, nabij Cambridge, vindt men twee heuvels, twee iiimuli, 
die aanzien worden voor de grafsteden van G-og en Blagog, 

In Griekenland. 

Het graf van THyu^, het oudste waarvan sprake is in de gescliiedenis van 
Griekenland, wordt door Homcros voorgesteld als een uitgestrekte aardhoop, 
opgericht op dezelfde plaa's waar de reus in zijnen srrijd tegen de goden 
sneuvelde. 

Die fabel, aangehaald door Homoros nopens den oorsprong van dien graf- 
heuvel, wordt tcfjenwoordig nog door de landzaten verteld. 

In Rusland. 

Tusschen Tver en Moscow, verhaalt E. D. Clarko, zagen wij eenen groep 
oude fumuïi. 

Ik trachtte van de boeren te wete te komen, of zij niet eenigo overleve- 
ringen nopens die begraafplaatsen bewaard hadden. Al wat zij mij diesaan- 
gaande wisten mee te deelen, is dat die «tumuli" gebouwd zijn over onheug- 
lijke tijden, met het inzicht om er de lichamen ie begraven van de JcrijgsUedcn 
die in de veldslagen gesneuveld waren. 

In Duitschland. 

Sedert aloude tijden hebbon de oudste " tumuli " den naam behouden van 
Huncngrciber. Dat woord beteekent in 't Duitsch rc^izegravcn. 

De grafstedcn die de Romeinen er nagelalen hebben, dragen den naam 
van Heidengraber (graven der Heidenen). 

In Arabië. 
Eene zonderlinge overlevering beweegt de Araben om voor hunne graf- 
sleden oude " tumuli " te kiezen en den lesten slaap op de vernielde 
werken der verdwenen geslachten te slapen. {Le Tour du Monde, 1888, 
bl. .58.) 

In BelctIË 

Glimes. — In het dorp Glimes (in Brabant) bemerkt men eene " tomme ?», 
grafsfede van Glimes geheeten, waarover men menige overlevering verhaalt. 

Eertijds, zegt men, stonden er op den top banken en boomon, en danste 
men er den eersten dans, tijdens do gemeeiitefeesten. 

Eenige stappen vandaar, voegt men er bij, bestaan oude grondvesten die 
de overblijfsels schijnen te wezen van eenen vierkanten toren, en die zeer 
goed zichtbaar zijn, gedurende de droge jaren, waneer de oogst 
schraal is. 

Een ondereerdsche gang, eer'ijds bewoond door Dwergen of AlvermanneJces, 



20 ' « Ons Volksleven. » 



leidt van de graf stede naar de pastorij en de oude heercMi hoeve... Waneer 
men jacht maakt op de konijnen, die in den heuvel wonen, geraken de fret- 
ten in den ondereei'dschen gang verloren. (Tarlier & Wauters. Hifii. des 
Comm. beiges. 

PiÉTRAiN. — Tegen den weg' die van PIétrain (in Brabant) naar de kapel 
van Herbais loopt, of tegen de baan van Geldenaken naar Hannut, ziet men 
eenen « tumulus « die dikwijls in de oude bescheedeu vermeld wordt, maar 
die weinig in de oog valt, daar hij op eene plek lig-L waar de grond merke- 
lijk daalt. Hij is omtrent 7 tot 8 m, lang, 3 m. breed en 5 tot 6 m. hoog. 

Eertijds aanzag men algemeen die tombe voor eene vergaderphmis van hek- 
sen. Menigmaal, zeide men, was een landbouwer of een herder die laat huis- 
waarts keerde, verschrikt geweest van het aanhoudend gefluit, dat de snel- 
le vlucht der heksen door de lucht aankondigde. (Tarlier & Wauters. 
Hist. diS Comm. hel ges.) 

Archennes-op de Dule. — Te Archennes op de Dijle (in Brabant), op de 
plaats die de Heide van Archennes heet, heelt langen tijd een " tumulus " 
bestaan.Volgens de overlevering was hij de hegnuifpluais der pestzielen (Ibid.) 

BoRCHT. -- Te Borcht (gehucht van Grimbeige in Brabant) staat een ont- 
zaglijke " tumulus ". Volgens het zeggen der boeren is er een gouden stand- 
beeld verborgoi, dateenen Sarra.zijn voorstelt. (A. WauïERS, Hist. des env. de 
Bruxelles, II, bl. 230.) 

('t Vervolgt.) Alf. Harou. 



BOEKBESPEEKING. 



Antwerpsche Keldermondvertellingen, door J. B. Van Antwerpen. 
Te Antwerpeo, bij A. De Konitickx, Boekhandelaar-Uitgever, op de Lombaarde- 
vest, N'' 81. (Boekdeel in 16"^ van 192 bladz. — Prijs : fr. 1,50). 



Ia vroeger jaren bestond in de Antwerpsche volkswijken dees gebruik : De 
speelgezellen uit eene en dezelfde straat, uit eeneen dezelfde gebuurte, vergader- 
den 's avonds op den eenen of den anderen keldermond, om er de vertelsels te 
hooren, die ieder overhand moest ten beste geven. Daar zaten ze dan, de rouwe 
straatbengels, in 'nen halven kring geschaard, met ingehouden asem en de oogen 
steil op den verteller gevestigd, ganscher avonden te luisteren naar zijne kluch- 
tige of wonderbare geschiedenissen; die hen deden schateren van lachen of sidde- 
ren van schrik. 

Menigen lezer schiet hier het verhaal Z)e (rees^ te binnen dat Conscience zoo 
meesterlijk vertt'lt in zijne Avondstonden. JVIet dat sprookskc wou de groote 
schrijver aan zijne lezci's een staaltje geven van die aardige keldermondvertellin- 
gen die gansch eigen aan Antwcsrpen schijnen te wezen ; en die, al hebben ze eene 
gemeene bron met de andere volkssagen en — vertelsels, nochtans zoodanig door 
de verbeelding der vertellers vervormd, en zoodanig met eene plaatselijke verf 



« Ons Volksleven. " 21 



overg.ian zijn, dat ge ze, oppcrvl.ikkig bcscliouwil, voor oorspronkelijk zoudt 
aanzien. 

Zoo ook zijn de vertelsels die J. B. Van Antwerpen ons in zijn werkske mee- 
deelt. Spijtig dat de vertellingen van dien aard allongskens verloren geraken; het 
vertellen immers gaat uit do mode, en de tijtl is ook al voorbij dat de jongens op 
den keldermond bijeenkw.imen Die oude overleveringen, of minste een deel er 
af, van den ondergang redden en voor de toekomst bewaren : dat is het loöelijk 
doel dat de schrijver zoekt te bereiken. Niemand als iiij was beter in staat om dit 
werk tot een goed einde te brengen ; hij was immers in zijne kinderjaren een 
ievorige bezoeker van den keldermond, zooals hij zelf in de Voorrede verklaart. 
Wie kon dns getrouwer ile stof weergeven en den verbaaltrant der vertellers 
nabootsen ? Ook is hij daarin redelijk wel gelukt. \'cel schilderachtige volksuit- 
drukkingen, die ge zelden of nooit in boeken of schriften tegenkomt, heeft hij 
overal behendig weten in te vlec iten, ja, zoo passend wettMi te gebruiken, dat ge 
somwijlen zoudt zeggen : Maar 't is alsof ik den vmteller hoor spreken! Hier en 
daar nochtans stieten wij op een « gillicisme, » dat stellig nooit of nooit in de 
levende taal voorkomt, zooils b. v. «.... toen zich een zonderling feit voordeed n 
(bl. 10) en «.... toen dezelfde slag ^/c7i reeds tot tUmmaal too had herhaald. ^^ 
(bl. 11). Ook vonden wij op meer als eene plaats de verhalen opgesmukt met 
« letterkundige versie)'sels d die te vermijden zijn, waneer men do echte vertel- 
lingswijze van 't volk wilt weergeven. Sommige vertellingen zijn nogal lang, zeer 
lang zelfs voor volkssagen; uiteen «folkloristisch « oogpunt beschouwd, badden 
wij ze wel waf. korter gewenscht : de eenvoudigheid en de natuurlijkheid zouden 
erniets bij verloren hebben. 

Die onnauwkeurigheden verminderen echter in gecnen deele de aantrekkelijk- 
lieid van den bundel. Wat den inhoud betreft, die is daarom niet min belangrijk 
en afwisselend Het boekske bevat dcriien vertellingen, getiteld : 1. Het hefooverd 
Huis. -- 2. De drij Bulten. — 3. De Gthangeve. — 4. Marus de Vloeieer. — 5. 
't Heeft geld gekost. — 6. De Heksendans. — 7. Lange Wapper. — 8. De tivee 
Vrekken. — 9. Gefopt. — \0. In de Hoofdkerk. — 11. Plagerij en Wraak. — 12. 
Varkensdieven. — 13. De Gestolen Kelk, — eene schoone Voorrede e:i ten slotte 
eene lijst, waar sommige min verstaanb.ire volksuitdrukkingen in opgehelderd 
worden. 

Die op geenen « zestien en halve n ziet, zeg ik om 't eindigen : Koopt gerust de 
Antiverpschc Keldermondvertellingen; ge zult er menig uurke genoeglijk in door- 
brengen en met mij bekennen : Dit is een boekske dat naar nog smaakt 1 

JOZ. CORNELISSEN. 

Ed. Geudens. —Eene Zoending. — Gent, 1090. (Vlugschr. in-8° van 30 
bl. Prijs fr. l,2.ó. — Te bekomen bij Jos. Kockx, 38, Everdystraat, Antwerpen). 

Wanneer in vroeger tijd iemand eenen manslag bedreef, dan kon hij zich van 
de daarop gestelde straf vrij koopen door den mondzoen, waarbij eene geldelijke 
schadeloosstelling, volgens datde middelen van den dader 't toelieten, gevoegd wierd. 



22 « Ons Volksleven. « 



" De MONDZOEN, VREDERUS of zoENDiNG, » — zogt de H*" Geudoiis, nan wiens 
merkweerdigc verhandeling wij deze regelen ontloencn, — « «vas eene onzer oudste 
« recliterlijke instellingen, al vindL men deze niet opgeteckend in het Keurboek, 
« maar enkel in onze gelrukte eostuymen. Die zoen w.i» eene gewoonte, een ge- 
« bruik, om wille des vredes tussclion de familiën ingevoerd, op een tijdstip, dat 
« ze elkander letterlijk trachtten uit te roeien, on de wraaklust bij het nageslacht 
« immer voortwoekerde. r> 

Het geval hier door den schrijver aange'.iaald, was veel meei- ingewikkeld als 
de gewone, doordien de vermoorde een aalmoezcnicrsJcind was, en de Armenka- 
mer zich daarom het recht loematigde van het zoengeld te trekken. 

Daar de verslagene, die gehuwd was, enkel twee dDchters naliep moest zijn 
halve broeder de zoendiiig .langiin, hetgeen hij echter Tveigerde, op grond dat 
de /oeupenningen niet aan hem, maar aan de Armonk imcr waren uitgereikt ge- 
worden. 

Viindaar een rechtsgeding, dat na 8 ja ir durens, nog geenoa beslissenden uitslag 
opleverde. 

Echter, die in schijn vervelende stukkon, compromis, brieven van abolitie, 
memories, conclusies, replieken, duplieken en persisfeeringen, considcratien en 
argumentatien, advertissementen en andere rechterlijke prullen, hier in hun ge- 
heel of in hoofdzaak meegedeeld, leeren ons vele bijzonderheden, die men elders 
te verge3fs zou zoeken, en maken vm de studie des H" Geudens een stuk, dat 
voor de kennis van de zeden en rcchtgobruikcn der XVII* eeuw, hoogst belang- 
rijk is. 

J. B. Vervliet. 



VRAGEN EN AANTEBKENINGEN. 

1. (42.) Vergelijkenis. — Waneer iet schielijk onderbroken wordt of plot- 
seling eindigt, dan zegt men dikwijls : 't Was plots gedaan gelijk de hoogmis te 
l^flWer (Berlaar bij Lier). Die vergelijkenis heb ik meer als eens gehoord. Weet 
niemand te zoggen waar die spreuk op zinspeelt ? J. C. 

2. (43.) De Bokkenrijders. — Hoewel de Bokkenrijders hier nooit bestaan 
hebben, weet het volk er nochtans over te spreken. Mnar dut de Bokkenrijders 
eene bende binders en moordenaars waren, die al lang te niet zijn, dat schijnt 
men niet te weten. Er bestaan nog Bokkenrijders in het Volksgeloof, maar dat 
zijn dieven noch moordenaars. Bij sommige lieden zijn het do Wilde Jagers die 
's avonds en 's nnchts hoog door de locht vliegen; andere verwarren ze met de 
Vrijmetselaars. Bij deze is Bokkenrijder en Vrijmetselaar éen en hetzelfde. 

't Ware mij aangenaam daar iet moer af te vernemen. J. C. 

3. (44.) Kwelvertelselke. — Hier is nog een schoon vertelselko, waar men 
de aanhoorders mee pleegt te verschalken : 

Over veel jaren kwamen er rond middernacht drij geesten in eene kerk : een 
roode, een witte en een zwarte. De roode begost met de klok te trekken en hij 



« Ons Volksleven. » 23 



luidde dat er binneu 't jaar een schrikkelijke brana zou komen die van 't dorp 
'nen aschhoop maken zou; — de twoede luidde dat de sneeuw nog liooger zou 

liggen als de hoogste kerktoren, — sq de zw.irto {Hier houdt de verteller 

hoüelings op en schijnt ie verzinnen). 

Ehwel ! vraagt men ongeduldig uit d(Mi hoop, w,it luidde do zwarte din?.... 
En de verteller antwoordt : De zwarte luidde datge'm zool;uig moest kussen en 
lekken, totdat hij wit zag !.. {Algemeen gelach.) 

Gehoord te St-Antonius. J. C. 



INHOUD VAN TIJDSCEÏRIFTEN. 

1. Volk en Taal, III, N''6. Vlaamsche zaak (T. vau Heuverswyu). — Bijdrage tot den Neder- 
duitschen taalschat (t*. van den Broeck). — Kinderspel (Fr. Van Cauwcab rghe) — Oude Kerst- 
liedjes (P. B. & A. J. W ). — Ürijkoningenliedjo (P. Beruard). — Van de drij Bulten (Jules Fer- 
ment). — Raadsels (F, Waelens) — Voorde overledenen (A. van llenverswyn). — Van het meis- 
ke en de blommen (A. van Heuverswj-n). — Stukken en Brokke:i (P. B ). — De Legende van Sint- 
Nicolaas. — Volksdiclitveerdigheid (K. van Damme). — Dure tijd in 17 9 te Synghem (T. van 
Heuverswyn). — De Frausche tijd te Oudenaarde. — Boekbooordeelirij (P. van den Boeck). — 
Klaas Uroth(T. van Heuverswyn). 

N"" 7. — Eene eeuwfeest (K. van Caeneofliem). — Bijdrage tot dea Nederduitsciien taalschat 
(P. van den Broeck). — In het « Magasin beige n. — Raadsels (1*. Beruard). — Krui8gel)ruiken 
(A. van Heuverswyn) — Liedekens bij 't zwieren of tenteren (?]. Bols&A. V"-)- — Hoe dat er ne 
keer ne mensch in de maiie vloog(.\. van Heuvers.vyn). — De Fransche tijd te Oudenaarde. — 
Inleidinge (P. van den Broeck). — Opbouwing en versiering der kerke van Synghem (Th. van 
Heuverswyn). 

2. Volkskunde. IV, N"" 1. — Walcheren in Zeeland. 1. De Walc'iersehe Boer, door K. Baart. 

— F.enige Beschouwingen over ons oud Kluchtspwl (Aug. Gittée). — De Humor in de Taal 
(Nervolg) IL Lichamelijke Pijn en Ongemak. (Aug. Gittée) — Sagen (Pol de Mont). — Vragen 
en aanteekeningen. 

N"" 2. — Eene Kleinigheid over « Verloren Maandag « (Pol de Mont). — Iets over Sint-Marien, 
Sinter-üreef enSint-Nikolaas (Bol de Mont) — Boekbeoördeelingen : L. L. De Bo. Westvlaanisch 
Idioticon {\n^. Gittée). — Vragen en Aanteekeningen. — Kroniek. 

3. Biekorf, II, N"" 1. — Van den Germaanschen Oorsprong der Karlingen (R. '/.). — Aloys (Jan 
Craoyni st.) — Van dien edelen Iruischaard (Guido Gezelle). — Het meezeken (Guido Gjzelle). — 
Brief (Dr J. B.). — Mingelmarcn. 

N'" 2. — Van den Uermaanschen aard der Karlingen (IL V.) — De zonne rijst (Guido Gezelie). 

— Brugge aan Zee (Aug. van Speybrouck). Peperwiszondag (V.D.M, on G G.). Ach ! en . 
(Guido Gezelie). — Mingelmaren. 

4. Het Belfort, VI, N'" 2. — I. Het algemeen stemrechten de herziening tier GrondweL (F Drij- 
vers). — 11. !>e sterrekui.dige der Chaldeërs(J. van Mierlo, S. J.). — III. De naam van Sint- 
Bavo (Johan Winkler). — IV. De Speelduivel (A V. Bultyiick) — V. De Leproos in de middel- 
eeuwen (Fr. de Potter). — VI. Prins Boudewijn (F.D.). — Vil. Een nawoord over Multatuli 
(J. llelvoort) — VII! Geschiedenis der abdij van Affigem (J. B). — IV. Winterlijden (C. L. 
van Driessche, past ) — X. Wenken en vragen. — XI. Hed den Koning (F. Mariman). — XII. 
Roem (Hilda Ram). — Xlli. Boekennieuws en Kronijk. 

5. Het Davidsfonds. III, N' 11-12. — Aan een^^n Zanger (J. V. D. Br.). — Wat een Chinees over 
Europa en de Europeanen denkt. — Boekbespreking over werken van P. Gérard, G. Gezelie, 
J. B. De Ridder, Edward Die Vlaminc (D. H , M , Folkert). — Letternieuws (Folkert). -- Wat 
moet er gedaan worden tot bloei van het Davidsfo .ds? — Koninklijke Vlaamsche Akademie. 

(i. De Vlaamsche Standaard, I, >>''7. — L'uig hst hoofd .. (L. L.). — Nieuws. — 'n Bieken aan 
Liekens (Bienj. — Vlaamsche Zeden. — Mevrouw Gekhuis en hare dochter Louisette (Bert). 
Rouwdiclit. 

N"" 8. — Eene EtuwfeeBl (K. van Caeueghem). — Vlaamsche zeden. — 't Is Zondag morgen. 



24 " Ons Volksleven. » 



7. Kempisch Museum, I, IS'"" 11 — He huizing- der Frankisc'ie Vorsten te Net"rsel onder Bladel 
aan de Noi-ljer lijnen van Postel verkocht 91^3 — 1310 (E T.). Met facsimile van een charter van 
1340. — Turnhout. Extrakt uit het Groe(h'nisl)oe': van het jaar 1G'>5 (P Vues) — De Heerlijkhe- 
den van het land van Meche-len. Duftel, Gheel en luiniie heeren. Yeroolg. (J.-ïheod. do Raadt). 

— Geschie.Ikundioe bijdragen over do voog.lij van Molle. Nervolg. (Th. i<y\\. Welvairts). — Sant- 
hoven, Norderwyck. \Vesemael, Rai;st, enz. Ghetuijn^^nisse. . . (Akt van den 6" April I46G). (J.- 
Theod. de Raadt). 

8. 't Daghet in den Oosten, VI, N'' 21. — Limbuigsch Kederlandsch : IG'' VVoordenzange. — 
J.imbui'osche Dichtveerdiglicid : Zeg van reeknuitskc, — Zegsol. — 

9. Zeitschrift flir Volkskunde. lil, N'' 4. — Die mythisohcn Köuige der arisclien Volkgheldcnsage 
uiid Dichtung (Edm. V('ckei:stedt). — Der Traum von deni Schatz aui' der Hrücke. (VaclaT 
Tille). — Wendische Sagen der NiederLiusitz (Edm Veckenstedt). — Volksül)Grliefeiungen aus 
Oesterreich (P'ranz Branky). — Mythische Volkbdichtungen (Tlieodor Vernaleken). — Ali)anesi- 
sche I, ieder (PI Mitkos, Deuisch von J. U. J.\rnick). — Spric'.iwörter und sprichwörtliche 
Redensarten aus Wigand Lauzes liessischer Chronik [■] . I'istor). — l'olni-icher uud deutscher 
Aberglaube und Hraucli aus der Provinz l'os^u (O. Knoop). — Büchcrbesprechungen (Edm, 
Veckensledt, 1 ranky, v. Estorft'). — Zur Bücherkunde. 

10. Zeitschrift des Vereins flir Volkskunde. — Neue Folge der Zeitschrift fUrN öllierpsychologie und 
Sprach'>cissensc]iaft,begri'}u1t'tron M- Lazarus und H. Sleinthal. — lm Aui'frage des Yereins 
herausgegel)en von Karl Weinhold. — l"- .lalirgang, 1S91, Heft I : 

Zur Einleilung (K. Weinhold). — .-Vn den ; eser (Prof Steinthal). — Volkstümliche Schlag- 
lichter (W. Schwartz). — Z\ir "• olksktiiide 1 slatids (K. Maurer). — Ein ansclieinend deutsches 
Marchen von der Xachligall und der Mlindschleise uiid sein franzosisohes Origitial (II. Kohier). 

— Die Ausnahmslosigkeit samtlicher Sprachiicuerangen (II. Löwe). — Wind, Wetter, Regen, 
Schnee und Sonneuschein in Vorstellung und Rede des Tiroler Volkes (M. Rehscuer). — Jamund 
bei Cöslin. (Ü. .Tahn & A. MeyerCohn). — Mit Tatel I. — Kleine Milteilungen : 1. Zum Stein- 
kultus in Syrien 2 Ein islandisclier Blulsegen. 3. Todesnachrichf. — Bücherauzeigen : Werke 
VOK L. von Hörniann, R. H. (iremz & D. A. Kapferer, Br. Bucher, Kr. IS'yrop, Huid, Otto 
Jespersen & Kr. Nyrop. — Bibliographie. 

11. La ïradition, V, N'" 1 — Aux lecteurs de « La Tradition » (La Direction). — La Saint- Eloi 
(Augustin xvicot) — Eléments de Traditionnisme ou Folklore. L La theorie moderne de 1'Auimis- 
me (Tlionias Davidson). — I.a Bergère aux champs (Achille Millien). — Monstres et Géants. IX. 
Les Géants de Bruxelli s (A. Des rousseaux). — i.e Tirage au sort en Helgique (.Jules Lemoine). — 
Contes alsaciens. Ti'oisième série (P. Ristelhulxr) — Elegie (A.-C. Ortoli). — Folklore et Histoire 
des religioES (Henry Carnoy. — Thansou berrichonna (Charles Lancelin). — Chansons populaires 
dn Quercy (Froment de Beaurepaire) 

12. Revue des Tradilions populaires. V, K"" 12. — Traditions et superstitions siamoises (52«ï(?) : IV. 
Contes et Legendes. V liistoire de rcvenai.ts 1 1 df sorciers (Ch. flardoum) — Préjugés en Lou-- 
siane (Clément Ruldjensj. — i a Fille déguisée en dragon, chanson du Morvan (Julien Tiersot). — 
Contunies de )nariage (suite) : VI. Une noce en 1'éarn (Daniël Bourchenin) — Les Traditions po- 
pulaires et les écrivaius fraugais (suite) : VII Voiture (Paul Sébillot). — La Légende de Didon 
(5?<e7É') I. (René Basset). — Proverbes et dietons malays Quelques devinettes (G. M Olivier Beau- 
regard). — Contes troyens. 1 — III (Louis Morin). — Ran et les Filles d<'8 Flots (Léon Sichler). — 
Traditions et superstitions de la Touraine (.S'?//?/"^): II. Petit guide médical (l)"" Raphaël Blanchard). 

— Facéties suisses ( A. Certeaux). — Seconde vue : Intersigues [suite). II. liCs 1'ronostics de mort 
prochaine (Paul Sébillot). — Bibliographie (P. S.). — "Notes enquêtes. — Platen : Ra,a et lea 
Filles des Flots, gravure allemande. 

V1,N'"1. — Traditions et superstitions des poiits et des chaussées. 1. Les routes — IL Les 
chemins de fer (Paul Sébillot) — Questionnaire des traditions des ponts et chaussées (Paul Sébil- 
lot). — Chansons du renouvellemeut de 1'année 1. Lon Bon an (M'"'' Barbet). — Miettes de Folk- 
Lore parisieuXlV. (Alfrcd Harou). — LaFêtedes lUjis XV. Chanson des Rois a Caen (D. Danjon). 

— Le petit homme rouge et Napoléon ( I oys Hrueyre). — .\llusions ;i des contes populaires (suite) 
(René Bas-set).— Superstitions et ('outunies des mariniers III. Les Pilotes Egyptiens (A. Descubes). 

— IV. L'invention des flottages. — V, Rivage lianté (P.-S.). — VI Le Batelier avare (Girard de 
Rialle). — Renaud et ses femmes. II. Haute- Bretagne (M'"" Paul Sél)illot). — La Mère et 1'Enfant 
(Michel de Zmi^rodzki). — Rites et usa-es funéraires. IX. (A. Cerleux). — La Légende de Théo- 
phile de Viau (Léo Desaivre). — La Légende de Didon (suite) (Raoul Rosières). — Légendes et 
superstitions préhistoriques. VIL La pierre de Saint-Martin d'Assevilliers (G. Fouju). — Coutu- 
mes seolaires. IV. en Belgique (Alfred Harou). — Bibliographie. — Périodiques et Journaux. — 
Noies et enquêtes. 



ONS VOLKSLEVEN. 



Aiitwerpscli-Brabaiitsch Tijdschrift 

voor Taal eu Volksdichtvcerdigheid , 

voor Oude Gebruiken, Waugcloof kunde, 

enz. In tivelfnommers van tn elf bladzijden 

in 8'\ 

Te Brecht, 

bij L. Braecemans. 




« Er is nog een rijke oogst op het veld 
der gewestspraken voorhanden; veel 
volksuildrakkingen dreigen te verdwij- 
nen die ora hunne juistheid, schilder- 
achtieheid of oudheid verdienen in de 
Rchrifttaal opgenomen en bewaard te 
blijven. » 

Zuid-Nedeblandschk Maatschappij 
VAK Taalkuude, Wedstrijd 1874. 

«De studie der folklore heeftvoor doel 
ons volk in zijne eigenaardige zeden en 
gewoonten, in zijn inniggeloof enkarak- 
ter te leeren kennen, iu één vroord, het 
volk zooals het is. » 

Vraagboek over Vlaanische Volkskunde. 



BIJDRAGE TOT DEN DIETSCHEN TAALSCHAT. 
2de (i48te^ Woorden zange. 



BeeMspraak. 



Aap, den. — In den aap gelogeerd zijn beteekent in de Antwerpsche Kem- 
pen hetzelfde als in Limburg- (z. 't Daghetin den Oosien, VI, bl. 185). kwalijk 
met iet uitmeten ; gefopt, afgevangen zijn ; iii dën sukkel komen. B. v. 
Krijgt hij het in den kop naar de stad te trekken, dan is zijn moeder in den 
aap gelogeerd, 'k Zou moeten beet planten en geen zaad hebben : 'k ben in 
den aap gelogeerd. Geh. Si-Anionius. In Vlaanderen heeft die spreuk 'nen 
heelen anderen zin. (Z. De Bo.) 

Berdeke, het. — Brrdekes horen. Werken, maar niet veel verrichten, den 
luierik spelen. B. v. Hij werkt ja, maar hij zal hem niet muug maken: 
't is maar berdekes boren dat hij doet, Geh. Beersel. 

Brood, het. — levcrans in'throod liggen. levers den kost voorniet heb- 
ben. B. v. Hij heeft nu al drij weken bij mij in 't brood gelegen : 'k ben blij 
dat hij er van door trekt. Geh. St-Antonius. 

Bus, de. — De bus Hazen. Er slecht van afkomen, kwalijk varen. B. v. 
Wacht maar manneke, ge zult de bus blazen. Geh. Beersel. 

Conscientie, de. — Eene advocaienconscientie hehhtn mei ijzer beslagen, d. 
i. een doorslecht en zeer rekkelijk geweten. Geh. St-Antonius. 

Dekker, den. — Den delJcer dienen, z. De bus blazen. B. v. Ha ! ge maakt 
daar niks uit?... Ge zult den dekker dienen ! Geh. Beersel. Men zegt in den- 
zelfden zin : ge zult er tegenvliegcn, de bus blazen, er van stoppen, er van gedou- 
wen zijn, weten waar het merJci is, enz. (Z. verder ook Am. Joos. Schatten uit 
de VoU'staal, bl. 73.) 

Duivel (uitspr. duvel), den. — Den duvel jagen. Laweit maken ; ruzie ma- 
ken, duivelen. Geh. St-Antonius. 

— De duivel zal de lecrs houden. Die spreuk beteekent : 't Zal niet goed 
^ aankomen, 't zal slecht afloopen. B. v. Betaalt algauw dat ge mij schuldig 






26 « Ons Volksleven. » 



zijt, of de duvel zal de keers houden ! Als ge niet en maakt dat uw werk af 
is, zal de duvel de keers houden ! Geh. iücm. InVlaanderen beteokent het iet 
anders, (z. De Bo.) 

Haak, den. — In zijnen haak schieten. Kwaad worden, in gTamschap 
schieten. B. v. Moest ge voor een onnoozel woord zoo in uwen haak schie- 
ten ? Geh. idem. 

Hand, de. — Iemand loachfen met de slinke hand. Beginnen te eten zonder 
te wachten naar iemand die nog aan de tafel komen moet. Geh. idem. 
Ook gekend in Limburg, (z. 't Dar/het VI, 136.) 

Heirkracht, de. — 't Is heirhracht zegt men van iet dat geenen uitstel ge- 
doogt, dat noodzakelijk moet gebeuren. B. v.'s Zondags werken, 'k doen het 
noó, maar 't is heirkrachl : morgen kan 't beginnen te regenen en dan ge- 
raakt de(n) oo(g)st niet meer binnen. Geh. idem. 

Honderd, het. — In 't honderd loopen. Verwaarloosd worden, loopen 
voor evenveel, niet opgepast, niet verzorgd worden. B. v. Die slodder van 
een wijf, ze gaat overal rond om te sjawelen, en ze laat heur kinderen in 't 
honderd loopen. Geh. idem. 

IJzer, het. — Geen heet ijzer voor iet iviUen dragen. Niet durven instaan 
voor de waarheid van iet. B. v. Hij vertelde mij dat voor vast en zeker, maar 
'k zou der alevel geen heet ijzer voor willen dragen. Geh. idem. 

Dankt die spreuk haar ontstaan niet aan de vuurproef dev middeleeuwen, 
waarin de beschuldigde een gloeiend ijzer moest vastnemen, om zijne on- 
plichtigheid Ie bewijzen ? 

Keers, de. — Z. Duivel. 

Kloon, den. Holleblok. — Op pecnen Moon spelen. In iet goeds of iet 
kwaads uitnemen B. v. Geen timmerman kan beter zijn ambacht als Karel 
van mijn oom. — En Jan Dierckx dan ?... Die speelt ook op geenen kloon ! 
D. i. dat is een meester in zijnen stiel, 't Is een schande gelijk die Tisttoch 
vloeken kan ! — Ja maar, zijn broer die speelt ook op geenen kloon ! D. i. 
zijn broer is nog een grootere vloeker, die spant de kroon onder de vloe- 
kers. Geh. idem. 

Kom, (ie. — Op de Jcom lijten. Geen eten meer vinden, komen om teeten 
als de tafel weg is. B. v. Hij kwam om twee uren thuis, maar hij kost op de 
kom bijten. Geh. idem. 

Kot, het. — Iemand in zijn kot stuiuven. Iemand duchtig zijne zaligheid 
zeggen en hem den mond stoppen. B. v. Hij begost weer van zijnen neus te 
maken, maar 'k heb hem eens goed in zijn kot gestouwd, en toen zei hij niets 
meer. Geh. id(m. 

Kracht, de. — /(;/ op zijn l-rachten nemen. Om iet boos worden, over iet 
veroiiiweordigd zijn. B. v. Ik zei het hem uit lach, maar hij nam het op zijn 
krachien, en nu gaat hij me stommelings voorbij. Geven ze ti eens een ver- 
kreixl woord, ge moogt dat zoo seffens op uw krachten niet nemen. Geh. 
id<m. Ook gekend in Limburg (z. 't Daghet, VI, bl. 180.) , , 



« Ons Volksleven. »» 



27 



Kram, de, — In zijn h-ammen schieten. Kwaad worden, in gramschap 
schieten, z. Haak. B. v. Ik liet hem aankiappen, maar toen hij mij voor 'nen 
leugenaar uitmaakte, schoot ik in mijn krammen. Geh. St-Anf. en Bccrsd . 

Kwakkel, de. — Be hvaklrl niaaU tfe inerli van 'iTxoren. Geh. Kempen : 
o. a. St-An^oniuSy Zoersel, Ihrchf. Die spreuk rust op liet bijgeloof « dat de 
kwakkel zoo dikwijls slaat, als de veertel koren guldens gildt. « De spreuk 
is ook gekend in Limburg, iz. '/ Daghet , VI. bl. 186.) 

Licht, het. — Als er drij of zelfs maar twee lichten in huis branden, dan 
heet het : de(n) os is vet. Geh. idem. Ook in Limburg, (z. '/ Daghct, VI. 
bl. 180. 

Lijkstrooi, het. — Op 7 lijkstrooi liggen. Gestorven zijn. 't Is droevig ge- 
steld in dat huishouden : de kinderen ziek, de vrouw ziek, en de man leit 
op 't lijkstrooi. Geh. idem. Ook ii. Limburg (z. 'tDaghef, I, bl. 34.) 

Melk, het. — Van zijn meUc staan. Uit zijn lood geslagen zijn, versteld, 
verslagen staan. B. v. Hij stond heelegaar van zijn melk, toen ik hem dat 
vertelde. Geh. idem. 

Merkt, de. — Weten waar het merkt is. Kwalijk varen, het moeten bekoo- 
pen, er aan toeleggen. B. v. Als ge thuis komt, zul-de weten waar het mert 
is, want vader is niet gemakkelijk. Mjken dat ge vóór den donkere thuis 
zijt, of ge zult weten waar het mor'l is. Geh. idem. 

Pee, de. Wortel. Fr. carotte. — Iemand zijn peeën opscheppen is iemand 
zijnen mond vol geven, iemand zijn zaligheid zeggen, den bol wasschen, he- 
vig bekijven. Ik heb hem daar zijn peeën opgeschept. Geh. ideyn. 

JOZ. CORNELISSEN. 



1. 

Als de groote klokke luidt, 

De Reuze komt uit ; 

Keerewijs om, 

De Reuze, 

De Reuze, 

Keerewijs om, 

De Reuze kom ! 



LIEDEREN. 
(9.) Reuzeliedje. 



Moeder, snijdt 'nen boterham. 

De Reuze is gram ; 

Keerewijs om, 

De Reuze, 

De Reuze, 

Keerewijs om, 

De Reuze kom. 



Moeder, hangt de pap op 't vier, 
De Reuze is hier ; 
Keerewijs om, 
De Reuze, 
De Reuze, 
Keerewijs om, 
De Reuze kom ! 



4. 
Moeder, tapt van 't beste bier, 
De Reuze is hier ; 
Keerewijs om, 
De Reuze, 
De Reuze, 
Keerewijs om, 
De Reuze kom ! 



28 « Ons Volksleven. » 



b. 6. 

Moeder, stopt al zeere 't vat, Moeder, geeft maar kaas en brood, 

De Reuze is zat ; De Reuze is dood ; 

Keerewijs om, Keerewijs om, 

De Reuze, De Reuze, 

De Reuze, De Reuze, 

Keerewijs om, Keerewijs om. 

De Reuze kom ! De Reuze kom ! (1) 

Opgenomen te Brugge, deur A.-J. Witteryck. 

2. (10.) Ste Mertenlied. 

(Gezongen) Vandaag is ^t Sinte-Merte' (Gesproken) Krij 'k wat a's te blieft ? 

En morgen is 't de kruk. * * 

Wij komen uit goeder herte, (Gezongen) Ilaut, haut, turf*en haut (2) 

En helpt ons uit den druk. ,^ Turf ken of e' spaantje. 
Wij zullen van ze léve van hier nie gaan, Kloereklooren haantje ! 

Of wij hebben wat opgedaan. Hoe wijd zal da' vliege' ? 

* Over de Mer't en over de Mijn (3) 

(Gesprollen) Krij' 'k wat a's te blieft ? 't Zal nog wel 'ue goeie Sinte Merte zijn , 

* * * ( Wanneer ze niets krijgen) : 

(Gezongen) Ik weet nog wel 'en goei vrouw [Gezongen) Ginder aan dat hoog huis, 

Die ons nog wel wa' geve' zou. Daar hangt 'ne zak mee zemelen uit , 

Hoelank zal ze léve ? Zoo menige zemel, zoo menige luis, 

Honderd jaar en eenen dag, Schupt da' wijf in 't sch...huis ! 



Zooiank ze kèès en brood masr. 



{Ze gaan ïoopen) 
(Turnhout). E. T. 

3. (11.) Nieuwjaarslièke. 

Juffra begijntje, gezijt aan 't koke', 

'k Wens' u 'ne zalige Nievejaar ; 

Ik 'eb deur 't spleetje wa' goeds geroke' 

'k Wens'te da' 'k daar binne' waar. 

Roept m'in 'uis en zet m'aan tafel, 
'Edde gebak ke', dan gee' m' 'en wafel ; 
'Edde gij nog wa' bier oep 't vat. 
Dan drinke' m' o's dezen avend zat. 
(Turnhout). E. T. 



BOOMEN, WOUDEN EN GEWASSEN, IN VOLKSGELOOF 

EN LEGENDEN. 
1. 
Afzonderlijke Boomen en Gewassen. 

Zooals iedereen weet, vereerden onze voorouders de bosschen en wouden. 
De bijgeloovigheden, de sagen en legenden die betrek hebben op die veree- 

(1) Vrglk. Ons Volksleven, 1" jaarg., bl. 68-69. 

(2) Hout. 

(3) Vischmijn. 



« Ons Volksleven. » 29 



ring, zullen in een volgend hootdstuk besproken worden, nadat wij in hot 
onderhavige gehandeld zullen hebben over de overleveringen en legenden, 
aan afzonderlijke boomen verbonden. 

Veel van de aangehaalde bijgeloovigheden zijn herinneringen aan den 
heidenschen godsdiensi onzer voorvaderen, en leven grootendeols nog onder 
't volk voort. 

Wonderbare boomen der Heidenen. 

Boomen die aanbeden wierden. — De Germanen aanbaden den eik, den pijn- 
boom en den distel. 

Misiel of MaariaTt. — De mistel of maartak was de gewijde plant der 
Druïden. In het oude Gallië hadden de Diuïden de gewoonte van nieuwjaars- 
geschenken te geven, en op den eersten dag van 'i jaar gewijde maartak ken 
aan het volk uit te deelen. (Di^tionnaire des Origines, I, bl. 328-329.) 

Eene herinnering aan dat gebruik vinden wij in de spreuk : « Au Gui l'an 
neuf Ji, die in Frankrijk gebezigd wordt. 

De maartak (i), die woekerplant, groeiende op den eik en andere woud- 
boomen, wordt tegenwoordig nog door eenige landlieden voor een h-acJiiig 
iegenverqif aanzien. Een afti eksel van die plant wordt ook aan onvruchihare 
huisdieren toegediend. Die gebruiken schijnen overblijfsels van het wange- 
loof der oude Kelten. 

Het ElterJcen. — De inwoners van Eisene hadden eertijds een bijzonderen 
eerbied voor een vermaarden boom, Jiet ElterJcen of den Getvijden Boom, die 
zijnen naam aan eene" straat der gemeente gegeven heeft. 

Nadat het geregend had, lei men de kinderen die aan de 'koorts leden, onder 
dien boom. De druppels die van zijne bladeren leekten, hadden, zegt men, 
de eigenschap van die ziekte te genezen... 

't Is zeker dat de vereering voor de linde « het El (erken » opklimt tot de 
tijden van het Heidendom. Door zijne ligging, heel aleen, op eene hoogte 
bij het woud van Sonna (Soniën) of der Zon, zullen onze voorouders dien 
boom uitgekozen en aan hunnen eeredienst toegewijd hebben. 

De linde, gelijk men weet, is de boom in ons land, die de plaatsen aanduidt, 
waar herinneringen aan verbonden zijn. (A. Wauters. Hisi. de environs de 
Bruxellrs, III, bl. 283-84.) 

(1) Op St-Michiel sdag openen de boeren de gal- of mistelnoten om het toekomende jaar te voor- 
spellen. Zijn die noten vol en gezond, 't is een teeken dat het jaar overvloedig in al de levens- 
noodwendigheden zal voorzien ; maar zijn ze loos en vochtig, 't is een leekeu dat do zomer koud 
en nat zal zijn. Waneer zij mager en droog zijn, dan staat het tegenovergestelde te wachten Zit 
er eene sphi, eene vlieg of een ■n:o7'm in, 't is een voorteeken van een ongelukkig, een middelmatig 
of een goed jaar. Als men or niets in en vindt, dan is het te vreezen, dat er 't komende janr veel 
rampen zullen gebeuren. En uaneer er veel galnoten zijn, dan is er een vroege winter en veel 
sneeuw op handen, (Bo" de Reinsberg. Calendrier beige, II, bl. 185.) 

Vrglk. Ons VolTisleven, I, bl. 10, N'-ö. 



30 « Ons Volksleven. 



Christelijke legenden. 

Het MiraTvcl van de H. Alcna fc Vorst (in Brabant.)— Eens dat de H. Alena 
naar Vorst kwam om er de Metten bij ie wonen, moest zij voor de deur der 
kapel wf<chten, omdat de priester ziek was. Zij plantte haren stok in den grond 
en toen zij 's anderendaags terugkeerde, was die wonderbare staf in eenen 
hazelaar verandeid, waarvan de stam, van den wortel af tot aan het sop toe, 
gansch met bladeren bedekt stond. Hij wierd zeer vereerd en niemand zou 
er ongestraft noten aan geplukt hebben. Men ziet den boom nog staan, om- 
sloten door eenen muur die aan do kerk grenst. Te oordeelen naar den stam 
die bijna de dikte heeft van eene ton, moet hij heel oud wezen. (ld., III, 
bl. 534.) 

Een dergelijk mirakel wordt ook toegeschreven aan den H. Gwijde (Wij- 
ten, Guido), aan den H. Rombout (Rumold, Rumoldus) en aan St-Godmaar 
(Gommaar, Gommarus). 

De Elzehooin van Asschc (in Brabant). — De «Kruisberg» Ie Assche is 
veimaard wegens zijne kapel en zijne miraculeuze legende. 

Eene vrouw die tot over hare ooreii in do schuld zat, ging eenige Joden 
opzoeken, om hun hare kleederen te verpanden. Zij beloofden haar eene 
groote sommo gelds, wilde zij hun eene gewijde Hostie bezorgen. 

Aaijgedreven door den nood, stemde zij toe, maar, uit do kerk terugkee- 
rende, kreeg zij berouw over hare goddelooze daad en ging de H. Hostie 
in eenen ouden, bijna doodeii els verbergen. Oogenblikkelijk stond hij met 
bladeren en bloemen vei-sierd. Dit wonder lokte het volk aan, en weldra ge- 
beurden er talrijke mirakeler.. 

De eigenaar van het aanpalende veld, ontevreden over de schade die hem 
het geloop van het volk veroorzaakte, wou den els vellen. Op dien oogen- 
blik bemerkt hij dat de spaanders die er onder de bijl af vliegen, in de ge- 
daante van een kruis gaan liggen en als met bloed bevlekt schijnen (i). 
(A. Wauters. Hist. des env. de Bruxelles, I, bl. 470-71.) 

De stralende Boom. — De gelukzalige Jan van Ruusbroec, prior van Groe- 
nendaal en geestelijke schrijver, had de gewoonte,, zogt Bogaert of de Po- 



(1) Die legende slaat ook in het Kunst- en Letterblad^ lfc40, bl. 9Ó-9G, maar zij wordt er anders 
verhaald. Vooreerst was het geen els, maar een holle li ndeboom waar de H. Hostie in neergeleid 
wierd. De vrouw die de heihgschenderij pleegde, was de weerdin uit eene herberg, een geldgierig 
wijf. Eenige officieren uit het leger vau Lod. van .Vlale ('t gebeurde in 135C, tijdens den inval van 
den graaf van Vlaanderen in Brabant), die in hare herberg zaten, beloofden heur drij goudstuli- 
ken, wilde zij de H. Hostie die zij 's anderendaags, ter M. Tafel naderende, zou ontvangen, uit den 
mond nemen en bij hen brengen. Zij stemde toe, maar, na het plegen der heiligschennis, kreeg 
zij berouw en verborg de Hostie in eene holle linde. De boom begon te groenen en te bloeien en 
ontell)are vogelen kwamen in zijne takken zingen. De pastoor ging de H. Hostie halen en droeg 
ze met grooten eerbied terug naar de kerk. Toen vielen de vogelen stil en verdwenen, de boom 
verloor zijn gebladerte en wierd dor gelijk te voren. Naderhand velde men de linds en men sneed 
er twee biechtstoelen uit, een kruisen eene communiebank, die nu nog in de kerk van Assche te 
zien zijn. j. c. 



i 



« Ons Volksleven. » 31 



merio die zijn leven besclireet', van zijne werken op te stellen, al wandelen- 
de in het Soniënbosch. Eens dat de kloosterling hem zocht, verwonderd 
over zijn ongewoon lang wegblijven, vond hij hem zitten onder eene linde, 
waarvan het gebladerte met stralen omgeven was. Die boom, na lang ge- 
kweeld te hebben, kreeg nieuwe groeikracht omtrent het jaar 1600, en in de 
maand November 1612, bouwde de infante Isabella eene kleine kapel onder 
zijne takken. 

['t Gaat voort.) Alf. Harou. 



KEMPISCHE SPREEKWOORDEN. 

1. De man en is niet wijs 

Die zijn huiskeu timmert op 't ijs ; 

Want als 't ijs zal zijn vergaan, 

Dan zal zijn huisken in 't water staan 

2. Man» en honden 
Doen hun ronde, 
Maar kaiten en wijven 
Moeten thuisblijven. 

3. Brullende koei'. 
Fluitende meiskes 
En kraaiende hinnen 
Zijn drij zottinuen. 

4. Fluitende meiskes, 
Kraaiende hinnen 
En brullende koei' 
Zijn der zelden goei. 

5. Kraaiende hinnen. 
LJrulU'iide koei' 

Eti meiskt s die fluiten 

Zijn drij dingen die niet stuiten. 

6. Op den meulon en in de smis 
Daar zijn de leugens gewis. 

7. 't Spek en de zwaart 
Zijn van ééuen aard. 

8. Al draagt d(e)n aap 'nen gouden ring, 
Hij is en blijft een leclijk ding. 

9. Wat helpen keers en bril, 
Als de uil niet zien en wil? 

10. Die 's winters jaagt en 's zomer» vinkt, 
Eu heeft in huis geen vleesch dat stinkt. 

11. Hoe wijdere loop, 
Hoe slechtere koop. 



3t' « Ons Volksleven. « 



12. Hoe meerder raad 
Hoe minder baat. 

13. Hoe kalere jonker 
Hoe grootere pronker. 

14. Klagers hebben geen nood, 
Stoffers hebben geen bï-ood. 

15. Liever meteen kwé, kar op de hei als met een goed schip op de zee. 

16. Die hem met de arinoê weet te generen, is weerd dat hij ze heeft, (i) 

17. Een zot zonder kuren is geen zot. 

18. Ieder zijn meug, zei 't ventje, en 't had 'nen mol op zijn brood liggen. 

19. Werken is zalig, zeiden de begijnen, en ze droegen gedrijen aan 'nen 
boonstaak. 

20. Wat nu gezongen, zei de koster, en hij kost geen Latijn. 

21. Wat nu g-ezongen, zei de kosler, en de kerk stond in brand. 

22. 't Is zoo al pap, zei de jongen, onze vader eet ze, maar de hond en mag 
ze niet. 

23. 'k Wou da'k ihuio was, zei de kater, en hij zat met gat in de strop. 

24. 'k Mag geen kiekens meer, zei de vos, en hij zat in de klem. 

25. De(n) overleg is 't werk, zei Brodder, en hij zette den lap neven 't gat. 

('t Vervolgt.) 

JOZ. CORNELISSEN. 



SAGEN. 
3. (28.) Wat een Watergeest eens aanvong. 

Hetgeen ik vertellen ga, is over zeventig jaar gebeurd te Niel op den Ru- 
pel. Een schippersknecht mocht van zijnen baas eens over naar huis gaan. 
« Baas, " zei de knecht bij 't vertrekken, « dezen nacht, als ik afkoom, zal 
ik roepen ; kom mij dan maar halen, y^ 's Nachts wierd de schipper wakker 
door een geroep aan wal ; hij sprong seffens de veeren uit, sprong in 't boot- 
je en roeide af op het geroep. Iiitusschen begost de schipper te dubben over 
zijne zaken en was met zijne gedachten weg. Hij roeit aan wal, laadt den roe- 
per op, zonder eens te vragen : Peei of Jan, zij-de gij 't ? Maar neen, hij zat 
daar te droomen en hij bleef droomen. Wat kost het hem schillen ?.. 't Was 
immers zijne knecht! Maar wat is dat? Opeens staat er een watergeeat 
recht in 't bootje ! «Godin den hoogen Hemel ! « roept de schipper uit, 
« heb ik nu 'nen watergeesL opgeladen ! » . Een waterduvel, een waterdu- 
vel ! « kermt hij vol schrik. Pardoef ! daar springt de watergeest den boot 
uit. De schipper laat 'nen blijden kreet. Ja maar, de watergeest en was niet 
weg, bij lange niet, hij moet den schipper nog eerst wat kwellen. Hij kruipt 
onder 'l bootje en houdt het tegen. De arme schipper doet alle moeite van 
de wereld om naar zijn schip te geraken, maar hij wint geene hand in. De 

(1) Of ontkennend : Die hem met de armoe niet weet te generen, en is niet weerd dat hij ie heeft. 



« Ons Volksleven. » 33 



schipper begint te bidden, de waterduivel laat hem gerust en verdwijnt. In 
den eigensten oogenblik stond hij terug op de plaats waar de schipper hem 
opgeladen had, den man uit te lachen, al roepende : « Nu heb ik u dicht, eli ? 
Ha ! ha ! Nu heb ik u toch dicht, eh ! Ha ! ha ! ha ! » 

Eene halve uur naderhand stond de knecht Ie loopen, maar de verschrik- 
te schipper liet hem roepen; hij dierf geenen voet meer van zijn schip zetten. 
(Gehoord ie Schelle.) Meegedeeld door Lenaard Lehembre. 



WAN GELOOF. 

Vallende Sterren. 



lederen keer dat het volk eenester ziet rijzon of, gehjk het zegt, «uit 
den hemel ziet vallen w, heet het dat er juist iemand gestorven is. Zulke 
ster vinden is niet gemakkelijk. Niemand die er over spreekt, heeft er eene 
gezien, maar toch weet men dat zo op eene « snottebel r> (!) gelijkt. 

Dat geloot is overal verspreid. Ziehier wat men daarover in Polen zegt : 
« Elke mensch krijgt bij zijne geboorte eene bijzondere sterre, die hem voor 
« heel zijn leven toegekend is. De gelukkige menschen liebben eene schit- 
« terende ster ; bij de ongelukkige is 't juist het tegenovergestelde. Op den 
« oogenblik dat de mensch sterft, valt zijne ster op de aarde ; er blijft dan 
« nog enkel iet van over dat plat, week en vettig is, gelijk de overschot van 
«eene gesmoltene roetkcers. Zoohaast men de vallende ster gewaarwordt, 
« moet men gauw-gauw zeggea : «Ave Maria. " Dat is voor de onbekende 
« ziel, die men daardoor redden kan. » 

(Vergelijkt : Le FoUiore polonais ; Cracovie et ses euvirons, eic. par Michel 
DE Zmigrodzki, in La Tradition, 1890, bl. 294, en Questionnaire de folklore 
tvaïlon, bl. 67, N'"^ 923-925, Etoiles filantes.) J. B. Vervlieï. 



NIEtJWSKES. 

Nieuw volkskundig Tijdschrift. Wij hebben het g^noof^cu aan onze le- 
zers mee te doelen, dat op voorstel vnn Jei IP' Osc Colsou en den ievcri.G^en se- 
cretarisvan de « Société de folklore wallon », M>' Jos. Defrechcux, gemelde maat- 
schappii biDncDkort een tijdschrift gaat uitgeven, aan de studie der volkskunde 
gewijd. 

De opstolraad is samengesteld uit de flH. P^ug. Monscur, Osc. Colson, Paul 
Marchot, Jul. Simon en .Jos. Defrecbenx. 

Wij heefen het nieuwe tijdschrift, dat voor de studie der Waalsche volkskunde 
van groot nut zijn zal, hertelijk welkom. 

De Volkskunde op het Congres der Oudheidkundige Kringen. Op 
liet toekomstig Congics der oudheidkundige klingen, (iat in doi loop van dil jaar 
te Brussel zal gehouden worden, zal men aan de volkskunde eene belangrijke 
plaats inruimen. 

Eene bijzondere afdeeling zal gevormd worden voor dien tak onzer volks- en 



34 << Ons Volksleven. « 



zedcDgeschiedenis, welken tot hiertoe al te zeer verwaarloosd wierd. Kr zal ook 
eene volkskundigo tentoonstelling ingericht worden. Een gi'oot deel van die be- 
sluiten zijn genomen, dank aan do ieverige bemoeiing van den geleerden Heer 
J.-Theod. de Raadt, secretaris van den Oudheidkundigen kring van Brussel. 

Onze beste wenschen voor het welgelukken vnn eeno onderneming, die voor de 
studie der volkskunde in ons land de beste vruchten kan afwerpen. 

Zeitschrift für Volkskunde. Met het bogin vun den 3" jaargang (Oct. 
1890) is de » Zeitschrift für VoUskunde », in 1888 te Leipzig geslicht door O' 
Edni. Veckeustedt, het " Organ der Deulschen Gesellschaft für Volkskunde » ge- 
worden. 

De nieuwe kring wierd opgericht om het beoefenen der vo kskundige studiën 
aan te wakkeren, en aan de schrijvers en verzamelaars de gelegenheid te geven 
om de vruchten hunner opzoekingen in 't lichtte brengen, 

Zeitschrift des Vereins für Volkskunde. De « Verein fürVolkskunde », 
in Berlijn gevestigd, heeftalszijiien tolkde " Zeitschrifc des Vereins fürVolkskunde » 
aangenomen. Dit tijdschrift, uitgegeven onder de kundige leiding van D' Karl 
"Weinhold, en wraavan de 1'" afi. het licht zag, is iiet vervolg van de « Zei (schrift 
iür Völkerpsychologie und Sprachwisserschaft, begründet von M. Lazarus und 
H. Steinthal. » 

Het blad van D"^ Weinhold is gekenmerkt door zijn streng wetenschappelijken 
zin en diepgrondige studie. 

Tweede Congres der Volksoverleveringen. Het tweede « Congres der 
Volksoverleveringen n zal in de maand September van dit jaar te Londen gehou- 
den worden, onder het voorzitterschap van M"" Andrew Lang. Het 1® congres had 
te Parijs plaats in het jaar 1889. J. B. Vervliet. 

Folklore wallon. 

(Vervolg van bl. 138, 2^^jaarg.) 

De 5^ a5ev. van den « Questionnaire de folklore (wallon) » is verschenen en bevat de volgende 
hoofdstukken : 

VIII. Sterrekunde en weerkennis des volks. — De zon, de maan, de sterren, de regenboog, de 
sneeuw, de wind, de wolken, de hagel, de regen, het onweder, enz. enz. (Vr. 692-1008). 

IX. Liederen. — Godsdienstige liederen, gelegenheidsliederen, werkliederen (sommige voor- 
beelden met muziek) (Vr. 1009-1029). 

De « Questionnaire » neemt nog altijd in belangrijkheid toe en zal, wanneer hij volledig zal 
verschenen zijn, voor den verzamelaar een onmisbare handboek wezen. J. B. Vervliet. 



BOEKBESPKEKING. 



Il Volgo di Roma, raccolta di Tradizioni e Costumanze popolari a cura di 
Feancesco Sabatini. l. (Ronia, Ermanno Loescher & C" MDCCCXC.) — Boekd. 
in-kl. 8° van 79 bl. — Prijs L 3. — ) 



J 



« Ons Volksleven. » 35 



In ditwerksk(?,dat het 1" deel uitmaakt van eene reeks studiën over de folklore 
der Eeuwige Stad, viudeu wij vier verhandelingen, en wel de volgende : 1. Gae- 
tanaccio. of liever Gaetano- SantuDgelo gezeid Ghetanaccio (zooals hij opeen 
printje bij den tekst gevoegd, genoemd wordt), een soort van poesjenellen- of Jan- 
Klaassenbaas, die bij het llomeinsche volk zeer gezien was, door F. Chiappini ; — 
2. De lyriek in de Romeinsche volksgezangen, door F. Sabatini, eene critische 
studie, waarin de schrijver om zijne gezegden te staven, meerdere volksdichtjes 
aanhaalt en ontleedt ; — 3. De melodiën (zangwijzen) van het Romeinsche volk, 
door A. Parisotti. In deze verhandeling bespreekt de schrijver in 't kort de he- 
dendaagsche muziektuigen die bij 't volk meest voorkomen, waarbij hij nog een 
beknopt overzicht der bijzonderste werkten voegt,over zijn onderwerp verschenen ; 
— 4, Romeinsche volksliedoren, door M. Menghiui ; dit opstel met muziek op- 
geluisterd, besluit het boeksko, dat om zijne keurige, welverzorgde uitvoering 
zeer te prijzen is. J. B. Veevliet. 

Ed. Geudens.— Jeronymus Bosch alias Van Aken (inventaris Wyntgis). 
Gent, A. Siffer, 1890. (Vlugschr. in-8° van 21 bl. — Prijs fr. 1. — Boekli. Jos. 
Kockx, Antwerpen). 

Over den schilder Jeronymus Bosch hebben er lang zeer verwarde begrippen 
geheerscht, totdat de heer J.-C.-A. Hezenmans, in een opstel verschenen in de 
Dietsche Warande (1888, bl. 293 en vlg.) het geboorte- en sterfjaar, alsook den 
geslachtnaam des schilders vaststelde. 

Bij die studie, zoo merkweerdig voor de Nederlandsche kunstgeschiedenis, mo- 
gen wij de vcrhandrling voegen, waarvan wij hooger den titel meedeelden. 

De heer Geudens, die aan 't hoofd staat van een archief, dat in zijnen aard 
zeer rijk en hoogst belangwekkend is, en waaraan hij reeds menige weteusweer- 
dige bijzonderheid ontleende, heeft hier nogmaals de gelegenheid gevonden om 
een opstel te schrijven, dat op onuitgegeven bescheedeu gegrond, voor kuust en 
geschiedenis zeer belangrijk is. 

De ruimte waar wij over beschikken, laat ons niet toe in verderen uitleg te tre- 
den; liever verzenden wij den lezer tot betboeliske, dat wij volgeerne aanbevelen. 

J. B. Vervliet 



Het Maatschappelijk Vraagstuk. Voordracht op 10 November 1890 ge- 
houden te Gent in het Davidsfonds, door iMgr. Rutten (Verschonen in Het Bel- 
fort ) Gent, A. Siffer, 1891. - Vlugschrift in-8° van 31 bl. Prijs fr. 0,50. 



Waar Mgr. Rutten optreedt, daar stroomen de katholieke Vlamingen te zamen. 
Het onderwerp dat hij behandelt, njogc dan nog zoo ernstig en zoo weinig aan- 
trekkelijk schijnen, toch weet de begaafde spreker zijne toehoorders te boeien, 
dis letterlijk aan zijne lippen hangen. 

Maar niet alleen als redenaar, ook als schrijver moeten wij hem hulde brengen. 
Aan eenen vloeienden stijl, paart hij eene gemakkelijkheid van uitdrukking, eene 



36 « Ons Volksleven. " 

sierlijkheid io woordenkeiis en beeldspraak en eeiie daidelijkhoid van voordraclu, 
die de lezinp zijner gescliriften, ook voor den min geoofendcn lezer, niet alleen 
gemakkelijk, maar zelfs aantrekkelijk maakt. 

Het is die toon, dien wij in soortgelijke werken willen zion doorstralen. 

Uit den aard der zaak reeds is het onderwerp to ernstij», te afgetrokken, om 
aan vele lezers belang op to leveren. Wil men dus nut slichten — en dat is juist 
het doel van zulke schriften — dan moet men den lezer weien te boeien, door de 
hoedanigheden die wij hooger aanhaalden en die wij in Mgr. Rutten bewonderen. 

J. B. Vervliet, 



INHOUD VAN TIJDSCHRIFTEN. 

1. Volk en Taal, 111, N"" 8. — Een Rouwdag (T. ran Heuverswyn). — Bijdrage tot den Neder- 
duilschen iaalschat (P. van den Kroeck) — Gebruiken bij hel drinken dor Vlamingen (P. B.). — 
Vertelling van de kat, den hond, de zwaan, de koe, het peerd en den haan (T. van Heuverswyn). 

— De Duivel ssc'huur (!'. Bernard). — Raadsels (T. v. II.). — Hot koningske en de gaai (P. Wae- 
lens). — Hoe dat ze ne keer de messe van requiem zongen op Passchen (T. van Heuverswyn). — 
Kinderliedjes (L. du Catillon). — Kinderrijmkes (Fr. van Cauwenberghe). — Over het Nonnen 
(A. d S.). — Volksdiclitveerdigheid (K. van Damme). -- Di Hovonierderije in het begin dor IS" 
eeuw (Rijkaard Ervinck). — Kapellekens (A. van Heuvei-swyn). — Geschiedenis (Th. van Heu- 
verswyn). — Van alles. 

2. Biekorf, II, K"" S. — Van een vlaamsch boeksken uit Luik (Polyd, Daniels, pr.). — Uit Fries- 
land (Jan van Wageniugen ihoo Dekama). — Bonte Kraaie (duido Gczelle). — Weersvoorzeggin- 
geii. — Het verken van p]gypten. — Mingel maren. 

Xr 4. — Van twee houtkappers. — ïJertijds en nu ! — Aan H. L. (J. Noterdaeme). — Over 
drie honderd jaar (Edward Van Robays). — Mingelmaren. 

3. Het Belfort, VI, K'' 3. — 1. Maerlant (F. Cap). — II. Doktor Koch en de tering (Julius Broec- 
kaert). — Hl. Lijkkrans op het graf van Z.K. IL Poudewijn (Pieter Panco). — IV. Het algemeen 
stemrecht en de herzienipg dor Grondwet (F. Irijvers). — V. Iets over de talon in den Coiigo 
(CamiUe Van Ronsló). — VI. Wenken en vragen (.lohan Winkler). — VIL Aan eene moeder bij de 
wieg van haar kind (Jozef de Ras). — VlH. De slerrekunde der ChaMeërs (J. van Mierlo, S.J.). — 
IX. Liefde ! (O. Loosen, S. J.) — X. Poekennieuws en Kronijk. 

4. De Viaamsche Standaard, 1 , K"" 9. — MoedeHaal (L. Van Gansen). — Vlaamsche Zeden (J Dille). 

— De Kerk. — Vlaamsche Broederbond van Aarschot. 

5. Zeitsctirift lür Volkskunde, III, N''.5. Dieneu entdeckten Götlei-gestalten und Götternamen der 
norddeutschen Tiefobene. lil. I)ieAscn(0. Knoop). — Die mythischen Könige der arischcnVolks- 
heldcnsage und Dichtung (Edm. Veckenstedt. — Wendische Sagen der Niederlausitz (Edm. Vee- 
kenstedt). — Albanesische Marchen und Fchwiinke (J. U. Jarnick). — Volksüberiieferungen aus 
Oesterreich (Fraiiz Pranky), — Volksliedcr aus Hinterpommern. Met muziek (A. Gadde). — Find- 
linge zur Volkskunde (Alex. Kaufmann). — 1 ücherbesprechungen (Edm. Veckenstedt, Bruno 
Wagner und O. Knoop). — Zur Dücherkunde. 

6. La Tradition. V, N"" 2. — I. Elcments de Traditionnisme, ou Folklore. II. Le Culte des An- 
cêtrcs (Thomas Davidson). — II. La Sorcellerie au Moyen-Age. I. Coup d'aül historique (Henry 
Van Elven). — III. Le Folklore de Constantinople. I. Suporstitions et Croyances des Turcs (Hen- 
ry Carnoy et Jean Nicolaïdes). — IV. Les Pommiers en Fleur (Herry Carnoy). — V. Littérature 
populaire de Villcueuve-sur-I ot (Paul Combes). — VI. Le Folklore de la Pelgique. — XII. Les 
Géauts (Alfrjd Ilarou). — VII. les Chevalicrs du Papegai. 1. (Joannès Plantadis). — VUL 
Chansons populaires des Quercy (Froment de Peauropaire.) — IX. Los empreintos merveilleuses 
VI. (Augustin Chaboseau.)— X. Bil)liographie (Henry Carnoy). 



ONS VOLKSLEVEN. 



Aritwerpsch-Brabautsch Tijdschrift 

voor Taal en Volksdichtveerdigheid , 

voor Oude Gebruiken, Waugeloof kunde, 

enz. Int'ivelf nommers van twelf bladzijden 

in 8". 

Te Brecht, 

bij L. Beaeckmans. 




« P> is nog een rijke oogst op het veld 
der gewestspraken voorhanden; veel 
volksuitdrakkingen dreigen te verdwij- 
nen die om hunne juistheid, schilder- 
achtiarheid of oudheid verdienen in de 
schrifttaai opgenomen en bewaard te 
blijven. » 

Züid-Nederlandsche Maatschappij 
VAN Taalkunde, Wedstrijd 1874. 

«De studie der folklore heeftvoor doel 
ons volk in zijne eigenaardige zeden en 
gewoonten, in zijn innig geloof enkarak- 
ter te leeren kennen, in. eén woord, het 
volk zooals het is. n 

Vraagboeh over Ylaamsche VoUnXundt. 



LEVENDE SPEAAKKUNST. 

IIL 
Uitgangen der Verkleinwoorden. {Vervolg). 



Naamwoorden 
die uitgaan op n 



Op p, r en 
(of schi 



Op t 



Op w 

Op 'nen klinker 



aj Voorafgegaan van 'nen langen klank, nemen (t)je: 
steen, sieenlje; hoon, boontje; (i) voorafgegaan van te, 
nemen zij, in eigennamen, ook ke, voorafgegaan van e : 
Fien, Fientje of Fieneke; Trien, Trienelce of Trientje; 
Lien, Lieneke; Stien, Stieneke of S tientje. 

hj Van 'nen korten klank, nemen ke en verdubbelen 
n : x)an, panneke; hen, henneke; pin, pinneke. 

cj Van eene toonlooze e, nemen ke en laten n vallen : 
meulen, meuleke ; jongen, jongeske; veulen, veuleke. 

Nemen ke : stap, stapke; kuip, kuipke; — dier, dierke; 
ster, sterke; — mes, meske; pels,pelske; visch, vischke. 

Aanmerking. — Somwijlen komt er eene toonlooze e 
achter de s : huis, huiske oihuizeke; Lies, Lieske of Lie- 
zeke. 

al Voorafgegaan van 'nen korten klank, verdubbelen 
t en nemen ke : rat, ratteke; put, putteke; mot, motteke. 

hl Van 'nen medeklinker, van 'nen langen klank of 
'nen korten die bij 't uitbouwen des woords lang wordt, 
nemen (t)je : kaart, kaartje; — klont, klontje; — geit, 
geitje; maat, maatje; (2) — vat, vaatje. (3) 

Nemen ke : vrouw, vrouwke; spreeuw, spreeuwke. 

Nemen ke : /:oe^■, koeike; ei, eike; Mie, Mieke; hui, 
huike. 



(1) Zuid -oostwaarts en in Brabant heerschl de uitgang V.e\been, beenle; boon, boonke; steen, 
steenke. 

(2) Ook mateke, in den zin van makker, gezel. 

(3) In het Z. O. der Antwerpsche Kempen en in Brabant nemen de woorden op t den uitgang 
ke, en de l valt dikwijls weg, bijzonder waneer ze van 'nen medeklinker voorafgegaan is : Geit 
geiteke; straat, stra(at)ke; vent, ven{t)ke ; kant, kan(t)ke. 



38 « Ons Volksleven. » 



Aanmerking. — In de kindertaal (i) gaan al de verkleinwoorden uit op 
ké. Die uitgang immers heeft eene ongemeene bevalliglieid on bevat een 
gedacht van zoete teederheid; daarom gebruikt do moeder, als zij tot hare 
kleine kinderen spreekt, bij voorkeur de vormen : hcrfeke, haneJce, vocfeke, 
schoencke, bccneke, hoewel men anders enkel hertje, haantje, voetje, schoentje, 
heentje zegt. 

Halen wij hier, om te eindigen, de wijze woorden aan waarmee Am. Joos 
zijnen artikel over de verkleinwoorden besluit, in zijn schoon en prijzens- 
weerdig werkske SpraaJchinst en Volkstaal : 

« Laat ons, Vlamingen, in het schrijven en openbaar spreken aan onzen 
ken houden : 

P Hij is ouder dan je, hij is er de vader van. 

2° Hij steunt op het dagelij ksch gebruik van heel Vlaamsch-B .dgië. 

3° Hij maakt onze geschreven taal meeren meer de getrouwe weerspiegel 
van de gesprokene. 

40 'vVeze de uitgangie voor don Hollander zacht, voor den Vlaming is iiij 
dikwijls hard en moeilijk, terwijl ken ons altijd klaar en zoet klinkt. 

Ja 5° " Dees laatste uitgang [ken) heeft een bevalligheid, on zelfs een soort 
van deftigheid in vergelijking van ije en tjen, die van laater tijd zijn. w 
(Huydecoper, Proeve van Dichtkunde. I, bl. 37.) 

Sint-AntoniuS'l^recht. Jozef Cornellssen. 



HOE HET VOLK WAPENSCHILDEN 
EN SOMMIGE OPSCHRIFTEN UITLEGT. 

Waneer het volk een opschrift nier, en verstaat of waneer het in een 
wapen eenige stukken verbeeld ziet die eenigszins gelijken aan voorwerpen 
die het dngelijks gebruikt of onder de oogen heeft, dan vindt het seffens 
eene vertelling, eene legende uit, die de geschiedschrijvers uit de volgende 
eeuwen moeilijk kunnen uiteengehaspeld krijgen. Ziehier eenige voorbeel- 
den daarvan : 

I. — De ketel in de O. L. Vrouwekerk te Brugge. 

Dichtbij het gewelf der O. L. V. Kerk dragen eenige steonen een zeer 
beschadigd wapenscliikl, waarvan het volk het volgende gemaakt heeft: 
van tien helm, eenen ketel; van de schild, een truweel; van eenen der vis- 
schen op het helmsieraad, eenen lepel; van den visch op de schild, twee 
beenderen. Dat is het wapen van het geslacht der van Capelle's. 

Nauwelijks was die verkeerde uitlegt jjig onder het volk verspreid, of het 
schiep de volgende legende : 

« Over langen tijd werkte er aan de kerk een metser, wiens vrouw hem 
dagelijks zijn middageien bradit, dat gewoonlijk uit een stuk ossevleesch 

(1) Wij bedoelen hier de taal, waarin v\en kleine kinderen aanspreekt. 



tf Ons Volksleven, j» 39 



met groenten besfond. In dien lang- vervlogen tijd doodde men in Slacht- 
maand eenen os en men bewaarde het vleesch in houten vaten. Nu, volgens 
de overlevering was de vrouw, door maar gedurig van den voorraad te 
gebruiken, veel te gauw op den bodem van de kuip geraakt. 

Terwijl zij uitrekende hoeveel tijd er nog vóór de Slachtmaand verloopen 
moest (men was toen corst in Hooimaand), vond zij 't voorzichtig het rant- 
soen van haren heer en meester te verminderen. 

Op zekeren dag dus, waagde zij het heuren man tevreden te willen stellen 
met twee beenderen die zij lekker toebereid had met gestoofde wortelen en 
in 'nen ijzeren ketel had gereed gemaakt. 

Maar de metser wierd seffens gewaar dat het magere keuken was en hij 
voer tegen zijn arm wijfin verwenschingen en hevige verwijtingen uit. En 
tot een e les voor al de vrouwen die 't nog zouden beproeven besparingen 
te doen ten nadeele van hunne mans, nam hij den ketel en den lepel en 
metste ze in den muur. Hij deed er zijn truweel bij, waar hij de twee been- 
deren op legde, tot eene blijvende gedachtenis van de gierigheid zijner 
vrouw. » 

Zoo heeft een eenvoudig geslachtswapen die vernuftig uitgedachte legende 
doen ontstaan. 

II. — Het Wapen van Brecht. 

De Rrechtenaren dragen verschilligc spotnamen, uitgevonden door de 
schalksche plaagzucht van de bevolking der naburige dorpen. 

Alzoo geeft men hun weleens den nnam van Brechtsche Struiven, omdat zij 
eertijds de wapenschild van St. Michiel, hunnen patroon, voor eene koeke- 
pan aanzagen.... 

III. — Het Wapen van Tongeren. 

Het veld in het wapen van Tongeren was : blauw, zilverblauw met een 
gouden balk ; in het nieuwe wapen is het zilver in de plaats van het blauw 
gekomen. 

De boeren, weinig op de hoogte der wapenkunde, aanzien die stukken 
zilverblauM^ voor.... klokken. Die stukken, eerst in onbepaald getal, zijn 
eindelijk tot 9 beperkt en onder de koninklijke pen van Willem, koning der 
Nederlanden, blauwe klokbloemen geworden — vier, drie, en twee blauwe 
klokjes. 

De boeren zeggen dan, dat de negen klokken de negen tumuli beteekenen 
die de stad omringen, of de negen klokken die altijd in den toren der O. L. 
Vrouwekerk moesten hangen. 

IV. — De Steen voor de O. L. Vrouwekerk te Antwerpen. 

Voor de Hoofdkerk van Antwerpen ziet men eenen steen in het gaanpad 
die veel van de andere verschilt, 't Is een oude grafsteen, doorzaaid met 
koperen letlerteekens, die reeds half verdwenen zijn door de wrijving en 
de werking van den tijd. Men weet dat in de XIV^ eeuw het gebruik in 



40 « Ons Volksleven. » 



voege kwam van de grafsteenen in te leggen met koperen platen, waarop 
men dan opschriften en teekens etste. 

Het voik beweert dat een werkman die bezig was aan den bouw of de 
herstelling van den toren, er af viel en dat zijn schedel in zooveel stukken 
brak, als er koperen punten in den steen staan, (i) 

Alf. Harou. 



SAGEN. 
4. (29.) De Geest. 

Een oud vrouwke had de gewoonte van alle dagen naar 't Lof te gaan. 
Maar daar zij te arm was om 'nen cent voor een stoeltje te geven, ging zij 
altijd op de trede, tegen 'nen biechtstoel, zitten. 

't Gebeurde dat zij op zekeren dag in slaap viel. De koster, die haar bij 
het heengaan niet zag, deed de deur op slot, en daar zat nu ons meken moe- 
dermensch alleen in de kerk te slapen. 

Eindelijk wordt zij wakker. Zij verschiet omdat het zoo stil is in de kerk; 
ze wrijft heur' oogen, maar er was geene levende ziel meer te hooren of te 
zien. Ze is alleen, heel alleen in de kerk; vast en zeker hebben ze heur 
vergeten ! 

Terwijl het vrouwke daar nu zat te suffen en te zuchten, slaat het op den 

toren : een..., twee..., drij..., « Heere God!... twelf uren!... Wat nu 

gedaan!... 

Juist meende zij heur plaats te verlaten, om te zien of zij niet stillekes 
uit de kerk zou kunnen geraken, als zij daar eensklaps, vlak voor den 
biechtstoel, 'nen priester ziet zitten bidden. Hij had zijne bonnet op het 
hoofd, zijn wit roket aan, en daarover hing zijne stool, juist alsof hij maar 
op 'nen biechteling wachtte, om in zijnen biechtstoel te gaan. 

Het moederke meende het te besterven van schrik ; ze dorst kikken noch 
mikken, want dat was nu immers toch geene uur om biecht te hooren. Zij 
zat daar als aan den grond genageld, heur' oogen maar altijd starlings op 
den priester, die eer aan een beeld als aan 'nen mensch geleek. 

Als dat nu lang genoeg geduurd had, sloeg het éen uur, en....O.L. Vrouw- 
ke sta mij bij !... de priester was eensklaps verdwenen. 

's Morgens vroeg tegen dat het licht wierd, kwam de koster de kerk 
opendoen, en niet zoodra had hij den rug gedraaid, of het vrouwke sloop 
op de teenen de kei'k uit. 

Den heelen dag was ze gelijk ziek van aandoening. Ze kost er maar gee- 
nen kop aan krijgen, dat die priester zoo eensklaps, en zonder het minste 



(1) Eene sage verhaalt dat de bouwmeester, aadat hij zijren zoon gedood had omdat deze zijn 
geheim had verklapt, den toren beklom en vol wanhoop naar beneden sprong. Zijn lichaam viel 
in zooveel stukken als er koperen punten in den steen te zien zijn. 

Volgens eene andere legende was het de man die den haan op den toren zelte, die het evenwicht 
verloor en naar beneden stortte. J.C. 



« Ons Volksleven. y> 41 



gerucht, verschenen, en weer even plotselings verdwenen was. Zeker en 
vast moest het 'ne geest geweest zijn. Ja, ja, het spookte in de kerk, en met 
zoo 'nen last op heur hart, zou ze toch rust noch duur vinden. Dat ze eens 
naar Mijnheer Pastoor ging, om hem de zaak uiteen te doen. 

Zoo gezeid zoo gedaan. 

Voordat het Lof begost, ging ze Mijnheer Pastoor spreken, die haar met 
veel aandacht aanhoorde. 

" Hoor/ eens, moederke, " zei de Pastoor, « ge moet u vandaag opnieuw 
in de kerk laten sluiten. Dezen keer zult ge zeker niet in slaap vallen; let 
dus goed op wat er gebeurt, en komt mij dan morgen vroeg vertellen, wat 
ge zult gezien hebben. r> 

Het menschke had er wel niet veel trek in; maar ze gaf toch eindelijk toe, 
op het aandringen van den Pastoor, die haar zooveel mogelijk trachtte ge- 
rust te stellen, en zorgde om dezen keer zelf de kerk te sluiten, nadat hij 
verzekerd was, dat het vrouwke op haren post zat. 

Alles gebeurde weer gelijk den eersten nacht. Juist op slag van twelf 
uren verscheen de geest in zijn priestergewaad, en als het éen uur sloeg, 
was hij weer eensklaps verdwenen. 

Meer dood als levend brocht het vrouwke den nacht in de kerk door, tot 
dat de Pastoor haar eindelijk kwam verlossen. 

« Nu nog 'nen keer gewaakt, » zeide hij haar, " manr deze reis blijf ik er 
bij. Hi wil eens met eigen oogen zien, wat er in mijne kerk gebeurt. « 

" Luistert nu goed, wat ge dezen keer te doen hebt. Zoogauw de geest 
verschijnt, moet ge hem aanspreken, en zeggen : " Zij-de van God spre(e)kt, 
zij -de van den dii(i)vel vertrekt. « 

" Geeft de geest u antwoord, of wenkt hij om met hem mee te gaan, gaat 
niet voor, maar zegt : '* in den naam van God, gaat zelf voor. « 

" En zoo moet ge antwoorden, op al dat hij u zal bevelen : " In den naam 
van God, doet het zelf. " 

« Indien de geest uwe hand vraagt, moogt ge ze hem niet geven, maar 
werpt hem dezen doek toe. Als ge mijnen raad volgt, dan zal er u niet het 
minste kAvaad gebeuren ; in alle geval zal ik er bij zijn, zoodat ge niet bang 
moet wezen. Dus tot dezen avond. » 

Na het Lof werd de kerk gesloten, en de Pastoor en het moederke bleven 
alleen. 

Op slag van twelf uren vei scheen weer de geest. « Zij-de van God spre(e)kt, 
zij- de van den du(i)vel vertrekt r, zei al bevende het vrouwke. 

Op die woorden stond de geest recht. «• Leid/ mij naar het sacristijn, r> zei 
hij met een' holle stem tegen het vrouwke, terwijl hij haar met den vinger 
wenkte om vooruit te gaan. 

" In den naam van God gaa/ zelf vooruit, " zei het vrouwke. 

De geest ging voor, en het moederke en de Pastoor volgden hem tot in 
het sacristijn. 



42 • « Ons Volksleven. " 



Hier bh et de geest, staan voor 'nen grooten blauwen steen, waar 'ne(n) 
ring in vast gemaakt was. 

" Heft dien steen op, « sprak hij; maar het vrouwke zei : " In den naam 
van God doet het zelf. " 

De geest bukte, en opeenen hik on 'nen hei was de steen er uit, en ze 
stonden nlle drij voor 'nen put. 

* Haalt er nu dat kasken uit, v sprak de geesr. « In den naam van God 
doe/ het zelf, y antwoordde weer het vrouwke. 

De geest liet het hem geen tweemaal zeggen, en op 'nen oogwenk stond 
het kaske nevens den put. 

« Luister/, sprak de geest. " Indat kaske zit er 'ne schat, dien ik in tijd van 
nood heb moeten vluchten. ^ 

'• Daar ik uit oorzaak vnn de beroerde tijden, vóór mijn' dood geen gele- 
genheid gevonden hob, om het geld aan 't licht te brengen, kan mijne ziel 
geene rust vinden, voor dat de schat gevonden is. Nu ben ik veilost. Om u 
te beloonei', moogt ge éen paart nemen, het tweede geeft ge aan den arme, 
het derde aan de kerk. Geeft mij nu uwe hand. « « Neen, ^ lüep het vrouwke, 
« neemt dat, ■>' en ze wie'^p den geest den dook toe, dien haar de Pastoor 
gegeven had : in den doek stond er eeiie hand gebrand. Hierop verdween 
de geest. 

De Pastoor deed zooals de geest bevolen had ; het vrouwke kreeg éen 
paart, den arme het tweede en de kerk het derde. 

Sedertdien heeft het nooit meer in die kerk gespookt, en het arm moe- 
derke was zoo rijk als 't water diep is. 

En daar kwam ne(n) hond met 'nen langen snuit, en 't vertelsel is uit. 
{Gch. te Antwerpen.) J. B. Vervliet. 



SPROOKSKES EN VEETELSELS. 

1. (32.) Van Sint-Elooi en den Smid. 

Sint-Elooi ging rond om 'nen post te zoeken. Op zekeren dag dat hij in 
een dorp kwam gereisd, viel hem een hangberd in de oog, dat boven de 
deur van 'nen smid uitstak. Op dat hangberd stonden enkel deze woorden : 

Baas boven Baas. 

" Kost ik mij daar verhuurd kiijgen, « docht St-Elooi in zijn eigen, « dat 
ware een schoone zaak. " Hij trok binnen en vroeg seffens aan de vrouw, 
of haar man geenen knecht behoefde. - Ik geloof wel van ja, « was het ant- 
woord, « ga maar in de smis, vriendschap, ge zult er den baas vinden. " 

Daar zag Sint-Elooi 'nen kerel lijk 'nen boom, die een gloeiend ijzer aan 't 
smeden was. Hij sloeg er zoo geweldig op, dat de gensters wijd en zijd door 
de smis vlogen en dat de grond daverde van 't gerucht. 

« Smid », zei onze heilige, « ik kom eens vernemen, of gij somwijlen gee- 
nen knecht noodig hebt. « De smid bekeek den binnengekomene van het 



« Ons Volksleven, y> 43 



hoofd tot de voeten en antwoordde kortaf: ^ Ik heb niemand vandoen, « 
Daarmee kost Sint-Elooi er van door trekken. 

— « Ehwel ! " zei de vrouw toen hij terugkwrim uit de smis, ^ hoe is 't 
vergaan ?.... Bevalt gij nogal aan den baas ? ^ — « Uw man heeft geenen gast 
noodig, » antwoordde de heilige. " Niet ! » riep do vrouw, - dat is aardig, 
daar strak zei hij mij nog dat hij aleen zijn werk niet meer kost gedaan 
krijgen. Maar luistert eens hier, gij hebt hem misschien niet goed aange- 
sproken ; ge moet ^ meester -n zeggen, en 'k wed, hij zal u aannemen. » 

En zoo was het ook. De smid voelde niet weinig zijnen hoogmoed ge- 
streeld, toen hij zich met het woord «meester" aangesproken hoorde. In den 
eerste wou hij alevel nog wat tegenstribbelen, maar eindelijk vroeg hij aan 
Sint-Klooi : " Wat hobt ge zoo al goleerd ?... Kunt ge peerdeii beslagen ?... 
— '^ Zoo goed als iemand, meestor, « zei de heilige stoutweg. « Ehwel, we 
zulhn bij de eerste gelegenheid de proef nemen, en, als ge me voldoet, dan 
moogt ge hier blijven. « 

Dat was me goed. 's Anderendaags kwam er een boer aan de smis om zijn 
peerd te laten beslagen. ^ Sa ! jongen, « zei de smid togen zijnen nieuwen 
knecht, ^ nu eens in de handen gespuwd en mij uwe kunst getoond ! » 

Sint-Elooi liet hem niet wachten. Wat deed hij mij?.. Hij leidde het peerd 
in den hoefstal, nam een mes, sneed eenen der achterpooten rad af, zonder 
éénen enkelen druppel bloed te storten of het peerd zeer te doen. Dan zette 
hij den afgesneden poot in de schroef vast, smeedde het ijzer, hamerde, 
vijlde, raspte en ziet ! op minder tijd als er noodig is om 'nen vaderons te 
lezen, stond het ijzer onder de hoef, zoo schoon, zoo fijn, alsof het er aan 
gegoten hadde geweest. Maar nu was 't peerd zijnen voet toch kwijt! De 
heilige nam hem uit de schroef en plakte hem weer aan 't been, en ge kost 
zelfs niet meer zien dat de poot er ooit af geweest was. 

Nu ook de andere pooten afgesneden en weer aan 't smeden, aan 't hame- 
ren en aan 't vijlen aan, zoo rap en zoo vinnig, en de ijzers weer zoo handig 
onder de hoeven gezet, dat het een lust was om het spel at te zien ! 

4^ Baas boven baas » kost bijkans zijne oogen niet gelooven en viel haast 
om van verbazing en schrik. Hij was nu voorgoed van zijnen hoogmoed 
genezen en zei aan al die 't hooren wou : « Nu kan ik gerust het hangberd 
boven mijne deur wegnemen, want nu heb ik mijnen meester gevonden.» 
Gehoord ie St-Antonhis. Jozef Cornelissen. 



SPOTRIJMEN OP STEDEN EN DORPEN, (i) 
Op Vremde en Casterlee : 

1. Vremcl(e) 2. Als het Caslelkermis is, 

Is onbekend. Eten de bcereii lijk beesten : 

1 nog van glorie, Veel beencn en weinig vleesch, 

Eea pomp en een stuk toren ! Pompoeneiipap't allermeesien. 

(1) Z:"et Ons Volksleven, 1, bl. 51. 



44 " Ons Volksleven. 



De twee volgende rijmkes treffen drij, vier dorpen en gehuchten te gelijk : 

3. iJic van Mol die ziju geschoren : 4. Ting ! lang ! 

Ze hebben vier wijzers en geewni toren ! Eik en Börm (1) en Wintham. 

Die van Ge3l die zouden loopen Eikevliet 

Om die wijzers af te koopen ; Is nog itt, 

Eu die van Balen zijn jaloe(r)sch : Maar Sauvegaar en deugt niet. 

Ze hebben 'nen toren lijk 'ne kroes ! (Puurs). 

De jongens van Niel plagen die van Schelle met de volgende spotrijnien : 

5. Die van Schel' 0. i)ie van Schel', de dikke koppen, 

Trekken de bel, • Z' en hebben niet te eten als elzemottcii. (2) 

Kraken de luizen , Boemlala ! boemlala ! 

En eten het vel. I >e elzemotten zijn zoo fla(uw) ! 

Ziehier nog eenige staaltjes uit dezelfde streek : 

7. Die van Liezele ziju gekuld : 9. DievanReeth, 

Ze hebben 'nen koster met 'nen bult ! Kort geschoren en lang gekleed ! 

(Calfort). — 

8 Die van Boom, 10. I)ie van Hemixem, groote glorie, 

Ze trekken met den toom ; Ze hebben geen klok op hunnen toren ! 

Ze trekken zoo he(r)d, Als de koster begint te luien, 

Dat het peerdeke vijgen sch... ! Slagen ze op 'nen ijzeren pot, 

't Klinkt gelijk een duivelskot ! 

Op Bel (gehucht van xMol) en Schriek : 

11. Bel, 12. Te Schriek 

Boter in de snel, Steken ze drij kotten met 'nen riek, 

Boter in den pot ; En te Grootloo (3) 

Heel Bel is zot ! Doen ze 't ook zoo (4) 

Van Austruweel placht men te zeggen : 

13. Austruweel, 

Drij huizen en een kasteel ! 

En van Oeverschot, een gehucht bij Lier : 

14. Oeverschot, 

Drij huizen en een verkenskot ! 

Jozef Cornelissen. 



EEN WOORD OVER HET RECHTSGEBIED DER BEZITTERS 
VAN HEERLIJKHEDEN IN BRABANT. 

Moet men in onze dagen zeggen, dat België het, meest begunstigde land 
is op het punt van vrijheid, men kan levens erkennen, dat onder de oude 
staatsinriciiting de toestand van het volk in onze provinciën veel beter 
was, dan die van alle andore Europosche volkeren. 

(1) Bornhem. 

(2) Soort van slechte eerdappelen. 

(3) Gehucht onder Schriek. 

(4) Meegedeeld door den Heer A. Ae:ts. 



« Ons Volksleven. " 45 



In Biabant, in het bijzonder, waren de banden der slavernij vrij algemeen 
losgemaakt sedert de XIII^eeuM-, on van het jaar 1400 af hadden de dienst- 
lieden tegens den heer geeno andere verplichtingen, dan eenigc dagen 
heerendienst in het jaar, met het recht vanden heer, om bij het overlijden 
van zijnen vassal hot boste stuk huisraad uit diens nalatenschap te nemen 
(Ie meüleurcaiel). Zulk een staat van zaken Mas zonder twijfel, grootendeels 
te danken aan den M'eldadigen invloed van de groote en machtige gemeen- 
ten, die eerst door hunne vroegere heeren, en daarna door den souverein 
met vrijheden en privilegiën van allerlei aard waren begiftigd. 

Terwijl in na.burige landen, de landbewoner geheel en al aan de wille- 
keur van den heer was overgeleverd, was het in Brabant met zoo gesteld. 
Wel is waar waren de Heeren van de moeste Brabant sche plaatsen bekleed 
met de hoogo justitie, d. i., zij namen kennis van de misdaden, die lijfstraf- 
fen konden ten gevolge hebben, doch slechts enkele hunner hadden het 
recht om doodvonnissen te doen voltrekken ; de meeste heeren, die het recht 
der hooge justitie hadden, moesten de schuldigen, alleen gekleed met een 
lang linnen hemd, aan de grens van hunne heerlijkheid, OTcrleveren in 
handen van den baljuw, schout of ambtman van don hertog. Hooger beroep 
van het vonnis, of liet verzoek om gratie van den souverein was nog altijd 
mogelijk, (i) 

Als waarborg tegen gerechtelijke dwaling waren der heeren schepen- 
banken verplicht, om, alvorens een vonnis te wijzen, de stukken van het 
geding aan twee advocaten te onderwerpen, de zoogenaamde Schepenen 
rechtsgeleerde, die in het hoogste ressort rechters waren. (Edicten van 20 
December 1659 en 10 Meert 1693). 

In den laatsten tijd onderde oude staatsinrichting werd deze wijze voor- 
zorg niet eens meer voldoende geacht. Het bewijs daarvan levert het vol- 
gende document, dat wij zeer onlangs gevonden hebbon in een schepenre- 
gistor van Keerbergen : 

« By den Keyserende Koniiisk. 

Lieven ende beminden, 

Alsnn het grootelykx aengelegen is, dat de pynbauk tegens de betichte niet en 
worde gcbruykt als met veln veorsichtiglieiil, ende het behoort allen raisbruyk 
ten dien opsicht te voorcomen, wy schryvcu U dese tegenwoordige om u te onder- 

(1) De heer, bezitter van het recht der hooge justitie, had bovendien het genot van de opbrengst 
der verbeurdverklaringen, het recht op de nalatenschappen van vreemdelingen en bastaarden, de 
onbeheerde goederen, het standrecht, enz. 

Het middelbare rechtsgebied vonniste in enkele gevallen waarop de doodstraf stond, en de 
misdrijven, waartegen boete was bedreigd ; in civiele zaken omvatte hare bevoegdheid de per- 
soonlijke en zakelijke, petitoire en possessoire actiën, het opperbestuur der voogdijen, der maten 
en gewichten en der openbare wegen. Eenige policiemaatregelen behoorden ook tot hare bevoegd- 
heid. 

De lage justitie had voornamelijk ten taak de uitvoering der wetten, rakende de groudgoede- 
ren, waarvan zij ook wel genoemd werd grondheerlijkheid. 



46 « Ons Volksleven. » 



richten, dat het onsen wille is, dat by provisie ende tot andere schikkinge, al eer 
uytlespreken ofte ter cxociUio te stoHnn c?;) vonnis, by het welke eeuen betichten 
wort veiwesen tot de pynbauck, U ;icu oiise lieutcnanton gouverneurs geiierael 
sult hieten toecomen het project va:i liei vonnis, met advijs van Uwe Schepenen 
rechtsgeleerde begrypendo alle de nnist;in(li,2;hcden van bet misdaet ende dat U 
daerontreut sult afwachten de bevfl u \iin oiisi^ gemolde gouverneurs gcnerael, 
daeromme belasten wy U dese tegciiWuoidigc ti; doen registreren ter greffie van 
Uwe gerichsbancke ende den oas voorvallende aen de Schepenen rechtsgeleerde 
dese schikkinge kenbaer te mneken, om hun daernaer te reguleren. Wy belasten 
U voerders over dese schikkinpe liet gehoym te houden, opdat de selve tegens 
onse begeerte niet en worde veropenbaert. 

Want ons alsoo gelieft. 

Hiermede lieven en beminden, Godt zij met U. 
Biussel, den 14 february 1784, 
Crumpipen (kanselier van Brabant) v* F. Helman de ïerraeeren, 

(griffier des Kaads v.m Brabant) (i) 

Het is waarschijnlijk dat eene gelijke circulaire gezonden is aan alle 
overige lieeren in den lande, die het recht van hooge justicie hadden. 

Daar dit stuk nog onuitgegeven is, vonden wij het belangrijk genoeg om 
het hier eene plaats te geven. 

Wij voegen er bij dat het volstrekt niet in onze bedoeling ligt, ons 
als verdedigers van het leenstelsel op te werpen, doch wenschen slechts 
vast te stellen, dat het volk in de Nederlandsche provinciën en in het bijzon- 
der in Brabant reeds in den ouden tijd Ie benijden was voor de bevolking 
der andere landen, waar toen nog de slavernij met alle hare gruwelen 
heerschte. J. Th. de Raadt. 



BOEKBESPREKING. 



Baekelant of de Rooversbende van 't Vrijbusch. Westvlaamsche 
legenden. Vierde uitf^ave, 1890. l'e üenr, bij A. Siffer. (Zwaar boekdeel van ^U 
bladz. gr. in-S". Prijs fr. 3.—). 

Geene verhalen vallen meer in den smaak van het volk, geene worden gretiger 
gelezen als de geschiedenissen van baanstroopcis en rooversbenden. De geheim- 
zinnige vergadernigen der binders, in het holle van den nacht, hunne schrikkelijke 
wreedheden, hunne ongehoorde stoutmoedigheid, dat alles grenst aan het won- 
derbare, aan het fantastieke; het doet de verbeelding werken en prikkelt niet 
weinig de nieuwsgierigheid. 

En wanr.r de schrijver zich niet tevreden en houdt met enkel de gebeurtenis- 
sen te vcimelden, gelijk zij geschied zijn, maar er een levendig gekleurd tafereel 
van ophaiii;t; waneer hij de bereiding, den aanleg, de vergadering van de roovers 
afscbildei 1, en de plannen versiert gelijk de moordenaars ze waarbchijnlijk ge- 
smeed he'nben of smeden moesten om te gelukken; oh ! dan zal zijn weik dubbel 
aantrekkelijk zijn en ja, een echte volksboek wezen. 

(1) Scabinale griffien, N" 1188, in het Algemeea Rijksarchief, te Brussel. 



I 



« Ons Volksleven, y^ 47 



Dat heeft de P]. H. V. Huys, de schrijver van Baekelani, ten volle beo;repen. Zoo 
klaar en boeie'id draagt hij zijne verbalen voor, zoo vol Icleur schildnrt hij de 
plaatsen en personen af, zoo natuurlijk doet hij zijne iieldeu spreken en handelen, 
met ééa woord, zoo meesterlijk weet hij te vertellen eo zoo treffend te beschrijven, 
dat ge meent in don tijd van 't verhaal te leven, en de gebeurtenis onder uwe 
eigen oogen ziet voorvallen. 

Behalve de aangename tijdkorting die het besproken werk verschaf*", heeft het 
nog eeue andere aantrekkelijkneid voor den volkskundige Het leert hem menige 
bijzonderheid nopens de zeden en gebruiken der dorpsbewoners, nopens den aard 
en de levenswijze der Buschkanters en toont hem aan, dat er in Vlaanderen nog 
verloren hoeken liggen, bewoond door ecne vrij raadselachtige bevolking, van 
wier zeden en gewoonten nog maar luttel gekend en geweten is 

Jozef Cornelissen, 

Gilbert Van Schoonbeke of een Oproer te Antwerpen in de XVP 
eeuw. Drama in drij bedrijven en een voarspel, door Lambert Van Ryswyck. 
Te Gent, bij A. Siffer, 1890. (Boekd. gr. in-8« van 92 bl. — Prijs fr. 2.—). 



Een schoon tooneelstuk dat indruk maken zal, waneer het door bekwame spe- 
lers opgevoerd wordt! 

Er komen treffende toestanden in vooi', die zelfs de aandacht van den onver- 
schilligsten toeschouwer moeten gespannen houden, en eenen diepen indruk op 
zijn gemoed teweegbrengen. 

De karakters der verschillige personages zijn goed geteekend, en nergens 
ondervindt ge dat hunne handelingen hunne inborst tcgens[)reken. Voor den 
ellendigen Van Cleef, die de laagste kuiperijen in het werk stelt en voor geene 
misdaden achteruitwij kt om een onedel doel te bereiken, voelt go niets als walg 
en afkeer; den grootmoedigen Albert die eerder het vertrouwen vau zijnen mees- 
ter verliezen wilt en onder eene valsche beschuldiging bukt, liever als zijnen 
hatelij ken stiefvader te verraden, door wien hij r^ochtans in zijne dierbaarste 
belangen geki'enkt werd, schenkt ge al uwe genegenheid; terwijl ge u. niet ont- 
houden kunt van innig den edelen Van Schoonbeke te bewonderen, die onbe- 
kwaam is om kwaad van zijnen evennaaste te denken ea enkel leeft voor het 
welzijn van zijne medeburgers. 

Ge ziet : de schrijver wilt niet eiikel vermaken, neen hooger is zijn streven. 
De deugd »loen beminnen en de ondeugd doen haten, het volk leeren en sticliten, 
is het voornaamste doel dat hij beoogt en dat sommige beoefenaars der tooneel- 
lelterkunde maar al te veel over het hoofd zien. 

De Heer Van Ryswyck mag zich beroemen eeue zuivere en natuurlijke taal te 
voeren, eene taal vrij vau barbarismen en onhebbelijke basterd woorden, waar 
sommige lüoneelspelen van krielen ; eene taal, vrij van gezochte woorden en 
hoogdravende uitdrukkingen, waarmee veel tooneelschrijvers, bijzonder als 't een 
drama geldt, hunne werken meenen te moeten opvijzen, alsof zij dachten daar- 
door den gewenschien indruk te kunnen verhoogen. Jozef Cornelissen. 

VRAGEN EN AANTEEKENINGEN. 
4. (45 ) Bokkenrijders. — Wie bezorgt mij inlichtingen over de Bokkenrij- 
ders uit het land van Loon, en waar kan men bescheid over hen vinden ? 

*** H. J. P. 

Over de Bokkenrijders kan men de volgende werken raadplegen : 
1. Ambtelijke brieven en andere bescheiden over de Bokkenrijders in het 
Staatsch land van Overmaas. 1775-1785. in-S*^'. 



48 « Ons Volksleven. 



2. Dictionnaire des sciences occultes, par M. TAbbé Mlgne, Paris, 1861. 2 vol. 
gr. in-8°. Art. Bouc, t. I col. 250 et suiv., waar verwezen wordt naar een art. 
van A. Van Hasselt, in de " Emancipalion » verschenen, alsook naar bet werkske 
van S P. J. Sleinada, Oorsprong, Oorzaeke, Bewys, enz 1779. 

Veiders de geschiedkundif^e werken over de streek, vermeld door J. T. Bodel 
Niienbuis, in zijne Bibliogr. der Plaatsbeschrijv. 

Ecrevisse schreef eenen roman : De Bokkenrijders in het land van Valkenberg. 

J. B. V. 

INHOUD VAN TIJDSCHRIFTEN. 

1. 't Daghet in den Oosten, VII, N^ 1. — Het Evenbeeld. — Limburgsche Dichtveerdigheid : Zeg 
van Peekmutske (vervolg en etnde). 

2. Volk en Taal, III, N'" 9. — Heersche 't avondgebed (A. van Heuverswyn). — Bijdrage tot den 
Nederlandschen taalschat ( A. van Heuverswyn). — Kinderspelen (P. Bercard). — Sagen (Th. van 
Heuverswyn) — Bijzeliedjes (I^. Hernard). — Kinderliedjes (Nameoc). — Hoe de kinderen de 
in 't spel gegevone' panden verkoopen (P. Bernard). — Spreufe-en, Leuzen en Zegswijzen waar 't 
woord God in voorkomt (M E. E. Amri). — Dat het ons in den hemel niet vervelen en zal (A. v. 
W,). — Over Weerwolven (P. Marlet). — Dante en Wante (A. van Heuverswyn). — Over weer en 
tijd. — Het lijk aan de Kruisstraat te Maldeghem (V. d. L.). — Geschiedenis der kerke van Syn- 
ghem(Th. van Heuverswyn). — Boekaankondiging. 

3. Biekorf, II, N"" 5. — Van twee houtkappers. — Hernisse-Lampernisse (Jan Craeynest). — Zijn 
eerste stap (J. Noterdaeme). — Van 't hondsdeel eten (Ant. Verwaetermeulen). — De eerde doomt 
(Guido Gezelle). — Mingelmaren. 

4. Volkskunde, IV, N'" 3. — Walcheren in Zeeland. II, (K. Baarl). — Vertelsels : 1. De Domme 
Uilenspiegel. — Zeden en Gebruiken : De Doodendans (Aug. Gittée). — Kroniek. — Vragen en 
Aanteekeningen. Baarloop. 

5 Annales de la Société d'Archéologie de Bruxelles. Me'moires, rapports et documents. Ë. Lyon- 
Claesen,8, rue Berckmans, Bruxelles. Secrétariat général : 63, r. d. Palais, Bruxelles. Prix fr. 16. 

Tomé V, No 1. — A?'chüeclure comparée : Prolégomènes ii 1'étude de la filiation des fonts baptis- 
maux, depuis les baptistères jusqu'au XVI« siècle (Paul Saintenoy). — Archéologie belgo-romaine : 
Quelques renseignements sur uu cimetière belgo-romaine, découvert u Archenues (Brabant) en 
1883 (Baron A de hoè). — Bistoire de la nnisique : L'écriture musicale ancienne (Comte M. de 
Nahuys). Architecture militaire ; Note sur un ouvrage en terre, situé dans la vallée de 1'Orne, a 
Court-St-Etieuiie (Comte Goblet d'Alviella). — Archeologie franque : Balances trouvées a Har- 
mio-nies, Belvaux, Wancennes et Eprave (G. Cumont). — Les Francs Saliens dans Ie Brabant (Ar- 
mand de Behault et baron A. de Loë). — Archéologie préhistorique : Les dernières fouilles d'Has- 
sarlik (Troie) avec note complémentaire de M. Emile de Muuck (Dr. Henry Schlieraann). — Con- 
gres archéologiques : Congres archéologiquc de France. Cinquante-septième session, 1890. Brive 
(Corrèze). — Histoire de l'art : De la valeur archéologique des similitudes de forme et de couleur 
(Edgar Baes). — Questions et réponses. — Notes bibliographiques : (Paul Saintenoy). — Chronique 
archéologique : Découverter, iouiWes, etc. — Planches et illustrations : Fonts baptismaux, baptis- 
tères (12 hg.). — ld. de Sieune (pi. 1). — Exemples de notation musicale au moyen-age (pi. 11). — 
Ouvrage en terre a Court-Saint-Etienne (1 fig). — Balances trouvées a Harmiguies, etc. (pi. III). 

— Tombe franque a Harmignies (pi. 1 V). — Réproduction du plan VII de Vlhos de Schliemaun. 

— Les vitraux de Montmorency et d'Ecouen (4 fig. pi. V). 

6. LaTradition, V, N'' 3. — Le Folklore de Constantinople : I. Superstitions et Croyances des 
Turcs (Henry Carnoy & J. Isicolaïdes). — Chansons populaires du Quercy : III. Les Sabots. IV. 
Verdurette, Verduron (Froment de Beaurepaire). — Eléments de Traditionnisme ou Folklore : 
III. Le culte des auimaux (Thomas Davidson). — Saiut-Barnabé, patron des amoureux (C. de 
Warloy). — Le Folklore polonais. Cracovie et ses environs : VI. La Médécine (Michel de Zmig- 
rodzki). — Le mois de Mai. XIV (H. C). — Les empreintes merveilleuses : VII (Aug. Chaboseau). 

— Coutes de Provence : I (D"" sérenger-Féraud). — Les Saints chatiés (Fred. Ortoli). — Les 
Vosenóttes en Alsace-Lorraine (P. Ristelhuber). — Bibliographie. 

Zeitschrift fUr Volkskunde, 111, N»" 6. — Deutsches Element in Slovenischen Sagen des karntischeii 
Oberrosenthales (Dr R. Düruwirth). — Der « Fluch » in der siebenbürgisch-rumanischen Volks- 
poë8ie(O.Mailynd). — Wendische Sagen der Niederlausitz (Edm. Veckenstedt). — Albanesiche 
xMarchen und Schwanke (J. U Jarnick). — Volksüberlieferungen aus Oesterreich (Franz sranky). 

— Volkslieder aus Hiuterpommern (A. Gadde). — Findlinge zur Volkskunde (Alex. Kaufmann). 

— Polnischer und deutscher Aberglaube und Brauch aus der Provinz Posen (O. Knoop). — BÜcher- 
besprechungen (Ó. Knoop, Edm. Veckenstedt &Br. Wagener). — Zur BÜckerkunde. 



ONS VOLKSLEVEN. 



Antvverpsch-Brabai)tsch Tijdschrift 
voor Taal eu Volksdichtveerdigheid , 
voor Oude Gebruiken, Waugeloof kunde, 

em . In twelf nommers van tw elf bladzijden 

in 8°. 

Te Brecht, 

bij L. Braeckmans. 




« P^r is nog een rijke oogst op het veld 
der gewestspraken voorhanden; veel 
volksuitdrakkingen dreigen te verdwij- 
nen die ora hunne juistheid, schilder- 
achtigheid of oudheid verdienen in de 
schrifttaai opgenomen en bewaard te 
blijven. » 

Zuid-Nederlakdsche Maatschappij 
VAN Taalkunde, Wedstrijd 1874. 

«De studie der folklore heeftvoor doel 
ons volk in zijne eigenaardige zeden en 
gewoonten, in zijn inniggeloof enkarak- 
ter te leeren kennen, in één woord, het 
volk zooals het is. » 

Vraagboek over Vlaamsche Volkskunde. 



VOLKSGENEESKUNDE . 

I. 
Volksdoktoors. 

Ofschoon het volk tegenwoordig-, in min of meer ernstige ziekten, niet 
nalaat den geneesheer te raadplegen, zoo neemt het echter nog in menig 
geval, bijzonder waneer dé ziekte niet al te gevaarlijk is, zijne toevlucht 
tot belezers, pintjesmeesters, kwakzalvers, heksenmeesters en andere won- 
derdokters. Voor sommige kwalen ook heeft het geen vertrouwen in de 
kunst des geneesheers en beschouwt het zijne tusschenkomst als volstrekt 
nutteloos. « Wat wil ik naar den " doktoor » gaan, « hoort men dik- 
wijls, « die kan mij toch niet helpen ! « En het volk gebruikt liever « straat- 
remedies», waarvan de voorschriften, van over onheuglijke tijden in de 
familie bewaard, van vader tot zoon overgeleverd worden ; ofwel, het gaat 
de hulp inroepen van belezers en kwakzalvers. 

Het valt niet te ontkennen dat er onder de lieden van dit slach eenige 
zijn die ter goeder trouw handelen, in de vaste meening dat de geneesmid- 
delen, waarvan zij aleen het geheim bezitten, niet anders als heilzaam op 
den lijder kunnen werken; of dat hunne bijgeloovige doeningen de kracht 
hebben om den kranke zijne gezondheid terug te geven. Dezulken handelen 
belangeloos en enkel met het inzicht om hunnen evenmensch dienst te be- 
wijzen. Doch daar zijn er andere, echte aftruggelaars, die aleen hunne 
gewaande wetenschap uitoefenen, om lichtgeloovige menschen te bedriegen 
en hun het geld uit den zak te kloppen. 

Belezers. 

't Is bijzonder tegen verstuikingen, brandwonden, tandpijn en koortsen, 
dat het volk zijne toevlucht tot belezers neemt. 

De eerste en bijzonderste voorwaarde daar de genezing van afhangt, is 
dat de lijder volle vertrouwen hebbe in de kunst van den belezer. Heeft hij 
geen vast geloof en is hij niet innig overtuigd dat hij van zijne ziekte of 
zijne pijn zal verlost wezen, dan heeft het belezen geene kracht en de bezwe- 



I 



50 « Ons Volksleven. » 



ringen blijven zonder uitwerksel. Is het een klein kind dat moet geholpen 
worden of eene beest, een peerd of eene koei b. v., dan moet de vader g*e- 
looven in de plaats van zijn kind en de meester in stede van zijn dier; doen 
zij dat niet, dan helpt het belezen ook geen zier. 

Vooraker de bezweerder zijn werk begint, dient de lijder te verklaren 
hoelang het geleden is dat hij ziek wierd is of zich bezeerde, want 
tusschen het belezen en de genezing moet er zooveel tijd verloopen als er 
verloopen is tusschen den dag dat hij de ziekte of het. ongemak kreeg, en 
het tijdstip waarop hij den bezweerder is komen raadplegen. 

Dan beschouwt de belezer aandachtig het zieke lid, betast het van alle 
kanten, neemt zijne klak af en begint gebeden en bezweringen te prevelen, 
terwijl hij met den duim eene macht van kruisteekens op het kranke 
lichaamsdeel maakt. Somwijlen wordt den zieke iets rond den hals gehan- 
gen, een soort van amuletle of een popke met kruiden gevuld, dai hij nader- 
hand verre van zich moet afwerpen. Dat gebeurt gewoonlijk waneer de 
belezer de koorts afneemt. 

Ziehier nu een paar van die bijgeloovige gebeden of bezweringsformulen 
die bij het belezen opgezeid worden. 

Over eene brandwonde : 

a God moet deze piju genezen f (1) 
Door zijnen heili'oen Kerst f, 
Door den naam van den H. Siut-Jan, 
Dat de^e pijn niet meer ineten, 
Zweren of rotten en kan f. 

b Het was op eeneu Goeden Vrijdag -}- 

Dat Onze Lieve lleerf in zijn l)itter lijden lag. f 

Hij lag daar alzoo heet, 

Al in zijn bloed f, al in zijn zweel, f ; 

Hij had vijf open wouden f : 

Geen een en was bedekt of was bewon^ien. 

Ter eere van zijn bittere pijiien f 

Zal dl ze wond verdwijnen. 

In den Naam des Vaders t en des Zoons t en des heiligen Gecstes f. Amen. 

Het is mij niet mogen gelukken den tekst van meerdere bezweringsfor- 
mulen te bemachtigen, daar de belezers die gobedcn zelden aan anderen 
willen voortleeren. 

Pintj esmeesters . 

Over jaren Avicrd er veel meer gesproken van de ^ Pint « en de « Pintjes- 
mei sLers « als op den dag van heden. Toch bestaan er in onze Kempen nog 
van die wonderdokters, van wie men de ongelooflijkste dingen vcuiiaalt en 
die, na.ir liet schijnt, de wonderbaarste genezingen uitwerken. Ook genie- 
ten zij, gelijk men denken kan, eene vee! grootere faam onder het volk als 
menig beroemd geneesheer. 

(1) Bij het toeken f maakt de belezer een liruis. 



« Ons Volksleven. » 51 



Men roept de hulp in van die genezers tegen tandpijn, brandwonden, zwe- 
ren en andere etteraciitige gezwellen, die dikwijls hevige pijn veroorzaken. 
De lijder vangt in een doeksken een weinig bloed of etter op uit zijne wonde 
of zijnen tand en draagt liet naar den wonderdokter, of hij laat het er henen 
brengen, als hij zelf niet gaan en kan. De pintjesmeester ontvangt het 
doekske en steekt het in eene soort van pint of pot, die een mengsel bevat 
van verschillige stoffen, waar de pintjesmeesters alcen het geheim van ken- 
nen. De pint wordt matig bij het vuur verwarmd, tot op eenen zekeren 
graad, en, oh wonder! als bij tooverslag voelt de lijder zijne pijn verminde- 
ren en eindelijk geheel ophouden. 

Volgens het zeggen van het volk, heeft de pintjesmeester niet aleen de 
macht om de pijn te doen vergaan, hij kan ze ook doen terugkeeren. Daar- 
toe heeft hij de pint maar wat, meer te verwarmen. Zoo verhaalde mijne 
grootmoeder zaliger, dat er in beuren tijdteBrecht een van die tooveraars 
woonde, die zich op gezegde wijze over eenen soldaat wrook. Deze. gekwol- 
len van de tandpijn, reisde naar den Brechtschen pintjesmeester die hem op 
staanden voet van zijne pijn afhielp. De soldaat was hierover zoo verblijd, 
dat hij zijnen verlosser vergat te vragen hoeveel hij hem schuldig was en 
de deur uitstormde, zonder goeden dag noch goeden avond te zeggen. Dat 
dit onzen pintjesmeester niet hard aan en stond, hoeft nauwelijks gezeid. 
« Wacht maar, :' sprak hij, " ik zal dien ondankbaren vlegel eens doen 
terugkomen ! -^ Inderdaad, pas is de soldaat thuis, of zijn zieke tand wordt 
ineens zoo onverdraaglijk zeer doen, dat de arme jongen gelijk razend is en 
daar staat te dansen en te sp tingen van de pijn. Wat was er gebeurd ?... De 
pintjesmeester had onder de pint beginnen te stoken en ze zoo heet gemaakt 
flat de ongelukkige soldaat schier zijne zinnen verloor van de hevige smert. 
Onnoodig er bij te voegen dat de lijder vliegens over de heide terugkeerde, 
zijne pijn weer liet afnemen en ditmaal niet naliet den wonderdokter eene 
goede belooning te geven. 

* * 

Ik en mag dit hoofdstuksken over de « Pintjesmeesters « niet sluiten, 
zonder nog een woord te zeggen over een pijnverbannend middel dat ik 
hier over eenige jaren zag gebruiken en dat veel overeenkomst met de 
beruchte " Pint " heeft. 

Een knaap uit mijne geburen leed hevig aan tandpijn. Eens dat hij zich 
in een huis van 't dorp bevond, ried de vrouw hem aan een weinig bloed uit 
zijnen tand of zijn tandvleesch in een doeksken op te vangen en haar dat te 
brengen. Dat wierd gedaan. De vrouw nam het doekske, met een w^einig 
bloed bevlekt, en strooide er een bruin poeder op. Dan vouwde zij het toe, 
naaide het in een lijnwaden lapke en hield het eenige oogenblikken tus- 
schen eene heetgemaaktc tang. Dat moest de knaap nu op de bloote borst 
dragen, zoodat het ah ijd warm bleef. Ik dien er bij te voegen dat hem dit 



52 « Ons Volksleven. " 



middel maar bitter weinig moet gebaat hebben, want eenige dagen nadien 
ging hij naar den geneesheer en liet zijnen kwaden tand trekken. 

[H Vervolgt.) 
Sint'Antonius-Breclii, Jozef Cornelissen. 



DE DUIVEL IN HET VOLKSGELOOF EN DE VOLKSSAGEN. 

I. 

De Duivel en het Bouwen. 

Het Kasteel van Geeraard den Duivel. 

Op den Reep, te Gent, staat er een kasteel, het «■ Kasteel van Geeraard 
den Duivel " geheeten. Eene volkslegcnde schrijft het bouwen van dat 
kasteel toe aan Lucifer, dm koning der helle; de waarheid is dat het getouwd 
wierd in de XIIP eeuw, en toehoorde aan Geeraard Vilain, bijgenaamd den 
Duivel, zoon van Zeger II. 

Het Duivelshuis te Jauchelette. 

In het dorp Jauchelette, bij Geldenaken (in Waalsch Brabant), ziet men 
een klein huis zonder verdiep, waarvan do voorgevel, naar het Noorden 
gekeerd, een steen en kruis verbeeldt. 

De volksoverlevering kent er den volgenden ooisprong aan toe : Een 
arme werkman had sedert lang eene hevige begeerte om een eigen liuis te 
bezitten; ongelukkig lieten zijne geldmiddelen hem nier, toe er een te koopen 
of te doen bouwen. Op zekeren dag sloot hij een verbond met Satan en 
beloofde hem zijne ziel, op voorwaarde dat de duivel hem een huis zou houtven en 
hei gereed hebben tegen 's anderendaags 's morgens, vóór het eerste hanengehaai. 
Dal wierd aangenomen. Pas was de nacht gevallen, of een leger duivels 
streek als bij tooverslag neder op den grond dien Satan uitgekozen had, en 
al die booze geesten begonnen aanstonds met verwonderlijke gezwindheid 
te arbeiden. 

De werkman had nochtans over zijne roekelooze daad nagedacht en begon 
spijt te gevoelen over den koop dien hij met den Booze had aangegaan. Hij 
liet droevige zuchten en gaf alle teekens van de hevigste ongerustheid. 
Toen zijne vrouw hem vroeg wat hem deerde, ontdekte hij heur openhertig 
de gansche waarheid. 

Deze troostte haren man zoo goed zij maar kon en zeide hem : « Wees 
gerust, de duivel zal bedrogen zijn; 't is eene dochter van Eva die het u zegt. n 

En aanstonds liep zij naar den hinnenrust en, bij middel van tenen zijden 
halsdoeJc, wekte zij den haan en deed hem kraaien. 

De duivelen, in hun werk verrast, vlogen schielijk weg, terwijl zij een 
ijselijk gehuil aanhieven. De vrouw had Satan overwonnen. 

Later beproefde de boer het gebouw te voltrekken. Vruchtelooze arbeid 1 
Hetgeen de man overdag afmaakte, brak de duivel 's nachts weer af. 



« Ons Volksleven. y> 53. 



Eindelijk, op raad van den Pastoor, bouwde hij het overblijvende in de 
gcdaanie van een kruis en sedertdien kwam de duivel er niet meer aan. (i) 
De gestrafte Jachtwachter. 

In het park van een kasteel, gelegen over de fontein van Plinius te Ton- 
geren, stond een klein huis, waar oudtijds de jachtwachter in woonde. Men 
verhaalt dat deze op zekeren avond met de kaart {voor geld) zat te spelen, 
toen eensklaps een stuk van den muur instortte en op den jachtwachter viel 
die op den slag dood bleef. 

De sage voegt er bij, dat de hovenier op denzelfden oogenblik den duivel 
door eene opening zMg komen die hij in don muur gemaakt had. Nooit is 
men er in gelukt die opening te stoppen. (2) 

De Duivel en de Kaartspelers. 

Tc Paret, in Luxemburg, speelden eenige boeren sedert twee dagen en 
twee nachten in eene herberg met de kaart, toen zij eensklaps den duivel 
onder de tafel zagen zitten. Zij verjoegen hem en de duivel vluchtte weg 
door een gat dat hij in den muur maakte, terwijl een onverdraaglijke so\- 
fevstunk Yiei huis vervulde. Naderhand heeft men te vergeefs gepoogd het gat 
dicht te maken. (2) 

De Duivelstoren te Nieuwpoort. 

f Een leenman dezer plaats eens, bij geval, uitgaande om wat lucht te 
scheppen, ontmoette een vreemden heer, die hem aansprekende zeide : 
« Edelmoedige heer ! gij zoudt hier op dezen grond immers eene kerk moe- 
ten bouwen, r. Het antwoord des leenheors was, dat hij hiertoe geen geld 
bezat, ii Dat is weinig, hernam de vreemdeling, de. goede wil doet veel, ja, 
doet alles; w en na eenige woordenwisselingen kwamen zij op de volgende 
wijze overeen : de leenman moest zijne ziel aan den vreemden heer afstaan, 
op voorwaarde dat deze laatste op den door hem aangewezen grond, tegen 
dös anderen dags 's morgens, eene wel opgemaakte kerk moest timmeren; 
en bijaldien er iets wezenlijks aan ontbreken mochte, zou de aankoop van 
des leenmans ziel voor nul en geener weerde verklaard worden Den volgen- 
den morgen begaf zich de Vassaal volmoeds naarde plaats, alwaar de kerk 
staan moest, en alwaar hij zijnen kerkbouwer zou vinden; inderdaad hij 
vond er den vreemden heer, die zich over het spoedig voltrekken der kerk 
beroemde en tevens over zijne aanstaande prooi verheugde. De schertsende 
leenheer, wel bewust dat de duivel geene kruisen kan maken, zei aan den 
kundigen bouwmeester : " Gij waant uw werk voltrokken : echter ontbreekt 

(1) Dergelijke sagen, waarin de duivel als bouwmeester optreedt en bedrogen wordt, zijn talrijk 
in Dietsch- België. Op verscheidene plaa'son ttaat een huis, eene kerk, eene schuur of een molen, 
die volgeus de logende door den duivel gebouwd zij», en die men tot heden toe nog niet heeft hun- 
nen voltreWen . Zoo hecïiinen o. n. eeue duivelsichui'.r to Gallemaarden bij üeeraardsbergen, te 
Kessel-Loo, bij Tienen, te Hamelghem, onder Qphem, enz. 

Vrglk. Ons Volksleven, I, bl. 43, Volkskunde, 11, bl. 177 en vlg. J. C. 

(2) Vrglk. Ons Volksleven, 1, bl. 66 : Be Duivel en de Kaartspelers te Lubbeek. 



54 



« Ons Volksleven. » 



er nog iets wezenlijks aaj., te weten een kruis op den toren. — Dat is mijn 
w^erk niet, « antwoordde de zeldzame kerkbouwer, en zich plotselings boven 
de kerk verheffende, liet hij zich met een donderend gedruisch neerploffen 
en deed de kerk in puin vallen, ter uitzondering van den toren, die nog 
bestaat, en den naam van Duivelstoren t blijft dragen. [Kunsi- en Leitcrhlad, 
1845, bl. 44). 

['t Vervolgt. ) _^ 

LIEDEREN. 
4. (12 ) Het Lied van alle dagen. 



Alf. Harou. 



En Zondag, en Zondag 
Dan is 't de(n) dag des Heeren, 

dag des Heeren. 
Dan doen wij een schoon hemmeken (1) aan 
En al ons beste kleeren. 
Hebben ze dat gedaan? 

Doenze, doenze! 

Hebben ze dat gedaan? 

Doenze, ja^au) ! 

En Maandag, en Maandag. 
Dan gaan we een pintje drinken, 

pintje drinken. 
Dan drinken we er een of ook wel twee, 

Maar liever vijf en twintig. 

Hebben ze dat gedaan, enz. 

En Dijnsdag (2), en Dijnsdag, 
Dan is het Vastenavond, 
Vastenavond. 
En hebben wij dan geen brood in huis, 

Dan vasten wij tot t'avond. 

Hebben ze dat gedaan? enz. 



En Woensdag, en Woensdag, 
Dan gaan wij om een kruiske, 
Om een kruiske (3) 
En is ilijnheer Pastoor niet thuis, 

Dan gaan wij bij den koster (4). 
Hebben ze dat gedaan? 

Doenze, doonze ! 
Hebben ze dat gedaan? 
Doenze, ja(an) ! 

En Donderdag, en Donderdag, 
Dan is 't ten halve weke, 

halve weke. 
Dan gaat er menige jonkman uit, 

Om zijn schoon lief te spreken. 

Hebben ze dat gedaan, enz. 

En Vrijdag, en Vrijdag, 
Dan komen de boerinnen, 

de boerinnen. 
Met huliê (5) speunder (6) op hunnen kop. 

Ze loopen lijk zottinnen. 

Hebben ze dat gedaan, enz. 



En Zaterdng, en Zaterdag, 
Dan is 't de(n) dag van schuren, 

dag van schuren. 
En hemme (7) dan geen water in huis. 
Dan ga-me (8) bij de geburen. 
Hebben ze dat gedaan? 

Doenze, doenze! 

Hebben ze dat gedaan? 

Doenze, ja(an)! 



(Antwerpen.) 



J. B. Vervliet. 



(1) Hemdeken. — (2) Het volk zegt Bèstaff. — (3) Op Asschewoensdag. — (4) in de volfcsrijmen 
en volksliederen is de assonnantie of de gelijkluidendheid der klanken voldoende om het rijm te 
maken. Kruiske rijmt dus met koster, omdat beide woorden met korte eu uitgesproken worden. — 
(5)Hunlieder, hunne— (6) Speunder, spaander, d.i. spanen hoed.— (7) Hebben wij.— (8) Gaan wij. 



« Ons Volksleven, n 55 



OORSPRONG VAN HEYST-OP-DEN-BERG. (1) 

Historische legende. 
Volgens de getuigenis van oude en geloofweerdige geschiedschrijvers, 
was de streek wanr het huidige Hej^st ligt, in de eerste eeuwen onzer tijd- 
rekening woest en bedekt met bosschen, afgewisseld door poelen en moe- 
rassen. Inderdaad, de namen van al de dorpen en gohuchten der omstreek 
duiden zulks ontegensprekelijk aan. Ik ga de bijzonderste opgeven. Voor- 
eerst, de gehuchion Groot- en Klein Laer, welk woord hout ei: boomgewas 
beteekent (t); Loo beteekent ook woud en bosch ; en voorders de volgende : 
Bosch, Boschachierheide, il!/n?A-(Monniks) bosschen, enz. Alle duiden dus 
boschrijke plaatsen aan, die er in vroeger tijd bestonden. De omliggende 
dorpen ontlerne;! bijna alle hunnen naam aan hout of bosch, zooals : Hal- 
laer, in de 14*^ eeuw als Uerlncr bekend, hout en boomgewas van den Hevr (3), 
Berlacr, bosch door beren bewoond (3), Boisschot, woeger Biisschot van Bus 
(Bosch) en schot, Hulshout en meer andere. Alles bewijst dus ten duidelijkste 
dat in vroeger eeuwen onze voorouders als in een uitgestrekt woud ver- 
spreid woonden. Maar sedert de Romeinen deze landstreek overmeesterd 
hadden, hielden onze voorzaten tot meerdere veiligheid, latere verdediging 
en gemak, zich meer vereenigd en verkozen tot woonsteden die plaatsen, 
welke volgens de omstandigheden het voordeeligste schenen, zooals bij 
rivieren of groote beken, maar voornamelijk aan of op hoogten. Tot in de 
zevende eeuw was hier het grootste deel onzer voorouders nog in de grofste 
afgoderij en de diepste duisternissen van het Heidendom gedompeld. Daar- 
om ook hebben zeer veel plaatsen, sleden en dorpen hunnen oorspi-ong en 
hun bestaan aan heilige mannen, eerste geloofszendelnigen, zooals eenen 
heiligen Amandus, Eligius, Rumoldus, enz. te danken. Na onze heidensche 
vooiouders tot het waar geloof bekeerd te hebben, bouwden deze heilige 
apostels kerken en kapellen, ofwel er wierden na hunne dood op die plaatsen 
door hunne mirakelen geheiligd, uit dankbaarheid tempels te hunner cere 

(1) Aanmerking van de opstellers. — Daar wij de datums der aangehaalde charters niet kunnen 
waarborgen, omdat wij die stukken niet hebben kunnen inzien, lalen wij ze voor de rekenin»- van 
den jongen schrijver. 

(2) Wij laten den schrijver verantwoordelijk voor de juistheid van deze en andere naamuitleg- 
gingen die verder m het opstel voorkomen. Wat zijn gevoelen betreft, als zou Laar hout eu 
boomgewas beteekenen, dit kunnen wij met hem niet deelen. 

« Laar, bijv. naaraw., zegt Schuermans, beteekent bij Weiland dun, schraal; bij Kil. inanis, 
vacuus; in den Teuth. lere, en in het hgd. leer, oud hgd.. lari, ijdel, ledig ; bij Dild. is laar een adj. 
en bet. ledig. Eene /«ffr zou dus zooveel zijn als : eene lare of ledige plaats (welk \v. er ouder 
verstaan is), eene vage plek tusschen drij of vier straten gelegen en die onbebouwd is. Dit is ook 
de buteekenis welke J.-F. Willems en Kreglinger aan laar geven. « 

YaX. '/.ei laeroyer AooY locus incultus &, vacuus : solum incultmn & pascuum. publicum. Meyers 
Woordenschat heeft laar, ledige, onbebouwde plaats, vrye weide. 

In veel dorpen dragen sommige plaatsen' nog den naam van laar. Het zijn gewoonlijk opene, 
onbebouwde gronden, aan de gemeente toebehoorende. J, C. 

(3) Z. onze vorige aanmerking. 



56 " Ons Volksleven. »» 



opgericht. Die tempels verwekten natuurlijk eenen toeloop van volk, het- 
welk zich daar neerzette enalzoo oor.iprong gaf aan de prachtige steden on 
bloeiende dorpen die er naderhand verrezen. Zoo ook mag het ontstaan van 
Heyst-op den-Berg aan den H. Lambrecht, dien grooten apostel der Kem- 
pen, toegeschreven worden. Deze leefde in de tweede hclfu der VIP eeuw en 
werd als van God uitverkoren om in deze streek het licht van het Evangelie 
te doen schitteren. Van zijnen bisschoppclijken zetel beroofd, en na zeven 
jaar als eenvoudige monnik in het klooster van Stavelot te hebben dooi-ge- 
hracht, alwaar hij al zijne medebroedei^s had gesticht door zijnen h(Mligen 
levenswandel, M-crd hij in 682 door Pepijn van Herstal op zijnen zetel hei- 
steld. Nauwelijks was hij weergekeerd, of hij doorliep geheel Taxandrië (i), 
waarin ook Heyst-op-den-Berg gelegen was, om de arme Heidenen op te 
spoien en hun het ware geloof te verkondigen. Wanneer nu de Heilige in 
zijnen apostoliekefi iever tot hier was doorgedrongen, vond hij een groot 
getal hutten vereenigd, uit leem opgetrokken en met strooi of riet gedekt, 
en om zoo te zeggen als een verschanst kamp ingericht, op de plaats waar 
op heden het Hof van Riemen staat, niet verre van den bei-g. De borg zelf 
was een uitgestrekt en geheiligd bosch, op wiens top het volk de goden 
Woden en Thor vereerde en zijne offeranden opdroeg. De H. Lambrecht 
begon zijne prediking op den berg, en het volk van Heyst en uit den omtrek 
stroomde van alle kanten toe om den Man Gods te hooren. Deze sprak met 
zooveel vuur en overtuiging over den godsdienst van Jesus-Chrislus, dat hij 
de herten der barbaren trof. die het H. Evangelie aannamen en op dezelfde 
plaats eeno kapel oprichtten mot het kruis bovenop. Vanjaar tot jaar kwam 
er zich al meer en moer volk rond de kapel neerzetten, zoodat het noodza- 
kelijk werd eene kerk te bouwen. Daar men de moeilijkheid inzag van altijd 
den berg op te klimmen, wilde men voor 't gemak de keik aan den voet des 
bergs, in 't begin der Loo oprichten. Maar God had cfie plaats voor zijn huis 
niet bestemd. De grondvesten der nieuwe kerk werden alle nachten door 
onzichtbare wezens ten gronde afgebroken, zocdat de eeno steen op den 
andere niet en bleef. Ten einde raad nam men het besluit van oenen ezel met 
eene vraciit steen te laden, dezen te laten gaan waar het hem lustte en op 
de plaats waar hij zou stil houden, de kerk te beginnen. Wat deed de ezel? 
Hij trok den berg op en bleef in 't midden staan, waar men dan ook de kei'k 
begon te bouwen, die gelukkig voltrokken werd. Uit dankbaarheid wijdde 
men ze toe aan den H. Lambiecht, wien men het licht van 't waar geloof te 
danken had. — Op welk tijdstip de eerste kerk gebouwd werd, is moeilijk 
te achterhalen. Ongetwijfeld zou men daarover iets meer weten, ware de 
kerk, gelijk veel andere, tijdens de Nederlandsche beroerten in 1585 niet 
afgebrand, waarbij terzelfder tijd het grootste deel der archieven en papieren 

(1) De naatri Taxandrië ontleent zijnen oorsprong volgens den geleerden geschiedschrijver 
Der))ez van de woorden tas. hoop en sand, zavel, doordien de grond van die landstreek zandig is. 

F. Z. 



1 



« Ons Volksleven. » 57 



door de vlammen verteerd werden. Over die ramp vindt men in de archieven 
aangeteekend : ^dat dezelve Dijnsdaegs van de goede weke tejaero 1585 in 
de troubelen van Nederland is afgebrandt endc korts daer naer weder is 
schoon opgebouwdtw doch gelijk men heden nog kan zien, was de kerk niet 
ten gronde vernield, want de overblijfselen zijn nog benuttigd om de nieuwe 
op te bouwen. Ook, volgens dezelfde ai'chieven zijn er verscheidene inwoners 
in verbrand, voor wie alle jaren cer.e gezongen zielmisse gecelebreerd wordt. 
Eene overlevering onder het volk bewaard, wil dat er enkel een persoon, 
eene vrouw, aan het vuur is ontsnapt. Deze was in den toren geklommen en 
door de galmgaten uitgesprongen. Dank aan den hevigcn wind die er dien 
dag woei en waardoor haar kleedsel tot eenen valscherm diende, kwam zij 
behouden en ongedeerd in de gerstvelden neder en ontsnapte als bij mira- 
kel aan de dood. — Dat deze brand, evenals op vele andere plaatsen onder 
het geleide van den beruchten Morten van Rossem gebeurde, is hoogst 
waarschijnlijk, (i) 

Wal nu eigenlijk den naam van Heyst bcteekent, het volgende is maar 
enkel op veronderstellingen gegrond. Waarschijnlijk komt hij voort van 
heesten, heester of houigewas, want in eenen akt van 1213 vindt men Hes'ene 
geschreven. In eenen brief van 't jaar 1311, betiekkelijk Florens Berthout, 
Heer van Mcchelen, vindt men geschreven Heysta, in 't Latijn Heystcnsis. 
Minder waarschijnlijk is 't dat het woord zou afgeleid zijn van het en stene 
(steen), dat kasteel beleekent; zoodus kasteel, verblijf of misschien tempel 
op den berg. Water ook van zij, Heyst is beroemd voor zijne schoone en 
schilderachtige liggingen zijne verrukkende vergezichten, want bij helder 
weder kan men op den berg vijf en veertig torens onderscheiden. 

Frans Zand. 



BOEKBESPREKING. 



Les épingles, les aiguilles & les clous dans les pratiques supersti- 
tieuses, par D.-A. Van Bastelaek, président de la Société archéologique de 
Charleroi. — Bruxelles, 1890. (Vlugschr. in-8° vaa 15 bladz. — Overdruk uit de 
« Mémoires archéologiques, par D -A.Vau Bastelaer, » t.VI. Het 2* deel ligt onder 
druk en zal kortelings verschijnen). 



Tusschen de voorwerpen die in vroeger tijd en zelfs nu nog, niet zelden tot 
bijgeloovige doeleinden gebruikt wierden, beliooren in de eerste plaits de spelden, 
de naalden en de nagels. 

Het goloof waardoor aan die dingen eene bovennatuurlijke kracht wierd toege- 
kend, klimt tot de hoogste oudheid op ; talrijke aanhalingen aan de oude schrij- 
vers ontleend, worden door den Heer Van Bastelaer aangevoerd, die daardoor 
bewijst dat dit bijgeloof algemeen verspreid was bij de Romeinen, die het evenals 
de Grieken, waarschijnlijk van de Etrusken overgenomen bidden. 

(1) Pastoor Visschers. Levensschets van den H. Lamèerfus. 



58 « Ons Volksleven. » 



Ten huidigen dage is het speldenstekea of speldenstrooien, op verscheidene 
plaatsen van ons land nog volop in zwang ; het uagelkloppen of inslaan van 
nagelen (Jaarentegen minder in gebruik, terwijl er van naalden, tot hetzelfde 
doeleinde benuttigd, nog enkel zelden spraak is. 

In een afzonderlijk artikel zullen wij later gelegenheid vinden om op dat punt 
terug te komen en eenige bijzonderheden, hier niet geboekt, aanhalen. 

Zeggen wij nog terloops dat lioe beknopt de verhandeling van den geleerden 
oudheidkundige ook wezc, zij eene goede aanwinst is voor dit punt der volkskunde 
en ons een duidelijk gedacht geeft van het belang dat van over eeuwen aan de 
genoemde voorwerpen gehecht is. J. B. Vbkvliet. 

Beelden en Schetsen voor de Vlaamsche jeugd. — Met printen. 
(Uit do vroegere jaren van Bond den Heerd). Roesslare, Jules De Meester-Van 
Nieuwenhuyse. (1890). — Schoon boekd. in-8° van 192 blarlz. Prijs fr. 1,25, 



De opstellers van Rond den Heerd hebben het goede gedacht gehad eenen bun- 
del uit te geven van verhalen, vroeger in hun tijdschrift verschenen. 

Veel van zulke boeken bestaan er in onze tale niet, en 't is spijt. 

Dat de keus heerlijk is, is zeker, gezien de buitengewone voorraad die Rond 
den Heerd — 't belangrijkste tijdschrift dat in VVestvlaanderen ooit het licht zag 
— bevat. 

Niet minder dan 33 stukken, zoowel vertellingen als wetenschappelijke en 
geschiedkundige verhandelingen, vinden wij in het werk, dat zoo aantrekkelijk 
en afgewisseld mogelijk van inhoud is. 

De talrijke Westvlaarasche woorden en uitdrukkingen mogen voor den gemeenen 
man die geen Westvlaming en is, moeilijk of niet om verstaan zijn ; toch is alles 
zoo aangenaam verteld, dat niemand zich aan het meer gewestelijke zal ergeren ; 
en men in veel gevallen moet bekennen, dat juist de plaatselijke kleur en toon de 
weerde van het geheel verhoogt en zooveel te meer de aandacht van den lezer 
trekt.. 

Hier en daar ook komen belangrijke uitleggingen voorover vreemde woorden, 
hunnen oorsprong, hunne afleiding, vervorming en hun gebruik in onze taal. 

Tusschen de wetenschappelijke opstellon munten vooral uit : Van de honden, 
enz.. Van 't katoen; Van den Oliphant; De Caffé. 

Vermelden wij ook nog de geschiedkundige stukken : Heidelherg ; De Moeren; 
De groote Saarier van Jan den Eersten. 

Wat ons echter het meeste aantrekt dat zijn die verhalen waar onze oude zeden, 
en gewoonten in Ier sprake komen, en bijzonder de vertelsels. 

Tusschen deze leste, vooral die naar Andersen, den onovertroffen kindervriend, 
zijn er echte pereltjes van dichterlijke verbeelding, zooaX^ : Treezehe's Blinde; 
de Spaansche legende, en het Oud huis; van luim en scherts, zooals : "'t Zit al 
reis om reis en Hemelghem. 

Wij mogen den boek gerust aanbevelen en wenschen dat velen er het genoegen 
uit putten dat wij er in gevonden hebben. J. B. Vervliet. 



1 



<^ Ons Volksleven. » 59 



NIEUWSKES. 
Folklore wallon. (i) 

Wij ontvang-'^n de 6*" en 7* afl. van den " Questionnaire do folklore (wal- 
lon); ^ zij doen in niets onder voor de vorige afl. en bewijzen dat de opstel- 
lers, volkomen op de hoogte hunnei" taak, niets verzuimen om hunnen 
^ Vraagboek r> zoo volledig' en belangrijk mogelijk ie maken. 

Ziehier den inhoud der twee afleveringen : 

IX. Liederen. — (Vervolg), Dramatische liederen, minneliêkes, vermake- 
lijke liederen, ronde-dansliedekes. (Sommige vooibeelden met muziek). (Vr. 
1080-1136). 

X. Hekserij, Tooverkunsi en Waarzeggerij. — Tooveraars, waaraan men 
ze erkent, verbond met den duivel, gedaanteveranderingen der tooveraars, 
nachtmare, sabbat, macht der tooveraars, macht der tooveressen en midde- 
len om daaraan te ontsnappen, duivelbezwering, volks- en kinderhekserij, 
middelen om het lot gunstig te stemmen, middelen om de toekomst te 
kennen, droomen, anüere voorteekenen. (Vr. 1137-1284). 

XI. Kinderrijmen en spelen. —Wiegeliederen, koordendansliêkes, vin- 
gersprookskes, spreekoeteningen, kindertooneel, nabootsingen, speelgoed, 
turnspelen, ronde-dansspelen, loopende spelen, springencle spelen. (Vr. 
1285-1387). 

{'t Vervolgt). J. B. Vervliet. 

VRAGEN EN AANTEEKENINGEN. 

5. (46.) Spoken op den ijzerweg. - Ik lees in Het Land v.in den 12" 
Meert 1891 : 

« £en spook. Wie zou ooit denken dat men in een der meest beschaafde landen van den aardl)ol, 
in de Vereenigde Staten, no^ aan spoken gelooft ! 

Men Echrijfi inderdaad uit Way-Cross dat de bestuurders van den Western Railroad in de 
grootste verlegenheid verkeeren door een lichtgevend spook dat 's nachts op de baan verschijnt en 
zich vermaakt met de bedienden der treinen en de reizigers Ie verschrikken. 

Ecu treingeleider, Pierson genaamd, die het spook reeds herhaalde malen gezien heefr, heeft 
gevraagd in den dienst der dagtreinen geplaatst te worden. Zijn voorbeeld is aanstonds doc-r al 
de bedienden der nachttreinen gevolgd geworden en de Compagnie weet waarlijk niet wat aan 
vangen. 

lüj de aankomst van eiken trein plaatst het spook zich midden op de baan en begint a'lerhande 
gebaren te maken als om aan te duiden dat er gevaar bestaat ea den irein te doen stoppen. Wan- 
neer de trein op de plaats komt waar het spook zich lievindt, ziet men dit schielijk verdwijnen, 
doch terzelfder tijd hoort, men schrikwekkende kreten, alsof verscheidene personen overreden 
werden. De reizigers, zoowel als de bedienden van al de treinen, zijn herhaaldelijk door deze 
kreten verschrikt geworden. 

Men denkt inde streek dat het ppook, dat op het punt is den nachtdienst dezer lijn te doen 
opschorschen, de geest is van een persoon, die door een trein is gedood geworden. « J. C. 

6. (47.) De Nachtmare, — J. W. VVolf in de Aimicrhungcn die op zijne Nic- 
(IcrJandische Sanen voigci), ze^t (bl. 689, i. n.) : « Dr. van Swy,G:eiihoven, dein 
icli diese Bescliwöi unji dankc, bereitct eben cine :iiisfürhlic!ie Abh.indlung über 
die Mnlir. zum Drucke vor. » 



1) Vervolg van bl. 84, 3® jaarg. 



60 « Ons Volksleven. » 



Is die verhandeliuff over do Nacbtmare ooit \n druk versebenen ? Wiiar en bij 
wie V Kan men ons daar ecneu afilruK van bezorgen ? J.B V^ 

7. (48.) Uit den Franschen tijd (1798) : 

Ramplamplan, 
Pampiere 1'argenl, 
Ei des puces et des poux 
Et la gale partout ! 

Dit Kempiscb rijmpje is de syutbesis der Franscbe Overbeerscbin» : Soldaten, 
assignaten en vuiligheid. E. ï. (Turnhout). 



INHOUD VAN TIJDSCHRIFTEN. 

BiekorI, 11, N"" n, — Van twee houtkappers. — Skiermonts-each. — Ter streep (Aug. Van Spey- 
brouck). — Eerst e-Communie (A. J. M. Janssens). — Hoe het woord " prins n verdietscht? (Jan 
t'raeynest). — Mingelmaren. 

2.Kenipisch Museum, I, N"" 12. — De Heerlijkheden van het land van Mechelen. Duffel, Gheel en 
hunne Heeren (J -Theod. de Raadt). — Geschiedkundige bijdragen over de voogdij van Molle 
(Th.-lgii.Welvaarts). 

3. De Vlaamsche Standaard, I, Ni'lO. — Soldaten en Socialismus (Siegfried Van Ha;^on). — Onze 
Zangers (Hein). — Een woordje over Te, Ten en Ter (Bert). — Zoo 'k wist.... 

4. Het Belfort, VI, N"" 4. — De verdere vervlaamsching van het middelbaar onderwijs van eersien 
graad of Latijn en Grieksch door het Vlaamsoh onderwezen (A. Roegiers, prof.). — De sterrekun- 
de der Chaldcërs (J. Van Mierlo, S. J.). — Gedachten (M. Erica). — Galileï (Em. i^cheerlinck, 
past.). — Driemaandelijksch overzicht (S. P,). — Vlaamsche katholieke Landsbond. — Wenken 
en Vragen. — Amor (ü. Loosen S. J.). — Een werk over de jongste taalwet (Juris Doctor). — 
Klaagzang uit den Profeet Jeremias (Karel Quaedvlieg). — Boekennieuws en Kronijk. 

5. De Student, XI, N'"2. — Dood van Prins Boudewijn (De Student). — Studentenbond (V. d. A.) 

— Landsbond (Zwolm). — Katholiek Vlaamsch Studentenverbond. — Twee woorden van Windt- 
horst (Van C). — De Faustsage (H. Van Clcemen). — Lodewijk van Nevers en Jacob van Arte- 
velde (T.J. Strevers). — Brief aan den Zeer Eerweerden Heer V. d. K. (S. Adi). — Eene « an- 
tiquite moderne n! (Snuffelaar). — Beter laat dan nooit bekeerd! — Samentrekken, niet verdee- 
len (Jan de Schrijver). — Mengelingen. 

6. Revue des Traditions populaires, VI, N'' 2. — Contes arabes et orientaux. V. Le Dépositaire 
infidèle (R. Basset). — Le vieux Mari I. Chanson du pays de Caux (A. Bernard) — II. llaute- 
Bretagne (M""" P. Sébillot). — Traditions et superstitions des ponts et chaussées. — III. Les 
phares. IV. Les canaux V. Quaies et ouvrages de port. VI. Les ehaus eés et les digues (P. Sébillot) 

— Rupture de la digue de Marab (R. Basset). — Additions aux routes ; devinettes et proverbes, 
etc. et aux chemins de fer (P. Sébillot). — Une locomotive fatale (Nap. Ney). — Le diable et 1'en- 
fer dans 1'lconographie. Les tableaux de Michel Le Nobletz (R. Bayon). — La chanson de Bricou. 
J V. Suite (E. Montet). — V. Version de J;ille (A. Desrousseaux). — Contribution au folk-lore du 
Béarn (Daniël Bourchenin. — Les cloches I. Devinettes (M. de Zmigrodski). — Saint Pierre et le 
Veuf, conté de la valieé d'Aspe(A. Callon) — Pensees sur les Traditions populaires cxtraites de 
divers auteurs II. (A. Certeux) — Les Météores. I. Le feu Saint-Elme (R. Basset). — Le roi 
d'Angleterre. III V. de l'Anvergne (l>. Pommerol). — Extraits et lectures. I. Superstitioiis chi- 
noises(G. de Rialle). — II. Le carnaval des Juifs galliciens (Hedw. Heinecke). — Assemblee gé- 
nérale. — Bibliographie (Aug.Gittée,P.S , J. T.) — Périodiques eijournaux.-^Koteset euquêi,es. 

7. Ttie Journal ot American Folk-Lore, IV, ^'' 12. — Second annual meeting ol the American 
folk-lore society. — Dissemination oftales among the natives of North America (Franz l'oas). — 
Some Hawaüan pastimes(H. Carrington Bolton). — Folk-lore of stonc tools (Fred. Starr). — 
Exhibition of gems used as amulets, etc. (Geo. Ferd. Kunz). — The daughter of the sun (James 
Deans). — A creation myth of the Tsimshians of Northwest Britisch Columbia (James Deans) — 
Games and popular superstitions ol Nicaragua (E. A. P. de Guerrero). — Iroquois notes (W. M. 
Beauchamp). — Some tales from Bahama folklore (Charl. L. Edwards). A page of child-lore 
(Fred. Starr) — The Indian Messiah (Alice C. Fletscher). — Account of the iNorthern Cheyennes 
coneerning the Messiah superstition (Geo. B. Giinneli). — Waste-basket of words. — Folk-lore 
Bcrap-book. — Notes and Queries — Record of folk-lore and mythology. — Local meetings and 
ether notices. — Bibliographical notes. a. Books. b. Journals. 



ONS VOLKSLEVEN 



Aiitwerpsch-Brabaiitsch Tijdschrift 


3^ Jaar 


voor Taal eu Volksdichtveerdigheid , 


1891 


voor Oude Gebruiken, Waugeloof kunde, 




&x\z.Int'n}elfnommers van twelf bladzijden 




in S". 

Te Brecht, 


gde 


bij L. Braeckmans. 


Afl. 



« JCr is nog een rijke oogst op het veld 
der gewestspraken voorhanden; veel 
volksuitdrakkingen dreigen te verdwij- 
nen die om hunne juistheid, schilder- 
achtigheid of oudheid verdienen in de 
schrifttaai opgenomen en bewaard te 
blijven. » 

Zuid-Nederlandsche Maatschappij 
VAN Taalkunde, Wedstrijd 1874. 

«De studie der folklore heeftvoor doel 
ons volk in zijne eigenaardige zeden en 
gewoonten, in zijn innig geloof enkarak- 
ter te leeren kennen, in eén woord, het 
volk zooals kei is. » 

Vraagboek over Vlaamsche Volkskunde. 



VOLKSGENEESKUNDE. 

I. 
Belezers (Vervolg van bl. 52, 3* jaarg.) 

Zooals ik hoogcr opmerkte, is het gaar niet gemakkelijk aan de belezers 
hunne geheimen te ontfutselen. Na veel vruchtelooze pogingen, was ik er 
eindelijk in gelukt, enkel twee bezweringen tegen brandwonden machtig 
te worden. Die twee formulen stond een belezer mij na lang pramen en 
kwellen af, en dan moest ik hem nog beloven, ze aan niemand ter wereld 
voort te leeren ! Hij kende er nog meer andere, dienstig om velerlei kwalen 
te genezen, zooals om het bloed te stelpen, de koorts af te nemen, enz., 
doch die wou hij mij, om geenen waarom, toevertrouwen. 

Over eenige dagen was ik echter gelukkiger, en geraakte schier zonder 
moeite aan een zevental allerkrachtigste formulen. Luistert hoe ik 
er achter kwam. Bij eenen landbouwer uit mijne geburen stond eene koei 
dik, en, in plaats van eenen arts te raadplegen, liep men aanstonds eenen 
bezweerder vinden, die de zieke beest belezen zou. Dit middel immers werkt 
onfaalbaar. (Strijdt het de boeren maar eens af, als gij kunt!) Nu, 't wou 
juist lukken, de wonderman had belet en kon niet komen, doch hij gaf — 
vermetel genoeg — de lormuul mede, geschreven op een stuk papier en ge- 
lastte den landbouwer, zelf zijne koei met dit gebed te zegenen. 

Op het papier stonden echter nog andere belezingen, om verschillige kwa- 
len te bezweren. Toevallig viel het stuk in mijne handen en zonder moeite 
bekwam ik de toelating om het af te schrijven, onder beding natuurlijk, 
van er aan den belezer niets over te zeggen, die zeker verontweerdigd zou 
zijn, moest hij te weten komen bij wie zijne geheimen waren verzeild ge- 
raakt. 

Hier volgen nu bedoelde bezweertormulen. Ik druk ze met huid en haar 
over, na ze eersi wat van taal- en spelfouten gezuiverd te hebben : 
1. Voor krochbeesten, d. i., beesten die dik staan. 

« 1 11^ zegen die (kleur) beest in den naam van den H. Sebastianus. 



62 " Ons Volksleven. » 



t Ik zegen die beest in den naam van den H. Fabianus. 

t Ik zegen die beest in den naam van den H. Stephanus. 

[De bezweerder maakt negen kruisen op den rechterschouder van het dier.) 

t Ik zegen die beest in den naam van de HH. Servatius en Protasius. 

Dat zij gelieven zoo goed te zijn deze beest te bevrijden van bersten, en 
dat zij wederom zal zijn, gelijk zij van tevoren geweest is. Amen. 

(Voor de 'bovengemelde heiligen nog 1 Vaderons en 1 Weesgegroet.) 

t Ik zegen die beest in den naam van de HH. Cosmas en Damianus. 
2. Om het verstuiken op verwringen van handen of voeten 

tebezv7eren. 

[De bezweerder leest drijmaal het hiernavolgende gebed en maakt daarachter 
den eersten keer één kruis, den tweeden keer twee, en den derden keer dr ij kruisen .) 

« In den naam van Jesus-Christus, alzoo waarachtig als Jesus-Christus 
op Kerstnacht geboren is f f, ik zegen die hand (dien voet). 

In den naam van Jesus-Christus f f, alzoo waarachtig als Jesus-Christus 
op Goeden Vrijdag gestorven is f f f, ik zegen die hand (dien voet). 

In den naam van Jesus-Christus, alzoo waarachtig als Nicodemus Jesus 
van het H. Kruis gedaan en in het graf geleid heefr, dat die hand (die voet) 
weer moet zijn gelijk zij (hij) van te voren geweest is. Amen. ^ 

[Hier volgen vijf Vaderonzen en vijf Weesgegroeten, ter eere van de vijf bloe- 
dige wonden Christi.) 

3. Om brandwonden te genezen. 

« Op Goeden-Vrijdag is Jesus-Christus doorwonden f. Zijne wonden en 
zworen of en wilden niet zvveren. 

Ik hoop dan dat de wonden van dezen verbranden (naam van den lijder) 
zullen genezen zonder pijn, smert of litteeken. « 

[De beziveerder leest deze formuul drijmaal; den eersten keer maakt hij één 
kruis over de wonde en spreekt den naam van den verbrande uit; de tweede maal 
maakt hij tivce, en den derden keer, drij kruisen.) 

4. Om DE TANDPIJN AF TE NEMEN. 

[Een kruis maken over hei hoofd en een over den tand) : « Ik zegen dezen iand 
ter eere van de H. Apollonia ". [Dit drijmaal zeggen en dan negen kruiskes 
over den tand maken.) 

5. Voor den vloed bij de vrouw. 

« In den naam des Heeren kwam ik over den Rezenberg (?) gegaan, — 
daar vond ik drij maagden staan. — De eerste sprak : God zal ons helpen; 
— de tweede sprak : haar bloed zal stelpen; — de derde sprak : liet is door 
Maria zoet — dat hanr bloed stelpen moet. r. 

[IJie formuul ivordi drijmaal herhaald ) 

G. Om het koliek te genezen bij menschen en dieren. 

[T)e belczcr maakt een kruis over den menseh of het dier en zegt drij kceren deze 
gebrekkige formuul) : 



« Ons Volksleven. » 63 



« Alzoo waarachtig als God f zijne drij afstammelingen zijn naar Egypte 
gevaren : Maria, Jozef on Jesus. Dees, geladen met buikpijn, zal genezen 
door het aanroepen der H. DrijvLildigheid t, alzoo den Vader, den Zoon en 
den H. Geest. En het Woord is vleesch geworden. » [Hierna den eersten lieer, 
f, den ftveeden Jceerf-f, en den derden keer -fff maken.) 

7. Om het bloed te stelpen. 

[De heztveerder schrijft met den duim den naam van den mensch dien hij hele- 
zen gaat en daarover een kruis. Dan zegt hij drijmaal) : 

« Ik kwam over een Rezenberg (?) gegaan — daar vond ik drij maagden 
staan. — De eerste zeide : o Heer! wilt mij helpen f — de tweede zeide : o 
God ! wilt mijn bloed stelpen f t — de dei'de sprak : in den naam van Jesus- 
Christus' namen (sic) 1 1 f. " 

('t Vervolgt.) Jozef CoRNELissEN . 



VERTELSELS. 

2. (33.) Van Wolf jonk en de gevangen Koningsdochters. 

In den ouden tijd was er eens in een dorp een huishouden, dat bestond 
uit 'non man, een vrouw en een jongske. Dat kind, ge moet me goed ver- 
staan, was 'ne vondeling en hiet Wolfjonk. Nu, in dat dorp was 't een 
gebruik onder de kinderen, op Nieuwjaarsdag gaan te zingen of aan hunne 
familieleden 'nen zaligen Nieuwjaar te wenschen. Dan kregen ze koeken, 
centen, appelen en noten met de macht, maar Wolfjonk, och arme ! die 
schoot er aliijd over, want hij kende nieverans geen bloedverwanten. Ge 
kunt denken hoe bedroefd de sukkelaar dan was. Op zekeren Nieuwjaars- 
dag dat hij de andere kinderen weer blijmoedig neven zijn huis zag trekken, 
ging hij klagen bij zijne pleegmoeder en zei heur : 

« Allemaal gaan ze 'nen Nieuwjaar wenschen, en ik mag van mijn leven 
niet meedoen... Heb ik dan geen familie moeder? •' 

— « Wel zeker, jongen; t'enden het dorp woont Hein de smid, en dat is 
uw(en) oom. » 

Wolfjonk was blij genoeg, en hij seffejis zijn beste kleeren aan en naar 
den smid om hem 'nen zaligen Nieuwjaar te wenschen. 

« Ik heb maar van één dingen spijt, » zei Oom Hein, « en dat is dat ik u 
niks anders geven en kan, jongen, als dat wandelstoksken hier. r, 

Ja maar, dat wandelstoksken was geheel van ijzer en woog zoo iet van 
200 kilo. Wolfjonk nam den stok aan en schermde er op zijn gemak eenige 
keeren mee in 't ronde. 

Oom Hein was tevreden, men kan niet meer, omdat de jongen zoo handig 
en zoo sterk was, en hij nam hem in zijn huis om hem zijn ambacht te 
leeren. 

Daar bleef Wolfjonk tot zijn achttiende jaar. Korts nadatum kwam zijn 
Oom te sterven en daar hij geene kinderen had, erfde Wolfjonk heel het 



64 « Ons Volksleven. » 



beeltje. Wolfjonk was nu rijk, want ge moet weten, Hein de smid had door 
hard werken en wroeten een schoon sommeke bijeengeschrafeld. 

Maar het werken gong Wolfjonk niet meer, en hij kreeg het in den kop 
naar vreemde streken te reizen. Hij verkocht dan al wat hij liggende en 
roerende had en, voorzien van 'nen goed gcvulden beugel en hot waiidol- 
stokske van zijnen oom, trok hij de wereld in. 

Als hij nu lang, heel lang gegaan had, zonder te weten waar hij zou 
uitkomen, kwam hij in een groot, groot boscli, waar de dunste boomen ten 
minste vijf meters dik waren. Daar vond hij 'non man lijk 'nen reus, die 
boomen aan 't keuren en aan 't uitkiezen was. 

« Wa' zoek-te gij hier en wa' wil-de gaan aanvangen met die boomen ? « 
vroeg Wolfjonk aan den reus. 

— « Wel, " zei die, « ik zien rond welke boomen ik zal uittrekken. ^ 

— « Wat ! gij boomen uittrekken ! « zei Wolfjonk, " da' zou ik wel eens 
willen zien ! » 

— « Hewel dan, ge zul' 'et zien ! Ge weet zeker niet dat ik Sterke Jan 
ben ?... Daar !... « En Sterke Jan trok inderdaad twee straffe boomen uit den 
grond en smeet ze wel vijf stappen op zij. 

« Da' kan der nogal deur, y> zei Wolfjonk, « wil-de met mij voorder rei- 
zen ?.... Ge zult op tijd kost en kleeren krijgen. " 

— «Ik neem aan, » zei Sterke Jan. En ze trokke:i huns getweeën liooger 
op. Als ze nu 'nen tijd gegaan hadden, vonden ze neven de baan, op 'nen 
gerskant, 'nen man zitten met zijn oogen storlings op 'nen meulen gevestigd. 
Ze vroegen dien gast wat hij daar uitrechtte. 

« Ik zien, » antwoordde hij, «of de meulder van dien meulen ginder, 
bijkanst gereed is met het opzeilen van de meulenroeden, want, daar der 
geene wind en is, moet ik van hier blazen om den meulen in gang te krijgen 
en aan den draai te houden. « 

Wolfjonk beloofde dien kerel ook kost en kleeren, als hij met hen moe 
wou. De blazer was tevreden en ze gongen huns gedrijen verder. 

Drij dagen te root stapten zij zwak door, totdat ze eindelijk in een uilge- 
strekte wildernis geraakten. Na lang rondzoeken naar een geschikt plaais- 
ken om er den nacht door te brengen, vonden zij eene kluis, waarboven 
een kloksken hong. In die verlaten kluis besloten ze hunnen intrek te 
nemen, want een beter schuilplaats kosten ze niet wenschen. Nadat ze 
hunne knapzakken opengedaan en wat binnengespeeld hadden, viel de 
avond in en ze gongen ieder in 'nen hoek liggen om wat ie slapen. 

's Anderendaags 's morgens kwamen ze overeen dat twee van hen zouden 
gaan hout rapen en voor mondkost zorgen. De derde moest terwijlen de 
kluis bewaken en, als 't noen zijn zou, met het klokske luiden. 

Zoo gezeid, zoo gedaan. Ze trokken dan " tuike, « om te weten wie er 
eerst zou thuis blijven, en het lot viel op den Blazer. 



« Ons Volksleven. »» 65 



Pas waren Wolf jonk en Sterke Jan de deur uit, of de Blazer stak een goed 
vier aan en begost eene smakelijke pijp te smooren. Terwijl liij daar nu bij 
het vier zat te droozen en te dubben, kwam er stillekes, heel stillekes een 
klein oud manneke de kluis binnen. Dat manneke droeg 'nen langen grij- 
zen baard die over den grond sleepte en 't steunde op 'nen dikken stok. 
Zonder een woord te zeggen, gong het bij 't vier staan om wat te warmen, 
want het scheen schrikkelijke kou te hebben. Maar ineens liet het manneke 
zijnen stok vallen en 't vroeg aan den Blazer of hij hem eens zou willen op- 
rapen. De Blazer die nog nooit zoo'n kraam van een manneke gezien had, 
had er meelijden mee, omdat het er toch zoo oud en zoo sukkelachtig uit- 
zag. Hij zei dan : « Jawel, vriendje, ik zal u eens helpen «, maar hij en had 
zijn eigen nog niet gebukt, of het Kaboutermanneke (want het was een van 
die Kaboutermannekes die om hunne kwaadaardigheid gevreesd zijn), zat 
op zijnen hals en gaf hem zoo'n deerlijke rammel! ng, dat de Blazer pen en 
inkt riep van de pijn. Als het manneke nu lang genoeg geslagen had, begost 
het heel hard met het klokske te luiden en tiok er stillekes van door, ter- 
wijl de Blazer daar gansch bebloed, gorekt en gestrekt op den grond lag te 
kermen en te zuchten. 

Dat was me goed. Sterke Jan en Wolfjonk kosten zoo een dikke uur weg 
gew^eest hebben, toen zij ineens bescheelijk het kloksken hoorden klinken. 
Ze dochten wel, het en kan nu nog geene noen zijn, maar, omdat het zoo 
afgesproken was, en ook, omdat zij al braaf honger kregen, spoedden zij 
terug naar de kluis. 

Als ze daar kwamen — Deezes Marante ! wat was dat? Daar lag de Blazer 
overdood op den grond, en in den heerd en was vier noch vonk nemeer ! Ge 
kunt wel denken hoedat de mannen verschoten! Ze holpen hunnen makker 
recht en vroegen hem wat hem deerde. Maar onze held, beschaamd omdat 
een zoo nietig getrek van een ventje lijk het Kaboutermanneke was, hem, 
grooten reus, zoo deerlijk afgetakeld had, wachtte wel van hun de waar- 
heid te zeggen. Hij verzon dan eene leugen en docht in zijn eigen : Wacht 
maar, jongens, ge zult uw paart ook wel krijgen ! « 

's Anderendaags was het Sterken Jan zijn beurt om thuis te blijven. Jan 
zat daar gerust te smooren en te pafïelen aan den heerd, toen opeens dat- 
zelfde Kaboutermanneke binnenkwam en aan 't vier gong staan. Het ventje 
liet zijnen stok vallen en Sterke Jan, die geen erg en had, bukte gauw om 
hem op te rapen. Maar hij voer er danig slecht mee, want het manneke viel 
op zijn lijf en sloeg er op gelijk de duivel op Geeraard. Daarop maakte het 
zijn eigen uit de voeten, en Sterke Jan was slim genoeg om zijne g.^ varenis 
aan zijne makkers niet te vertellen. 

Dat was me goed. 's Anderendaags was Wolfjonk mot het bewaken der 
kluis gelast, terwijl de twee anderen op jacht gingen. Wolfjonk kost nog 
maar schrap eene uur aleen geweest hebben, of het Kaboutermanneke stond 
daar al aan 't vier en 't liet zijnen stok vallen. « Ach ! raapt as'toe blieft me 



66 « Ons Volksleven. 



stoksken eens op, « zei hel teg-en Wolfjonk, « ik zijn zoo oud en zoo stijf! y^ 

— « Ah! heb ik u nu, oude leelijkaard! y> zei Wolfjonk, « wacht een bitje, 
'k zal u eens 'nen anderen dans leeren. » Dit zeggende pakte hij den dwerg 
met zijnen langen grijzen baard vast en bond hem aan 'nen keper van de 
kluis op. Toen gaf hij hem zoo'n felle toutering met zijnen ijzeren stok, het 
geschenk van zijnen oom, dat het bloed uit neus, mond en ooren spoot en 
zoo maar langs het lijf van den Kabouter afliep. En 't manneken aan 't ker- 
men, aan 't huilen en aan 't bidden aan, dat het 'nen deer was om hooren. 
Eindelijk maakte Wolfjonk den dwerg los en liet hem loopen, nadat hij 
eerst nog de helft van 't manneke zijnen langen baard afgebrand had. 

In dien tusschentijd kosten Sterke Jan en de Blazer er maar geenen kop 
aan krijgen, hoe het kwam dat ze in den voornoen geen kloksken hoorden 
kleppen. Daar zij s'morgens, bij 't verlaten der kluis, aan malkander hun 
geval verteld hadden, waren ze overeengekomen niette wijd te gaan; want 
ze dochten niet anders, of Wolfjonk ging van 't zelfde laken een broek krij- 
gen. Ze waren nochtans in hunne hoop bedrogen, want het klokske klonk 
juist om twelf uren. 

Dicht bij de kluis zagen ze overal bloedsporen en nu meenden zij zeker dat 
het Kaboutermanneke Wolf/jonk ten minste halfdood moest geslagen hebben. 

Ze waren dus niet weinig verwonderd hunnen makker daar gerust te zien 
zitten, met zijn pijp in zijnen mond, krek ofdat er niets voorgevallen en 
ware. Toen zij binnenkwamen, schoot Wolfjonk in 'nen harden schaterlach : 
« Hahaha! lachte hij, » zijde gijliê nu mannen? Ge laat u ombermhertig 
afranselen van een klein, oud manneke, en ge verzint leugens om uwe laf- 
hertigheid te bedekken. De strepen bloed die gij gezien hebt, toonen u dui- 
delijk genoeg, hoe ik met het Kabouterke gehandeld hebt en hoe gij er alle- 
bei hadt moeten mee handelen. Maar da'sniks, me kennen nu malkanderen 
wel wa' beter! » 

Onze drij gasten bleven nog eenige dagen in de kluis; dan maakten ze 
pak en zak en rezen verder. Ze geraakten in een groot bosch en ze gongen 
altijd maar wijder en wijder, totdat ze aan een open plek in 't bosch kwamen. 
Daar zetten zij hen neder om wat te rusten en een brok te eten. Terwijl zij 
etende waren, zag eexi van de mannen 'nen grooten vierkanten steen, daar 
een ijzei^en ring in vastgemaakt was. De Blazer beproefde den steen op te 
heffen, maar hij moest het opgeven : de steen woog te zwaar. Sterke Jan 
wou ook eens probeeren, maar 't gong evenmin. Toen nam Wolfjonk den 
ring vast en hof den steen zonder moeite op. 

Alle drij keken nieuwsgierig naar beneden, maar ze zagen niets als 'nen 
put, zoo diep, dat er geen einde aan scheen. « Wat mag er in dien put zit- 
ten? w vroegen ze verwonderd, «< dat wij er eens in nederdaalden. « 

Zoo gezeid, zoo gedaan. Sterke Jan was seffens gereed. Ze bonden hem een 
zeel onder de armen en lieten hem neer, maar hij was nog niet halfwege, of 
hij riep al om opgehaald te worden. « Nu zal ik eens zien of ik niet dieper 



« Ons Volksleven. y> 67 



kan! ^ riep de Blazer. Ze lieten hem af, maar hij kost nog maar een beetje 
verder geweest hebben als Sterke Jan, of hij trok aan het zeel en deed teeken 
dat ze hem moesten optrekken. « Laat mij nu eens naar onder, » zei Wolf- 
jonk, " ik ben zeker dat ik tot op den boom geraken zal.»' Zijne gezellen 
bonden hem dan het zeel onder zijne armen, gaven hem zijnen ijzeren stok 
in zijne hand en lieten hem in den put zakken. 

['t Vervolgt.) Meegedeeld door E.M. Verbruggen. 



BIJDRAGE TOT DEN DIETSCHEN TAALSCHAT. 
3de (i5ste^ Woordenzange. 

Dragen, het. — Verantwoordelijkheid, Fr. rcsponsabilifé Als ik die zaak 
aleen afhandel, heb ik er ook aleen het dragen af. Geh. St-Antonius en 
Aniivcrpcn. (Loquela, 1890, N'" 1, heefr, drafje (vr.) in denzelfden zin). 

Haaksche, den. — Dweerzerik, d warsdrijver. Ge kunt er geen pooten 
mee uit, met dien kerel : 't is zoo 'nen haaksche ! Geh. Santhoven. Te Ant- 
werpen zegt men hoehsch : hij is zoo hoeksch die vent. 

Hottergetouw, het. — Een getuig, een meubel dat slecht ineenzit en 
gedurig hottert en lotert. Zoo'n h ottergetouw van een tafel, dat staat daar 
te kwikkeien en te loteren; 'k smijt ze seffens op straat ! Met zoo'n hotter- 
getouw van een zaag kan ik niets uitrechten ! Geii. St-Antonius. 

Getouw beteekent getuig; zoo hebben wij ook haargetouw, d. i. het getouw, 
het getuig waar ze de zeisens en de pikken mee haren, nl. de haarkruin en 
de haarhanier. 

Hottergetuig, het. — Z. Hottergetouw. 

Potmutsaard, den. — Mutsaard met dikke kluppelen, die door de pot- 
bakkers gebruikt wordt, Geh. idem. 

Ridderen did, den. — Lil, jeugd, gestold vleeschnat, dat riddert en 
üiddert. Geh. idem. (1) 

Schrank, de. — Mijt halfhout. Eene schrank zwaar halfhout. Geh. 
Br echt. 

Sleef (scherpl e), de. — Handvatsel der zeisen. Geh. St-Antonius. 

Te Brecht hnavel, rond Rcist-ten-Ber g sleeuw. (Z. OnsVolksleven,II,bl. 115). 

Spat, het. — De fout van een peerd, hierin bestaande dat het dikke 
pezen in zijne billen heeft. Geh. idem. (In Limburg spaat (o.) Z. 't Daghef, VI 
bl. 120). 

Steenhout, het. — Lange mutsaard, waar men de steenovens mee pleegt 
te heeten. Geh. idem. 

Toonen, toonde, heh getoond. — V Gezicht, oog hebben, afsteken. Dat huis 
toont niets, die bloemen toonen schoon. 

(1) Te Antwerpen zijn ridderendidjes, dunne magere worsten, van de gemeenste soort en den 
minsten prijs. 



68 « Ons Volksleven. » 



2° Schijnen. Hij toont wel vijftig jaar en hij is er nog- maar dertig ! (Ook 
bij Rutten in dezen zin). 

3° Getuigen. (Z. Schuerm.). Geh. in die drij beteek. te St-Anionius. 

Woel (Kemp. ivmd), den. — 1° Drom, gedrang. Da' vrauwken heed heur 
kiinneke verloren in de' wuul van 't volk. Men zegt ook gewoel (uitspr, 
gewunl). 

2° Geiaas, gewoel. Ik kan met dien wuul niet om. Geh. idem en te Ant- 
werpen. Loqueld heeüwoele (vr.) in den eersten zin. (1870, N"" 8). 

Zetten, zeife, heb gezet. — r Planten. Erwten, boonen, eerdappelen 
zetten (Ook bij Rutten en Schuerm.) Alf. zetter (planteerdappel>, zetgoed 
(plantgoed). 

2° Kloeken zetten. Eene klokhin eieren laten uitbroeden om jonge kiekens 
te bekomen. Ik heb die eieren gebruikt om kloeken te zetten. (Ook bij 
Rutten). Sam. ZetJcloek, zefhin, zeteieren. (Ook bij Rutten). 

3° Sclirijven. Hij kan zijnen naam niet zetten ! 

4° Stellen, voorduiden. St-Laurijs zet de kermis te Oostmalle. 

5° Het weer begint hem te zetten : het begint vast weer te worden. Geh. 
St-Antonius. (i) 

Zot. — Zot zijn, van eene moer of eene vijs gezeid die altijd draait zonder 
te sluiten. Die vijs is zot ! 'k Heb al een halve uur gedraaid en ze wilt niet 
houden ! Geh. St-Antomus en Antwerpen. (Ook bij Rutten, Hasp. Idiot.) 
Sint-Antonius-BrecJit. Jozef Cornelissen. 



BOEKBESPREKING. 



Andrew lang. — Études traditionnistes. Paris, J. Maisonneuve, M. D. 
C C C. XC. (Vol. VI de la Coll. lutern. de « La Tradition. ,, (Boekd. in-lS vaa 
lOSbladz. Prijs f r. 3,50). 

Tusschen de schrijvers die zich met heri en ziel aan de studie der volkskunde 
wijden, bekleedt de IP Andr. Lang eene eerste plaats ; doch, is zijn invloed groot, 
meer bepaald is dit het geval in zijn vaderland, waar hij krachtig meewerkt om 
de « folklore « tot eene wetenschap te verheffen. 

De verschillige stelsels, die de beoefenaars der volkskunde aankleven, bij het 
bestudeeren der volksoverleveringen, gaven aan Andr. Lang geenen bevredigen- 
den uitslag; daarom schiep hij het menschennatuurkundig of anthropologisch 
stelsel, dat sindsdien talrijke aanhangers aangeworven heeft. 

Dat alleen bewijst reeds ruimschoots met welken geest van onderzoek en studie 
de schrijver bezieldisen,kan men met de gevolgtrekkingen zijner beschouwingea 
niet altijd instemmen, loch moet men bekennen dat hij, bij 't beoefenen der volks- 
kunde, zijn stelsel met kracht en vernuft weet voor te dragen en te verdedigen. 

Zeggen wij nu nog een woord over het boekske zelf. 

Eene uitvoerige inleiding van den Heer Em. Blémont, doet ons de werken en 
het stelsel des H" Andr. Lang kennen. Daarna volgen zeven verhandelingen over 
de meest verschillige onderwerpen, doch die alle met de volkskunde in betrek 

(1) Ook te Antwerpen in de 3« eu de 5« beteekenis. 



« Ons Volksleven. » 69 



staan. Zoo treffen wij achtereenvolgens aan : 1. De oorspronkelijke hoycoitage (i), 
eene gewoonte die weinig of niets gemeen heeft met het dwangmiddel, in Ierland 
toegepast ; 2. Het koninklijk gezag, volgens overlevering en geschiedenis ; 3. Een 
verwaarloosd punt van den heidenschen eeredienst bij de Oade Grieken ; 4. Zon- 
derlinge voorschriften van Vishnou; 5. De volksoverleveringen in Homeros' ge- 
dichten; 6. De spookverschijoingen in de preêken der Middeleeuwen; 7. Volks- 
overleveringen uit Schotland. 

Die enkele opsomming toont ons dat de schrijver zijne opzoekingen uitstrekt 
over gansch het gebied der volkskunde, waartoe hem overigens uitgebreide ken- 
nissen en eene groote belezenheid ten dienste staan. J. B, Vervliet. 

I. — Les Seigneuries du Pays de Malines. — Keerbergen et ses 
Seigneurs, par J.-Th. de Raadt. — Gand, 1889. (Boekd. in-8° van 242 blz. 
met wapenschild der Heereu van Helmont en stamtafel van de bezitters der heer- 
lijkheid). 

II. — Wavre-Notre-Dame et ses Seigneurs. Notice historique sur 
la commune de Wavre-Notr e-Dame par J.-Th. de Raadt. Mijmegen, 
1891. (Boekd. in-8° van 68 blz.). 

Wij hadden reeds vroeger gelegenheid eenige regelen te wijden aan de studiën, 
die de zoo kundige als ievervollegeheimschri) ver der oudheidkundige maatschappij 
van Brussel, over de « Heerlijkheden van het land van Mechelen » in eene reeks 
van verhandelingen in 't licht zendt. 

Wij nemen het verschijnen der lest genoemde te baat, om ook eenige woorden 
te zeggen over eene vroeger uitgegevene, namelijk over «Keerbergen en zijne 
Heeren. » 

Keerbergen, dat heden ongeveer 2500 zielen telt, en tot het kanton Haecht 
behoort, mag op een bestaan van meer dan acht eeuwen roemen. 

De eerste Heer, waarvan de schrijver melding vond, is Radolf van Keerbergen 
vir nohilis Badolphus, die bij gebrek aan rechtstreeksche afstammelingen, en in 
overeenkomst met zijne gemalin Gisla, op 30 November 1036, ten voordeele van 
het bisdom Luik, afstand deed van Keerbergen en andere bezittingen, zooals 
Brambais, Houtain, Wulmersom, enz. 

Later kwam de heerlijkheid in handen der Bertholden; andere edele familiën 
volgden hen in het bezit op, totdat eindelijk J. B. A. de Jongh, laatste heer van 
Keerbergen werd (1787). Hij stierf te Rumpst op den 11" Juli 1826. 

Na de verhandeling over de Heeren van Keerbergen, volgt er eene geschied- 
kundige schets van het dorp, eene korte beschrijving van de kerk en hetgeen zij 
merkweerdigs inhoudt, de lijst der E. HH. Pastoors van Keerbergen met biogra- 
phische aanteekeningen, bijzonderheden over de nijverheid en voortbrengsels van 
't dorp, enz. enz. 

Belangrijker nog is voor ons het tweede werk O. L. Vrouw Waver en zijne 
Heeren, dat wel van minder omvang is dan 't vorige, maar daarentegen meer op 
het gebied der volkskunde treedt. 

De hoofdzaak is hier ook, de geschiedenis van de bezitters der heerlijkheid. Zij 
is voorafgegaan vau een taalkundig onderzoek over den oorsprong en de betee- 
kenis der kenaming O. L. Vr. Waver, en gevolgd van eene beschrijving der 
gemeente, hare bevolking in vroeger en later tijd, alsook het verhaal der gebeur- 
tenissen waarvan dit dorp het tooneel was. De schrijver deelt verder lezensweer- 

(1) De « boycottage, » waarvan hier spraak, is wat men in '1 Duitsch « Aechtung^ » in 't Fransch 
« proscription » heet ; dus een soort van uitsluiting, verbanning, gedwongen verwijdering. 



70 « Ons Volksleven. » 



dige inlichtingen mede over de scbuttersgilde, het geestelijk en wereldlijk bestuur 
van O. L. Vr. Waver, eene hoogst belangrijke oudheidkundige beschrijving van 
de kerk, hire oudheden en versiersels, hare klokken,-enz. 

Een hoofdstuk hetwelk eene bijzondere melding verdient, is dat waarin de H"" 
de Raadt hsLüdelt o\ev Pcerken uit 't Boektveif strooi, zijne praktijk als meester 
of volksgeneeskundige, den aard zijner geneesmiddelen, de ziekten die hij genas, 
zijnon levensloop en overlijden in 92jarigen ouderdom (1824). 

De schrijver deelt ons verder eene legende mee over het mirakuleus beeld van 
O. L. Vr, van Scherpenheuvel, legende di^ ons tevens den uitleg geeft waarom de 
inwoners den spotnaam hooveerdige oi fiere Waveraars dragen. 

In den 2" j. van ons tijdsclirift (bl. 98-99) drukken wij een knie- of rijdliêkeu 
uit Lier herkomstig ; wij vinden hier eene betere, meer volledige lezing, in O. L. 
Vr. Waver en omstreken gekend. 

Dit weinige zal voldoende zijn om den lezer een duidelijk gedacht te geven van 
hei nut, dat de moeitevolle opsporingen des schrijvers, voor de geschiedenis der 
streek en dekennis onzer vroegere zeden en gewoonten oplevert. 

Wij bevelen het lezen zulker werken met warmte aan, daar zij, gegrond op 
onwraakbare bescheeden, de beste leiddraad zijn in den waaibool der talrijke 
gebeurtenissen, die in den loop der eeuwen voorvielen. J. B. Veevliet. 



VRAGEN EN AANTEEKENINGEN. 

8. (49.) Koeihoedersdeuntjes. — Wie bezorgt ons liederen, deuntjes, rijm- 
kes, door de koeiwachters gezongen of geroepen, terwijl ze de koeien hoeden? 
Ziehier een voorbeeld : 

Kalverhueërs {kalverhoeders) van ruttekeutut, 
Ze hebbeu heien {heiden} en bosschen rotidgewrut {rondc/efvroet) , 
Rutlekentut ! 
Boerin, zet e penueke pap aon 't vier, 
Want de kalverhueër is hier ! 

[Breekt) 

J. c. 

9. (50.) Waarom de Roetaard ook « Rotzak » geheet en wordt. — De 

roetaard of meerkol wordt ook nog « Rotzak » heheeten — en de reden? Het wit 
en de dooier van 't ei die bij andere vogelen vaneen gescheiden zijn, zijn bij den 
roetaard dooreengemengd, zoodat de eieren altijd rot schijnen. Vandaar de naam 
« Rotzak ». Alzoo vertelt men te Oostmalle. Coquelicot. 



INHOUD VAN TIJDSCHRIFTEN. 

'tDaghet in den Oosten, VII, N"" 2. — J.imburgsch Nederlandsch : l^^te WoordeuzaDg-e. — Lim- 
burgsche Diclitveerdigheid, — Dokter Gaesens met zijne twee gebroeders. 

Kempisch Museum, 11, N"" 1. — Getuych voor die Regeerderen van den Quartiore van Kempen- 
lant. A" 1641 (L.Houbcn). — De vroegere tienden van Olmen 1288-1795 (Th.-Ign. Welvaarts) — 
Wcrbeek, zijne kapel en bedevaart (Th. -Tgn. Welvaarts). — Eene bladzijde uit de geschiedenis 
van Moll, Baeleu en Desscliel (Ad. Reydams). 

Dietsche Warande en Wetenschappelijke Nederlander. 'Tijdschrift voor Schoone Ktmst, Letteren, 
Zedegeschiedenis, enz. Tc Gent, bij A. Stfer. Hoofdopsteller, Prof. Dr. Paul Alberdingl Thijvi, te 



I 



« Ons Volksleven. » 71 



Vlierbeek (bij Leuven). (Verschijnt alle twee maanden np den 15^ dag, in aflev van ruim 100 bladz.; 
prijs f r. 12,50 f/. 6. — ) 's jaars, behalve de bestelkosten.) 

VI N'- L — Prins Boudewijn f (Alb.Th.). — Koning- Willem 111 f (Alb.Th.). — Figaro 's wraak, 
novelle naarde natuur (F Smit Kleine). — De legende der heilige Kunera van Rheenen (K. Stai- 
laert). — Onderzoek over Faust (G. Gietmann, S.J.). — Over den uitwendigeu vorm der folk- 
loristische stof'(Aug. Gittée). — De Steenhouwersteekens (Fred. Pfaff). — Het geslacht van Reede 
van Outslioorn (Uit de nalatenschap van Jos. Alherdingk Thijm). — Willem Frederik Gerard 
Nicolai (mei portret). (C. Van der Linden) — Dwars door de geschiedenis der toonkunst in de 
Nederlanden (Edm. Vander Straeten). — Bergtooneel (Hon. i-laghebaert) — Boekenkennis (met 
plaat). (Aug. Gittée, J. Micheels, Am. Joos, X., enz.). — Inhoud van tijdschriften. — Omroeper. 

— Bijlage : Prédécesseurs des Princes de Nassau dans la principauté d'Orange (L. De Backer). 
N"" 2. — Reuzenfeesten. Praalstoet teLier (met plaat). (Red.). — De vroegere ommegangen te 

Lier (met plaat). (Eug. Mast). — Het testament van een aanzienlijken Brusselaar der XIV« e?uw 
(met 2 wapens.;hildei]). (Joh. Theod. de Raadt). — Schilderijen ])etreffende het gevecht tusscheu 
Breauté en Lekkerbeetje in 1600 (Ch.-C -V.Verreyt). — Bereiding der goudkleur in de XV«eeuw 
(M. Keuffer). — Een vlaamsche bibliothecaris uit de vorige eeuw Godfridus Bouvart (I)om Willi- 
brord van Heteren, O.S.B. — Maredsous). — Trcze Jowie. Novelle (Pol de Mont). — Laureys van 
Papeubroeck, de vader van Pater Daniël genaamd Papebrochius. Geslachtsboom, rij mwed strijden 
en huisboek (J.-F. Kieckens, J.S.). — Isaac Neuton en zijn muntverslag (Graaf Ma'urin Nahuys). 

— Het geslacht van Reede van Outshooi'n (j Joz. Allierdingk Thijm). — Vondeléaua. — Boeken- 
kennis (X.,L. Mathot, Dr. A. Dupout, enz j. — Inhoud van tijdschriften. — Omroeper. 

Volkskunde, IV, N'' 4. — Volkshumor in geestelijke zaken. Vervolg (Aug. Gitteé). — Volkslie- 
deren: 1. (13.) De Muzikant (P d.I\I.). — Boekbeoordeelingen (P. de Mont en Aug. Gittée). — 
Vragen en aanteekeningen : Kerstmis, Nieuwjaar en Dertiendag (M. Verkest). — Dieren voor 
't gerecht. — Het niezen, enz. 

Biekorf, 11, N'' 7. — Van twee Houtkappers (LD. C). — Hallelujah (Guido Gezelle). — Vlanderen 
(J. Seghers). Ton uitewaardsgange (Guido gezelle). — Over Mikroben of Leveliugen. — A in- 
gelmaren. 

De Student, XI, N'" 3. — Rust is Roest !(\Vijgwin). — Het Vlaamsch en het maatschappelijk 
vraagstuk (A.v.P.). — Historie van Kiosken (Jakke). — De Doopskerk (E.P.X). — Onze Priesters 
(J.V.O.). — Opwerpingen en Antwoorden (AUowijn). — Twee spreekwoorden (J.Z.T.). — Of het 
noodig is dat de Vlaamsche Beweging op politiek terrein kome? (P. A.E.F.). — Volkswijsheid. — 
Studontengenootschappen (Willem). — Een Plekje (H, Van Cleemen). — Mededeeling. — Menge- 
lingen. — Gouwdag van Lier. — Aankondigingen. 

De Vlaamsche standaard, I, N""^ 11-12 — Emmanuel Jozef Van Gansen (V.). — Visioen (JuliusG.). 

— Vier heemsche dichten. 

Volk en taal, III, Ni' 10. — Ten kampe onverpoosd (A. van Heuverswyn). — Bijdrage tot den 
Nederduitschen taal?chat (P. van den Broeck). — Scherminkelen (K. van Caeneghem). — Waarom 
de kat de muizen opeet. (P.B). — Strootje en Koolke Vier. — Stekelbaars en puitshoofd in Oost- 
Vlaandereu (A. van Heuverswyn). — bijzeliedjes (P.B.) — Spreuken, Leuzen en Zegswijzen 
waar 't woord God in voorkomt (M E.E.Amri). — Bij 't slapengaan (A. van Heuverswym — Van 
alles (Th. van Heuverswyn). — Verklarejid woordenboek. 

Het Belfort, VI, N'' 5. — Galileï (Em. Scheerlinek, past.). — Eenige woorden over kerk schildering 
(Constant van Pokseele). — De Slavenhandel (J.L.V'an Wamp). — Amor (O. Loosen, S.J.). — De 
verdere vervlaamsching van het middelbaar onderwijs van eersten graad of Latijn en Grieksch 
door hetVJaamsch onderwezen (A. Roegiers, prof.). — Het Algemeen Stemrecht en de herzienino- 
der Grondwet (A. Jassens). — Wenken en vragen. — Johan Alfried De Laet (A.). — Boekennieuws 
enkronijk. 

La Tradltion, V, n'' 4. — Les proces de sorcellerie au moyen-age. 11. Jurisprudence et procédure 
en matière de sorcellerie (Henry van Elven), — Chansons jjopulaires du Quercy, V-VI (Froment 
de Beaurepaire). — Le folklore de BeJgique. XIII. La foudre (Alf. Harou). — EÏcments de tradi- 
tionnisme ou folklore. IV. Le fétichisine (Thomas Davidson). — Monstres et géants. X. Le o-éant • 
d'Ypres (A. Desrousseaux). — L'enfant noyé (Achille Millien). — Chansons populaires de fa Pi- 
cardie 111 (Henri Menu). — Les moines de Cimiez, conté nigois (Vic''*^ de Colleville). — Quand 
j'allious voir ma maitressc, chanson picarde (X. Mosmann). — Les miettes de la tradition pari- 
sienne (E. Blémont) — Contes de Provence (Dr. Bérenger-Féraud). — Sobriquets des régiments 
et des grades dans 1'armée allemande (René Stiébel. — Bibliographie (Henry Carnoy et Auo-. 
Gittée). — Le mouvement traditionniste. 

Revue des Tradilions populaires, VI, n^" '6. — Traditions et superstitions des ponts et chaussées. 
VII. Les ponls. Rites de la constructiou (P. Sébillot). — Le pont d'Artos, chant albanais (Hedw. 
Heinecke). — Pièces de monnaie dans les fondations. Libations a la pose de la clef de voute 



72 " Ons Volksleven. " 



(Fargue). — VIII. Les Egouts(P. S.). — Chansou deslivrées. F. Ariège (L. Ruffié). — Lespoissons 
fantastiques. 1 Le poisson Kicole (P. Chardin) — Les cent Ethius, conté poitevin (R. M. Lacuve). 

— Les mines et les mineurs. VIII. Additions (C. de Castelnau). — Solaïman dans les légendes 
musulmanes. VI. Les objets mery eiWenx. Stiite. (R. Basset). — Pastiche de chansons populaires 
11 (J. Tiersot). — ïraditions et superstitions du Dauphiné. 11 (A 1'erraud). — La galette de pain, 
légende arahe (A. Certeux) — Superstitions béarnaises (H. Pellisson). — Voyageurs fjangais et 
étrangers. 1. Thévenard (D. Hellet). — ÜJio légende de sorcellerie en Augleterre (M'"^ Murray- 
Aynsley). — Le culte du marteau. 1. Chez les Litliuauiens : le soleil captif (R. Basset). — Légen- 
des et superstitions préhistoriquos VIII. Pierrcs qui touruent (G. Fouju). — Les villes englouties. 
II. Baies (R. Basset). — La légende du diable dans le pays de Vannes. (P -M . Lavenot). — Les 
rites de la construction. I. Sacrifices humains en Océauie (R. Basset). — 11, En Ecosse (W. Gregor). 

— Livres populaires. 11. Chanson en forme de complainte de Jehan Dubus. — Deux rondes d'eu- 
fants : Aube (L. Morin). — Scepticisme populaire (J. Tiersot). — Origine des rosos mousseuses. 
légende d'Anvers(A. Harou). — La danse des fces, légende d'Auvergne (A. Bon). — Extraitset 
lectures (A. Ifescubes). — Bibliographie (Aug. Gittée, P. S.). — Périodiques. — Notes et enquêtes. 

Zeitschrift flir Volkskunde, III, N»' 7. — Die Kalewala vom asthetischen Standi^unkte betrachtet 
(Julius Krohn's finnische Litteraturgeschichte, L 1). (Uebersetzt von O. 1'.). — Die Influenza (O- 
Kooop). — Wendische Sagen der Niederlausitz (Edm. Veckenstedt). — Albanesische Marchen und 
Scwankc (J. U. Jarnick). — Volksüberlieferungtn aus Oesterreich (Franz Branky). — Die alten 
nordischen Frühlingsfeste. Nach dem Danischeu des Troels Lund (Poeston). — Bücherbespre- 
chungen (Edm. Veckenstedt). — Zur Bücherkunde. 

Am Ur-Quell, Monatschriftfür Volkskunde, herausgegeben von FHedrich S. Krauss, Wien, VII, 
Netistiftgasse, 12. Admmistration in Lunden in Holstein. (Preis ganzjdhrig 4 Mrk = %Jl. 40 kr.) 

II, Is'"" 1. — Die Windhose (Alb. S. Gatschet). — Zur norwegischen Sagenlbrschung (Prof. Han- 
delmaun). — Das Kind bei den Juden (M. Winternitz). — Die Liebestaufe bei den Polen (J. Kar- 
lowicz). — Die Menschwerdung des heiligen Pauteleimon (Krauss). — Volksmcdizin (G. Kupcz- 
anko). — Die Prinzessin von PJngland (Krauss). — Volkswitz in Ratseln (H. Volksmaun). — Ost- 
preussische Sprichwörtcr, Volksreime und Provinzialisnieu (.J. Sembrzycki). — Zigeunertaufe in 
Nordungarn (hl. v. Wlislocki). — Geheime Sprachweisen (Krauss). — Volkglauben (W. v Hagen 
und H. Volksmann). — Ein oftenes Wort au Sammler (L. Franl<«l). — Kleine Mitteilungen. — 
Vom Büchertische(Besprechungen von Landau, Frilnkel, Krauss). — Anzeigen. 

ISI'" 2. — Eine deutsche Gesellschaft für Volkskunde (Krauss). — Dus Kind bei den Juden (Win- 
ternitz). — Die Liebestaufe bei den Polen (J. Karlowicz). — Kansom by Weight (Prof. H. Gaidoz). 

— Volksglauben (L. Frahm). — Volksmedizin (G. Kupczanko). — Ostpreussische Sprichvvörter, 
Volksreime und Provinzialismen (,I. Sembrzycki). — Trinkgefasse in Bosnien und Herzögischen 
( Dr. Pordes). - - Geheime Sprachweisen (Krauss). — Kleine Mitteilungen (Krauss & M. Röslei-). — 
Vom 1 üchertische (Besprechungen von Krauss). — Anzeigen. 

Is "'S. — Zur norwegischen SagenforschuBg(H. Handelmann). Magyarischer 1 iebeszauber (Dr. 
H. V. Wlislocki). — « Wetter machen » (H. F. Feilberg). — Der Eid im Volksleben. Eine En- 
quête (II. Frischbier). — Ransom by Weight (Prof. H. Gaidoz). — Volksmedizin (G. Kupczanko). 

— Ostpreussische Sprichwörtcr, Volksreime und Provinzialismen (J. Sembrzycki). — Geheime 
Sprachweisen. Eine Enquête (Krauss). — Sagen und Marchen (K. Knauthe). — Kleine Mitteilun- 
gen. — Vom Büchertische (Besprechungen von Krauss). — Anzeigen. 

Zeitschrift des Vereins iür Volkskunde, I, IS'"" 2. —Land und Leute der Saalegegenden (Aug. 
Meitzen). — Die Eichenfrucht als menschliches Nahrungsmittel (Carl Bolle). — Der Tot in Sitte, 
Brauch und Glauben der Südslaven (Fr. S. Krauss). — Die Annalen des liischofs Gisü Addsson 
in Skalholt von 1637i.lón Porkelsou). — Segen und Heilmittel aus einer Wolfsthurner Hand- 
schrift des XV. Jahrhunderts(Osw. von Zingerle). Glaube und Brauch in der Mark Brandenburg 
(H. Prahn). — Volkssegen aus dem Böhmerwald (J. J. Ammann). — Kleine Mitteilungen (K. 
Weinhold, Carl Dirksen, Jasper). — Bücherauzeigen (K. Weinhold, Fr. Stolz, U. Jahn, Au^. 
Gittée). — Aus den Sitzungs-Protokollen des Vereins für Volkskunde (U. Jahn). — Bibliographie 
(Dr. Friedr. Back, mit unterstützung der H.H. Aug. Gittée, J. B. Vervliet, K. v. Maurer und 
Kr. Nyrop). 

The Journal of American Folk-lore, III, N'" 11. — A contribution to Passamaquoddy folk-lore (J. 
Walt. Fewkes). — Concerniug ^egro sorcery in the United States. — Song-games of Negro 
children in Virginia (Mary Almsted Clarke). — EngJish folk-lore in America (Geo. Lyman Kitt- 
redge & Sylvanus Hayward). — Blackfoot Indiau legends (John Mc. Lean). — A Phonetic alpha- 
bet used by the Winnebago Tribe of Indians (Alice C. Fletcher). — Negro creation legend (A. 
F. Chamberlain). — Notes on ihief talk (W™ Cumming Wilde) — VVaste-basket of words. — 
Folk-lore scrap-book. — Notes and queries. — Bibliographical notes. — List of members of the 
American folk-lore society. — Index to Volume III. 



ONS VOLKSLEVEN. 



Antwerpsch-Brabautsch Tijdschrift 

voor Taal en Volksdichtveerdigheid , 

voor Oude Geljruikeii, Wangeloofkunde, 

enz . In twel f nommers van twelf bladzijden 

in 80. 

Te Brecht, 

bij li. BUAECKMANS. 




« Er is nog een rijke oogst op het veld 
der gewestspraken voorhanden; veel 
volksuitdrakkingen dreigen te verdwij- 
nen die om hunne juistheid, schilder- 
achtisrheid of oudheid verdienen in de 
schrifttaai opgenomen en bewaard te 
blijven, n 

Zuid-Nederlandsche Maatschappij 
VAN Taalkunde, Wedstrijd 1874. 

«De studie der folklore heeftvoor doel 
ons volk in zijne eigenaardige zeden en 
gewoonten, in zijn innig geloof enkarak- 
ter te leeren kennen, in één woord, het 
volk zooals het is. n 

Vraagboek over Vlaamsche Volksktmd*. 



HET BESTOLEN WEERDINNEKE. 

Een weerdinneken had geërfd. Het was een heel sommeke; eenige duizend 
daalders. Ik laat u denken of ze blij was. 

Maar, de vreugde is dikwijls eene slechte raadgeefster; ons weerdinneke 
zou het ondervinden. 

Ze was nu alleen gaan wonen in heur huiske. Nu, in plaats van te zwij- 
gen, en aan geenen sterveling over hare erfenis te spreken, kon zij heure 
blijdschap niet verkroppen, en op één, twee, drij, wist alleman dat zij 
zooveel en zooveel, en van wie en waar geërfd had. 

Ik heb u gezeid dat zij alleen in heur huizeke w^oonde. Op 'nen nacht dat 
zij gerust sliep, wordt zij eensklaps wakker van zoo'n vreemd gerucht; zij 
hoort stappen, de trappen kraken en eene ijzeren keting wordt over den 
grond gesleurd. 't Was al erger of het spookte in heur huis. Schreeuwen 
kost ze niet ; ze stak heur hoofd onder 't deksel en bleef zoo liggen daveren 
van schrik. 

Daar gaat ineens de kamerdeur open en drij mannen... 'k misspreek me, 
drij spoken komen binnen. 

Het eerste spook was heelemaal in 't rood gekleed, met vleugels aan de 
schouders, lijk 'nen engel. Het tweede w^as zwart als een duivel, met horens 

op zijnen kop, 'nen steert en een lange ijzeren keting, die over den vloer 

sleepte, 't derde had een gezicht gelijk 'nen doodskop en was in een wit 
laken gedraaid. 

Ge kunt denken hoe het weerdinneken heur had, toen ze dat allegaar 
zag, want een van de gasten had het laken van over heur gezicht wegge- 
trokken. 

Maar het ergsie moest nog beginnen. De drij spoken gingen voor het bed 
staan : de roode engel rechts, de zwarte duivel links en de dood in 't midden, 
't Scheen dat ze 't op 't geld van 't weerdinneke gemunt hadden, want de 
dood kwam 'nen stap vooruit, pakte de vrouw bij heur hoofd en zei met een 
holle stem : 



74 « Ons Volksleven, y 



" Vrouw, gij hebt geërfd, en dat geld kwam u niet toe. Onrechtveerdig 
goed gedijt niet; het houden is zonde, en de zonde moet gestraft worden. 
We zijn van God gezonden om de straf uit te voeren : ge moet sterven. » 

Het woerdinneke was van schrik meer dood als levend, maar toch had ze 
nog bewoud genoeg om te zeggen dat zij van het geld afstand wou doen, 
als men heur maar wilde laten leven. Ge begrijpt, 'ne mensch zou veel doen 
als 't nijpt. 

De engel in 't rood was van de dood heur gedacht en de zwarte duivel zei 
niets : die schudde verveerlij k met zijn keting. 

Nu, 't weerdinneken hield aan heur leven; zoo jong sterven, 't had geenen 
aard, en daarbij 't was zoolang dood te zijn ! En dan nog, sterven zonder 
biechten of berechten, neen, dat was te wTeed ! 

Ze grees dat er het end aan verloren was; 'i was om een steenen hert te 
doen breken. Als dat nu lang genoeg geduurd had, zei de engel in het rood : 
Het berouw dat ge toont, komt wel wat laat, maar ik geloof dat het ge- 
meend is. Daarom zullen wij u het leven laten, maar ge gaat ons seffens al 
uw geld en juweelen afgeven, en daarbij beloven dat ge nooit of nooit aan 
iemand zult zeggen, wat er hier dezen nacht gebeurd is. Spreekt ge er aan 
iemand af, we zullen het seffens weten ; w^e komen terug, en uw lichtje 
wordt uitgeblazen 1 

De twee andere spoken knikten, en de duivel schudde nog eens verveerlijk 
met zijn keting. 

Daarop vertrokken de drij geesten, na eerst hunne zakken met het geld 
en de juweelen van 't weerdinneke gevuld te hebben. 

Die nu 't meeste gefopt was, dat was het weerdinneke, want — en dat is 
eene les voor al die zijne tong te lang laat hangen — de drij spoken waren 
drij dieven, die met 'nen slimmen streek het babbelachtig weerdinneke 
fijnekes uitgeplunderd badden. 

Bij het bestudeeren onzer sagen en legenden, is het veeltijds moeilijk, 
dikwijls onmogelijk, op eene voldoende wijze het tijdstip vast te stellen, dat 
zij in omloop zijn gebracht, of de omstandigheden weer te vinden, waar zij 
hun ontstaan aan te danken hadden, en om aldus tot hunnen oorsprong op 
te klimmen. 

Dat is eenigszins het geval met het hierboven meegedeelde vertelsel. 

Indien wij ons nochtans eenige gissingen mochten veroorloven, dan zou- 
den wij, gesteund op zekere omstandigheden, het ontstaan van de sage 
stellen in den loop der vorige eeuw. 

De grond van de vertelling is ons dunkens een diefstal die, in zonderlinge 
omstandigheden gepleegd, grooten indruk op het volk gemaakt heeft, en 
waarvan het verhaal, van allen opsmuk ontdaan, op het volgende neerkomt: 

« Een kosthuishoudster had eene schoone erfenis opgedaan. Zij liet heur 



« Ons Volksleven. r> 75 



bedrijf varen en betrok alleen haar huiske. Het nieuws deed weldra de 
ronde en drij schelmen, misschien wel vroegere kostgangers, besloten van 
die omstandigheid gebruik te maken om den schatte rooven. De dieven 
verkleedden zich, drongen in huis en namen het geld mee. Doch Moeder 

Justitia, die aan geen hekserij gelooft, wist de spoken op te sporen, en 

welke straf zij op hen toepaste, dat zegt de geschiedenis niet. » 

Zulke gebeurtenis kon niet^ongemerkt voorbijgaan. De teweeggebrachte 
indruk gaf gelegenheid lot het opgesmukt vertelselken, dat met der tijd 
minder waar, meer fantastisch wierd. Maar niet enkel onder den vorm 
zooals wij ze meedeelden, zou de gebeurtenis in het geheugen des volks 
voortleven, ook als lied moest ze van mond tot mond gaan. 

De eerste de beste liêkenszanger goot er zijne poëzie over uit, en half 
vertellende, halfopzeggende, dischte hij aan 't volk, rond hem op de eene 
of de andere merkt vergaderd, het verhaal op van den diefstal, terwijl hij 
op zijn beschilderd doek, de bijzonderste gebeurtenissen met een stoksken 
aanwees. 

Wilt g'een staaltje van zijne '• dichterlijke uitboezemingen ^ ? De weinige 
regels die wij er nog van kennen, zullen voldoende zijn om u een gedacht 
van zijne begaafdheid als rijmelaar te geven. 

Aan het deel van zijn verhaal gekomen, waar de dood aan 't weerdinneke 
heur lot doet kennen, dicht hij : 

De dood, de dood, dat leelijk spook, 

Dat voor het bed stond zwerven (!) 

Zij pakte 't weerdinneken bij haar hoo(f)d : 

Weerdinneke, gij moet sterven; [bis) 

Voor u is geen remis(e), 

Omdat gij hebt geërfd, dat onreclitveerdig is. 

Waarop het doodverschrikte weerdinneken enkel kan antwoorden : 

Bezit ekik onrechtveerdig goed ? 
God laat het wederom keeren ! 

Maar de geesten laten zich niet bewegen : 

Daar valt niet van wederom (te) keeren, 
Zoo sprak de(n) engel in het rood ; 
Want gij moet mee ter aarde, 
Zoo sprak de leelijke dood. 

Maar genoeg. De inhoud van het hooger meegedeelde vertelseltje volstaat, 
en laat ons toe de rijmelarij van den liêkenszanger gerust achterwege te 
laten. 

(Antwerpen.) j. B. Vervliet. 



76 « Ons Volksleven. » 



SAGEN EN LEGENDEN. 

A. — Legenden betrekkelijk de ü. L. Vrouwekerk van Tongeren. 
5. (30) Van O. L. Vrouw met den Druiventros. 

O. L, Vrouw wordt in de kerk van Tongeren verbeeld, dragende op den 
rechterarm het kindeke Jesus, en houdende in de linkerhand eenen tros 
druiven. Aan dezen tros ontbreekt van onder cene bezie. Zieliier wat de 
legende desaangaande verhaalt : 

Op zekeren dag knielde eene vrouw met veel godsvrucht voor het beeld 
van O. L. Vrouw en stortte een vurig gebed, toen haar opeens de druiven- 
tros in de oog viel. Eene hevige begeerte om echte druiven te bezitten, 
bekruipt haar en doet haar watertanden. Maar wat gebeurt er?... O. L. 
Vrouw, vol medelijden met de arme zondares, verandert eene van de hou- 
ten druiven in eene echte, die voorde voeten der vrouw gaat rollen. Deze 
raapte ze op en at ze met veel smaak op. 

Zoo komt het, dat er eene druif te kort is aan den tros van O. L. Vrouw 
van Tongeren. 

6. (31) Van een Lieve- Vrouwebeeld dat aleen de processie ging. 

In de processiën, langs de straten der stad, is het de gewoonte, sedert 
onheuglijke tijden, het beeld van O. L. Vrouw mee rond te dragen. Maar 
op zekeren feestdag dat de processie moest uitgaan, was het slecht weder 
en men liet O. L. Vrouw in de kerk, omdat men vreesde hare kleederen 
door den regen te bederven. Maar de H. Maagd was, zoo 't scheen, daar 
niet over tevreden ; den volgenden morgen vond men den sleep van haar 
kleed heel en gansch met modder bedekt. 

Wat was er gebeurd ?... Des nachts was het beeld van zijnen troon geko- 
men en had aleen de slijkerige straten der stad doorwandeld, (i) 
7. (32) Van den gestraften Dief . 

Onder het portaal, langs den kant /er Maastrichtsche straat, staat het 
beeld van O. L. Vrouw van Bijstand, en daarover een offerblok. Vóór den 
offerblok, in eenen tegel van den vloer, kan de aandachtige beschouwer 
den indruk van twee voetstappen bemerken. Men zegt dat het die zijn van 
eenen dief, die des nachts den offerblok wilde plunderen, maar door een 
wonder aan den vloer als vastgenageld bleef. Zoo strafte God zijne heilig- 
schennis. De dief bleef daar staan tot 's morgens, toe, waneer hij door eenige 
kerkbedienden gevat en aan het gerecht overgeleverd wierd. 

8. (33) Van de gestrafte Heiligschenders. 

In het jaar 1830, anderen beweren in 1815, na de nederlaag van Napoleon, 

(2) kreeg de stad Tongeren het bezoek van eene bende soldaten. Een groot 



(1) Men verhaalt hetzelfde van de H. Amelberge, te Tomsche ea omstreken. Z. Amaat Joos. 
Vertelsels van het Vlaamsche Volk, 1" deel, N"" 44, bl. 71. 

(2) Die legende is denkelijk veel ouder. 



u. Ons Volksleven. » 77 



gedeelte onder hen maakten van den ommegang- der Hoofdkerk hun kwar- 
tier. Nu, in dien ommegang staat een beeld dat Jezus op den kouden steen 
voorstelt. Zonder eerbied voor de plaats waar zij zich bevonden, en nog 
minder voor het beeld, herbegonnen de baldadige en goddelooze krijgs- 
knechten de spotternijen en beschimpingen, die Jesus bij den Hoogepriesier 
had moeten onderstaan. Maar die heiligschenderij kon niet ongestraft 
blijven ! Des nachts, toen allen in diepen slaap gedompeld lagen, wierd het 
op eenmaal stikdonker in de kerk en op denzelfden oogenblik, kreeg iedere 
soldaat geweldige kaakslagen en gevoelde de schrikkelijkste pijnen, In 
hunnen angst hadden de heiligschenders goed eenen uitgang te zoeken, 
alles was te vergeefs. Tot den morgen toe wierden zij door eene onzichtbare 
hand gekastijd ! Toen eindelijk de slagen ophielden, bekenden zij dat God 
hun eene verdiende straf voor hunne heiligschennis had toegediend; zij 
bekeerden zich en werden brave Christenen. 

Gehoord ie Toncjemi. Alf. Harou. 

B. - Waversclie Legeoie. 

9. (34) O. Li. Vrouw van Scherpenheuvel. 

Evenals men den Mechelaren den spotnaam Maanhlusschers naar het 
hoofd werpt en de Antwerpenaars met dien van Sinjoren b^^groet, zoo heb- 
ben de ingezetenen van O. L. Vrouw- Waver hunnen toenaam : men heet ze 
de hoovcerdif/e of ftere Waveraars. Ziehier hoe men den oorsprong van dien 
bijnaam verhaalt. In den ouden tijd bezat men te O. L. Vrouw-Waver een 
grof gesneden Lieve-Vrouwebeeld. Het toenmalig kerkbestier deed daarom 
het oude beeld naar den zolder vei'huizen en stelde in de plaats een ander, 
dat fraaiei' van vorm en maaksel was. Op zekeren dag dat de koster de kerk 
opendeed, om vooi- de vroegmis te luiden, vloog het verlaten beeld der 
Moeder Gods heen, terwijl het hem de volgende woorden toeriep : « Vaar- 
wel, hoogmoedig Waver ! Gij hebt mij verstooten, omdat ik niet fraai 
genoeg ben voor u. Ik verlaat u, maar in 't vervolg zult ge eenen weg van 
zeven mijlen moeten afleggen om mij weer te zien. ^ 

Volgens do overlevering zou het beeld der Moedermaagd gevlogen zijn 
tot Scherpenheuvel. Daar zou het in eenen boom terecht gekomen zijn, om 
later, in de kerk geplaatst, door talrijke wonderen, de faam zijner nieuwe 
woning wijd en zijd te verspreiden. 

Wondere zaak ! geen enkel der talrijke werken, aan het wonderbeeld 
van Scherpenheuvel gewijd, maakt, melding van deze legende, die te O. L. 
Vrouw-Waver en in de omstreken goed gekend is. 

(J.-Th. de Raadt. Wavre-Noirc-Dame et ses Seigneurs). 

J. B. V. 



« Ons Volksleven. « 



VERTELSELS. 
2. (33^ Van Wolf jonk en de gevangen Koningsdochters. 

(Vervolg). 

Op eene diepte van duizend meters gekomen, voelde Wolfjonk dat hij op 
vasten bodem stond. Zijn eerste werk was rondzien of hij nieverans niets 
bemerkte. Hij vond inderdaad eene deur, en hij seffens de koord van zijn 
lijf en de deur opengedaan. Nu kwam hij in eene plaats waar het licht was 
en langs waar hij een leven hoorde en een lawijt, als van honderden men- 
schendie feest aan 't houden zijn. Nieuwsgierig om te vernemen wat daar 
allemaal gaande was, stapte Wolfjonk die kamer door en opende de deur 
langs waar het gewoel hem toekwam. Wat vond hij mij daar ?.... Met hon- 
derden en honderden Kaboutermannekes, die daar dooreenwemelden gelijk 
'ne nest moerzeiken of 'ne zwerm bieën. Ge kunt wel denken, hoe die dwer- 
gen stonden te kijken, toen Wolfjonk, zoo heel en gansch onverwacht, 
hunne foest kwam storen; want ge moet eens goed verstaan, de Kabouter- 
mannekes vierden juist de verjaarfeest van hunnen hoofdman. 

Maar Wolfjonk was niet bang van de mannekes zulle, al waren ze ook 
zoogesterken; noen, hij ging hij parmentelijk en op zijn zeven gemakken 
eenige keeren weg end weer door de zaal, totdat hij voor eene ijzeren deur 
stilhield die gesloten was. Wolfjonk begost er aan te loteren en wou ze 
opendoen, maar seffens sprongen er eenige dwergen toe, die tot Wolfjonk 
zeiden : « Gaat daar niet l3innen, of ge zult weten waar het merkt is; er zit 
daar een draak met zeven koppen en die verslindt u met huid en haar. " — 
Maar Wolfjonk lachte daar 'nen keer mee, en, in plek van terug te trek- 
ken, nam hij zijnen ijzeren stok en begost er mee op de deur te batteren, 
zoodat ze na eenige slagen uit heure hai-ren sprong en op den vloer neer- 
plofte. 

Nu stond Wolfjonk in eene kostelijke zaal, zooals hij er van zijn leven 
nog geen gezien en had. 't Was daar allemaal kleer goud en zilver, gelijk 
in 't paleis van 'nen koning. 

T'enden van de zaal stond een troon van goud en diamant, en op dien 
troon zaten drij juffrouwen als beelden zoo schoon en gekleed lijk konin- 
ginnen. Terwijl Wolfjonk verbaasd de drij prinsessen stond te begapen, 
hoorde hij ineens een vreeselijk gebrul en hij zag den draak met zeven 
koppen uit zijn hol komen, gereed om hem te verscheuren. De draak kwam 
al brieschende op hem toegevlogen, maar Wolfjonk, niet lui gevallen, nam 
zijnen stok en sloeg er mee op het monster dat het huilde van pijn en woede. 
Nu wierd de draak nog kwader en kwam nog eens op Wolfjonk af. Maar 
Wolfjonk, was niet bang; hij sprong vooruit en, rap als de weerlicht, sloeg 
hij met éénen slag, den draak zijn zeven koppen af, en.... de leelijke beest 
was dood. 

Ge kunt niet gelooven hoe blij de juffrouwen waren als de draak versla- 
gen lag en hoe zij Wolfjonk bedankten, omdat hij hen was komen verlos- 



« Ons Volksleven. » 79 



sen. Ze vertelden hem dan dat zij drij koningsdochters waren, die door de 
Kaboutermannekes gestolen waren en in die ondereerdsche gevangenis 
bewaakt wierden door den draak met zeven koppen. 

Wolfjonk kreeg van iedere koningsdochter een schoon geschenk : van de 
eerste, 'nen gouden armband ; van de tweede, 'nen gouden appel, en van de 
derde, een gouden peer. Daarbij wilden zij dat hij met hen naarden koning, 
hunnen vader, zou gaan, opdat zij hem als hunnen redder zouden kunnen 
voorstellen. 

Toen de Kaboutermannekes zagen dat Wolfjonk den draak verslagen 
had en er nu met de drij prinsessen van door ging, waren ze duivelsch 
kwaad en ze trokken een gezicht van eene el l;ing, maar daar was er toch 
geen enkele die iet dierf zeggen. 

Op den bodem van den put gekomen, maakte Wolfjonk de prinsessen 
één voor éen aan de koord vast, en liet ze door Sterken .Jan en den Blazer 
boventrekken. Nu moest Wolfjonk nog opgehaald worden, maar eerst bond 
hij zijnen ijzeren stok aan de koord Als de stok halfwege getrokken was, 
lieten Sterke .Tan en de Blazer ineens do koord los; de stok viel met groot 
gedruisch op den boom terug en... Wolfjonk bleef er onderdood ? 

J:i, zoo meenden zijne twee valsche vrienden, en ze hadden liet er om 
gedaan ook, maar Wolfjonk was bijlange niet dood. Maar ze hadden hem 
toch wel fljnekes verneukt; want daar zat Wolfjonk nu in den put, en geene 
middel om er uit te geraken. 

Wat nu gedaan ?... Wolfjonk verzon niet lang, maar hij gong terug naar 
de zaal daar de Kaboutermannekes bijeen waren. Na weinig zoekens vond 
hij het Kaboutermanneke dat hij m de kluis eens zoo'n goei taffeling gege- 
ven had. Dat manneke, toen het Wolfjonk in de oog gekregen had, was 
stillekes in een hoekske gekropen, en 't zat daar te rijlon van schrik. 

« Kom gij eens hier, n zei Wolfjonk tegen het manneke, « en helpt mij 
hier eens uit, of ge zult er niet goed van afkomen, zoo waar als ik Wolf- 
jonk heet ! ^ Bevende van schrik, blies het manneken op een' fluitje, om de 
Kabouters te doen bijeenkomen. Seffens kwamen ze uit alle hoeken en 
kanten toegestoven, en de hoofdman zei dat ze Wolfjonk, den gevreesden 
aardbewoner, moesten boven brengen. 

Wolfjonk ging op de schouders van 'nen dwerg staan, en hij had maar 
het woord " hieronder 1 uit te spreken, om iederen keer eene menigte 
Kabouters onder de voeten van den dwerg te doen komen. Zoo stonden er, 
geloof ik, wel tachtig duizend, de eene op den andere, en Wolfjonk kwam 
zonder ongeval uit den put. Toen hij boven was, gat hij den bovensten 
dwerg 'nen achterwaartschen stamp, en de duizenden Kaboutermannekes 
vielen gelijk een kaartenhuis uiteen en tuimelden hals over kop in de diepte. 

Wolfjonk lei den steen terug over den put en zette alleen zijne^ reis voort 
mot zijnen ijzeren stok, zonder te weten waar hij zou aanlanden. Als hij nu 
'nen heelen tijd gegaan had, kwam hij in eene groote stad, M^aar het volop 



80 « Ons Volksleven. « 



teest was. Geen wonder : de drij dochters van den koning waren terugge- 
komen, na jaren afwezig zijn, en daarom wou hun vader eens lustig feest 
vieren. Wolf jonk begreep seffens van welke drij koningsdochters er spraak 
Avas, en dus besloot hij in de stad te blijven. 

Hij wandelde zoo al herres en gensters (i), en ging eindelijk eene herberg 
binnen, waar hij hoorde zeggen dat de koning 'nen prijs uitloofde aan den 
goudsmid, die hem het beste 'nen gouden armband, 'nen gouden appel en 
een gouden peer zou maken. 

Wolf jonk dacht : dat is de zaak, en hij seffens op zoek naar 'nen goud- 
smid, bij wien hij zich verhuurde. 

Wolfjonk's nieuwe meester wou ook meekampen naar den uitgeloofden 
prijs, en hij was er niet weinig om bekommerd lijk ge w^el peizen kunt. 
« Baas, " zei Wolf jonk den tweeden dag aan den goudsmid, " wilt ge mij 
met het werk belasten, ik beloof u dat ik de kunststukken maken zal. Geeft 
mij enkel twee dagen en twee nachten, dat ik heel alleen in de smis werken 
kan. T 

De goudsmid was tevreden, en Wolfjonk bleef twee dagen en twee nach- 
ten alleen in de smis, niet om te werken, maar om aan zijnen arbeid te doen 
gelooven, en ook, om den gouden arm))and, den gouden appel en de gouden 
peer wat op te poetsen, die hij van de drij prinsessen gekregen had. 

Den derden dag riep Wolfjonk zijnen baas in de werkplaats om hem zijn 
werk te toonen. De goudsmid stond stom, want schooner kunststukken 
had hij van zijn leven niet gezien. Hij prees Wolfjonk om zijne behendig- 
heid en zei dat niemand als hij den uitgeloofden prijs behalen zou. 

's Anderendaags ging Wolfjonk naar den koning zijn paleis, om hem de 
gouden voorwerpen te toonen. Er was juist oen groot feestmaal, waar 
behalve 's konings dochters, ook Sterke Jan en de Blazer en de groote 
mannen van het land mee aanzaten. 

Nu, zoogauw als de koning vernam dat er iemand gekomen was om hem 
over den prijskamp te spreken, sprong hij seffens van tafel op om de 
gebrochte kunststukken te keuren. Pas had hij den gouden armband, den 
gouden appel en de gouden peer gezien, die Wolfjonk hem voorlei, of hij 
liet 'nen schreeuw^ van verwondering en blijdschap. Hij nam de gouden 
voorwerpen en liep er mee naar de feestzaal om ze aan zijne dochters en 
zijne genoodigden te toonen. Daarop gebood hij aan 'nen knecht Wolfjonk 
binnen te brengen. 

Nauwelijks hadden de jonge prinsessen hem gezien, of zij riepen : « Dat 
is onze redder ; dat is de man die ons uit de gevangenis der Kabouters en 
de klauwen van den draak verlost heeft 1 » 

De koning was verwonderd. « En wat voor mannen zijn dat dan ? » vroeg 
hij, en hij wees op Sterken Jan en den Blazer, die zich zoo klein mogelijk 
wilden maken om van Wolfjonk niet gezien te worden. 



(1) Herwaarts en gindswaarts. 



« Ons Volksleven. « 81 



Nu kwam de kat op de koor. De prinsessen hadden Sterken Jan en den 
Blazer als hunne redders voorgesteld, want de twee mannen hadden hun 
wijsgemaakt dat Wolfjonk heel onnoozel verongelukt was. De twee valsch- 
aards waren door den koning heel vriendelijk ontvangen geweest, en ze 
zouden binnenkort ieder met eene prinses trouwen. 

Maar nu veranderde de kaart. Wolfjonk begost zijne geschiedenis te 
vertellen en uit te leggen hoe trouweloos zijne twee makkers hem behan- 
deld hadden. 

Toen wierd de koning zoo ijselijk kwaad dat hij de twee schelmen op 

staanden voet aan de galg liet hangen. 
Wat Wolfjonk betreft, hij kwam in groote eer bij den koning, en trouwde 

kort daarop met de oudste prinses. 

Eenige jaren later kwam de koning te sterven en, daar hij geene zonen 
naliet, wierd Wolfjonk koning uitgeroepen. 

Wolfjonk legeerde met veel wijsheid en verstand en, als hij nog niet 
van den troon gegaan is, dan zit hij er nog op. (i) 

Gehoord te Merxplas. Meegedeeld door E. M. Verbruggen- 



KINDERRIJMEN. 
Knie- of Rijdliéken. 

1. 

Dju ! dju ! peer dj e 
Met zijn vlassen steertje, 
Met zijn ijzeren voetjes 
't Peerdje loopt zoo zoetjes. 
Wilr. het nog wat zoeter loopen, 
Dan zal ik het haver koopen. 

Als ik 't peerdeken haver gat', 
Liep het peerdekeu op 'nen draf. 
Refrein 
Dju ! dju ! peerdeken, djut ! 
Ik naar Waver en gij naar Put {= Putte). 
Gij naar Put en ik naar Waver ; 
Geeft dat peerdeke nog wat haver. 
Dju ! dju ! peerdfcken, djut ! 
Ik naar Waver eu gij naar Put ! 
2. 3. 

Dju ! dju ! peerdje, Dju ! dju ! peerdje 

Met zijn vlassen steertje, Met zijnen krommen rug. 

Peteroom is in den stal, Dan leggen we daar een zaaltjen op 

Waar dat peerdeke rusten zal. En dan rijden wij over de brug. 

Geeft dat peerdeken hooi en haver Haar ! hut ! 

En rijdt er mee van Put naar Waver; Eerst naar Waver en dan naar Put ! 

Geeft dat peerdeken haver en hooi Hut ! haar ! 

En rijdt er mee naar 't Boekweitstrooi, Dan rijden we de Putsche kerk omvaar. 
Rbfbein. Dju ! dju ! peerdeken, djut ! enz. Refreïn. Dju ! dju ! peerdeken djut ! enz. 

(1) Vrglk. Volkskunde, II, bl. 238 : Duizend pond erken ; en \olk en Taal, III, hlfz. 268 : \an 
Jan niet zijnen ijzeren stok. 



82 « Ons Volksleven. y> 



Ho ! ho ! peerdje, 
Met zijn vlassen steertje, 
Want mijn peerdeke zal misloopcn, 
Zie ! het loopt alreeds naar Di{e)st ! 
'k Zou mijn peerdeke wel verkoopen 

Dat ik maar 'nen koopman wist ! 
Ik heb 'nen koopman voor 5 frang (= frank) 
Die mij toch niet dienen kan. 
Refrein. Dju ! dju ! peerdeken, djut, enz. 
(J.-Th. DB Raadt. Wavre-Notre-Dame et ses Seigneurs). 

J. B. V. 



VOLKSGEBRUIKEN. 

BH. (1) 
« Pedde. » 

Wanneer men het laatste gi'aan dorscht, wordt er «gedropt," 'l, is te 
zeggen dat al de dorschers te gelijk op den dorschvloer slagen. Die de leste 
slaagt, wordt « Pedde » genoemd. Men maakt 's avonds boekweitkoeken 
gereed, en voor « Pedde » wordt er eene gebakken met de schotelvod in ! 

[Schriele). 

Vrglk. Ons Volksleven, I, bl. 64. « De Looi. » Coquelicot. 



VRAGEN EN AANTEEKENINGEN. 

10. (51.) Herbergreglement. — Te St-Antooius ziet men in bijna al de 
herbergen het volgende berijmd « reglement » hangen : 

REGLEMENT. 

De dronkaard krijgt hier geenen drank, 

De vloeker gaat hier zijnen gank ; (2) 

Die hier wil vechten of wil kijven, 

Zal men al gauw de deur uit drijven. 

Nochtans verkoop ik geerne drank. 

Op schoon plezier, in schoon gezang, ' 

Maar hier ook zit gij voor uw geld. 

En gij geen slechten praat vertelt. 

Als de policieklokke slaat. 

Is 't tijd dat gij naar huis toe gaat ; 

Want later tapt men hier niet meer 

Noch voor een boer noch voor een heer. J. C. 

11. (52 ) Oorsprong van den naam « Bieteuten » of « Biemusschen » 
aan de meezen gegeven. — In verschillige deelen der Kempen worden de 
meezen « Biemusschen ,, in andere streken van hetzelfde gewest, « Bioteuten « 
genaamd. Ziehier den oorsprong van dien naam. Wanneer op 't einde van den 

(1) Z. Ons Volksleven, 1 jaar, bl. 9, bl. 64 en bl. 97. 

(2) D. i. : De vloeker moet hier de deur uitgaan. 



« Ons Volksleven. » 83 



winter, de zon somwijlen wat hevig schijnt, dan komen de meezen op de biekor- 
ven ^evlofïcu en beginnen er langs alle kanten met liunnea bek op te kloppen. 
De biekeiis, uit hunnen lang'^ti winterslaap gewekt en door het goed weder uitge- 
lokt, komen onbedacht aan het teclgat zittsn, alwaar zij door de sluwe mceskens 
gevat worden. Coquelicot. 



INHOUD VAN TIJDSCHRIFTEN. 

't Daghet in den Oosten, Vil, N''^ 3-1. — Limburgsch Nederlandsch : 2" Woordenzange. — 
Plaatsnamen in Linilnirg. — Óver Coninc Sanderbout. — Zeg van Pieter, Lenime en Klaas. — 
Uit boeken, brievenen bladeren : Trouwplechtigheden bij de .loden. Bruiloft van Cana. Para- 
mymphus. — De H. Amandus. — Oud Limburgsch Wangeloof. 

Volk en Taal. III, N' 11. — Werkt allen ! (A. van Heuverswyn). — Bijdrage tot den Nederduit- 
schen taalschat. — Legende van het Siieeuwblommeken (P. van den Broek) — Meiliedje (R. 
Ghesquière). — Kinderspelen (P. b. & Th. v. H.). — Raadsels (A. van Heuverswyn). — Keizer 
Karel en zijn fluitje (P, B.). — Keizer Karel en de boer. — Hoe Haat en Nijd op de wereld 
gebleven is (A. Nameoc). — Van de IJ. Amelberga en den steur (A. van Heuverswyn). — Over 
tijd en weer. — Geschiedenis der kerke van Syughem (ïh. van Heuverswyn). — Van alles. 

Biekorf. II, N"- ^. — Eene Reiiquio van het H. Bloed te Brugge, in de jaren 1056-106'^ (H. Rom- 
mel). — Over den Germaanschen tweeklank ai (Alf. Dassonville). — Mingelmaren. 

Nr 9. — Terzee, o/aan zee, «/"op zee? (Joh. Winkler). — Over Mikroben of Levelingen (Dr. 
Alf. Depla). — ü. L. V. ter Mote te Deerlijk. — Over den Germaanschen tweeklank ai (Alf. 
Dassonville). — Het sneeuwt (J. Js'oterdaeme). — Anseghem. — Mingelmaren. 

N"- 10. — Over Mikroben of Levelingen (Dr. Alf. Depla). — De doorenhage (G. Gezelle) — Over 
den Germaanschen tweeklank ai (Alf. Dassonville). — Beeldspreuken (Guido Gezelle). — Miuo-el- 
maren. 

Het Belfort, VI, K-- e. — De redding van Brugge, met portret van Baron de Maere (Fr. de 
Botter). — De verdere vervlaamsching van het .Middelbaar onderwijs van eersten graad (A. Roe- 
giers, prof.). — Amor (O. Looseu, S. J.). — Veronica (W. F. Dryver). — Wenken en vragen. — 
Galileï(Em. Scheerlinck, past.). — Hoe hij grijs werd (J. F. V. D.). — De verpleging der wees- 
kinderen (I) ) — Nederlandsch taal- en letterkundig congres. — Boekennieuws en Kronijk. 

De Vlaamsche Standaard, 1, N"" 13. — ï^mmanuel Joseph Van Gansen (V.). — Een goede Lesse 
(Hayman). — Opeen Brabantsch kerkhof (llayman). — Kerkhofbloemeken (K.). — Brokskens 
uit de Lovensche wereld (Eddy). 

N'"ll. — EmmanuëlJoseph Van Gansen (V.). — Een tegenhanger van « Eene goede Lesse » 
(Hayman). — De Kleine Rooker (Bert). — Hoe praalt... (Heemman). 

N'" 15. — Naar den Gouwdag. — Herinneringen uit Aarschots verleden : de Aarschotsche 
blinde stadsbelleman en de dankbare gans. — Over schrijfkunst. — De oude Zeeman, Oostenrijk- 
sche legende. — Vlaamsche Grieven. 

Dietsche Warande en Wetenschappelijke Nederlander, IV, N'' 3. — In Memoriam J. J. deLaet, — 
Een Vlaamsche bibliothecaris uit de vorige eeuw; Godefridus Bouvart (Dom Willebrord van 
Heieren, O. S. ]-;.— Maredsous). — Te veel ! (Mei. van .lava) — Standbeeldennieuws. Luim en 
ernst ? (Red.). — Een bewerki, vuursteen — Pantser der steenperiode, gevonden bij Maastricht. 




van tijdschriften. — Omroeper 



■ Kempisch Museum, II, N"" 2. — ('haam. — Certificatie door de Schepenen van srecht afgeleverd 
«voor den dorpe van Chaem. » (J. ^ ichielseu). — Tweede bladzijde uit de geschiedenis van der 
voogdij van MoU, sae len en Desschel. — oe drie Sciiuttersgildcn (Ad. Reydams). — Sauvegarde 
van denGracfvan l.eycester. 14. Aug. löbG. —28 Nov. 1586 (P. Vues). — St-Jabobsgodshuis te 
Lier (Fr. oe Potter). — Kerkroof te Herenthals (X.). 



84 « Ons Volksleven. » 



Verslagen en Mededeelingen der Koninklijke Viaamsche Academie voor Taal- en Letterkunde. Oent, 
A. Sijf'er, Hoogpoort, ;J2 & 54. Prijs :/r. ijü. — 189 1. 

N"" 1. — I.eziugen : Het kwartier Kempeuland, folklore uit de 17« en de 18" eeuw, door D*" Aug, 
Snieders. — OpraUelingen vau biographischen aard, door Fr. de Potter. — Biographische sprok- 
kelingen, door J au Broeckaert. 

IS'i- 2. — Zitting van 18 Februari : Aanspraak door den Heer A. Snieders, bestuurder der 
Academie, over de dood van Z. K. H . Prins Boudewyn. — Nog iets over de oude naamvalsverbui- 
o-jngen der Kedei'landsche eigennamen, door den heer P. Genard. 

Zitting van 18 Maart : Prijsvragen voor 1892. — Verslag over den vijfjaarlijkschen wedstrijd 
voor Nederlandsche Letterkunde. 

La Tradition, V, IS'' 5. — Le Feu de Promothée chez les Provengaux de nos joui-s (Dr. Bérenger- 
Féraud) — Un Conté d'André de Nerciat dans une nouvelle populaire livournaise inédite (D"" 
Stan. Prato). — Lc Folklore polonaise, IV, Médicine populaire (.\I. de Zmigrodzki). — Les Pro- 
ces de sorcellerie au Moyen-Age. IL Jurisprudeuce et Procédure en matière de sorcellerie (H. 
van Elven.). — Le Folklore de Gonstantinople. II. Superstitions et Croyances des Chrétiens grecs 
de Coiistantinople (H. Carnoy & J. Kicolaïdes). — Monstres et Géants. IX. Les Géauts et 1' Op 
Signorken de Maliues ( A. Desrousseaux). — Les Chevaliers du Papegai II (Joannès Plantadis). — 

Bibliographie (Aug, Gittée). — Le mouvement traditionniste. 

Revue des Traditions populaires, VI, N"" 4. — Sur quelques origines de la tradition celtique. I. 
Sources historiques (]). Fitzgerald). — La bonre femme ès Prennes. I. Normandie (Gabrielle 
Walhen). — 11. Haute Bretagne(P. S.). — Traditions et superstitions des Ponts et Chaussées. 
VI II. Les Ponts (P. Sébillot). — 11. Les chemius de fer. Superstitions (A. Harou). — Facéties et 
expressions pittoresques (P. S.). — Dövinettes (L. Morin). — ]. Les Routes. Stiite. (P. Sénequier). 
Bibliographie du Folk-lore en Pologne (M. de Zmigrodzki. — Pélerins et péleriuages. VIII. Péle- 
rinage aux cèdres du Liban (A. Ccrteux). — l.es mines et les mineurs. IX. Les Statues dans les 
mines (P.S.). — X Fêi es et croyances (E. Penny |. — Allusious a des contes populaires. iS^a'^e. 
(René i'.asset). — Les cloches. II. Présages et superstitions (G. de Launay). — Le peuple et les 
monumeuts. I. Pierres gravées (Raoul Bayon). — Extraits et lectures : Sorcellerie dans les 
Hautes-Alpes (Raph. Blanchard). — Bibliographie (P. Sébilliot). — Périodiques et Journaux. — 
Notes et enquêtes. 

Zeitschrift für Volkskunde, Ilf , N"" 8. — Die Kalewala vom asthetischen Standpunkte betrachtet. 
Julius Krohn's liunische Litteraturgeschichte I, 1. (Uebersetzt von O. P.), — Albanesische Mar- 
chen und Schwanke (J. U. Jarnick). — Volksüberlieferungen aus Oesterreich (Franz Brauky). — 
Rumanische Volksromanzen (Uebersetzt von K. Prexl). — Aus der Provinz Sachsen. I. De Fest- 
kalender von Homburg in Sitte, Brauch und Schwank (Edm. Veckenstedt). — Die alten nordi- 
schen Frühlingsl'este. JS'ach dem Danischen des Troels Lund (Poeston). — Bücherbesprechungen 
(Edm. Veckenstedt). — Zur Bücherkunde. 

Am Ur-Quell, II, N"" 4. — Das Volksleben als wissenschaftliches Problem (Dr. Alb. H. Post). -- 
Das Alpdrücken iii Preussisch-Schlesit'n (K. Knauthe). — St. Martinstag in Bergischen (D. 
g.-iiell). _ Ransom by Weight (Trof. H. Gaidoz). — Volksmedizin (G. Kupczanko). — Ostpreus- 
sische Sprichwörter, Volksreimeund Provinzialismen (J. Sembrzycki). — Geheime Sprachweisen 
(Eine Enquête von Krauss). — Kleine Mitteilungen. — Vom Büchertische (Besprechungen von 
Kraussund Volksmann) — Nekrolog. — Anzeigen. 

Nr5. — Die Kosmogonie der Cherokee (James Mooney). — " Non olet » (Dr. M. Landau). — 
Das Sterben in Oberbayern (Dr. M. Hoefler). — Hexenleiter oder Vogelseheuche? (A.). — Ost- 
friesisches Volkstum (II. Sundermann). — Volksmedizin (H. Volksmann). — Ostpreussische 
Sprichwörter, Volksreinie und Provinzialismen (Sembrzycki). — Geheime Sprachweisen (Krauss). 
Vom Büchertisch. (LIespr. von Krauss). — Anzeigen. 

N"" 6. — Das Sterbea in Oberbayern (Dr. M. Hoefler). — Laetare (K. Knauthe). — Alpdrücken. 
(Krauss). — Hexenleiter (Th. Dragicevic) — Ostfriesisches Volkstum (H. Sundermann). — Ost- 
preussische Sprichwörter, Volksreime und Provinzialismen (J. Sembrzycki). — Wettermachen 
(H. Volksmann & P. Ch. Martens). — Sagen aus der Grafschaft Ruj^pin und Umgegend (K. Ed. 
ilaase). — Schimpfwörter, (Eine Enquête von Krauss). — Geheime Sprachweisen (ibid.). — To- 
tenrufen (J. Spinner). — Kleine Mitteilungen. — Vom Büchertisch. (Bespr. von Krauts.) 

Nr 7. — Abderiten von heute (Richard Andree).— Alpdrücken (H. Volksmann, Rösler & Krauss) 
ner Eid im Volksleben (H. Voikomann & J. Spinner). — Ostpreussische Sprichwörter, Volks- 
reime und Provinzialisnien (.1. Sembrzycki). — Ostfriesisches Volkslum (H Sundermann). — 
piebglauben (H. Volksmanu &, .1. Spinner). — Geheime Sprachweisen. Eine Umfrage von Krauss. 
Sagen aus der Grafschaft Ruppin und Umgegend (K. Ed. Haase). — Volksmedizin (Krauss und 
Knauthe). — Kleine Mitteilungen (R. Kohier & A. L-n). — Vom Büchertisch. sespr. v. Krauss. 

/ 



ONS VOLKSLEVEN. 



Antwerpsch-Brabautscli Tijdschrift 

voor Taal eu Volksdichtveerdigheid , 

voor Oude Gebruiken, Waugeloof kunde, 

enz. In twelfnommers van twelf bladzijden 

in 8°. 

Te Brecht, 

bij L. Bbaecemans. 




« Er is nog een rijke oogst op het veld 
der gewestspraken voorhanden; veel 
volksuitdrakkiugen dreigen te verdwij- 
nen die om hunne juistheid, schilder- 
achtisfheid of oudheid verdienen in de 
schrifttaai opgenomen en bewaard te 
blijven. » 

Zuid-Nederlandsche Maatschappij 
VAN Taalkunde, Wedstrijd 1874. 

«De studie der folklore heeftvoor doel 
ons volk in zijne eigenaardige zeden en 
gewooEten,in zijn innig geloof enkarak- 
ter te leeren kennen, in één woord, het 
volh zooals hei is. » 

Vraagboeh over Ylaamsche Volkskunde. 



RIVIEREN, PUTTEN, FONTEINEN, BRONNEN, 

ONDIEPTEN, enz. 

V. 

De roode Clif. 

Ten halven den zomer van het jaar Onzes Heeren 4, ontsprong- ter zuid- 
westelijke zijde van den berg, dien men de roode Clif noemt, op tien schre- 
den van hem af, eene vierige vlam uit de eerde en hield aan, drie dagen 
lang. Ten derden dage kwam daar eene groote drake uitgevlogen die haar 
zeer hoog in de lucht verhief t'eenen schrik voor velen. En nadat zij haar 
alzoo vast eene halve uur hoog in de lucht getoogd had, is zij wederom ne- 
dergedaald, vliedende in de eerde waaruit zij gekomen was, en is daarna 
niet meer gezien geweest. 

Onder de regeering van Ascon, Tabbo's zoon, te weten 't jaar 155, is bij 
den berg de roode Clif, de vierige put weder opgebroken en brandde zeer 
schrikkelijk, acht dagen lang, zoodat hij eenen grooten angst bij iedereen 
verwekte, namelijk bij dezen die de naasten daarrond gelegen waren. Daar 
wierd groote iever aan den dag geleid om te wete te komen wat dat toch 
zijn mocht, maar men kon er eigentlijk niets van vernemen ; nogtans stichtte 
de verschijning geene schade. En nadat de put acht dagen alzoo gebrand 
en zeer hoog gevlamd had, en men nergens dicht er bij kon komen, is hij 
van zelf toegegaan. Men vermoedde dat daarop eene groote sterfte en 
besmetting der lucht zoude volgen. Stavo, de afgod der Friezen, daarover 
ondervraagd zijnde, zei dat zulks niet te vreezen was, maar dat na een lang 
tijdsverloop, eene zeer koude stof volgen zou, zoodat de Friezen door de 
antwoorde van den afgod weder gerust gesteld en getroost waren. 

't Jaar 270, onder de regeering van Titus, Aldebolt's broeder, is ten der- 
denmale de vierige put bij de roode Clif opengeborsten, doch achttien 
stappen westwaarder, en vlamde elf dagen schrikkelijk hoog. Middelerwijl 
moest men naar Titus 'gebod en bevel, den afgod Stavo drie dagen lang een 
brandoffer brengen, om bedied en raad daarover te vragen, dewijl geheel 
het omliggende land hierdoor zeer verschrikt en beangstigd was. Na dat 



86 « Ons Volksleven. 



ofier heeft Stavo hun geboden drie kroozen zout water uit de Noordzee te 
halen en ze door eenen gewapendeii ridder in den put te laten werpen, 
aangezien de inwendige brand door geen ander middel kon gebluscht wor- 
den. 

(Z. Wolf's Niederlandische Sagen, N^'S, bl. 6j. Aldaar : Das rothe Clif. 

De Stemme uit den put. 

Ter noorderzijde van het Creilwoud, in Friesland, woonde een man met 
name Iglo Tadema, die daar rondom veel land en goed bezat. Hij wilde 
eenen put laten graven, om er te zijner behoefte water uit te putten, en, 
als hij reeds zeer diep gegraven had, verwonderde het hem machtig dat er 
nog geen wateren kwam. Dan ging hij naar huis en vertelde dat; als hij nu 
ten tweeden en ten derdenmale bij den put wederkeerde, om te zien ot er 
geen water gekomen was, hoorde hij eene luide stemme die riep : vlucht 
uit dit land ! Dan verschrikte hij zeer en schouwde in de diepte, of van nu 
voort geen water te verwachten was. Eindelijk zag hij dat er traagzaam 
water uit de eerde drong en beval zijnen zoon met eene leere naar beneden 
te dalen en een weinig water boven te halen. Als de zoon zulks gedaan had, 
proefden zij het water, en het was zoo zoutachtig alsof zij het uit de nabij- 
gelegene Noordzee geput hadden. Dat deed hen terstond nadenken en zij 
geloofden dat de voorzegging die de afgod Stavo gedaan had, zou vervuld 
worden, namelijk dat het vier hetwelk eertijds de roode Clif ontstegen was, 
na verloop van eenen langen tijd in eene koude stof zou veranderd worden. 
Zij zwegen echter de zaak en verkondden ze niemand, en als Iglo Tadema 
stierf, verkocht zijn zoon de landerijen en trok naar Geesterland. 

(Z. Wolf's Niederlandische Sagen, N"" 4, bl. 8). Slimme aus dem Brunnen. 

De cv er kwellende Put. 

Gelijk men, in 't jaar 164, ten zuidwesten van Stavoren eenen put aan 't 
graven was, kwam er eene groote hoeveelheid zoutwater langs boven 
uitgoloopen, als 't ware een springbron. Daardoor waren de inwoners der 
S! roek zeer vorschrikt : zij vreesden dat hun land heel en gansch zou ver- 
zwinden en te riiet gaan, geiijk het vroegeriijds door den brandenden put 
(d'! roode Clif) geschied was. Hunnen afgod, Stavo, brachten ze dan een 
offer om bescheed te krijgen over die zaken en ontvingen t'eener antwoorde 
dat de watervloed niet eer staan of ophouden zou, alsdat zij in dat water 
het bloed van een driejarig kind zouden gespeersd en gemengeld hebben. 
En daten was zoohaast niet geschied, of de vloed hield op, en de put wierd 
zoo leeg van water dat men er nog schaars in ontwaren kon. Naderhand 
wierd die put wederom gedempt en gevuld. 

Drie jaar lang bleef het land waar het water overgestroomd had, gansch 
dor en daarna begon het wederom vruchtbaar te worden. 

7j. WoWs NicdcrJandische Sagen, W 8, bl. 13. Aldaar : Z)er üherquellende 
Brunnen. 



« Ons Volksleven. » 87 



Eene Waterkwelle door een peerd verwekt. 

Als de Friezen ter plekke waar de heilige Bonifacius eens de martelkioon 
ontving, eenen dam gingen opwerpen togen de aandringende baren der zee, 
wilden zij er ook eene kerke bouwen met een klooster daarbij, voor vrome 
dienaren Gods. Maar zij vonden dat er in geheel den omtrek geene eene 
bron klaar water sprong, en toch hadden de kloosterbewoners er eene 
noodig. 

Abbo, dien koning Pepijn als landvoogd der Friezen aangesteld had,wierd 
van de zaak onderricht en, eenige mannen met hem nemende, reed hij 
aanstonds ter plekke van den bouw en rond den dam, die reeds opgedaan 
was, om eene bron te zoeken. Eenen tijd lang hadden zij vruchtelooze 
moeite gedaan, toen al met eens. het peerd van eenen der schildknapen die 
den landvoogd vergezelden, met de voorpooten in de eerde zonk. Fluks 
kwamen de anderen ter hulpe toegesneld, en schaars waren de pooten van 
het peerd uit den grond getrokken of, tot iedereens verwondering, sprong 
een straal helder water hen na, en de kwelle gaf zoo rijkelijk, dat zij na 
eenige oogenblikken eene beke vormde. Allen proefden er van en bevonden 
dat het zoet was, en prezen God voor het wonder dat hij gedaan had. 

Z. Wolf's Niederl. Sagen, N"" 19, bl. 28. Aldaar : Pferd weckt cine Quelle. 

A. L., Thielt. 

VERTELSELS. 
3. (34.) Het peperkoeken Huiske. 

Janneken en Mieke gingen samen « stekskes « rapen. Als ze een eind ver 
gegaan hadden, kwamen ze aan een huizeke, waar eene tooverheks woonde. 
Janneken en Mieke wisten dat niet, want dan zouden ze hen wel gewacht 
hebben, van langs dien kant te komen rapen. 

De tooverheks was nu juist niet thuis, toen de kinderen daar aankwamen. 

Janneke die nog al nieuwsgierig van aard was, piepte binnen, want de 
deur stond op eene spleet. 

Na langs hier en ginder wat rond geslenterd te hebben, was Janneken 
achter het huizeke gekomen, en tot tijdverdrijf sneed hij met zijn meske 
over den muur. 

En, o wonder ! 't meske ging er deur, alsof het door 'nen koek sneed. 

Janneken wist niet wat er van te denken ; hij kerfde, kerfde nog eens in 
den muur, en eindelijk sneed hij er een stuksken uit. 

Hij riep Mieke. « Ziet eens Mieke, » zêe hij, « dat is aardig; mijn meske 
snijdt er deur als in eenen koek. » 

« 't Is misschien peperkoek, » zêe Mieken, al lachende; en jawel, 't was 
zoo. Janneke die niet vies was, had het stuk in den mond gestoken, en hij 
proefde, en herproefde, totdat het op was. 

« Gij ook een stuk, Mieke, " zêe hij ; « 't is peperkoek, en zoo 'ne lekkere, 
gelijk ik er nog nooit van Meken gekregen heb. » 

Mieke nam ook een stuk, en 't smaakte haar goed. 



« Ons Volksleven. « 



« Nu hebben we nog geen stekskes geraapt. « zêe Mieke, « en 't is tijd om 
naar huis te gaan; wat zal moeder kijven !?» 

" We zullen een groot stuk voor moeder meenemen, r. zee Janneke, " dan 
zal ze wel tevreden zijn. »? 

Zoo gezeid, zoo gedaan. Janneke sneed een groot stuk peperkoek uit den 
muur, en daarmee al gauw naar huis. 

Moeder was ongerust geworden over het lang uitblijven van hare kinde- 
ren. Zij ging ze dus tegen, en toen zij ze zag aankomen, meende zij Janne- 
ken en Mieken eens wel te bekijven: maar de kinderen kwamen haar al 
huppelende en dansende te gemoet, en toonden haar hunnen buit. 

« Wat is dat nu, w vroeg moeder, « en waar zijn de stekskes ? « 

(< We hebben er geen, moeder,» zêe Mieken; «maar we brengen 'nen 
groeten peperkoek voor u mee, en hij smaakt zoo lekker. y> 

En dan aan 't vertellen. Moeder kost haar ooren niet gelooven. 

« Morgen ga ik terug, r> zêe Janneken, « en dan breng ik weer 'nen peper- 
koek mee. w 

Ja maar, toen de tooverheks thuis gekomen was, had zij al gauw het gat 
gezien dat Janneken in haar hutteken gesneden had. Zij wierd zoo kwaad 
als een huis, en nam voor zich te wreken. 

's Anderendaags kwamen Janneken en Mieke weer «stekskes» rapen. 
Niet zoodra had de tooverheks hen zien aankomen, of' zij verborg heur 
achter haar huizeke. 

Janneke, die zijn meske al gereed had, wierp 'nen oogslag binnen, en 
toen hij niemand zag, begost hij in den muur te snijden. 

De tooverheks, die alles afgeleerd had, kwam nu eensklaps te voorschijn 
gesprongen, greep Janneken en Mieke bij den arm, en sleurde de verschrikte 
kinderen mee in huis. 

Ge kunt denken hoe dat ze grezen, hoe dat ze bidden en jammerden, om 
toch naar moeder te mogen terugkeeren; maar al hun weonen en smeeken 
baatte niets. 

Onderwijl had de tooverheks 'nen groeten ketel op het vuur gezet, en 
vol water gegoten. Vlak daarvoor had zij eenen stoel geplaatst. 

Toen zêe ze tegen Janneke : « Janneke gaat daar eens op dien stoel staan, 
buigt u over den ketel, en zegt mij dan wat ge ziet. » 

Janneke was bang, en zeide : «^ Laat Mieke liever eens zien. » 

Daarop keerde de heks tot Mieken en zeide : « Toe Mieke, klimt op den 
stoel, en zegt mij eens wat gij onder in den ketel ziet. » 

Maar Mieke was slimmer, en zij zeide : « Ik weet niet goed, hoe ik dat 
moet aanvangen, maar als gij het eens wilt voordoen, dan kan ik het ook. » 

De heks ging op den stoel staan, en boog heur over den ketel. Daar had 
Mieken op gewacht. Zij wenkte Janneke, gaf de heks 'nen douw, Janneken 
hielp een handje, en het wijf tuimelde met den kop voorover in den koken- 
den ketel, waar^zij in versmoorde. 



«< Ons Volksleven. » 91 



Als ze nu weer 'nen tijd gegaan hadden, zagen ze een wijfke dat daar 
aan eene deur zat en spon. Dat zag er een bliksems rap ding uit ! " Vraagt 
dedie den weg eens, » gebood Onze Lieve Heer aan Petrus. Sinte-Peeter 
deed dat en ja, het wijfke was seffens gereed. Het sprong op, Jiet zijn spin- 
newiel staan en ging een heel end met onze twee mannen mee, om ze op 
den rechten weg te brengen. 

tf Zie, » sprak Ons Heer toen, « dat wijfke zouden wij aan den luien vent 
moeten geven dien wij ginder zien liggen hebben : het zou hem wel door de 
wereld trekken. 

't Was gezeid en 't wierd gedaan : het houwelijk wierd eenige dagen later 
voltrokken. Daarbij komt het dat Onze Lieve Heer dikwijls de houwelijken 
toelaat tusschen neerstige vrouwen en luie mans. 

Gehoord te St-Antonius. Jozef Cornellssen. 



SAGEN. 

10. (35.) Van eenen "Watergeest. 

Op zekeren keer waren eens drij visschers rond 12 uren 's nachts, van 
eenige putten, aan de groote baan gelegen, den visch aan 't afvangen, om 
daarmee 's morgens nog te Leuven op de merkt te kunnen zijn. Eensklaps 
hooren zij een gerammel van kettingen, tegelijk met den draf van een peerd; 
en zij zien eenen ruiter in vollen galop in de baan aangereden komen. 
Opeens wendt hij het peerd om, rijdt pardaf in eenen put en alles is stil en 
verdwenen. Een der mannen zegt tegen de andere : « Komt ! laat ons hem 
ter hulp snellen ! " — « Neen, » zegt de oudste, " want gij waagt een onge- 
luk op te loopen. Blijft maar hier en laat gerust wat gerust is, want ik heb 
dat geval hier meer als eens gezien. » 

Gehoord te Heist-op-den-Berg. Meegedeeld door Frans Zand. 

11. (36.) Van eenen witten Geest. 

In vroeger tijd, vooraleer de ijzerweg van hier op Aarschot gelegd was, 
stond er daar onder Boisschot een huis, dat heden afgebroken is. Langs den 
eenen kant van dat huis groeide eene hooge en dichte doornlaren haag 
Des nachts zag men daar van 12 tot 1 uur eene groote, witte gedaante, die 
'nen lichten schijn afwierp, rond het huis en heen en weer door de doorn- 
laren haag wandelen, zonder dat zij daardoor weerhouden of belet wierd. 
Gehoord te Boisschot. Meegedeeld door Frans Zand. 

12. (37.) Als Kwelgeest teruggekomen. 

Lange jaren geleden woonden er op 't Scherpstuk, eene hoeve tusschen 
Putte en Mechelen, twee knechten, vieze gasten, maar goede kameraden. 
Ze maakten een besprek dat degene die eerst kwam te sterven, moest komen 
zeggen hoe het in de andere wereld ging. Dat was me goed. Weinig tijds 
daarna kwam er een te sterven, maar de andere dacht op het besprek al niet 
meer. Op zekeren keer, toen hij zeer diep in den nacht naar huis ging, ziet 



92 « Ons Volksleven. » 



hij van verre iemand aankomen. Hij nadert al meer en meer en, hemelsche 
deugd ! hij herkent zijnen vroegeren makker. « Zijt gij het wel, Jan, » 
vraagt hij, half dood van verveerdheid. — « Ja, ?» antwoordt deze, « ik 
hen het \ y> Alles wordt ginder nip en nauw gereJcend en men scheldt er niets 
Jcwijt. Het is zoo waar dat gij mij gezien hebt, alsdat ik dezen nacht den 
boer zijn beste koei den nek heb omgewrongen. ''Na deze woorden ver- 
dween de geest. Daarop gaat de knecht, al klappertandende van schrik, 
naar huis, maakt den boer wakker, en ze gaan samen in den stal zien. Ja, de 
schoonste koei lag dood aan den staak. Op dezelfde wijze stierven er nog 
vijf koeien, maar door overal beêvaarten te doen, heeft men den plaaggeest 
door den duur uit den stal geweerd gekregen. 

Gehoord ie Heist- op-den- J3erg . Meegedeeld door Frans Zand. 



DE VOGELEN IN HET VOLKSGELOOF EN DE 
VOLKSDICHT VEERDIGHEID. 

V. 
De Wilde Eend. 

Men heeft beweerd dat de hoorneenden of hoomganzen en de wilde eenden uit 
zekere schelpen geboren wierden, cendmosselen (Fr. conques anatifères] ge- 
heeten, of van zekere boomen der Schotsche en Orcadische kusten, of zelfs 
uit het verrot hout van oude schepen. 

— Eenige schrijvers hebben beweerd dat de vruchten die in de zee vallen 
en die van te voren door hun maaksel eenige trekken van gelijkenis met 
het gevogelte vertoonen, er in vogelen veranderen. Munster (Géographie 
C/"ïii!?;cT5eZ/e, liv. II), Saxon, despraakkundige, Scaliger (in zijne verklaring 
van Aristotes' eersten boek : JDe Planfis) verzekeren het ; Fulgose zegt zelfs 
(Lib. I, cap. 6), dat de boomen welke die vruchten dragen, aan wilgen 
gelijken en dat zij, aan het uiteinde van hunne takken, gezwoUene bolle- 
kens voortbrengen, aan eene onvolmaakte eend gelijkende, die met den bek 
aan den tak hangt. Waneer zij rijp en volmaakt is, valt zij in de zee en gaat 
vliegen. Vincent de Beauvais hecht ze liever aan den stam of aan de schors, 
waar zij het sap uil zuigt, totdat zij, groot geworden en gansch met vederen 
bedekt, er zich van losmaakt. 

Lesboeus [Chron. scot.), Majolus [J^ier. canicular. trad.), Oderic [Voyage en 
Tartarie dans Ramusio), Torquemada [Hexameron, 2^ dag), Chevasseur 
[Catalog. dein gloire du monde), de bisschop Olaüs {Her. sept. lib. 19, cap. 6& 
7) geven alle getuigenis van deze zonderlinge voortteling en dat, om te 
herinnei en dat de vogel den naam draagt van anser arhoreus (Boomgans, 
Baumgans in de Noordsche talen), en melden een der Oreaden waar dat 
wonder gebeurt, namelijk het eiland Pomonia. 

Die belachelijke meening is nog niet wonderbaar genoeg uitgevonden 
volgens Cambden {Dcscripi. des Hes Brittann.), Boëtius {Hist. d'Ecosse) en 






« Ons Volksleven. » 89 



Zoo onderging' de tooverheks zelf het lot, dat zij aan de kinderen wou 
doen ondergaan. 

Janneke sneed al gauw een groot stuk peperkoek uit den muur ; en 
daarmee liepen zij naar huis. 

Bij moeder gekomen vertelden zij haar van het naaldeke tot het draaiken 
al wat er gebeurd was. 

Moeder vertelde het voort, en nu begrepen de menschen hoe het kwam 
dat er van tijd tot tijd kinderen verdwenen, zonder dat er ooit éen terug- 
kwam. 

Het hutteke wierd afgebroken ; alleman kreeg een groot stuk peperkoek, 
maar Janneken en Mieke kregen het meeste. 

[Gehoord f e Antwerpen). J. B. Vervliet. 

4. (35.) Van lompen Toon. 

Daar was eens 'ne jongen en hij hiet Toon, en hij was nog te lomp om 
veur den duvel te dansen. « Toon, v zei ze moeder eens, « gaat eens naar 
den meulen om een meuken meel. ?> — *< Ja maar, hoe gaan ekik dat ont- 
houden ? « vroeg Toon. — « Wel, lomp hout dat ge zijt, da's gemakkelijk 
genoeg; ge zegt altijd maar : een meuken meel, een meuken meel, van hier 
tot aan den meulen toe. " 

Dat was me goed. Toon pakte den bakzak op, om naar den meulen te 
gaan en hij zei onderwege wel duizend keeren : een meuken meel, een 
meuken meel. Hij kwam daar aan 'nen boer die zijn land in 't zaad aan 
't doen was, en die hoorde dat Toon maar altijd zei : een meuken meel, een 
meuken meel. — « Zij-de nu zot " riep de boer, « ik zou niet weinig gestraft 
zijn, won ik maar een meuken op dezen akker.... Ge deedt al beter van te 
zeggen : God geeft er mij duizend. r> 

« Da's goed, v zei Toon, « ik zal ekik da wel zeggen. " En toen zei hij niets 
ne meer als : " God geeft er mij duzend, God geeft er mij duzend, « wel 
honderd keeren te root. Maar hij komt daar aan een kooi schaap en de 
scheper was aan 't vichten tegen 'nen wolf, die aan zijne schaap zat. De 
scheper die hoorde dat Toon altijd zei : God geeft er mij duzend, meinde 
dat Toon zeggen wou : God geeft mij duzend wolven. Hij schoot in zijn 
krammen en hij riep : " Als ge dat nog derft zeggen, dan slaag ik u den 
kop in. Dat ge nog zeidt : De duvel sleurt hem mee, dan zou het nog op iet 
trekken. r> 

« Da's goed, » zei Toon, " ik zal ekik da wel zeggen. En toen zei hij niks 
ne meer als : de duvel sleurt hem mee. Dat was me goed, maar Toon kwam 
aan 't kerkhof en ze begroeven er juist 'nen doode. Hij ging ook eens kijken 
naar den put, al zeggende : de duvel sleurt hem mee, de duvel sleurt hem 
mee. De pastoor en de anderen die bij 't graf stonden, waren schrikkelijk 
kwaad op Tone en ze verboden hem 't nog te zeggen. — « Wat moet ik dan 
zeggen ? » vroeg Toon. — « Leest li- ver 'nen vaderons of zegt anders : God 
hebbe de ziel, " zei de pastoor. 



90 « Ons Volksleven. 



« Da's goed, w zei Toon, « 'k zal ekik da wel zeggen. En hij ging voort en 
zei wel duizend keeren achtereen : God hebbe de ziel, God hebbe de ziel, 
totdat hij aan den omdraai van de straat kwam, waar een peerdenprosser 
woonde, die krek 'nen hecht aan 't villen was. Als de peerdenprosser hoorde 
dat Toon maar altijd zei : God hebbe de ziel, schoot hij in 'nen geweldigen 
lach, en liij zei : « Denk-te gij dan dat die hecht ook al een ziel heefc ? » — 
« Ja maar, y zei Toon, ^ de pastoor zei dat ik dat zeggen moest. ^ — « Eh- 
wel, " zei de prosser, « zegt dan : Vuil stinkbeest, trekt er van door. yy 

« Da's goed, -^ zei Toon, « 'k zal ekik da wel zeggen. Nu kwam Toon een 
koppel versch getrouwden tegen en hij zei maar zonder ophouden : Vuil 
stinkbeest, trekt er van door. Ja maar, de bruidegom docht dat het tegen 
hem was dat Toon dat zei, en hij viel op hem en sloeg er op gelijk de duivel 
op Geeraard. " Dat hij dan nog zei, « sprak de bruid, « 't is schoon om zien. « 

« Da's goed, « zei Toon al schreiende, « 'k zal ekik da wel zeggen, r^ En 
toen zei hij niets meer als : « 't Is schoon om zien, 't is schoon om zien. Dat 
was me goed, maar hij komt daar aan een huis dat volop in brand stond. 
" 't Is schoon om zien, » zei Toon. « Wat zeg-de daar, « riepen de blusschers, 
" zou het niet veel schooner staan dat ge zeidt : 'k Wou dat het uitgong ? » 

'. Da's goed, ^ zei Toon, « 'k zal ekik da wel zeggen. Hij ging voort naar 
den meulen, maar eer hij daar was, moest hij eerst nog de smis voorbij. 
De smid had al 'nen halven dag gemarteld om zijn vier aan te krijgen, en 
door den duur brandde er toch een flauw vlammeke. « 'k Wou dat het 
uitgong, w zei Toon, terwijl zijnen kop eens in de smis stak. De smid schoot 
me in oen Fransche colère, hij pakte zijnen voorhamer en zat er mee achter 
Tone, En Toon aan 't loopen, aan 't loopen dat 't allemaal goersde. En als 
hij niet uitgescheên is met loopen, dan loopt hij nog. 

Gehoord te St-Antonius. Jozef Cornelissen. 

Letterlijk zoo in West- Vlaanderen (Z. Volk en Taal, II, hlfz. 12 : Dliis- 
torie van Jan Slimhrouck). Vrglk. nog : Amaat Joos. Vertelsels. II. N"^ 48, bl. 
154. 

5. (36.) Van Ons Heer en Sinte Peeter. 

''Ons Heer en Sinte-Peeter waren eens op hunnen wandel, ze hadden 'nen 
verkeerden weg ingeslagen en ze wisten ten langen leste niet meer waar 
henen. Daar zagen ze 'nen man gerekt en gestrekt op den grond liggen. » 
Ziet toch eens wat luie vent, " zei Sinte-Peeter aan Onzen Lieven Heer. » — 
« 'k Heb hem wel in de oog, « zei Ons Heer, « gaat er eens bij en vraagt 
hem den weg. 

« Vriend, » zei Sinte-Peeter tegen den luierik, « langs waar moeten wij 
gaan om thuis te geraken; wij zijn onzen weg verspeeld." De luiaard 
geeuwde 'nen keer : « Langs daar, « zei hij, maar hij bleef liggen waar hij 
lag. Sinte-Peeter was gestoord, en hij wou den vadsigen kerel omhoogtrek- 
ken, maar Ons Heer zei : « Laat hem maar stillekens betijen. Petrus. » 



« Ons Volksleven. » 93 



Turnèbe {Aimd Gessner), want volgens hen is het in de oude masten en 
andere overblijfsels van in 't water vergane en verrotte schepen, dat eerst 
paddestoelen of dikke wormen ontstaan, die langzamerhand met dons en 
met vederen bedekt worden en hunne gedaanteverwisseling eindigen met 
in vogelen te veranderen. Pieter Danisi [Dcscript. de VEurope, Irlande), 
Dentalus [Apud Alex, ab alex Genial.), Wormius, Duchesne [Hist. d'Angle- 
/erre) zijn de predikers van die ongerijmdheden, waar ook Rondelet van 
overtuigd schijnt. 

Eindelijk, volgens Cardan, Gyraldus en Maïer, die eene bijzondere ver- 
handeling over dien vader- en moederloozen vogel schreef, zijn het noch 
vruchten, noch wormen die hem voortbrengen, maar wel schelpen, zee- 
schelpen; en wat nog zonderlinger is, 't is dat Maïer honderd van die 
schelpen geopend, en er overal de kern van den vogel in gevonden heeft. 

De Eend. 

De eenden dienen den Kamtschadalen voor barometers en weerwijzers, 
want zij beweren dat die vogels zich altijd naar den wind keeren, en naar 
den kant vliegen, van waar de wind moet komen [Hist. gén. des Voyages, 
t. XIX, bl. 274). 

In Belon, Nat. des Oiseaux, bl. 160, lezen wij : « De Ouden, denkende dat 
de vrouwelijke eenden van Pontus-Euxinus zich met venijn laafden, meen- 
den dat men daarom hun bloed tegen alle vergif ingeeft, en inderdaad, 
Mithridates, die zoowel geneesmeester als koning was, en van wien wij het 
zoo geroemde geneesmiddel hebben dat zijnen naam draagt, liet het bloed 
der wijfkenseenden stollen en hard worden om het alzoo beter te kunnen 
bewaren, en maakte het opnieuw week en vloeibaar, waneer hij het noodig 
had. » [Buffon, VI, 543). Dat bloed was het grondbestanddeel van Mithridates' 
berucht braakmiddel. 

— Aan het bloed der wijfkenseenden kent men de eigenschap toe van te 
weerstaan aan het vergif, zelfs aan dat van de adder. 

{H Vervolgt). Alf. Harou. 



BOEKBESPREKING. 



Alph. Goovaekts. — Construction et inauguration d'un Hotel de 
Ville pendant la première moitié du XVP siècle (1526-1538). l'Hótel 
de Ville de Léau et son perron d'après des documents inédits, précédé de 
notes sur les maitres des travaux (bouwmeesters) de Léau de 1404 a 1532. — 
Bruxelles, V« Julien Baertsoen, 1890. — Boekd. ia-S" van 42 bl. met 2 plateu. 



Onder dezen dubbelen titel deelt de H*" Goovaerts ons een aantal ongeboekte 
bijzonderheden mede, die voorden oudheidkundige van groot belang zijn, terwijl 
zij tevens eene merkweerdige bijdrage uitmaken voor de geschiedenis van het 
vroeger zoo levendige, thans tot een eenvoudig dorp vervallen stadje Zoutleeuw. 



94 « Ons Volksleven. » 



De schrijver, wien de vereerende last opgedragen is, de plaatselijke archie- 
ven der gemeenten in Brabcnt na te zien en in orde te brengen, putte uit een 
aantal bescheiden, ten stadhuize van Zoutleeuw pas weergevonden, de stof voor 
zijne verhandeling. 

Het stadhuis van Zoutleeuw met zijne prachtige stoep, is een der merkweer- 
digstegedeukteekens van dien aard in ons land, en verdiende alzoo ten volle de 
aandacht gaande te maken van den geleerden archivaris, die na eene nauwkeurige 
inzage van de akten der oude schepenbank, met zekerheid kon vaststellen wan- 
neer, en volgens de plannen van welken kunstenaar, het merkweerdig stadhuis 
werd opgericht. 

Dit gedeelte van 't werkske is, voorafgegaan van eene stadie over de oudo 
houwmeesfers van Zoutleeuw, namelijk die van het tijdvak 1404 tot 1532, eene 
opgave van de middelen waarover zij, bij het uitoefenen van hun ambt, konden 
beschikken, de vergoeding die hun toegekend werd, de werken die zij uitgevoerd 
hebben, enz. 

Het 2® hoofdstuk handelt over het opbouwen en de verdere geschiedenis van 
het stadhuis, en geeft den H'' Goovaerts gelegenheid om de meedeelingen van 
vroegere schrijvers te toetsen, en naar 't pas geeft, op te helderen, te weerleggen 
of aan te vullen. Over sommige punten treedt hij in meer bepaalde bijzonderhe- 
den, zooals bijv. daar, waar hij toont dat men, evenals nu, in 't jaar O. H. 1537, 
aan hooger hand de weerde van eenen wijnpot kende. 

De beschrijving van de puie, en verders die der feestelijkheden, welke bij de 
inhuldiging van het gebouw plaats hadden, maken het onderwerp uit der twee 
volgende hoofdstukken ; het leste vooral is met het oog op de vroegere volksver- 
maken heel belangrijk, en zal den toekomstigen geschiedschrijver onzer omme- 
gangen van groot nut zijn. 

Het boekske is versierd met twee fraaie platen, die ons een uitmuntend gedacht 
van stadhuis en puie geven. J. B. Veevliet. 



t 't Leven van Sinte Luudgarde (door Rijkhard van de Putte — van 
't Daghet). — Luik, Demarteau, 1888. 19 bl. in-16°. 



De ieverige medebestierder van 't Daghet beeft het zich ter plicht gerekend de 
gevierde Limburgsche heilige, die de patrones der katholieke Vlaamsche studen- 
ten, en tevens die van 't Daghet in den Oosten is, met een boekske te vereeren dat 
hare levensbeschrijving bevat. 

Behalve het « Leven van de H. Lutgardis Maghet ende Beligieuse van de 
Orden van Cisteaux, die rust tot Aymiers in Wals-Brdbant, beschreven door 
Thomas Cantipratanus 1) 16 Junii A° 1216, (oude tekst), bevat deze 2" uitg. 
nog eene opdracht in verzen, eenige biographische, geschied- en taalkundige 
aanhalingen over de heilige en haren naam, enz. Het boekske is alleszins lezens- 
weerdig en wordt dan ook onzen lez-ers aanbevolen. J. B. Vekvliet. 



« Ons Volksleven. » 95 



INHOUD VAN TIJDSCHRIFTEN. 

't Daghet in den Oosten, VII, N" 5-6. — Limburgsch Nederlandsch : 3^ Woordeuzauge. — 
Giftebrief van Coninc Sauderbout (Vervolg). — Limburgsche Dichtveerdigheid : Liedekens. — 
Zage van de Zwarte Griet. — Limburgsche Wellevendheid. — De Zagen. — Uit Boeken, Brieven 
en Bladeren. — Spooken. — Verhuizen. — 't Strooiken breken. 

Volk en Taal, 111, N'' 12. — Het Vlaamsch en het Socialismus (P. Bernard). — Bijdrage tot den 
Nederduitscheu taalschat (P. vaii den Broeck). — Vau Jan met zijnen ijzeren stok (A. V.). — 
Van Jooske en den Vrek (A. van Heuverswyn). — Vertelselke van 't manneke uit de mane (P. B.). 

— Meerdere Nood (Nameoc. A.). 

Volkskunde, IV, K' 5, — Volksbumor in geestelijke zaken [vervolg), door Aug. Gittée. — 
Boekbeoordeelingen (werken van U'' Kaufmann, Bo" Sloet, L. de Vriese), door Aug Gittée. — 
Vragen en Aanteekeniugen : Een Huwelijk in het Nigergebied (A. de Cock). — Van de drie 
zielkens. — 't Spel van mijnheer van Bruinkasteel. — Zeden der Makoesies. 

Biekorf, II, N"" 11. — OverMikroben of Levelingen (D"" Alf. Depla). — De legende van Kortrijk 
(Ant. Verwaetermeulen). — Nog van schiere kraaien, schiere monniken, bonte papen, enz. — 
Anseghem. — Mingelmaren. 

Het Belfort, VI, N-" 7. — Nikolaas Beets als dichter (Jos. Schrijnen). — De Sint-Michielskerk te 
Gent (G. Van den Gheyn). — Iets over natuurbeschrijvingen (Am, Joos). — Het Vlaamsch in de 
« Revue des deux Mondes n (D C.)- — Galileï (Em. Scheerlink). — Wenken en vragen. — Drie- 
maandelijksch overzicht (S. P.). — « Schrijft gij ook al uwen naam met eene kleine d? n (F. de 
P.). — Bemerking op het schrijven van den heer Eoegiers (D. Ackers). — Godfried Wendeleu, 
Vlaamsche sterrekundige der XVII» eeuw (P. Kerkhofs). — Loofden Schepper (A. V. Bultyuck). 

— Vrede (E. R.). — Aan E. H J. Van der Linden (Eug. De Lepeleer). — Boekennieuws en 
Kronijk. 

De Vlaamsche Standaard, I, ^''" 16. — Waterloo (L. L.). — Over schrijfkunst (Fr. Tuerlinckx). — 
't Wijze diet kakelt niet. — Waar vond.... — De sleutel. 

Jong Vlaanderen, Maandschrift voor het Vlaamsche Volk. Hoo/dopsteller : Willem Willemszoon. 
Verschijnt alle maanden in afl. van tenminste 12 bl. met omslag. Prijs 1 fr. — Bureel : J. Frans 
van Hercli, druklier te Boisschot. 1891. 

I, ^^ 1. — Vlaanderen herleef ! (Edw. Peeters). — Levenschetsen door Edw. die Vlaminc : D' 
Jan Eenier Snieders. P. F, Van Kerckhoven. — Mijn Dorpje (Willem van Bosschade). — Het 
Geheim van Zuster Maria. — Eene Gedenkenis (Edw. Peeters). — De Dood en de Kristen (Willem 
van Bosschade). — De Zusters van Liefde. 

Nr 2. — Zedenbederf(W.Wz.). — Napoleon ("W. van Bosschade). — De Wandelende Jood 
(Edw. Peeters). — Levenschetsen door Edw. die Vlaminc : Eugène Sue. Eugeen Zetternam. 
Charles Dickens. — De Reuzen en de Dwergen (W. van Bosschade). — De Zusters van Liefde. 
jS^o^. (Edw. Peeters). — Het Geheim van Zuster Maria (Edw. Peeters). — Eene gelukzalige Ziel 
(Joz. de Decker). 

Annales de la Société d'ArchéoIogie de Bruxelles, V, N^ 2. — Dioclétia et Salona (Ch. Buis). — La 
villa belgo-romaine de Nouvelles (E. de la Roche de Marchiennes). — Les Francs saliens dans la 
province de Brabant (Arm. de Behault et B"° A. de Loë). — Prolégomènes a 1'étude de la filiation 
des fonts baptismaux, depuis les baptistèz-es jusqu au XVI* siècle (P. Saiutenoy). — La conférence 
du Livre a Anvers, les 7, 8 et 9 aoüt ISOO (L. Titz). — Bahut trouvé en Suède avec blason rappe- 
laut celui de Busleyden (CteM. deNahuys). — Une visite au Musée du Conservatoire royal de 
Musique a Bruxelles (Combaz). — La pierre tombale de Laurent Ie Blanc (P. Sainlenoy). — La 
pierre tombale de Nicolas Grudius (G. Cumout). — Déeouvertes, fouilles, etc. (J.-Th. de Raadt). 

— Notes bibliographiqucs (J. Destrée, (€*« M. de N., J. Th. de R. — Les silex mesviniens datent- 
ils d'iine époque antérieure a l'industrie acheuléeune ? (E. de Munck). — Les tombelles des 
environs de Wavre et de Court-S'-Etienne (Bo° A. de Loc). — Procès-verbaux des séanccs. — 
Questions et réponses. — Planches et illustrations (7 platen en 33 figuren). 



96' « Ons Volksleven. » 



La Tradition, V, N"" 6. — Le Crime de (Edipe dans un conté provengal contemporain (D' 
Bérenger-Féraud). — Chansons populaires de la Carniole. XIII-XIV. Fin. (A. Grünu. Trad. de 
M"« E. de Néraéthy el G. Doncieux). — Un Conté de Grécourt dans une nouvelle populaire de 
Cavallasca (D"" Stau. Prato). — Lous Sept Debis dou Gascoun (Isid. Salles). — Les Proces de 
Sorcellerie au Moyen-Age. II, Stiite (H. van Elven). — Chansons populaires du Quercy VII-VJII 
(From. de Peaurepaire). — Les Chevaliers du Papegai. Il (Joann. Plantadis). — Chansons popu- 
laires sicilieniies (Tom. Cannizzaro). — Croyances et Coutumes au Dahomey (Paul Vigné). — Le 
roi Renaud. Version limousinne (Georges Doncieux). — Chansons populaires de la Picardie. IV 
(Henry Menu). — Vieille berceuse. Poésie (Vic*^<' de Colleville). — Le Folklore de Constantinople. 
111. Superstitions et Croyances chrétiennes des environs de Constantinople (H. Carnoy et J. 
Nicolaïdes). — Bibliographie (H. Carnoy). 

Revue des Traditions populaires, Vl, N"" 5. — Le Cycle de Sainte Marie-Madeleine dans la chan- 
son populaire (G. Doncieux). — Le Rossignol, chanson de la Haute- Hretagne (M™« P. Sébillot). — 
Les Rites de la Construction. III. La Cathédrale de Trèves (Alf. Harou). — Traditions et Super- 
stitions des Ponts et Chaussées. VII Ponts. S. II. Les Ponts merveilleux (P- Sébillot). — Pont de 
Ramberg; pont de paille (R. Basset). — § I (Suite). Les Rites de la Construction. Le Pont Callec. 
Le Pont de Kerventhal (R. Kerviler). -- VI. Les Chaussées et les Digues. III. Les Phares (R. 
Basset). — Les Cloches, III. Cloches englouties (Alf. Harou). — IV. Devinettes et Croyances de 
l'Ukraine (M. de Zmigrodzki). — Le Galette do pain. II, (A. Certeux). — Les Pendus. II. (A. 
Harou). — Mélusine en Champagne (P. Chardin). — Poésies sur des thèmes populaires. XX. 
Emile Blémont et Achille Millien (P. S.). — Quelques usages de la Semaine Sainte (M™« Murray- 
Aynslay). — Contes arabes et orientaux. V. Le Dépositaire infidèle (R. Basset). — Les Eaux 
thermales et minérales. III. (A. Certeux). — Traditions et Superstitions du Dauphiné. IX-X. (A. 
Ferrand). — Le premier Dimanche de Carême. II. Dans 1'Artois et le Boulonnais (H. Bournisien). 

— Les Mines et les Mineurs. XI. Superst. diverses. Belgique (A. Harou). — XII. Quelques 
questions (P. S.). — Les Pourquoi. LV. (Ach. Millieri). — Bibliographie (P, S,). — Périodiques 
et journaux, — Notes et enquêtes. 

Zeitschrifi für Volkskunde, 111, N"" 9. — Die neu entdeckten Göttergestalten und Götternamen 
der norddeutscheu Tiefebene und am Harz, IV, Hinne (O. Knoop). — Die Kalewala vom astheti- 
schen Standpunkt betrachtet (Julius Krohn's finnische Litteraturgeschichte, I, 1, Uebersetzt von 
O. P.), — Sagen vom Schratel aus Steiermark (Anton Schlossar, — Kriminalistische Gedanken 
und Anschauungen in den Sprichwörtern des russischen Volkes, Mittel-Russland (Gurwitsch), — 
Die « grosse « wendische Hochzeit (Schwela). — Die alten nordischen Frühlingsfeste (Poeston). 

— Bücherbesprechungeu (Edm, Veckenstedt), — Zur Bücherkunde. 

Am Ur-Quell, II, N^S — Urmen. Schicksalfrauen der Zigeuner (D"" Heinr, v, Wlislocki). — 
Frauenkauf bei den Südslaven (Friedr. S. Krauss). — Hochzeitsgebrauche der Weissrussen 
(Gregor Kupczanko), — Schimpfwörter (Scmbrzycki Martens und Krauss). — Hexenleiter? 
(H. Volksmann). — Der Eid im Volksleben (Friedr. S. Krauss). — Wcttermachen (H . Volksman). 

— Geheime Sprachweisen. Eine Umfrage. Volksglauben (J. Spinner und K. Ed. Haase). — 
Ostpreussische Sprichwörter, Volksreime und Provinzialismen (J. Sembrzycki). — Kleine Mittei- 
lungen (H. Volksmann). — Vom Büchertisch. Besprechungen von Krauss. 

The Journal of American Folk-Lore, IV, N' 13, — The Natural history of Folk-Lore (Otis T. 
Mason). — The Indian Messiah (W. W. Newell). — Nat-Worschip among the Burm_ese (Louis 
Vossion). — Folk-Lore from Buffalo Valley, Central Pennsylvania (J. G. Owens). — A Suggestion 
as to the meauing of the Moki snake dancs (J. Walter Fewkes). — Oregonian Folk-Lore (Albert 
S, Gatschet). — The amulet coUcction of Prof Belucci (Thomas Wilsou). — Popular names of 
American plants (Silvi. Hayward). — Topics for collection of Folk-Lore (Fanny I). Bergen & W, 
"W, Newell). — Wastc-basket of words, — Folk Lore scrap-book. — Notes and queries. — Record 
of American Folk-Lore. — Local meeting and other uotices. — Bibliographical notes : a Books; 
b Journals. 



ONS VOLKSLEVEN. 



Antw^rp8ch-Brabaiitsch Tijdschrift 
voor Taal eu Volksdichtveerdigheid , 
voor Oude Gebruiken, Waugeloofkuude, 

euz. In t'ivelf nommers van twelf bladzijden 

in 5". 

TeBiiECHT, 

l»ij L. Braeckmans. 



3" Jaar 
1891 




« p]r is nog; een rijke oogst op het veld 
der geweslspraken voorhanden; veel 
volksuitdrakkingen dreigen te verdwij- 
nen die om hunne juistheid, schilder- 
achtisrheid of oudheid verdienen in de 
schrifttaai opgenomen en bewaard te 
blijven. » 

Zuid-Nederlandsche Maatschappij 
VAN Taalkunde, Wedstrijd 187 A. 

«De studie der folklore heeftvoor doel 
ons volk in zijne eigenaardige zeden en 
gewoonten, in zijn inniggeloof enkarak- 
ter te leeren kennen, in eén woord, het 
volk zooals het is. n 

Vraagboek over Vlaamsche Volkskunde. 



SAGEN. 
13. (38.) Van de Vrouw en den Geest. 

Daar was eens eone meid die, volgens heur zeggen, van niets, hoegenaamd 
niets, vei've^rd en was. Op 'nen avond, terwijl ze naar den winkel ging, 
kwam ze voorbij een oud, verlaten kerkhof. Opeens bemerkte zij op den 
kerkhofmuur eene witte gedaante : het was een geest. « Ho ! ho ! » sprak 
zij hem toe, « peinst gij dat ik van u verveerd ben ? « Dat zeggende wierp 
zij met eenen steen naar den geest en ging gerust voort. Als zij thuis kwam, 
sprak zij tot de dienstboden : « Nu stond er daar een op 't kerkhof en die 
zocht mij bang te maken, maar ik heb hem met 'nen goeden steen 
gerooid ! « — « Weet gij wel zeker dat dit maar iemand was om u bang te 
maken, dat gij daar met 'nen steen moest henen werpen ? » — « Wel, « sprak 
zij, « wij zullen gaan zien ! » — Ze gingen en.... de geest stond er nog : hij 
had eene groote wonde aan het hoofd. Iedereen trok vol schrik terug ; dat 
kunt ge peinzen ! Eilaas ! lederen nacht kwam de geest de vrouw in heuren 
slaap kwellen. Zij wierd mager en bleek : men verlooi* er van dag tot dag 
aan. Daarom vroeg men haar : maar meiske, wat is er u toch overkomen ? 
« Zij zeide wat er met den geest gebeurde en wat zij er iederen nacht van te 
lijden had. Men ried heur aan den pastoor de zaak eens te gaan uitleggen. 
Ze ging dan te biechte en vertelde het gebeurde. » Zie, «zei de geestelijke, » 
als de geest nog komt, dan zult gij hem aanspreken over hetgeen gij hem 
misdaan hebt. » 

Te middernacht stond de geest, de verveerlij ke geest weer aan heure 
bedsponde. Zij volgde heuren biechtvader zijnen raad : ^0\ goede geest, »> 
sprak zij, « als 't u belieft, kwelt mij voortaan niet meer, ik wil alles doen 
om mijn kwaad uit te boeten ! » — De geest sprak : « Vermaakt de wonde 
die gij mij toegebracht hebt; als zij genezen is, houd ik op met u te 
kwellen. » De wonde wierd verbonden en genas en de geest bleef weg; de 
vrouw wierd weer gezond en leefde van nu voort gerust. 

Gehoord te Schelle. Meegedeeld door Lenaard Lehembre. 



98 « Ons Volksleven. « 



14. (39.) Van den gestraften Vloeker. 

Aan het hof « Scherpensteen » te Schelle loopt eene sluis diep onder den 
dijk door; langs weerskanten is eene ijzeren poort. Die sluis moest eens 
gekuischt worden; men zette er 'nen man aan, 'nen vloeker van de ergste 
soort. Gelijk de man daaronder kruipt, slaan de poorten met geweld toe. 
De man verschrikt en wilt de poorten openen. Maar niets gekort. Hij trekt, 
sleurt, stampt, roept en schreeuwt, maar 't is verloren. Een boereknechi 
komt toegeloopen; hij ook kan de poorten niet open krijgen. Eilaas! het 
water komt op. « 't Water staat al tot aan mijne knieën ! » kermt de opge- 
slotene. De knecht spant er zijne peerden aan ; de poorten sluiten nog stevi- 
ger toe. « Het water staat al tot aan mijnen hals ! » kermt de man, « nog 
'nen oogenblik en ik ben er aan ! » Intusschen was er veel volk toegeloopen; 
iedereen luistert angstig naar het hulpgeroep. De man heeft pas gesproken, 
of wat hoort men ?... Diep onder den grond, eenen ijzeren wagen die over 
kasseisteenen schokt; de aarde beeft rondom. Daarop een hertverscheuronde 
schreeuw en de blijde kreten der duivelen die den ongelukkige naar de hel 
voerden.... Daarna gingen de poorten vanzelf open, maar van den vloeker.... 
geen spoor meer ! 

Gehoord ie Schelle. Meegedeeld door Lenaard Lehembre. 

15. (40.) Van den Boek die betoovert. 

El' bestaat een boek, zeggen de oude menschen, die u betoovert, als ge er 
Ie ver in leest. Maar als men dan tijd heeft om ver genoeg terug te lezen, 
dan kan het geen kwaad. 

Zoo las eens eene vrouw in 't gevang St-Bernard ook te ver in zulken boek 
e;i zij had den tijd niet moer om terug te lezen. Opeens staat zij omringd 
van 'nen hcelen hoop duivels, die de vrouw vastgrijpen en meesleuren. Men 
gaf dan uit dat de viouw schielijk gestorven was en men bestelde 'nen 
lijkdienst. In do kist lei men, in plaats van haar lijk. hout en steenen. De 
vrouw was en bleef weg. 

Gehoord ie Schelle. Meegedeeld door Lenaard Lehembre. 

16. (41.) Van het Tooverbriefke. 

Een inulderszoon van Borsbeek had eens een briefken opgeraapt, waar 
wondere woorden op geschreven stonden. Nauwelijks had hij die gelezen, 
of hij kost tooveren en allerhande wondere dingen uitw^erken. Zoo nam hij 
den meiüen van de teerlingen en droeg hem een heel eind verder. Door den 
jongen te belezen, heeft men h'"'m van die duivelskunst afgeholpen. 

Gehoord f e Si-Anionius. J. C. 



BIJDRAGE TOT DEN DIETSCHEN TAALSCHAT. 
4de (i(3de) Woordenzange. 

Afscheiden (Kemp. afschellen), schelde af, heh afqescheld — Uitschelden. 



« Ons Volksleven. » ' 99 



Ik wou hem reden doen verstaan, maar hij scheidde mij wel wat af. Geh. 
St-Anionius. 

Bekennen, beleende mij, heb mij hcf>end. — Zich ievers bekennen. = Eene 
plaats waar men vroeger geweest is, nog herkennen. Ik beken mij in dit 
huis nog zoo goed als over twintig jaar. Kom ik in de stad, ik beken er mij 
niet meer, zoo is alles er veranderd. Overal in de Kempen en ook te Antwerpen . 

Bellen = Bassen. Komt nog enkel voor in de uitdrukking schellen (schel- 
den) en hellen, die men somtijden letterlijk vervangt door schellen en bassen. 
Achter iemand schellen en bellen is gedurig achter iemand schelden cr 
kijven. Bellen atasit bij Kil. vertaald door latr are ; het Hoogd. hellen betee- 
kent a/ bassen, b/ kijven. Geh. St-Anionius. 

BrisBcheji, brischte, heb gebrischt. — Loopen, bansen, bratsen. Vandaar 
rö«^^rmc/«ew = rondloopen, met een kwaad bijgedacht. Eene brisch is een 
wijf of een meiske dat gestadig op den loop is. Gep. w. : loopnn en brisschen. 
Mijne nonbrischt zeggen de kmdQve.ïï van hunnen dop waneer hij, uitge- 
draaid zijnde, verre van zijne eerste plaats rolt. Geh. St-Antonius. 

Ik vermoede dat brisschen klankwissel is van bresschen, dat bij Matathesis 
staat voor 6er5c^ew en bij De Bo voorkomt in de beteek. loopen. Maerlant 
gebruikt hcrsen in den zin van loopen, jagen : 

« Wat vaerdi, in desén daghen, 
Met valeken bersen ende iaghen, 
Ghi lantheren, ghi civiteinen ! » 

Vanden lande van overze<;. 

Dors (Kemp. dors). — Dor, droog, verdroogd. Hij kapt de dorze takken uit 
den boom. Alles staat dors op 't veld. Geh. idem. 

Qeeloogen, gedoogde, heb gegeeloogd. — Zich zitten of staan te vervelen. 
We zaten daar gevieren te geeloogen, en niemand kwam bij ons. Maakt toch 
gauw gedaan; ik staan hier al zoo lang te geeloogen ! Geh. idem. 

Heurk, den. — Gierigaard, vrek, schrok. Mijn gebuur is een heurk van 
'nen vent. Geh. idem. Bij Schuerm. is horh (uitspr. hörh P kwaadaardige 
kerel, 2° lastige kerel, knorpot. Rutten heeft orlc {örk), stuur man, ruwe 
kerel. 

Hok, den. '^ Hoop graan dat op het veld te drogen staat; ook hooiop- 
per. Het koren staat in hokken. Geh. Brecht. Schuerm. kent het w. aan N.- 
Brab. toe. 

'SLoldereny holderde, heb geholderd. — Hollen, op den hol, op den loop 
gaan, van. peerden gezeid. Zijn peerd begost te holderen, en gelukkig dat 
ze 't tegenhielden of 't had groote ongelukken kunnen doen. Geh. St-Ant. 

Holdereer, den. — Een peerd of een os die gemakkelijk op den hol gaat. 

Huggel, den. — Kleine hooiopper. Men zet het hooi in huggels, eer men 
er oppers van maakt. Geh. idem. Schuerm. geeft heukel, huiJcel, hiiJckel, hui- 
kcling, hukkeling voor Vlaand. 

Klavats ! (Nadruk op-vats). — Tusschenwerpsel dat het gerucht van 'nen 



100 « Ons Volksleven. 



hevigen slag nabootst. Klavats ! de wind slaagt de deur toe ! Geh. idem. 
Vrglk. hntSf bots, 

Kneuren, hneurde, heb gehieurd. — P Neunen, stiilekes loeien, zooals de 
koeien doen, waneer ze van verre vrienden zien aankomen. 2" Stenen, 
knorren, van verkens gezeid, Geh. idem. 

Kxva\i>eïïy'kwalpte, heb gehvalpt. — Ziekelijk zijn. Ik heb lang gekwalpt, 
maar nu ben ik toch weer gezond. Geh. Halle in de Kempen. Bij Schuerm. 
kwalsteren. 

Oü wijven, o. mrv. — Een slach van groote grauwe erwten met blauwe 
bloemen. Geh. BrecM. Schuerm, heeft « Aage zviever (oude wivor = wijven?), 
grauwe erwten. (Roermond.) « 

Snadder, den, — Snater, bebbor, mond. Houdt uwen snnddcr = zwijgt. 
Geh. St-Antonius en ooJo te Antwerpen. Ook bij Tuoi'1. en Ruit. Men zegt ook 
snedder. 

Snatsen, snatste, heb gesnatst. — Veel onrijp fruit eten : appelen, peren, 
snatsen. Geh. idem. — Snais bij Tueri. en Ruit, beteek. mond, muil. Schuerm. 
kent het w. aan Limb. toe. 

^■ïiB.'zen{z\n'iQVQa), snaasde, heb gesnaasd — Hetzelfde als snatsen. Geh. 
idem. — Snazen wordt meer gebruikt als 'snatsen. 

Spilworm, den. — Glasslang, hageslang, Anguis fragilis, Fr. orvct. Overal. 

Tijl, den. — Rij graanhokUen of mesthoopen op een gewent. Geh. Brecht. 

Uitdoen, deed uit, heeft uitgedaan. ^- V Opbrengen. Mijn peerd heeft nog 
300 fr. uitgedaan. Die koei zal niet veel moer uitdoen op de merkt. Hoeveel 
heeft uw koren uitgedaan ? — 2° Uitsteken, uitgraven : eerdappelen üildóen, 
boomen uitdoen. Geh. Si-Antonius 

Voster (Kemp. vöster), het. — Eene drij- of vijfhoekige nis, die men in de 
Kempische schouwen aantreft en waarin men solferstekken, blinkdooskes, 
pijpen en andere kleine dingen in bewaart. Geh. Brecht. Elders mazitrgai 
(z. Schuerm.). Jozef Cornelissën. 



VOLKSGEBRUIKEN IN DE KEMPEN. 
Den bef jagen. 

Eenige spuiters maken eenen sul wijs, dat er in een afgelegeh bosch of 
veld een wonder dier of een vreemde vogel te vangen is. Op 'nen pikdohkö- 
ren avond trekt men naar die plaats, voorzien van 'non mutsaard hout ; daar 
steekt men nu een groot vuur aan, dat de sukkelaar goed moi^t ohderhou- 
den. Nadat de jagers hem bij het vuur op wacht gezet hebben, óm den bef, 
als hij door de vlammen zal springen, er in te slaan, loopen zij met stokken 
gewapend het bosch in, het veld rond, ten einde liet wild uit te jagen. Maar 
in plek van te doen hetgenozij den Zebedeüs wijsmaakten, trekken zij stii- 
lekes naar huis en lai:en den sukkelaar bij het vuur zitten wachten. Eindelijk 
is het vuur uitgebrand en de gefopte staat daar alleen in den donkere op 



<i Ons Volksleven. y> loi 



eene hem onbekende plaats. Hij meent naar huis te gaan, maar hij is niet 
op den lachten weg, en 't gebeurt niet zelden dat hij tot 's morgens toe blijft 
ronddwalen. Dat heet men den bel' jagen. A. V., ie Vorselaar. 

De Fanterstekken. 

Als er ergens op eene hoeve een knecht komt wonen die danig lomp is, 
dan maakt men dien van alles wijs. Zoo gebeurt het ook dat men hem uit- 
zend, om de fanterstekken te halen. Deze, zegt men, moeten dienen om het 
melk te doen runnen, ofwel om koren in te scheppen en voor menig ander 
gebruik. Men maakt den lompen sukkelaar zoo zot, dat hij den kruiwagen, 
soms ook kar en peerd medeneemt om het bovengenoemde te gaan halen. 
Bij den aangeduiden boer gekomen, vraagt hij de lanterstekken. — Waar- 
toe moeten ze dienen ? vraagt de boer. En als de andere dan antwoordt dat 
het is om in het melk te zetten, dan geeft men hem een paar zware houten 
op de schouders; als zij moeien dienen om koren in te scheppen, dan geeft 
men hem eenen zak mee waar men een zwaren steen in gelegd heeft. Of er 
met den lomperik gelachen wordt als hij met de fanterstekken aankomt, is 
ónnoodig te zeggen. A. \.,te Vorselaar. 

KINDERSPELEN. 
1. (6.) Potteke met blauw' oogen. 

Eenige meiskes maken eenen kring. Zij houden met beide handen eene 
koord vast, waarvan de twee einden aaneen geknoopt zijn. De koord strak 
aangetrokken, maakt een ronde; in 't midden staat een meiske dat er aan is. 

Een der meiskes vraagt aan dat 't welk er aan is : " Wat kies-de ? » 

En het antwoord luidt : « Potteke met blauw' oogen. »» 

Daarop zeggen al de meiskes die buiten de koord staan, op maat : 

Potteke me(t) blauw' oogen ! 
Tikke, takke, toogea, 
Grauw papier ; 
^ Wil-de nie(t) werken, 
Sjart-oe van hier ! 

Dan moet het meiske, dat binnen de koord staat, toegi'ijpen en zoolang in 
den kring rondloopen, totdat zij eene harer gezellinnen vast heeft. 

Enkel het meiske naar wie gegrepen wordt, mag de koord loslaten, om 
ze weer aanstonds vast te nemen. 

Is een der meiskes gepakt, dan neemt het de plaats in van het eerste, dat 
buiten den kring gaat, en mee de koord vasthoudt. 

(Antwerpen.) J. B. Vervliet. 



HOE DE KERK TE KEERBERGEN IN HET JAAR 1644 EEN 
« POSITIEPF OF CLEYN OIRGELKEN » KOOPT. 

In een register,^ getiteld Register van alle scahinale acten van seepenen der 
heerlykheyd van Keerherghen, als vonnissen, depositien van getuygen ende van 



102 « Ons Volksleven. y> 



moorderyen <fe. &. &. 1620-1654, dat de bezitter, naar wij hopen, volgens 
onzen wensch binnenkort aan het Algemeen Staatsarchief te Brussel zal 
afstaan, lezen wij eene oorkonde die ons belangrijk genoeg toeschijnt, om 
op deze plaats openbaar gemaakt te worden. 

Deze oorkonde luidt : 

« Wy, heer Guilliam Laencn, priester cnde pasioir, HenricJc van der Roest, 
« mcyer, Jan Voet, Jan Cornelis, schepenen, end e Meester Willem Hoylaert, 
« cosfcr, rentmeester van de kercke ende heyligeest van Keerbergen, beken- 
« nen mits desen van Meester Jan Bromser, oirgelmaeckcr, woonende linnen 
« Mcchelen, gecocht te hebben ende hun te dancke gelevert te syn een posi- 
>i iieff of cleyn oir geilen ccrty den gcstacn hehhendc in Sint-Jans-kercJce binnen 
« Mcchelen, ende dat voir ende overmits de somme van een hondert ende iwin- 
« tich guldens eens, te betaelen in drye payen, als te weten binnen den toe- 
« commendemaendt de somme van viertich guldens, gelycke viertich gul- 
« dens van alsdan ende sesse maonden daer naer ende de resterende viertich 
« guldens, maeckende de volle somme, sesse maenden insgelycx daer naer, 
« verbindende daer voire respective hunnen persoen ende der voirgenoemde 
" kercke ende heylig geest goederen present ende toecommende, tot wat 
« plaetsen die syn oft gevonden sullen woirden, een voir al, als principael 
« mede opt recht van den divisien ende over heysch, met conditie nochtans 
" dat de selvc meester Jan het voirs. posifieff of orgelTicn behoirlycJcen sal reparc- 
« ren ende stellen in staet daer innc moeten voegen cnde maccken of' doen speciën 
« eenen nachtcgael, stilcx dat goede lienders cqeen gehrecli op tselvc positieff en 
« sullen tvctcn te segqcn. Ende om des toirckonde soe hebben wy desen by 
« onsen secretaris laten schryven ende teeckenen ende onsen gemeynen 
« schependoms segel op hetspatium gedruckt : Gedaen ende gepasseert den 
« Vj''" July 1644. Present Gillis van Liecke, Anthoen Hollemans, Fieter de 
*i Grcvc cnde Jan Cleynheyns, onse medeschepenen. My mede present Jacobs 
« 1644. M 

Wij zien hieruit : ^ 

1° Den naam van eenen Mechelschen orgelmaker in de XVIP eeuw; 

2P De manier, waarop in dien tijd eene dorpskerk den koop sloot van een 
orgel en welke eischen men aan het speeltuig stelde; 

3° Dat de kerk der plattelandsgemeente Keerbergen zich moest tevreden 
stellen met een door de St-Johanneskerk te Mechelen afgekeurd positieff of 
cleyn oirgclken, hetwelk vooral hierin zijnen grond vindt, dat het dorp gedu- 
rende de oorlogen in de laatste tientallen van jaren buitengewoon veel te 
lijden had gehad, en zeer verarmd was. (i); 



(1) In hel begin van de XVI 1« eeuw was de voormalige kerk van Keerbergen door de oorlogs- 
benden tot eenen puinhoop gemaakt. Zie mijne opstellen : Benige onuitgegeven stukken betrekke- 
lijk de oorlogen in de X VII^ eeuw, en Les Seigneuries du Pays de Malines. Keerbergen et ses seig- 
neurs. 



« Ons Volksleven, y 103 



4° De namen van pastoor, koster, meier, schepenen en secretaris van 
Keer bergen. 

Met den wensch den naam des orgelmakers te leeren kennen, die door 
latere verandering en overschrijving van het oorspronkelijke stuk onlees- 
baar was geworden (i), wendden wij ons tot den Heer Victor Hermans, den 
geleerden archivaris der stad Mechelen, die ons met de hem eigene welwil- 
lendheid schreef : 

In het handschrift van den Heer Gaspar-Joseph de Servais, getiteld : 

Jaer Boeken der Parochie kerk van den H. H. Joannes Baptist en Joannes 
Evangelist tinnen Mechelen, lees ik het volgende : 

Den 20 November 164:4, wicrd door den pastoor ( Christianus de CoriJ en 
kerkmeesters ,aen Joannes Bromser, orgelmaeker, aenhesfeed het maeken van eene 
nieuwe orgel, te stellen agter in de kerk tegen den tooren, voor welke hij zoude 
hebben 350 guldens. 

De naam van den orgelmaker is hierdoor dus vastgesteld. Wij meenden 
de mededeeling van den heer Hermans, wegens hare belangrijkheid, in 
haar geheel te moeten teruggeven. 

Nog zij vermeld dat, volgens het door ons aangehaalde register, pastoor 
Laenen en Consorten, den 15" Juli 1652 voor Schepenen der heerlijkheid 
Keerbergon, bekennen van Cornelius van Bouchout, uurwerkmaker te Lier, 
ten behoeve van hunne kerk te hebben ontvangen een uurwerk dat de heele 
en halve uren slaat, waarvan de prijs, 394 gulden, in drie termijnen betaald 
moest worden. J.-Th. de Raadt. 



BOEKBESPREKING. 

Emile Blémont. — Esthétique de la Tradition. — Paris, J. Maisonneuve, 
M.D.CCC.XC. (Vol. VHdelaColl. hitern. de " La Tradition »). Boekd. in-16° 
van 124 bl. Prijs fr. 3,50. 

Tusschen de werken in de « Collection internationale de la Tradition « uitgege- 
ven, is er geen dat meer op grondige studie van den aard, de strekking, het doel, 
de eigenschappen, enz. der folklore kan roemen, dan dat waarvan wij den titel 
aan het hoofd dezer bespreking neerschreven. 

De H' Blémont heeft wel degelijk begrepen, welken grooten invloed op al de 
standen der samenleving de volkswetendheid en overleveringen uitoefenen ; van 
hoeveel belang de kennis van hun ontstaan, hunne bewaring en voorplanting, hun 
grondig onderzoek en uitleg zijn. Hij bewijst dat, niet alleen voor de studiën, die 
op eenigerlei wijze aan de volkskunde raken ; maar ook met betrek tot het volk 
zelf, zijne maatschappelijke verhouding, de uitdrukking zijner wenschen en be- 
geerten, zijne driften, zijnen geesten het peil zijner verstandsontwikkeling. 

Wij hebben dan ook het boekske met de meeste belangstelling gelezen en er 
menige scboone bladzijde in gevonden ; bladzijden vol poëzie en liefde voor het 

(1) Men leest er maar : Broms.... 



104 " Ons Volksleven. » 



volk, voor zijne ongedwongen natuurlijkheid, zijne kinderlijke grootmoedigheid, 
zijnen aangeboren zielenadei. 

Dat wil echter niet zeggen, dat de schrijver blind is gebleven voor de gebreken 
van dat zelfde volk uit wier schoot hij geboren, in wier raidden hij groot gewor- 
den is; geenszins, en dat is het juist wat wij in hem het meeste goedkeuren. 

Een volk dat getrouw blijft, aan zijne overleveringen, aan zijne voorvaderlijke 
gewoonten, zal zedelijk zijn ; zonder goede zeden, geen godsdienstig gevoel ; zonder 
godsdienst geene gehechtheid aan het familieleven; verders maatschappelijke 
wanorde en verval, eu volslagen gebrek aan al wat een volk sterk en groot maakt. 

Wat ons hier echter verwondert, en wat wij ook grootelij ks afkeuren, is dat 
de schrijver, na getoond te hebben, dat hij de macht van den godsdienst en diens 
weldadigen invloed op het volk niet alleen als nuttig maar ook als volkomen 
noodzakelijk erkent, verders het bewijs geeft eener zekere vrijzinnigheid, die in 
algeheele tegenspraak met zijne andere denkbeelden is. 

Indie:i de godsdienstige begrippen voor de lagere standen onontbeerlijk zijn, 
dan zijn zi} het daarom niet minder voor de hoogere; en indien het geloof een 
« zacht oorkussen » is voor hen die « arm van geest » zijn, dan zal, wat Montaig- 
ne en de H'^ Blémontook mogen beweren, twijfelzucht en vrijdenkerij toch nooit 
dat zacht oorkussen zijn voor hem, die met de noodige geestesgaven toegerust, 
rechtzinnig naar de waarheid streeft. 

He^, spijt ons dus dat wij het werk, hoeveel belangstelling het ons ook inboe- 
zemt, niet zonder voorbehoud kunnen aanbevelen. D<3 wijsgeerige denkbeelden ia 
Voltaire's school opgedaan, en door den schrijver hier en daar toegepast, staven 
ons oordeel. 

Achter het werk volgt een aanhangsel « Programma voor een tijdschrift aan 
de volksoverleveringen gewijd, » dat nuttige wenken en oorspronkelijke opmer- 
kingen bevat. J. B. Veevliet. 

Levensschets van Jacobus de Kort, eersten prelaat der herstelde abdij 
van Postel-Molle, door Th. Ign. Welvaaets, Prior, Bibliothecaris der abdij 
Postel-MoUe. —Antwerpen, drukkerij Van Os-De Wolf. 1891. 



Onder dien titel heeft de geleerde archivaris en geschiedkundige, de Eerw. 
Heer Welvaarts, prior der abdij van Postel, eene nieuwe levensbeschrijving doen 
verschijnen, opgesteld in dan klaren en tevens sierlijken stijl, die den schrijver 
in al zijne werken kenmerkt. 

De levensschets van Jacobus de Kort is eenvoudig en terzelfder tijd boeiend 
geschreven. De levensloop van den betreurden prelaat was die van een man, 
eenvoudig en beminnelijk van herte, nauwgezet in 't vervullen zijner arabtsplich- 
ten, rijk aan christelijke deugden. Ootmoedig, niettegenstaande de hooge weer- 
digheid die hij bekleedde, wist hij Joor zijn wijs bestuur en zijnen onvermoeiba- 
ren iever, aan de aloude en uit hare puinhoopen verrijzende abdij, een weerdig 
aanzien te hergeven. 

Het werkske van den Heer Welvaarts beslaat 62 bl. in-8°. Het i& geprint op 



« Ons Volksleven. « 105 



zwaar papier en in prachtdruk; de hoofdingen en de omlijsting van elke bladz. 
zijn in 't rood. Vier platen, Wiiarooder het afbeeldsel van den prelaat en de teeke- 
ning van de abdij, versieren het nette boekske, dat waarlijk een juweeltje van 
fraaie drukkunst heeten mag, Jozef Cornelissen. 

Vertelsels van het Vlaamsche Volk, naverhaald door Amaat Joos. 3« 
Deel. Gent, drukkerij A. SifFer. (Boekd. van 192 bladz. Prijs : 65 centioraen.) 



Een onvermoeibare werker is de Eorw. Heer Joos, en een die ons volk eu zijne 
taal en overleveringen uit der herte bemint. Dat is nu al de derde reeks vertelsels 
die hij doen drukken heoft, en wie weet of hij 't komende jaar ons geen vierde 
bundeltje zal laten lezen ! 

Dees boekske bevat 61 nummers, veelweg-oorspronkelijke, ongeboekto veilelselsv- 
Dc geleorde schrijver deelt ook varianten mee van sprookskes en sa(];en, in de 
vorige deeltjes verschenen, en hij doet wel. 't Is door de verschillige gedaanten 
van een zelfde sprookske met elkander te vergflijken, dat de volkskundige het 
oorbeeld vinden moet. Hoefik de taal te loven waar do vertelsels in geschreven 
zijn en er bij te voegen dat 's volks verhaaltrant zoo goed mogelijk is nagebootst? 
.... Onze lezers weten genoeg dat de Eerw. Heer Joos een meester is in de taal, en 
de eigenaardigheden der levende volksspraak heeft opgespoord en behendig weet 
te gebruiken. Jozef Coenelissen. 

NIEUWSKES. 
Folklore Wallon. (i) 

De opstellers van den Vraagboek voor (Waalsche) folklore, hebben hun werk 
gelukkig ten einde gebracht. 

Geen Vraagboek is vollediger, zoowel in vragen als in voorbeelden, dan deze ; 
geen ook zal met meer nut geraadpleegd worden, of meer gemak opleveren, bij 
het zoeken en opteekenen der folkloristische stof. 

Ten nutte onzer lezers geven wij nog den inhoud der leste afleveringen : 

XI. Kinderrijmen en spelen (vervolg). — Springende spelen, handige spelen, 
raadsels, spelen waarin men iets raden moet, voorbereidende spelen met aftelrij- 
men, vraagspel en, grappen en spotzegsels (Vr. 1388-1494). 

XII. Volkshumor (1495-1521). 

XIII. /eden en gewoonten (2« gedeelte). Het huis, de heerd, de meubels, het 
huiswerk, de eetmalen, het voedsel, spijzen die slechts hij zekere gelegenheden 
opgediend worden, het huishouden en het huisgezin, de dienstboden, stielen en 
ambachten, gemeenteleed, verhuringen, verkoop, kindergiften, eed der kindoren, 
aanroepings- en verzweringsformulen, geschillen (Vr. 1522-1613). 

XIV. Wonderbaie wezens (2" deel). Spoken, schatten, dwergen (Vr. 1614-16.50). 

XV. Volkskalender (Vr. 1651-1859). 

(1) Vervolg van bladz. 59, 3«jaarg. 



& 



106 « Ons Volksleven. » 



Bulletin de folklore. 

Organe de la Société de folklore wal Ion. 

De 1° aflevering is verschenen ; zij beantwoordt tenvolle aan de verwachtiog die 
wij er van hadden. 

Degelijkheid van inhoud, verscheidenheid in den keus der stukken, wMarin 
eene grondige geleerdheid en belezenheid uitschijnen, benevens eenn stoffelijke 
uitvoering, die "niets te wenschen overlaat, maken van den « Bulletin » een volks- 
kundig tijdschrift, dat aan alle andere ten voorbeelde strekken kan. 

De opstellers, die reeds vroeger in tijdschriften en afzonderlijke werken getoond 
hebben, in het vak ervaren mannen te zijn, zullen, gesteund door hunne uitge- 
breide kennissen, en voorzien van de overvloedige stof, door de « Maatschappij 
voor Waalsche folklore » verzameld, aan hun tijdschrift den r.ing .veten te behou- 
den, dien het met zijn eersten stap in de wereld komt in te nemen. 

Wij heeten den « Bulletin » hertelijk welkom. J. B. Vervliet. 



VRAGEN EN AANTEEKENINGEN. 

12. (53.) « Ze komen van achterna gelijk die van Heist. » — Te Heist- 
op-den-Berg en in de omstreken bestaat de zegging : « Ze komen van achterna 
gelijk die van Heist. » Die spreuk wordt dikwijls op de Hcistenaars toegepast. 
Oude lieden zeggen dat die van Heist een in aftocht zijnde leger Turken (?) van 
achterna liepen tot Grobbendonk en het aldaar gansch versloegen. De Turken 
^QY\ovmm dien %\2kg hunnen gouden God. Was dit misschien eene krijgsbende 
van Spaansche soldaten of oproerlingen tijdens de beroerten der XVP eeuw ?.... 
Ofwel, van vroeger dagteekening, een invallend leger der Noormannen ?In oenen 
charter van Jan Hl, hertog van Brab.int, van 1340 leest men : De Heeren van 
Grimbergen hadden hot voorvechten (eerste aanval en eerste rangen) en ook de 
achterwacht, en moesten geen schildwacht doen. Behoorden de Heistonaars in 
oorlogstijd misschien tot eene dezer leste afdeelingen ? Wie weet er iets meer van ? 

Fe. Z. 

13. (54.) Bezwering tegen de ratten. — Bijgeloovige lieden meenen de 
ratten te kunnen verjagen door de volgende oprecht heidensche bezwering : 

u. Gijliê ratten ! gijliê leelijke beesten ! Ik verwensch u bij zon, maan, lucht, 
sterren en het firmament, alsdat gijliê alle moet vertrekken uit mijne huizing, 
stalling, schuur, hoving, zoo zeker alsdat Maria den Zoon Gods gebaard heeft. » 
— Dat moet arijmaal gelezen worden, zeggen ze, op 'nen Woensdag, 'nen Don- 
derdag, of 'nen Vrijdag, vóór zonnenopgang, terwijl men door de gebouwen rond- 
wandelt. J. C. 

INHOUD VAN TIJDSCHRIFTEN. 

Volk en Taal. IV, N'' 1. — Aan onze Lezers (P. Bernard). — Kruiske, goed begin (.\. van Heu- 
vorswyn). — De weerwolf, enz. (P. van den nroe<ik}. — 't Ruiterken (A. V.). — Sint Pieters vier 
(A. van Hcuverswyn). — Keizer Karel en de zandleurder (Kr van Cauwenberghe). — Raadsels 
(P. van den liroeck). — Zwart en wit (A- van Heuverswyn). — Uit mijne tassche (L. D. C). — 
Uit een ouden almanak (L. D. C). — Advokaat Verriest(T. van Heuverswyn). 



« Ons Volksleven. »» 107 



Biekorf, II, N'' 12. — Zwijntjepak (A. De VI.). — Heilig-Herielied (G. Gezelle). — I.amperuesse 
(Dr. Jul. Blancke eii Jan Craeynest). — Ontdekkinge van America. — Mingelmaren. 

N"^ 13. — Is Karel de Groote een franschnian ? — Bruiloft (G. Gezelle). — A in 't Westvlaamsch 
Idioticon (J. Claerhout). — Te lande en te water (V. D. M.). — Mingelmareu. 

Het Belfort, VI, N' S. — Verklarend woordeuboek met platen door Jozef IJal, prof. — Godfried 
Wcudelen, Vlaamsche sterrekundige der XVI l** eeuw (P. Kerckhofs). — Nikolaas L'eets als 
dichter (J 08. Schrijnen). — Renan en Busken Huet (E. Pauwels). — Waarheid, gezonde rede en 
Vlaamsche beweging (Een Leeraar, pr.). — De wederkomst (Edmond Fabri). — Wenken en vra- 
gen (Jan Graeynest). — Boekennieuws en kronijk. 

Verslagen en Mededeelingen der Koninklijke Vlaamsche Academie voor Taal- en Letterkunde, 1891. 
April, Meien Juni. — Zitting van 15 April : Rijkhilde's vizioen. 1085. Lyrisch monodrama, door 
den heer Em. Hiel. — Nieuwe biographische sprokkelingen, door den heer J. Broeckaert. — De 
Vlaamsche vertaal- en woordenboeken van het begin der boekdrukkunst tot den jare 1700, door 
den heer H. Sermon. — ld. van 20 Mei : Bibliographische aanteekeningen door den heer Fr, de 
Potter. — ld. van 17 Juni : Anna Roemers Visscher te Antwerpen in 1643, door den heer Edward 
van Even. 

Dietsche Warande en Wetenschappelijke Nederlander, IV, N"" 4. —Het testament van Simon de 
Vos, 1676 (Ed. Geudens). — Kunstenaars en kunstwerken in de Belgische Benedict ijnerklOosters 
van de 10^ tot het midden der IS" eeuw (Dom Willibrord van Heteren, O. S. B. — Maredsous). — 
Hendrik De Veer, en zijn « Trou-Ringh voor 't jonge Holland » (Aug. Gittée). — Laureys van 
Papenbroeck, de vader van Pater I^aniël genaamd Papenbrochius. Geslachtsboom, rijmwedstrij- 
den en huisboek (J.-F. Kieckens S. J.). — Zegels van het Diestsche Begijnhof (Graaf Maurin Na- 
huys). — Trijntje Cornelis (J.-L..C.-A . Meyer). — Gezonde kunstbegrippen (Alb. Th.). — Nog iets 
over Mr. Gerard van Loon. Huisverkoop. Verwanten (Gh.-C.-V. Verreyt). — Gevecht van Bre- 
auté (Ch. V.). — De Be(jevaart van O. L. V. van Handel (G. van den Eisen, O. S. N.). — Vondeli- 
ana. — Boekenkennis (Beoordeelingen door E. S.-S, D"" A. Dupont, Alb. Th., Red., enz.). — 
Inhoud van tijdschriften. — Omroeper. — Aan Elisabeth Verriest. Gedicht (llugo Verriest). — 
De Psalmen in gezangen. Psalm XVII (Em. Hiel). 

De Vlaamsche Standaard, I, N"" 17. — De Guldensporenslag ! (Lod, Op de Beeck). — Brabantsche 
Gouwdag te Leuven. — Eenige bemerkingen over den Gouwdag. 

N"" 18. — Vlaamsche Conferencie. — Vlaamsch in den Provincialen Raad van Brabant. — De 
Moedertaal (P. J. Dille). — Het Vizioen (Franz. Kooien). — Aan 't Geboortedorpje (Ph. Calu- 
waert). 

Ons Gedacht, 3Iaandscknft. Stem voor alle Katholieke Vlamingen. Prijs per jaar : 60 centiemen. 
Boissckoi, Fr. Van Herck, Drukker-Uitgever. 

Il, Nf 1. — Aan onze Lezers. — Ons Plan. — üverstroomingen — Het Peerd en de Vliegen. — 
Aan den Vlaming. — Met geschiktste voertuig voor opvoeding en onderwijs. 

N"" 2. — Onze Dank. — Een Voorbeeld L. D.). — Sinte Luitgaarde. — Antwerpen (Frans 
Zand). — Socialismus en het geluk van den werkman (L. P.). — Het geschiktste voertuig voor 
opvoeding en onderwijs. — Wat doen ? 

N"" 3. — Hij kost het niet volhouden (A. W.). — Op Wandeling. -— Socialismus en het geluk 
van den werkman (L. P.). — De Jaai'getijden in 's menscheu Leven. 

Kempisch Museum, 11, N'' 3. — Oorlogsrampen in de Kempen rond 1580. (Fr. Waltman van 
Spilbeeck). — Brecht. De Zaligverklaring van Pater L. Lessius (J. Michielsen). — Kronijkje van 
Hereiithals (J. Th. de Raadt). — De Heerlijkheden van het Land van Mechelen. Norderwj'ck en 
zijne heeren (J. Th. de Raadt). — XV'' Eeuwsche Kronijkje van het Land van Turnhout (E. T ). — 
Costuymen der gemeenten van het Arrondissement Turnhout (Ch. Van Reusel). — Sauvegarde 
voor St Pieters =: Lïlle (P. J. Goetschalckx.) 

Bulletin de Folklore, organe de la Sociétédu folklore walton. (Directeur pour 1891 : Eugène Mon- 
seur). Bruxelles, J. Lebègue & Cie ; Paris, Ernest Leroux. — Abonnement fr. 6. — 1891. Premier 
semestre. 

N"" 1. — Avant-Propos. — La chanson populaire au moyen-age (M. Wilmotte). — Jeux d'en- 



108 « Ons Voucsleven. v 



fanis . Rimes des doigts, avec notes de M. W. (ü. Colson) — Coutes : L'os qui chante (E. Mon- 
seur). — Chausous : les noces de la mésange, avec aotes de M. W. (O. Colson). — Formulettes 
de posseesion (J. Defrecheux). — Spectres et fanïóraes (A. Gittée). — Revue des livres (J. Feller, 
Aug. Gittée, Emile Godenir). — Chronique (E. JNl. ; A. G.)- — Société du folklore wallon. 

La Tradition. V, N' 7. — Usages et superstitious funèbr» s dans la Belgique wallonne (Jules 
I.emoine). — Le folklore de Coustantiiioplc. III. Superstutions et croyances chrétieanes des eu- 
virous de Constantinop'e (Hcnry Carnoy et Jean Kicolaïdes). — Les sirenes (Faul Arèae). — 
Eléments de traditiouuisme ou folklore, V. L'Idolatrie (Thomas Davidson). — Chansons populai- 
res de la ricardie (Heiiry Menu) — Le folklore de la Belgique. XIV. Hlason populaire (Alfr. 
riarou). — Los proces de sorcellerie au inoyen-age. 111. Suite (Henry van Elven). — Le langage 
des animaux. I. Conté grec de Constautiiiople (H. Carnoy et J. Nicolaïdes). II. Conté de Jéróme 
Morlini (Or. St. Prato). — 1 es croyances populaires sur le crocodile dans la Ilaute-Egypte (A. 
C.).— Sagesfe (Vic*« de Colleville).— Bibliographie (H. Carnoy). — Le mouvement traditionniste. 

Revue des Traditions populaires, VI, K^G. — Ancienneté de quelques locutions usuelles (Raoul 
Rosières). — Quelques usages de la Semaine Sainte. IL Dans les Landes (Félix Arnaudin). — Si 
j'étaishirondelle. 1. Formemorvandelle 11. Ferme normande (Julien Tiersot). — La légende de 
Didon. Suite. I. La peau de bceuf coupée en laiuières. 11. La délimitation par la voix, III. La dé- 
limitation"par la vue (René liasset). — Les mines et les mineurs. XIIL Coutumes, croyances et 
chansons des mineurs polonais(Michel deZmigrodzki). — Légendes valaisanues (L. Courthioii). 

— Traditions et superstitions des ponts et chaussées. VII. Les ponts. Suite. Légende du pont de 
la Calade a Saiut-Raphaël (M. ürtolan). — Les destructeurs de ponts : les ponts mytliiques (René 
Basset). — Les chaussées et les digues. VI. Suite (René Basset). — Les chemius de fer. IL (Louis 
Morvin), — Folk-Lore de Lorraine : la .Massue (Auricoste de l.azarque). — Blason populaire de 
la Loire-lnférieure (P. Bezier). -- La chanson de Bricou. VI. Suite (René 1 asset). — VII. Ran- 
donnée (M Defodon). — VIII. Versions de la Campinc anversoise (Jozef Cori.elissen). — Second 
congres des truditions populaires (P. S ). — Superstitions du Cap-Sizun (Le Carguet). — Necro- 
logie. P. Bézier (P. S ). — Bibliographie (Ch Ploix & P. S ). — Périodiques et journaux. — No- 
tes et enquêtes. 

Zeitschrift für Volkskunde, III, N"" 10. — Die Kalewalavom asthetischen Standpunkt betrachlet 
(Julius Krohn's finnische Litteraturgeschichte I, I. Uebersetzt von O. P. — Sagen vom Schralel 
aus Steiermark (Anton Schlossar). — Volksüberlieferungen aus Oesterreich (Franz Branky). — 
Mundari — (Kol — ) Lieder (A. Nottrott) — Kriminalistische Gedanken und Anschauungen in deu 
Brauchen und Sprichv örtern des russischen Volkes (Gurwitsch. Mitg. v. Edm. Veckeiistedt). — 
Der Schwcrttanz von Atteln bei Buren (B. Hüser). — Die alten nordischen Frühlingsfeste (Poes- 
ton). — Die " grosse » wendische Hochzeit (Schwela). — Polnischer und deutscher Aberglaube 
aus der Provinz Posen (O. Knoop). — Bücherbesprechungen. 

Zeilschrifl des Vereins für Volkskunde, 1 , N"" 3. — Die Sage von Ermenrich und Schwanhild (Max 
Roediger). — Die eihnographischen Arbeiten der Slaven vornehmlich Oskar Kolbergs (Wl. 
Nehriug) — Volktümliche Schlaglichler (Wilhelm Schwartz). — Die Kalender- Heiligen als 
Krankheits-Patrone beim bayerischen Volk (Dr. M. Hoefler). — Volkssegeu aus dem Böhmerwald 
(J. J. Animann). — Segen und Ileilmittel«,us einer Wolfsthuner Handschrift des XV. Jahrhun- 
derts (Osw. von Zingerle). — Moderne chincsische Tierfabeln und Schwanke (C. Arendt). — Ja- 
mund bei Cöslin (Ulr. Jahn & Alex. Meyer). Mit 2 Tafeln. — Kleine Milteilungen (K. W.). — 
Bücheranzeigen (K. Weinhold, Fr. Stolz). — Aus den Sitzungs-ProtokoUen des Vereins für 
Volkskunde (U. Jahn). — Litleratur des Jahres 1890 (Dr. Max Laue). 

Am Ur-Quell, II, N"" 9. — Bal)a Jaudocha-Dokia (Raim. Fried. Kaindl). — Raisel-Geschichten 
(H. Frischbier). Die Fëscherin (O. Schell und II. Volksmann). — Abderiten von heute (F. Ilöft). 

— Geisterglaubc (K. Knauthe). — Hexeuleiter? (Raim. Fried. Kaindl). — Schimpfwörter (H. 
Knautlie und H. Volksmann), — Ostpreussische Sprichwörter, Reime und Proviuzialismen (J. 
Sembrzycki) — Ostfriesisches Volkstum. — llochzeitgebrauche der Weissrussen (Gregor Kup. 
czanko). — Kleine Mitteilungen (A. L. und Sembrzycki). — Nahruf. Handelmann (Volksmann 
und Krauss). 



ONS VOLKSLEVEN. 



Antwerpsch-Brabaiitscli Tijdschrift 
voor Taal eu Volksdiclilveerdiglicid , 
voor Oude Gebruiken, Wangeloofkunde, 
enz. Intwelf nonimers van tn-elf bladzijden 
in 8^. 

Te Breciit, 

hij li. Braeckmans. 




« pjf is nog een rijke oogst op liet veld 
der gewestsprakeu voorhanden; veel 
volksuitdrakkingen dreigen te verdwij- 
nen die om hunne juistheid, schilde'r- 
achtiffheid of oudheid verdienen in de 
fichrifttaal opgenomen en bewaard te 
blijven. « 

Zuid-Nederlandsche Maatschappij 
VAN Taalkunde, Wedstrijd 1874. 

«De studie der folklore heeftvoor doel 
ons volk in zijne eigenaardige zeden en 
gewoonten, in zijn inuiggeloof enkarak- 
ter te leeren kennen, in één woord, het 
volk zooals het is. » 

Vrdaghoeli over Vlaamsche Volkskunde. 



LIEDEREN. 
5. (13.) Daar zat een(en) Uil en spon... 

Op bl. 53 van zijnen 7" jaarg., deelt 'tBaghet in den Oosten een lièke mee 
dat gezongen wordt om te weten wie het gelag zal betalen. 

In de Antwerpsche Kempen, o. a. te St-Antoniiis-Brecht, kent men ook 
dat lied. De P*^en de 2'^*' stroof zijn bijkans dezelfde als in Limburg, maar 
de woorden van de 3® luiden heel anders. 

Het lièke wordt in choor door gansch het gezelschap gezongen. Die den 
tweeden keer het leste woord uitspreekt, is verloren en heeft het gelag aan 
zijn been. 

Hier volgen nu de woorden van het lied : 



I. 

En daar zat een(en) uil en spon, 

Willewon ; 
En daar zat een(en) uil en spon. 
En al op een zilveren wieleke ; 
Wiele-wiele-wielc-wiele-wieleke, 
Daar hij zijnen kost mee won. 
En al op een zilveren wieleke, 
Wiele-wiele-wicle-wiele-wielekc 
Daar hij zijnen kost mee (won). 



II. 

En de meid die keer' 'et (1) huis, 
Willewuis; 

En de meid die keer' 'et huis. 

En wat vond zij onder haren l)cssem, 
Bessem-bessem-bessem-bessem-bessem ? 

Eencn penning met een kruis ! 
Een wat vond zij ouder haren bessem, 
Bessem-bessem-bessem-bessem-bessem V 
Eeuen penning met een (kruis !) 



lil 



Sa pachterken, hoe is het met uw vlas, 

Willewas ; 
En hoe is het met uw vlas ? 
^Yel het is nu toch weer wat beter, 
Beter-beter-beter-bster-beter, 
Als het " gepasseerd » jaar was. 
Wel het is nu toch weer wat bater, 
Beter-beter-beter-beler-beter, 
Als het " gepasseerd « jaar (was). 



(1) Keert het. 



110 « Ons Volksleven. » 



H Bagliel meent dat dit liêken uit Duitschland overgewaaid is, op groiid 
dat de 2"'' stroof van de Limburo-sche gedaante de Duitsche woorden : das 
Haus wieder aus bevat. 't Is mogelijk, en dan komt het lied ons waarschijnlijk 
uit Limburg. Nochtans heeft de eerste stroof defikelijk tot een ander lied 
behoord. De Heer Vervliet deelt mij uit Antwerpen eene brok mede van een 
oud spinliedeJce, waarvan het l)egin luidt : 

Daar was een vrouw die spon 

girregirregon ; 
Al op een houten spinnewiel, 
Waar z'haren kost op won, 

girregirregon. 

Dat voosken af, dan moest de zanger met zijn been de beweging van het 
spinnewiel nadoen; ondertusschen bevochtigde hij zijne vingers, alsof hij 
er het garen of het vlas moest door laten glijden; daarna bootste hij het 
geronk van 'l spinnewiel na : üus, üus, üus.... (i) 

Later komen wij op het lied terug. Intusschen verzoeken wij onze lezers 
de andere gedaanten op te schrijven, die zij van het liedeke zouden kennen, 
en vooral de wijze niet te vergeten, 't Komende jaar, als 't God belieft, 
zullen wij in staat zijn om de voos van het meegedeelde lied te drukken. 
Dus nog wat gewacht ! Jozef Cornelissen. 



DE KLOKKEN. 

L 
Oorsprong der Klokken. 

Volgens de Bevue Brifannique, 1855, bl. 1 en vlg. zouden de klokken 
gekend geweest zijn, lang vóór de Christcne jaartelling. 

Een Oostersche patriark uit de XIP eeuw haalt eenen schrijver aan die 
heel ernstig aan Tubal-Caïn, die gelijk men weet, het ijzer en het koper 
bewerkte, de eerste verandering van het klinkend metaal in eene soort van 
ruwgevormdc klok toeschrijft, 't Was met die klok dat Noë de werklieden 
bijeenriep die hij aan het bouwen der ark gebruikte (!!). 

Volgens den Dicfionnaire des Origines doet Kircher de uitvinding der 
klokken opklimmen tot de Egyptenaren. Bij de Hebreeuwen droeg de 
Hoogepriester, bij de plechtigheden van den dienst, een kleed waar gouden 
klokskes aanhingen. Bij de Atheners riepen de priesters van Proserpine het 
volk naar de offeranden bij middel van eene klok, en die van Cybele bedien- 
den er zich van in hunne geheime vergaderingen. 

De Poi sen, de Grieken in 't algemeen en de Romeinen kenden het gebruik 
der klokken niet. Er is nochtans spraak van klokken in Tibullus, in Strabo 
en Polybus, die twee ecuwen vóór J.-C. leefden. Josephus spreekt er ook 
van in zijno Joodsche Oudheden, IIP boek. 

(1) Wie bezorgt ons den volledigen tekst ? 



« Ons Volksleven. >» 111 



Hoewel Kircher den oorsprong der klokken doet opklimmen tot de oude 
Egyptenaren, is men het bijlange niet eens over dat onderwerp. 

Geleerde en ernstige schrijvers zijn van gevoelen dat de klok eene inge- 
ving is van den Christenen godsdienst en eerst ontstaan is te Nola in Cam- 
panië. 

't Was in 't jaar Onzes Heeren 400, dat St-Paulinus, bisschop van Nola, in 
de kerk het gebruik der klok invoerde om de geloovigen naar de goddelijke 
diensten te roepen en de uren der getijden te onderscheiden. Anderen schrij- 
ven het invoeren der klokken toe aan den Paus Sabiniaan, die den H. 
Gregoris opvolgde ten jare 606. 

't Schijnt dat de klokken in Frankrijk ingevoerd wierden ten jare 550, te 
Constantinopel in 871, en in Zwitserland in 1020. Vóór dien tijd riep men 
de geloovigen naar de goddelijke diensten, met op zekere plankskes te 
slaan, die dB.arom gewijde plankskes geheeten wierden. 

Wat er ook van zij, 't is maar op het einde der 6^ eeuw dat men de klok- 
ken op eene stellige en onbetwistbore wijze ziet verschijnen. Ze zijn in de 
wereld gekomen met hunne klokkctorens, en 't is klaarblijkend dat de 
Ouden die bouwing niet kenden. 

{'t Fer volgt). Alf. Harou. 

VOLKSGEBRUIKEN. 

Het « Heiluizen. » 

Dat er in de afgelegen streken onzer Kempen nog aardige volksgebruiken 
bestaan, bewijst het zoogenaamde «Heiluizen» in het gehucht Achtel, onder 
Rj^ckevorsel. 

Na de feest van St-Antonius, patroon van het gehucht, vergaderen de 
jongelingen van het gehucht om 9 ure voormiddag in eene gegeven herberg: 
alle zijn min of meer boertig verkleed. Elk legt 'nen frank uit. Dit geld 
dient tot het aankoopen van eenen stoop « zuut » en tot het betalen van het 
gemeenzaam gelag. Men neemt eene groote mand, door w'elks ooren men 
eenen stok steekt om ze te dragen. Twee mannen gaan met de mand vooi'op, 
alsook een speelman met trekorgel of eenen '» open en toe j' gelijk het de 
boeren daar noemen. De anderen volgen dan al dansende en springende. 
Zoo gaat men van huis tot luiis. Do mand wordt te midden van den vloer 
geplaatst en er begint een wilde rondedans om de mand, waaraan boer en 
boerin en meiden en knechten gedwongen moeten deelnemen. De bazin, de 
meiden en dochters worden nu beschonken met eenen borrel van het «zuut» 
en de bazin legt in de mand een stuk van 't verken en eenige sneden brood. 
Na nog « een loechtje « rond de mand te hebben gedanst, vertrekt men naar 
eenen anderen boer met « open en toe » vooruit. 

Wanneer de ronde halfis, stopt men. De dragers der mand mogen er elk 
eene karbonade uit nemen en er drij beten van bijten, waarna zij ze weer in 
de mand smijten. 



112 « Ons Volksleven. » 



Rond twee ure heeft men alle de boeren bezocht; het ^ heiluizen j' is 
gedaan. 

De vroolijke menigte trekt naar Jfee ra/i 7f(7rc?/;e5 in De drij Zwaanfjes, 
en de rondgehaalde victuaal wordt eerlijk verdeeld. Nu is het een algemeen 
frcfen dat het een plezier is om zien : brood, hesp, vleesch, worst en kipkap 
vliegt als een weerlicht do jonge magen in. Wat de strak opgevulde magen 
niet meer kunnen opnemen, een fijn afgeknauwd been, de uivaart van een 
stuk hesp en hier en daar al een vergeten woi'st, wordt naar eenen armen 
mensch gedragen. De ^ heiluizen « vangen nu 'ncn nü.om hunnen kost rustig 
te verduM'en en gaan rond zes ure 's avonds de beminde van hun hert halen 
om op het muziek van den « open en toe " te dansen en te springen tot laat 
in den avond. J, V. 

Uit hei Niemvshlad der Kempen, N'' 4, van den 25" Januari 1891. 

Oogslgetaiken. 

De « Patatenklos. » 

Wanoer de eerdappelen uit zijn, dan geeft de boer aan knechts en meisens 
en aan zijn werkvolk eene « fooi. « De boerin bakt koeken in de pan, en- 
voor de " Patatenklos " wordt er eene gebakken met garen of verward vlas 
in. De « patatenklos w, wie is dat ?... Dat is degene die op het veld den lesten 
bosch eerdappelen uitgestoken heeft. Of er dienavond gelachen wordt ! (i) 
[St-Antonius). J. C. 

WONDERBARE INDRUKSELS. 
I. — De voetindruksels in O. L. V. Kerk te Tongeren. 

In de hoofdkerk van Tongeren, bij den ingang, bemerkt men in eenen 
blauwen steen, twee indrukscls van 50 tot 60 cm. lang op 20 cm. breed. Men 
beweert dat een man die gedurende den nacht in de kerk gedrongen was, 
om er de heilige vaten te stelen, in dien steen 2onJc, en dat hij er niet kon 
uitgetrokken woixlen dan 's anderendaags 's morgens door don koster, 
waneer deze de kerkdeuren opende. Die indruJcsels zijn de merJcteeJcens van de 
voeten des dicfs. 

II. — De hoefindruk van het ros Beiaard. 

De beruchte Roche a Bayard ligt bij Dinant stroomopwaarts van de Maas. 
De volksoverlevering verhaalt dat die rots beuren naam verschuldigd is aan 
de luim van Beiaard, het peerd der vier Heemskinderen, hetwelk er eens op 
klauterde. Heden nog toont men den reiziger /jc^ indrulcscl van een de>- hoefij- 
zcrs van het ingeleelde strijdros. 

III. — De indruksels van St-Remaclus' voeten. 

In de omstreken van Spa, nabij eene der vormaardste bronnen van die 
plaats, toont men de indrnlcseJs van Si-Bcmachis' voeten. 

(1) Yr<ïlk. Ons Volksleven, III, h\. 82 : Pedde. 



" Ons Volksleven. " 113 



IV. — De zetel van Pepijn van Herstal. 

Bertholet, de geschiedschrijver van het hertogdom Luxemburg, zegt dat 
het kasteel van La Roche van Romeinschen oorsprong is, en dat Pepijn van 
Herstal het zou veranderd hebben in een jachtgoed en er eenen opperjacht- 
meester op zou geplaatst hebben. 

Dié meening is zeker gesteund op eene volksoverlevering, want heden 
wijst men op een naburigen berg nog een soort van zit of zetel, een indruksel 
in de rots, dat de zetel van lioning Fepijn geheeten wordt, omdat volgens de 
sommigen die hertog van Austrasië de gewoonte had er zijne zittingen te 
houden en er van de vermoeienissen der jacht uit te rusten. 
V. — De indruksels van den duivel. 

Te Thy-le-Baudhuin in Namen, bestond eertijds een menhir die daar vol- 
gens de overlevering door den duivel aangebracht was en het indriikscl zijner 
Uamvcn droeg, en, overmits hij dezen steen gansch gloeiend uit de hel 
gebracht en hem op zijnen kop gedragen had, zag men er ook het indmJcsel 
in van den top zijner slaapmuts . 

VI. — De indruk van Adam's voet. 

Op het eiland Ceylon toont men het voetindriücscl van Adam,.},iQn weet dat 
dit eiland, volgens de legende, voor het Aardsch Paradijs der H. Schriftuur 
doorgaat. Alf. Harou. 



SPOTZEGSELS. 
L (10). De Grappen van de Boeren van Ooien. (Vervolg) (i) 
Men verhaalt nog het volgende op de kap der Ooienaars : 
Een boer van Ooien was eens bezig met in 'nen boom 'nen tak af te kappen, 
waar hij zelf op zat. Zijn ezel die in eene kar gespannen was, stond op den 
M'eg naar de vracht hout te wachten. 

Daar kwamen vier vieze mannen aan en die zeiden tegen den houtkapper : 
^ Eh ! vriend, ziet gij dan niet, dat ge den tak aan 't afkappen zijt daar ge 
op zit, en dat ge meteenen met tak en al op den grond valt ? » 

— " Jandorie ! da's waar, r, zei de slimmerik, '. zoo ver had ik niet nage- 
dacht. Maar vermits gijliè zoo veel verstand hebt, zoudt gij mij niet kunnen 
zeggen waneer ik sterven zal ? » 

— « Niets is gemakkelijker, « riepen de vier spuiters, « gij zult sterven 
als uw ezel vier keeren gebalkt heeft. ^ 

De' boer meende dnt het waar was, en reed terug naar huis met zijnen 
ezel, die die vracht hout trok. Eensklaps begint de ezel voor den eersten 
keer te balken, een weinig verder voor den tweeden en den derden keer en 
eenige stappen wijder balkt hij voor de vierde reis. De boer begint te beven 
en valt daar henen lijk een hout. 

De ezel komt zonder voerman thuis. Ge kunt denken hoe ongerust heel 

(1) Z. Ons Volksleven, I, bl. Gl, Ü2 en 72, ea ]I, bl. f4 en 55. 



114 « Ons Volksleven. " 



het huishouden is, en sertens alleman te been komt om den vermiste op te 
zoeken ! Men ontmoet hem eindelijk in eene kruisstraat, gedragen door de 
vier spuiters, die hem niet uit de oog hadden verloren met der haast eene 
berrie van takken gemaakt hadden, waarop zij hem naar huis brachten. 

Aan het kruispunt van den weg gekomen, wisten onze gasten geenen 
raad, want zij kenden den weg niet dien zij volgen moesten. De eene wilde 
links, de andere rechts, deze wilde zus, die wilde zoo. 

Als dat gekrekel nu lang genoeg geduurd had, stond de doode eensklaps 
recht en riep : « Nu ben ik dood, maar als ik nog leefde, ging ik altijd langs 
hier ! « En hij deed inderdaad hetgeen hij altijd gedaan iiad en kwam sprin- 
gende levend thuis. 

{Gehoord in de Kempen), Jozeb^ Cornelissen. 



ONZE-LIEVE-VROUW-WAVER. 

De blijde inkomst van den baron op O. H. Hemelvaart, 1728. 

Verzachtingen in het toepassen der lichamelijke straffen voorge- 
schreven, 1776. 

Peerken uit 't Boekweitstroo, beruchte groenedoctoor ; zijne veroor- 
deeling, 1803. 

Omstandige verhalen van blijde inkomsten, onder het leenroerig tijdvak, 
welke tot personen, die geene souvereiniteit bezitten, betrekking hebl)en, 
worden zelden aangetroffen (i). De ontdekking eener oorkonde nopens de 
inhuldiging aan Jonkheer Christiaan Guilielmus de Ruysschen, door het 
magistraat en de ingezetenen zijner baronie van O.-L.-Vrouw-Waver voor- 
bereid, mogen wij dus als eenen goeden vond beschouwen. 

Deze oorkonde staat vermeld in het Besoliifie Boeck der Prochie ende 
Baronnie van Oiise Lk've Vrautven Wacver, hegonst in July 1718, hlz. 29-31. 
Daar dit register maar zeer onlangs op den zolder van 't gemeentehuis door 
mij ontdekt werd, heeft de heer J. Th. de Raadt de gelegenheid niet ge- 
had er zich van te bedienen in zijne geschiedkundige schets over gezegde 
gemeente, van welke schets het tijdschrift Ons Volhsleven verslag heeft 
gegeven (1891, blz. 69-70). Voegen Mij er aanstonds bij dat bedoelde akte 
de eenige van 't register is die wezenlijk belang heeft. 

Christiaan Guilielmus de Ruysschen, oud-burgemeester der stad en pro- 
vincie Mechelen, had van Jonkheer Karel Philip Jozef van de Werve, bij 
akte van 16'**^" November 1726, de baronie aangekocht. Slechts op 6^^» Mei 
1728, d. i. ongeveer 18 maanden daarna, deed hij er zijne ofliciëele intrede. 
Ziehier het stuk dat het programma der hom voorbereide ontvangst uit- 
maakt. Dit programma werd vermoedelijk uitgevoerd zooals men het had 

(1) Zie : Relation de Ventrde de S. Exc. Mgr Ie Prince de Grimberghe, h Grimbei'ghe , Ie 29 sepL 
f729, par Jules Carly, et Note sur Louis Joseph, comte d'Albert, prince de Grimberghe, par 
J. Th. de Raadt. 



« Ons Volksleven. ?» ]15 



opgevat : wij vinden tocli niets waaruit blijken zou dat er eenige wijziging 
aan gebeurde. 

Op heden den 27^'®" april 1728, den üeere drossaert, borgemeestera ende sche- 
penen der baronnie van Onse Lieve Vrauvve Waever collegialiter vergaedert wesen- 
de om te resolveren ende te raemen over de inhaelinge van den Edelen Jonck- 
Heer Cristianus Guillielmus de Ruysschen, als heeredeser Baronnie ende heere- 
lycheyt, op den 6"^'*' Mey toecomende, wesende den dagh van Oase Lieve Hemel- 
vaert (sic !), soo hebben de ondergeteeckende drossaert, borgemeesters ende 
schepenen, representerende de gemeynte deser heerelycheyt ende baronnie, 
gere&olveert het naervolgende. 

Te weten op deu bestemden dagh, voor den middagh, dea selveu Edelen Heere 
de Ruysschen in corpore tegen te gaen tot aen den dyck (i) in de plaetse ende hem 
aldaer door onzen secretaris in deu naem van de ondergeschrevene te complimen- 
teren ende te verwilcomen, tot dien den selvcn heere incorpore^tc geleyden van do 
selve plaetse door de oude gulde (2), die gerangeert sal staeu op de plaetse tot aen 
het huys van Cornelis Dom, op de ordonnaire genechtcauier (3), ende aldaer aen 
den S3lven Heere door onzen secretaris van Cauwenberghe met luyder stemme op 
te lesen een lofidight, ter eere van denselven Heere gemaeckt, in eeuen grooteu 
vergulden lystc meteene schilderinge, representerende de plaetse van alhier, met 
uoflh eenige emblemata daerop staende; naer wfclcke lecture bet liecken staende 
op het eynde van 't selve diclit door twee jongens sal gesonghen worden, waer 
naer deuselven secretaris in den naem van de ondergeteeckende op te offeren 
ende te vereeren aen den Edelen Heere deser baronnie (4) ; waer naer de onder- 
geschrevene denselven Heere wederom sullen geleyden tot by den coninck ende 
deckens van de oude gulde. 

Wordende gccommitteert den heere drossiert om allen 't gene boven staet ten 
vollen te doen voltreckea ende de wercken, van dien aen te besteden ofte te doen 
maecken, suilende aen hem ter hant gestolt worden de noodige penningen door 
onsen dienende borgemeester Cornelis Dom, tegens woonsdagh, den 5" Mey naest 
comende, aldus intreckende de quitanciën van den belthauwer, schilder, vergulder 
ende over het maockeu van de dight, sal aen denselven Cornelis Dom passeren. 

Aldus'geresolveert date als boven by ons respectivelycko ondergeteeckende. De 

(1) De dijk was eertijds eene schoone dreef van aan de kom van 't dorp tot aau de Leibeek, 
tusschen de groote Waverhoef en de gewezen Witte- Wanthoef, op de baan naar Meclielen. 

(2) Die gilde heeft bestaan tot 1856. Guil. Claudius Josephus de Ruyssohen, graaf van Elissem, 
baron van O. L. V. Waver, enz., neef en opvolger van Christiaan Guilielmus, was haar hoofdman 
van 1735 tot bij zijn afsterven in 178Ö. Het eenigste gedenkstuk er van overgebleven is een fraai 
register, bevattende de statuten en de lijst der gildebrocdei s van 1685 tot 1826 en dragende voor 
opschrift : Register van de Edele Handbogh Gulde onder de protectie van den Edelen Ridder en 
H. Martelaer S. Sebastiaen. 

(8) Het woord genechte oïgenachte werd oudtijds gebruikt voor gemeentebestuur of gemeente- 
huis. 

(4) Dit liefelijk gedenkstuk zal ongetwijfeld nog bij de nazaten van graaf van Elissem berusten. 
Een photographische afdruk ervan zoude niet weinig belang opleveren voor de gemeente Waver. 



116 « Ons Volksleven, r, 



post is alnoch geresolveert te coopeii 60 pont poeder om met caraers te schieten 
op het arrivement onder de misse, emmers gelyck geordonneert sal worden, tot 
dien te engageren voor cenen dagh twee bassons, twee walthorens ende vier 
hoboyen, met dcweick sal gemaeekt worden accort. 

Aldus geresolveert. 

J. H. van den Bossche, Drossaért, 1728. 

Antoni van dei- Auwera. Corneliess Dom, 1728. Jan Beullens. Peeter Peeters. 
Jan de Peuter. Adriaen Claes. Cornelis Peeters. Adriaen Ceuppens. 

My present als secretaris C. J. van Cauwenberghe, 1728. 



* 
* 



In een opstel voerende voor titel : Een ivoord over het rechtsgebied der bezit- 
ters van heerlijkheden in Brabant {Ons Volksleven, 1891, blz. 44-46) maakt de 
heer de Raadt eenen omzendbrief bekend van den Keizer tot het magistraat 
van Keerbergen gericht en aan hetzelve bevelende, vóór de uitvoering der 
vonnissen, aan den Hoogen Raad van Brabant de dossiers der tot de pijn- 
l)ank verwezen misdadigers te onderwerpen. 

De schrijver voegt er nog bij, dat dergelijke circulaire waarschijnlijk aan 
al de andere heeren van Brabant, die het recht van hooge justitie hadden, 
gestuurd werd. Deze veronderstelling schijnt in de waarheid te blijven : 
voormeld register stelt inderdaad vast dat dit ambtsbericht, op denzelfden 
datum, aan het magistraat van O.-L.-V.-Waver gezonden werd, en de heer 
de Raadt zegt ons eene copij derzelfde missieve in de schepenregisters 
der gemeente Itegem te hebben gevonden. 

Zij was reeds door den volgenden omzendbrief voorafgegaan geworden : 

By de Keyserinne Douairièreende Koninginne. 
Lieven ende Beminden. 

De menschlieventheyt vcreysscheode dat men niet buyten maete verlenge de 
peyne van den misdadige verwesen totter doodt,wy schryven U dese togenw^oordige 
om U te onderrichten dat, sonder af te doen aen het gebruyck, van met het rad 
ofte met het vier levendich te straffen degene die plichtigh syn van grouwelycke 
misdaeden, wy willen dat in elck van dese voorvallen de rechters geven aen den 
scherprcchter behoorelycke orders, opdat den plichtigen sterve, om soo te zeggen, 
in den oogenblick van de executie. Daeromme bevelen wy U dese tegenwoordige 
te doen registreren ter greffie van uwo gerichtsbahcke ende dat, den cas voorval- 
lende, ü aen de schepenen rechtsgeleerde dese schickinge kenbaer maeckt, om 
hun daer naer te reguleren. Wij belasten U voerders daerover hot geheym te 
houden, opdat het selve tegens onze begeerte nieten worde veropenbaert ende dat 
dese gunste niet en diene om de quaetwillige te verstouten, met te verminderen in 
den geest van het publieck den schroom van dusdaenighe straffen. 
Want ons alsoo gelieft. 



« Ons Volksleven. j> 117 



Hierpiede, Lieven encle Beminden, Godt zy met U. 

Brussel den 21 Meert 177G. 
Crump(ipen) v' F. Lanné. 

(Kanselier van Brab;inf). (Griffier des Raads van Brabant). 

* 

* * 

De Noficc hisforique sur Ja commune de Wavre-Notre-Damc bevat zeer merk- 
waardige inlichtingen over den beruchlen boschdoctoor Petrus OpdeBeeck, 
beter bekend onder den toenaam van Pccrl-cn uitH Boclaccifstroo, naar de 
door hem beM'oondc hoeve. 

Ondanks al de opzoekingen van den heer de Raadt, schrijver dier historie, 
en vele pogingen, met hetzelfde doel, door mij aangewend, is het niet mo- 
gelijk geweest, ten gepasten tijde, — om ze in gemelde iVo//cc jn te lasschen 
— de hand te leggen op de akte der veroordeeliiig die den befaamden ge- 
neesmeester trof, wiens wonderlijke genezingen alsdan te O.-L.-V.-Waver 
zieken uit alle streken des lands, ja, zelfs uit den vreemde deden toestroo- 
raen. 't Is maar kortelings dat de heer de Raadt vernam en mij mededeelde 
dat een gedrukt exemplaar van dit belangrijk document in 't bezit is van 
den heer rechter Op de Beeck, te Antwerpen, oud-vrederechter van 't kan- 
ton Duffel. Met de meeste bereidwilligheid h aeft deze heer er mij copij laten 
van nemen. Uit dit stuk blijkt dat onze groenedoctoor, Hel Boerl;cn van'tBoek- 
iDcy-sirooy genaamd en zich uitgevende voor gepatenteerd apotheker, oud 
70 jaar, door de rechtbank van eersten aanleg van 't arrondissement Meche- 
len (Departement der Beide Nethen), in dato 7 Nivóse, jaar IX (28 December 
1803) veroordeeld werd tot vier maand gevangenzitting, drij duizend frank 
boet, tot de kosten van drukken en aanplakken van 500 exemplaren van 
't vonnis en bovendien tot alle overige kosten van de rechtspleging. 

Pccriccn was beticht geworden van inbreuk op de wetten en ordonnan- 
ciën de geneeskunde betreffende, van verkoop van bedorven of, voor 't 
minst, krachtelooze drogen en geneesmiddelen, alsook van, door valsche 
aantijgingen van beheksing en tooverij, den vrede der huisgezinnen te 
storen, en van zijnen medeburgers geld af te troggelen. De beweeggronden 
van het vonnis zijn zeer streng voor den millioenrijken genezer; zij melden, 
o, a., dat de betichte, om des te beter zijne onwetendheid en onbekwaam- 
heid in zake van geneeskunde te dekken, zijne toevlucht neemt tot fanatis- 
mus, bijgeloof, leugen, schijnheiligheid, met degenen, die zich, in wanhopi- 
gen toestand, tot hem wenden, wijs te maken dat zij betooverd of, volgens 
zijne gewone uitdrukking, van eene kwade hand geraakt zijn, nu weer eens 
zeggende dat hij ze niet kan genezen, wijl de zieke te dicht bij de toover- 
heks woont, dan weer aan die gewaande beheksten eenige brokken van 
Agnus Dei, Jcoiid hirhvatcr, getvijde olie of andere soortgelijke dingen ver- 
koopende of gevende; dat hij het bezigen dier middelen laat samengaan met 
bijgeloovige praktijken en gebaren, enz. enz. 

Hetzelfde document vermeldt ook dat, reeds onder het Oostenrijksch 



& 



118 « Ons Volksleven. « 



Beheer, PccrA:eM meermaals om dergelijke overtredingen door het gerecht 
v'ds gestraft geworden. 

Dit vonnis, geschreven in den opgeschroefden en alles behalve keurigen 
stijl, eigen aan de Fransche Republiek, schijnt ons geenszins vrij te pleiten 
van overdrijving en stelselmatigheid. 

Brussel, den 26 Augusti 1891. Paul Notelteirs. 



BOEKBESPREKING. 



Contes Populaires du PaysWallon, par Aug. Gittée et Jules Lemoine. 
lllustrations de J. Heylemans. — Gand, J. Vanderpoorten, 1891. — 

Fraai boekd. in kl. 8" van 176 bl. met 100 fig. en gekl. omslag. Prijs fr. 1,50. 



Daar was eens 'ne keer ! Hoe menigmaal hebben wij die woorden niet 

hoeren uitspreken, als wij met gaponden mond, de oogcn brandende van nieuws- 
gierigheid en starlings op den verteller gericht, met gespannen aandacht luister- 
den naar de vertelsels, die men ons opdischte. 

Die stonden in den huiskring rond den heerd, of buiten op den keldermond, of 
onder den lantcernpaal gesleten, laten eenen blijvenden indruk na, die zelfs door 
de zorgen van latere jaren niet geheel kan uitgewischt worden. 

En telkenmale wij eenen meuvfen verieïselhoeJc ter hand krijgen, keereu die 
gedachten aan de kinderjaren met verdubbelde kracht terug, en met stillen wee- 
moed zien wij al de gelukkige beelden eener zorgelooze kindsheid voor ons oog 
oprijzen. 

Daarom ook juichen wij elke poging toe, die gedaan woidt om datgene voor 
vergetelheid te vrijwaren, wat der kinderen grootste geluk, hunne aangenaamste 
uitspanning uitmaakt. 

In onze oogcn heeft het werk der heeren Gittée en Lemoine cene dubbele weerde. 
Eensdeels als verzameling van vertelsels die, — hoezeer sommige waanwijzen er 
ook den neus voor optrekken, — toch dikwijls meer levenswijsheid, natuurlijk- 
heid en onf^ukunstelden eenvoud, bij verrassende wijze van opvattingen ontknoo- 
piug verraden, aan menie: met moeite en zorg aaoeengeknutseld letterkundig 
verhaal ; anderendeels omdat de boek, bij ons besie weten, de eerste verzameling 
van Waalsche vertelsels uitmaakt, die in 't licht gezonden werd. 

Niet min dan 41 stuks van allen aard, en over allerlei onderwerpen, opge- 
luisterd met een lOOtal penteekeningen, waarvan vele zeer goed gelukt zijn, en 
aan den verhaaltrant nog meer leven bijzetten, krijgen wij hier te lezen. 

De meeste dier vertelsels zijn opgegaard in 't Henegoawsche en het Naamsche; 
toch zullen zij, zooals de 11' Gittée te recht meent, ook wel in de andere Waalsche 
streken, met min of meer verschil, gekend zijn, zooals dit overigens ook het geval 
is met het V'laamsche gedeelte van ons land. 

De stoffelijke uitvoering is zeer keurig en verzorgd, en doet eer aan den uitge- 
ver, die aan eenen zeer billijken prijs een aangenamen en prachtigen boek levert, 
dien wij onzen lezeron volgeerne aanbevelen. J. B. Veevliet. 

English fairy and other folk tales. Selectcd and edited, witli an intro- 
duction, by Edwin Sidwey Haetland. — London : Walter Scott, 24, Warwick 
Lane, Paternoster Row. (Fraai boekd. in-16° van XXVI — 282 bladz. in Engelsch 
linnen band. Prijs 1 schilling. Verschenen in The Camclot Series). 

Engeland is het land, waar in de laatste jaren de studie der folklore, onder 
; wetenschappelijk oogpunt, den grootsten voortgang gedaan heeft. 



« Ons Volksleven. » 119 



Niet onbelangrijk is het aantal werken, aldaar binnen dit tijdverloop over de 
volkskunde verschenen; toch zijn die werken hier te lande zeldzaam, veeltijds 
peheel onbekend, wat ons dunkens zijne reden vindt in het feit, dat doorgaans 
de Eugelsche boekeu, (behoudens enkele uitzonderingen), buitengewoon duur zijn. 

Het werk, waaraan wij deze btsspreking wijden, maakt op dien regel eene 
loffelijke uitzondering, door zijnen lagen prijs, zijnet! eenvoudigen maar netten 
band, zijnen helderen druk en stevig papier. 

Voor den volkskundige is dit alles echter maar bijzaak ; veel meer hecht hij aan 
het innerlijke, en onder dat oogpunt zal die boek hem ook voerzeker welgevallig 
zijn.